← België

ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100211.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 11 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100211.4 Rolnummer: F.09.0059.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Overige Invoerdatum: 2010-03-04 Raadplegingen: 202 - laatst gezien 2026-07-02 21:23 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100211.4 Fiche De vermindering van het kadastraal inkomen bij toepassing van artikel 15, § 1, 1° en 2° van het W.I.B.

(1992), vereist dat het goed niet gebruikt wordt door omstandigheden buiten de wil van de eigenaar; het aanwenden van een pand voor het opbergen of stockeren van roerende goederen, tijdens de uitvoering van verbouwingswerken, sluit een gebruik niet uit in de zin van dit artikel
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Inkomsten uit onroerende goederen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in belastingzaken - Vereiste vermeldingen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Onroerende goederen Vrije woorden: Kadastraal inkomen - Proportionele vermindering wegens onproductiviteit - Toepassingsvoorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 15, § 1, 1° en 2° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ F.09.0059.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: 1. Het enig middel tot cassatie komt op tegen de beslissing die eiser weigerde de gevraagde kwijtschelding of vermindering van de onroerende voorheffing of het belastbaar inkomen te verlenen vanaf 1 oktober 1997, wegens improductiviteit van het betrokken pand waarin eiser een hotel wou vestigen. Het pand, dat na ingrijpende uitrustingswerken omgevormd werd tot een hotel, stond sedert 1 december 1995 onverhuurd leeg, terwijl pas op 5 januari 2000 het laatste attest werd ontvangen, vereist om met de exploitatie van het hotel te kunnen beginnen. Volgens het middel laat de vaststelling in het arrest "dat (eiser) tijdens het verloop van de werken hoteluitrusting heeft aangeschaft om onmiddellijk te kunnen starten wanneer de vergunningen werden verkregen en dat deze uitrusting (bedden, matrassen) aanwezig was in het gebouw", niet toe om te besluiten dat het pand daardoor gedeeltelijk werd gebruikt in de zin van artikel 15, §1, 1°, W.I.B.
(1992).
  1. Overeenkomstig deze bepaling wordt het kadastraal inkomen proportioneel verminderd wanneer een niet gemeubileerd gebouwd onroerend goed in de loop van het jaar gedurende ten minste 90 dagen volstrekt niet in gebruik is genomen en volstrekt geen inkomsten heeft opgebracht.
  2. Voor de toepassing van deze bepaling wordt duidelijk als voorwaarde vooropgesteld dat het gebouwd onroerende goed niet gemeubileerd mag zijn. Een gemeubileerd gebouwd onroerend goed komt derhalve niet in aanmerking voor een proportionele vermindering van het kadastraal inkomen wanneer het gedurende ten minste 90 dagen volstrekt niet in gebruik is genomen en volstrekt geen inkomsten heeft opgebracht. Het loutere feit dat een pand gemeubileerd is, doet als het ware onweerlegbaar vermoeden dat het pand effectief in gebruik is genomen, reden waarom gemeubileerde gebouwde onroerende goederen als zodanig uit het toepassingsgebied van artikel 15, §1, 1°, W.I.B.
(1992)werden geweerd. 4. Verweerder in cassatie gaat er in zijn memorie van antwoord verkeerdelijk van uit als zou het bestreden arrest eisers verzoek tot kwijtschelding of vermindering van het kadastraal inkomen en de onroerende voorheffing verworpen hebben op grond van het gemeubileerd zijn van het pand. Het arrest komt tot dat besluit op grond van de vaststelling dat de aanwezigheid van hoteluitrusting een ‘gebruik' uitmaakt in de zin van voormelde bepaling. De omstandigheid dat het bestreden arrest vaststelt dat hoteluitrusting (bedden, matrassen) aanwezig was in het gebouw, dat er meubels in het pand waren opgeslagen en dat verdiepingen van het pand werden gebruikt voor de stockering van meubelen, vermag hieraan geen afbreuk te doen. Een gebouwd onroerend goed kan immers niet als ‘gemeubileerd' worden beschouwd in de zin van artikel 15, §1, 1°, W.I.B.
