id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 11 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100311.2 Rolnummer: F.09.0032.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-03-24 Raadplegingen: 225 - laatst gezien 2026-07-02 21:34 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.2 Fiche 1 Artikel 64, § 1 en 2, van het B.T.W.-Wetboek houden een weerlegbaar wettelijk vermoeden in dat de bewijslast omkeert in het voordeel van de belastingadministratie; indien de belastingadministratie bewijst dat de belastingplichtige goederen, verkregen of geproduceerd om ze te verkopen, heeft geleverd of diensten heeft verricht, moet deze laatste om aan de heffing van B.T.W. over de omzet te ontsnappen, aantonen dat de goederen niet werden verkocht of dat de levering of de dienstverstrekking geheel of ten dele vrijgesteld is van B.T.W.
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Bewijslast FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Bewijs - controle (B.T.W.) FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Bewijslast belastingrecht Vrije woorden: Bewijsmiddelen - Bewijslastverdeling - Artikel 64, § 1 en 2 B.T.W.-Wetboek - Wettelijk vermoeden Wettelijke bepalingen: Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 64, §§ 1 en 2 Fiche 2 Conclusie advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Bewijslast FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Bewijs - controle (B.T.W.) FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Bewijslast belastingrecht Vrije woorden: Bewijsmiddelen - Bewijslastverdeling - Artikel 64, § 1 en 2 B.T.W.-Wetboek - Wettelijk vermoeden Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ F.09.0092.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101015.7 Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: I. De feiten en procedurevoorgaanden. De verweerder was BTW-belastingplichtige met als activiteit kleinhandel in motorvoertuigen. De verweerder heeft inzake de personenbelasting voor de aanslagjaren 1995 en 1996 twee akkoordverklaringen ondertekend, waarbij hij zich telkens akkoord verklaart met een netto-winst in plaats het in de aangifte vermelde netto-verlies. Die akkoordverklaringen vermelden uitdrukkelijk dat het om een omzetverhoging gaat en verwijzen naar BTW op de marge. Op 18 september 1998 stelde de BTW-controle een PV op warbij zij op grond van die akkoordverklaringen vaststelt dat de verweerder aan de administratie BTW verschuldigd is. De verweerder gaat niet akkoord en op 9 maart 1999 vaardigt het BTW-ontvangkantoor een dwangbevel uit. Op 23 oktober 2003 tekent verweerder verzet tegen dwangbevel aan. De eerste rechter verklaart de vordering ongegrond omdat de akkoordverklaringen inzake directe belastingen een schriftelijk bewijs vormen aangaande de BTW. De appelrechters stellen daartegen vast dat de akkoordverklaringen weliswaar niet anders kunnen worden geïnterpreteerd dan dat de herberekening van de winst in de directe belastingen integraal het gevolg is van de verhoging van de omzet, maar dat daaruit niet met zekerheid kan worden afgeleid dat die verhoging van de omzet integraal aan BTW onderworpen is. De verweerder zou immers zowel omzet halen uit Belgische activiteit die aan BTW onderworpen is als uit activiteit buiten België die niet aan BTW onderworden is. Bovendien zou hij ook toepassing kunnen maken op de bijzondere regeling van belasting over de winstmarge, zodat hij geen BTW verschuldigd is op de volledige omzet, maar slechts op de winstmarge. De appelrechters oordelen dat de Staat de bewijslast verkeerdelijk omdraait waar ze aanvoert dat de belastingplichtige het bewijs moet leveren van de rechtsgeldige toepassing van de regels houdende BTW-vrijstelling of van enige bijzondere regeling. II. De voorziening in cassatie. 1. Het enig middel. In het enig middel voert de Belgische Staat aan dat met toepassing van de wettelijke vermoedens geformuleerd in artikel 64, §§1 en 2 van het BTW-wetboek, de stijging van de omzet van een belastingplichtige geacht kan worden betrekking te hebben op leveringen van goederen en diensten die aan BTW zijn onderworpen, behoudens tegenbewijs door de belastingplichtige. Het bestreden arrest zou niet zonder schending van het wettelijk vermoeden dat leveringen behoudens tegenbewijs aan BTW zijn onderworpen, hebben kunnen beslissen dat de navordering bij dwangbevel niet wettelijk was op grond dat eiser niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast. 2. Het wettelijk kader. Overeenkomstig artikel 51, §1, 1° van het BTW-wetboek, is de belasting verschuldigd door de belastingplichtige die in België een belastbare levering van goederen of een belastbare dienst verricht. Ook op grond van artikel 2, a van de Richtlijn 2006/112 van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB. L 347, 11.12.2006), zijn de leveringen van goederen, die binnen het grondgebied van een Lid-Staat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de BTW onderworpen.
(1)Artikel 59, §1, eerste lid, BTW-wetboek schrijft voor dat overtredingen van de bepalingen van dit wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, door de administratie kunnen worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën die, overeenkomstig het tweede lid van §1, bewijs opleveren zolang het tegendeel niet is bewezen. De gemeenrechtelijke regels inzake de bewijslastverdeling zijn neergelegd in de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek. Krachtens artikel 1315 B.W. moet hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bestaan daarvan bewijzen en omgekeerd, moet hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht. Artikel 870 Ger. W. bepaalt anderzijds dat iedere partij het bewijs moet leveren van de feiten die zij aanvoert. Krachtens artikel 64, §1, BTW-wetboek wordt hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, behoudens tegenbewijs geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt, terwijl overeenkomstig §2 van dit artikel, hij die diensten verricht, behoudens tegenbewijs geacht dat te hebben gedaan onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt. Uit de samenlezing van deze bepalingen volgt dat de bewijslast van een belastbare handeling in beginsel bij de administratie berust, terwijl de bewijslast van het recht op toepassing van een belastingvrijstelling rust op degene die ze inroept.
