id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 01 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100301.3 Rolnummer: C.09.0392.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-17 Raadplegingen: 269 - laatst gezien 2026-07-02 21:30 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100301.3 Fiche 1 Het bevel tot staking is een preventieve maatregel die niet alleen ertoe strekt de macht van de rechter om het herstel te bevelen veilig te stellen, maar ook bedoeld is om inbreuken op de wettelijke regels inzake ruimtelijke ordening zoals bedoeld in artikel 146 van het decreet te voorkomen. Het komt aan de rechter toe het bevel tot staking op zijn externe en interne wettigheid te toetsen, alsmede te onderzoeken of het strookt met de wet dan wel op machtsoverschrijding of machtsafwending berust
(1).
(1)Zie de conclusies van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - ALGEMEEN UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Algemeen Vrije woorden: Handhaving - Stakingsbevel - Aard van de maatregel Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Art. 154 Fiche 2 Conclusie van advocaat-generaal MORTIER. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - ALGEMEEN UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Algemeen Vrije woorden: Handhaving - Stakingsbevel - Aard van de maatregel Tekst van de conclusie PARQUET DE LA COUR DE CASSATION _____ C.09.0392.N Advocaat-generaal Mortier heeft in substantie gezegd: 1. Artikel 154 DRO van 18 mei 1999 bepaalt dat de erin genoemde ambtenaren de onmiddellijke staking van het werk, van de handelingen of van het gebruik bevelen indien zij vaststellen dat deze een inbreuk vormen zoals bedoeld in artikel 146. 2. Uw Hof oordeelt dat het bevel tot staking een preventieve maatregel is. In die zin werd geoordeeld bij arresten van 18 mei 2007
(1)en 16 januari 2009
(2). 3. Dit oordeel sluit aan bij de wil van de decreetgever die de mogelijkheid voor de administratie om wederrechtelijk uitgevoerde werken, handelingen of het gebruik stil te leggen kaderde in een preventiebeleid dat de overheid wenst na te streven om aldus te vermijden dat het kwaad volledig is geschied en de rechter die over de herstelmaatregel moet oordelen voor voldongen feiten wordt gesteld
(3). 4. In de rechtsleer wordt het stakingsbevel omschreven als een administratieve sanctie die preventief opgelegd wordt in afwachting van een beslissing ten gronde over de regelmatigheid van de werken, handelingen of gebruik en de herstelmaatregel die moet opgelegd worden
(4). De mogelijkheid voor de administratie voor een preventieve stillegging verhindert een verdere aantasting van de goede ruimtelijke ordening, voorkomt dat de overheid wordt geconfronteerd met de problematiek van het "voldongen feit" en voorkomt dat aanzienlijke bedragen worden geïnvesteerd die nadien verloren blijken te zijn en dat jaren later een rechter een herstelmaatregel dient te bevelen met alle mogelijke sociale en economische drama's van dien
(5). In tegenstelling tot het vorderen van herstelmaatregelen, waardoor de overheid a posteriori beoogt de gevolgen van een reeds voltrokken bouwmisdrijf te doen verdwijnen, wordt met de stopzetting een preventief optreden mogelijk gemaakt om het totstandkomen van moeilijk herstelbare situaties en latere zware herstelmaatregelen te vermijden
(6). Het bevel tot stopzetting heeft aldus een dubbele finaliteit. Voorkomen dat een verdere aantasting van de ruimtelijke ordening gebeurt en voorkomen dat de beoordeling van het herstel door de rechter wordt gehypothekeerd.
- Om een stakingsbevel te kunnen opleggen moet het gaan om een werk, handeling of gebruik die een inbreuk vormt op artikel 146 DRO. Het gaat hierbij om meer dan het louter onvergund bouwen van vergunningsplichtige constructies. Ook het wijzigen van het reliëf van de bodem, het gewoonlijk gebruiken van een grond voor de doeleinden bepaald in artikel 99 of het onvergund wijzigen van de hoofdfunctie zijn handelingen die voorwerp kunnen zijn van een stakingsbevel.
- In de rechtsleer wordt er op gewezen dat de rechter die geconfronteerd wordt met een verzoek tot opheffing van het stakingsbevel, zich vaak laat leiden door een belangenafweging en daarbij vaak abstractie maakt van de vraag of voor het stopgezette werk wel een vergunning nodig of voorhanden is. Stopzettingsbevelen worden vaak opgeheven wanneer die klaarblijkelijk laattijdig zijn vb. wanneer het grootste gedeelte van de vergunningsplichtige werken reeds voltooid is, of wanneer de stillegging een te drastische maatregel lijkt die niet in verhouding staat tot het gebrek aan ernst van de gepleegde inbreuk
(7). 7. Eiser voert aan dat hij in synthesebesluiten in hoger beroep een duidelijke omschrijving had gegeven van de wederrechtelijke werken, handelingen en het gebruik die het voorwerp waren van de opeenvolgende stakingsbevelen. Het betrof hier niet alleen het onvergund oprichten van een boogloods maar ondermeer ook het gewoonlijk gebruiken van de grond voor het opslaan van materialen waarvoor verweerder geen stedenbouwkundige vergunning bezat. De appelrechters betrekken de beoordeling van het belang enkel op de boogloods waarvan de bouw is voltooid en oordelen dat het verder gebruik van de loods de mogelijkheid voor de rechter om te herstelmaatregel te bevelen niet hypothekeert omdat ook zonder het gebruik de boogloods blijft bestaan. Zij bevelen de opheffing van de stakingsbevelen omdat er machtsoverschrijding aan de orde is nu de stakingsbevelen tot gebruik in niets bijdragen tot het vrijwaren van de mogelijkheid van de rechter om het herstel te bevelen. In zoverre zij hiermee ook het stakingsbevel dat betrekking heeft op het wederrechtelijke gewoonlijk gebruiken van de grond opheffen verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht nu het wederrechtelijk gewoonlijk gebruiken van de grond een aantasting van de goede ruimtelijke ordening impliceert en de appelrechters noch de vergunningsplicht, noch deze aantasting van de goede ruimtelijke ordening in hun beoordeling betrekken. Het tweede onderdeel is in zoverre gegrond. Conclusie: VERNIETIGING ________________
(1)Cass. 18 mei 2007, A.R. C.06.0567.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070518.2.
(2)Cass. 16 jan. 2009, A.R. C.06.0480.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090116.3.
(3)Parl.St Vl.Raad, 1998-99, nr. 1332-1/7 en D. Lindemans en T.Eyskens, in Ruimtelijke ordening en Stedenbouw - Vlaams Gewest, Artikelsgewijze commentaar, artikel 154/4.
(4)D. Lindemans en T.Eyskens, in Ruimtelijke ordening en Stedenbouw - Vlaams Gewest, Artikelsgewijze commentaar, artikel 154/4.
(5)G. Debersaques, Handhaving in handboek Ruimtelijke ordening en stedenbouw, Die Keure, 2004, 848.
(6)B. Bouckaert en T. De Waele, Ruimtelijke ordening en stedenbouw in het Vlaamse gewest, Mys en Breesch, 2000, 208.
(7)B. Bouckaert en T. De Waele, ruimtelijke ordening en stedenbouw in het Vlaamse gewest, Mys en Breesch, 2000, 209-210. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100301.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070518.2 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090116.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div