id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100225.9 Rolnummer: C.09.0043.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-03-24 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-07-02 21:28 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100225.9 Fiche 1 Er komt slechts een voorkooprecht toe aan de pachter wiens pachtovereenkomst op het ogenblik van de verkoop nog onder toepassing van de Pachtwet valt
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Voorkooprecht UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Landpacht - Vervreemding - voorkoop Vrije woorden: Verkoop van het in pacht gegeven goed - Voorkooprecht van de pachter Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1711, derde lid Wet - 04-11-1969 - Artt. 1, 47 en 52, 1° Fiche 2 De paragraaf van de Pachtwet betreffende de opzegging door de verpachter heeft enkel betrekking op een opzegging die voldoet aan de voorwaarden gesteld door artikel 1 van de wet
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Einde (Opzegging. Verlenging. Terugkeer. Enz) UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Landpacht - Vervreemding - voorkoop Vrije woorden: Opzegging door de verpachter Wettelijke bepalingen: Wet - 04-11-1969 - Art. 1, § 3 Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal DUBRULLE. Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Voorkooprecht UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Landpacht - Vervreemding - voorkoop Vrije woorden: Verkoop van het in pacht gegeven goed - Voorkooprecht van de pachter Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Einde (Opzegging. Verlenging. Terugkeer. Enz) UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Landpacht - Vervreemding - voorkoop Vrije woorden: Opzegging door de verpachter Tekst van de conclusie C.09.0043.N Conclusie van advocaat-generaal Dubrulle
- Het geschil heeft betrekking op de verkoop van gronden door de eiseressen, volgens hen zonder miskenning van het voorkooprecht van een pachter en een geldig door hen gegeven opzegging van de huur. De vrederechter verklaarde de vorderingen van de heer (L.), pachter, rechtsvoorganger van de eerste verweerders, en deze van de tweede verweerster ten dele gegrond: in zijn vonnis zegt hij voor recht dat de verkoop van drie percelen grond aan de eerste eiseres is gebeurd met miskenning van het voorkooprecht van (L.) en dat deze in de plaats wordt gesteld van eerste eiseres, die hij veroordeelt tot het betalen van een schadevergoeding van 2.500 euro aan (L.) en tot de kosten van het geding. In een tweede vonnis van dezelfde datum wordt de vordering van eerste eiseres tot geldigverklaring van de pachtopzegging afgewezen als ongegrond. Zij werd hierin ook verwezen in de kosten. De hogere beroepen van de eerste en tweede eisers tegen de beide vonnissen werden door het bestreden vonnis gevoegd en in zeer beperkte mate gegrond verklaard. De rechtbank deed het eerste beroepen vonnis teniet in de mate dat aan eerste verweerders, die het geding hadden hervat voor de ondertussen overleden (L.), een schadevergoeding werd toegekend en verleende hen, opnieuw oordelend, enkel voorbehoud. De beide vonnissen werden voor al het overige bevestigd.
- Het eerste middel is gericht tegen het ontvankelijk en gegrond verklaren van de vordering van (L.) tot indeplaatsstelling en voert hiervoor een schending aan van artikel 149 van de Grondwet, het algemeen rechtsbeginsel overeenkomstig hetwelk de rechter verplicht is het recht toe te passen op de hem voorgelegde feiten, het beschikkingsbeginsel , de artikelen 1, 47 en 52, enig lid, 1° van de Pachtwet en de artikelen 702, 3° en 1138, 2° en 3° van het Gerechtelijk Wetboek. Het derde onderdeel komt mij gegrond voor. Het is als volgt geformuleerd: "In zoverre het vonnis zo moet worden gelezen dat de appelrechters impliciet maar zeker oordelen dat het irrelevant is of de rechtsvoorganger van verweerders sub I op het ogenblik van de verkoop nog persoonlijk de bedoelde goederen exploiteerde en deze exploitatie voldeed aan het vereiste van artikel 1 van de Pachtwet, zijnde een bedrijfsmatige exploitatie, schenden zij de bedoelde artikelen van de Pachtwet, en in het bijzonder artikel 52, 1° van de Pachtwet nu overeenkomstig dit artikel de pachter geen recht van voorkoop meer heeft indien hij op het ogenblik van de verkoop van de goederen niet meer