(1992)wanneer het gedurende de uitvoering van renovatie- of verbouwingswerken gebruikt wordt voor de opslag of stockering van meubelen waarmee het na het beëindigen van die werken zal worden bemeubeld. 5. Onvrijwillige improductiviteit bij verbouwingswerken geeft in de regel aanleiding tot proportionele vermindering van onroerende voorheffing en het kadastraal inkomen (Antwerpen 14 november 1989, Fisc. Koer. 1990, 356; Antwerpen 23 juni 1981, T. Not. 1984, 47; Brussel 26 juni 1990, Bull. Bel. 1990, nr. 705; Brussel 20 mei 1986, J.D.F. 1987, 125; Rb. Namen 6 november 2002, F.J.F. 2003, 127, p. 481). Doch het aanwenden van een pand als ruimte voor het opbergen of stockeren van meubels, ook al gebeurt zulks tijdens de uitvoering van verbouwingswerken, wijst wel degelijk op een gedeeltelijk gebruik van dat pand in de zin van artikel 15, §1, 1°, W.I.B.
(1992)(cfr. Bergen 22 september 1989, Bull. Bel. 1989, nr. 608; Antwerpen 22 maart 1984, Bull. Bel. 1984, nr. 656, p. 2768). Het in de artikelen 170 en 172 van de Grondwet neergelegd legaliteitsbeginsel noopt er overigens toe deze fiscale bepaling, welke voorziet in een kwijtschelding of vermindering van belasting, strikt te interpreteren. Overigens voorziet deze bepaling uitdrukkelijk dat het goed (gedurende ten minste 90 dagen) ‘volstrekt' niet in gebruik mag zijn genomen, zodat elk gebruik, hoe miniem ook, belastingvermindering uitsluit. De appelrechters hebben derhalve wettig geoordeeld dat het feit dat er meubels in het pand werden opgeslagen, aantoont dat het pand vanaf 1 oktober 1997 dienstig was voor het opbergen van meubels en gedeeltelijk gebruikt werd in de zin van artikel 15, §1, 1°, W.I.B.
(1992). 6. In zijn memorie van antwoord werpt verweerder terecht op dat eiser tevergeefs tracht de hoteluitrusting van het betrokken pand gelijk te schakelen met het materieel en de outillage, zijnde toestellen, machines en andere installaties, dienstig voor een nijverheids-, handels- of ambachtsbedrijf (cfr. artikel 471, §3, W.I.B.
(1992)). Deze nijverheids-, handels- of ambachtsbedrijven kunnen niet worden beschouwd als gemeubileerde onroerende goederen in de zin van artikel 15, §1, 1°, W.I.B.
(1992)en vallen onder de specifieke voorschriften van artikel 15, §1, 2° en 3°, W.I.B.
(1992)). Overeenkomstig deze bepalingen is de kwijtschelding of vermindering van grondbelasting en onroerende voorheffing afhankelijk van het al dan niet buiten werking zijn van deze toestellen, machines en andere installaties. De aanwezigheid van "materieel en de outillage" in die bedrijven, kan bijgevolg, bij inactiviteit van die bedrijven, geen hindernis vormen voor het verlenen van een kwijtschelding of vermindering. Het is vanuit dit wettelijk kader dat de passus moet worden gezien die eiser citeert uit de memorie van toelichting; uit de daaraan voorafgaande zinsnede blijkt overigens duidelijk dat die passus betrekking heeft op "de tot industriële of handelsdoeleinden gebruikte onroerende goederen." (Memorie van toelichting, Parl. St. Kamer, Buitengewone zittijd 1950, nr. 215, p. 4: "(...) de tot industriële of handelsdoeleinden gebruikte onroerende goederen die gedurende de hierboven vermelde minimum duur inactief zouden blijven, worden niet als gemeubileerde onroerende goederen aangezien; de omstandigheid, dat er zich, niettegenstaande de inactiviteit, machines, gerief en andere roerende voorwerpen in direct verband met de exploitatie zouden bevinden, zal dus geen hindernis uitmaken voor het verlenen van kwijtschelding of de vermindering van grondbelasting voor zover, wel te verstaan, de inactiviteit ten minste honderd tachtig dagen per jaar duurt"). Een hotel kan evenwel niet beschouwd worden als een "nijverheids-, handels- of ambachtsbedrijf", terwijl een hoteluitrusting (meubelen, bedden, matrassen) niet kan beantwoorden aan het begrip "materieel en outillage", bedoeld in artikel 15, §1, 2° en 3°, W.I.B.
(1992). De loutere aanwezigheid van deze uitrusting in het pand van eiser, verhinderde bijgevolg dat een kwijtschelding of vermindering van grondbelasting en onroerende voorheffing kon worden bekomen, spijts het inactief zijn van het hotel. Het enig middel kan bijgevolg niet worden aangenomen. Besluit: VERWERPING. ARREST Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100211.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.