(2)Wanneer de administratie bewijst dat leveringen van goederen en diensten hebben plaatsgevonden in de uitoefening van de beroepswerkzaamheid van de belastingplichtige, keren de vermoedens van artikel 64, §§1 en 2, BTW-wetboek, de bewijslast om in het voordeel van de administratie en dient de belastingplichtige aan te tonen dat de betrokken leveringen hetzij vrijgesteld zijn van BTW, hetzij onderworpen zijn aan een bijzondere, afwijkende BTW-regeling.
- Bespreking. 3.
- Het middel lijkt mij gegrond. De appelrechters aanvaarden dat de akkoordverklaringen die de verweerder inzake directe belastingen heeft ondertekend, een omzetverhoging bewijzen. De appelrechters aanvaarden aldus dat het bewijs is geleverd van de levering (en dus ook de aankoop) van goederen of van de verstrekking van diensten. Toch stellen de appelrechters dat daaruit niet met zekerheid kan worden afgeleid dat de bewezen meeromzet aan BTW onderworpen omzet betreft, omdat de verweerder zowel aan BTW onderworpen omzet behaalt als niet aan BTW onderworpen omzet (in het buitenland) en omdat de verweerder aanspraak zou kunnen maken op de winstmargeregeling waarin artikel 58 §4 van het BTW-wetboek voorziet. Aldus leggen de appelrechters de bewijslast dat de bewezen meeromzet aan BTW is onderworpen bij de belastingadministratie. Dat lijkt mij in strijd met het weerlegbare wettelijk vermoeden van artikel 64, §§1 en 2 van het BTW-wetboek. Verder staat het ook aan de belastingplichtige om aan te tonen dat aan de voorwaarden van het margestelsel is voldaan
(3). 3.
- De memorie van antwoord betwist niet echt dat de appelrechters het wettelijk vermoeden van artikel 64, §§1 en 2 van het BTW-wetboek hebben miskend. Verweerder wijst er evenwel op dat uit de libellering van de akkoordverklaringen inzake directe belastingen blijkt dat de aangetoonde meeromzet onder het margestelsel valt, zodat de meeromzet als dusdanig niet belastbaar is, zodat de appelrechters, volgens de verweerder, terecht beslist hebben dat uit de inhoud van de akkoordverklaringen niet kan worden afgeleid dat de verhoging van de omzet van de belastingplichtige aan de BTW onderworpen omzet betreft. 3.
- Deze argumentatie kan mijns inziens niet worden gevolgd. De appelrechters stellen niet daadwerkelijk vast dat het margestelsel van toepassing is. Zij stellen: "Bovendien zou hij ook toepassing kunnen maken van de bijzondere regeling van belasting over de winstmarge zodat hij geen BTW verschuldigd is op de volledig omzet, maar slechts op de winstmarge". Daaruit blijkt mijns inziens dat de appelrechters in het midden laten of het margestelsel effectief van toepassing is op de meeromzet, zij poneren dit enkel als een mogelijkheid. Bovendien blijkt uit die passage dat zelfs indien de margeregeling van toepassing zou zijn, geen volledige vernietiging van het dwangbevel aan de orde zou zijn, vermits dan BTW op de winstmarge verschuldigd zou zijn. Derhalve schraagt de overweging dat het margesysteem van toepassing zou kunnen zijn de beslissing tot vernietiging van het dwangbevel niet. 3.
- Ook een substitutie van motieven lijkt mij niet tot de mogelijkheden te behoren vermits de appelrechters niet vaststellen dat de margeregeling effectief van toepassing is, en vermits ook in geval van margeregeling de nagevorderde BTW niet volledig onverschuldigd is. Besluit: VERNIETIGING. _____________
(1)Het Hof van Justitie EG bevestigde bij arrest van 27 sept. 2007 (C-146/05 inzake Collée, r.o. 22) dat volgens het fundamentele beginsel van het gemeenschappelijke BTW-stelsel, dat voortvloeit uit de artikelen 2 van de Eerste en de Zesde richtlijn, bij elke transactie inzake productie of distributie, BTW verschuldigd is.
(2)HvJ EG 27 sept. 2007, C-184/05, inzake Twoh International, r.o. 26; HvJ EG 27 sept. 2007, C-146/05, in zake Collée, r.o. 24. 3 H. VANDEBERGH, "De bewijsplicht van de fiscus inzake BTW en de omkering ervan door het instellen van wettelijke vermoedens", TFR 2001, 1008-1009; T. AFSCHRIFT, Bewijs in fiscaal recht, Larcier, 2002, 356-359; D. STAS, "Wettelijke vermoedens van art. 64, 65 en 68 W.BTW", TFR 2002, 3-17; A.TIBERGHIEN, Handboek voor Fiscaal Recht 2008, Kluwer, 2008, 1115-1119 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101015.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div