persoonlijk exploiteert en deze exploitatie voldoet aan het vereiste van artikel 1 van de Pachtwet, met name een bedrijfsmatige exploitatie". Artikel 1711, derde lid van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat onder pacht de huur van landeigendommen wordt begrepen. Artikel 1, 1° van de Pachtwet verklaart deze wet van toepassing op de pacht van onroerende goederen die door de pachter hoofdzakelijk gebruikt worden in zijn landbouwbedrijf en dat onder "landbouwbedrijf" wordt verstaan "de bedrijfsmatige exploitatie van onroerende goederen met het oog op het voortbrengen van landbouwproducten die in hoofdzaak bestemd zijn voor de verkoop". Bij verkoop van een in pacht gegeven landeigendom kent artikel 47 van de Pachtwet aan de pachter het recht van voorkoop toe voor zichzelf of zijn erin vernoemde verwanten die daadwerkelijk aan de exploitatie van de "in pacht gegeven landeigendom" deelnemen. Het voorkooprecht komt dus alleen aan de door de Pachtwet beschermde pachter toe. Om op dat recht aanspraak te kunnen maken, moet men derhalve niet alleen pachter zijn, maar moet de ingeroepen pachtovereenkomst door de Pachtwet worden beschermd
(1), wat, onder meer, betekent dat de pacht moet voldoen aan de voorwaarde van artikel 1, 1°. Artikel 52, enig lid, 1° van de Pachtwet bepaalt overigens uitdrukkelijk dat de pachter geen recht van voorkoop heeft, indien het goed niet geëxploiteerd wordt door hem persoonlijk of door de genoemde verwanten. Het onderzoek naar de gegrondheid van de vordering van de verweerders vereiste dus een onderzoek naar de vraag of, op het ogenblik van de verkoop, de voorwaarde van beroepsmatige exploitatie vervuld was, wat volgens de eisers niet het geval was, daar (L.) toen, na zijn pensionering, nog slechts uit liefhebberij op het goed Brabantse trekpaarden hield. De eisers bekritiseerden de beroepen vonnissen, waarin geoordeeld werd dat "de oorspronkelijke pacht niet ipso facto van karakter (verandert) en pacht blijft ...' omdat ‘... voorafgaandelijk aan de kwestieuze verkopen geen einde (werd) gesteld (aan de pacht)". De appelrechters antwoordden hierop dat het voorkooprecht van de pachter een attribuut is van het pachtrecht en dat het louter feit pachter te zijn het voorkooprecht doet ontstaan. Ze besluiten dat het recht van voorkoop in hoofde van (L.) bestond en dat deze vaststelling volstaat, zonder dat het vereist is na te gaan of er nog van exploitatie van het goed sprake was. Aldus schenden ze de aangevoerde bepalingen van de Pachtwet.
- Het tweede middel is gericht tegen de afwijzing van de vordering van de eiseressen tot geldigverklaring van de huuropzeg en voert een schending aan van de artikelen 149 van de Grondwet en 1 en 12 en, voor zoveel als nodig, van 6, 7, 8, 9, 10, 11, 13 en 46 van de Pachtwet. De appelrechters verwerpen deze vordering en gaan daarbij ervan uit dat een pachtovereenkomst alleen kan worden opgezegd overeenkomstig de artikelen 6 en volgende van de pachtwet, wat terzake niet is gebeurd, omdat de brieven van 22 april 2002 en van 17 juni 2002 van de eerste eiseres, waarmede zij de overeenkomst wenste te beëindigen, niet beantwoorden aan de vereisten van artikel 6 en volgende en van artikel 12 van de Pachtwet en omdat tot op de datum van de uitspraak de pacht op geen enkele rechtsgeldige manier werd beëindigd. Volgens het middel schenden ze aldus de aangewezen artikelen van de Pachtwet, aangezien de pachter door de beëindiging van de landbouwexploitatie de bescherming van de Pachtwet verliest, wat ten deze het geval is. Ook dit middel is gegrond. Paragraaf 3 van de Pachtwet, die de artikelen 6 tot 13 bevat, regelt de opzegging van de landpacht door de verpachter. De Pachtwet is enkel van toepassing op de landpachten die beantwoorden aan de voorwaarden van haar artikel
- Eén van deze voorwaarden is de exploitatie van een landbouwbedrijf, in de zin van artikel 1, 1°. De appelrechters konden dus niet weigeren de vordering tot opzegging van de pacht geldig te verklaren zonder te onderzoeken of het goed toen nog bedrijfsmatig geëxploiteerd was.
- Conclusie: vernietiging en verwijzing naar een andere rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende in hoger beroep. __________
(1)E. Stassijns, A.P.R., tw. Pacht, 481, nr. 473. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100225.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div