← België

ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100311.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 11 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100311.9 Rolnummer: F.09.0069.N Kamer: REUN - Ch.Réunies/Verenigde Kamers Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2010-05-26 Raadplegingen: 533 - laatst gezien 2026-07-02 21:34 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Wanneer de overheid gebruik maakt van de mogelijkheid om in geval van laattijdige aangifte of onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte de aanslag van ambtswege te vestigen, is zij gehouden de in artikel 6, tweede lid, van de wet van 24 december 1996 bepaalde procedure na te leven teneinde het recht van verdediging van de belastingplichtige te vrijwaren

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - RECHTSPLEGING UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VESTIGING DOOR ANDERE OVERHEDEN Vrije woorden: Provinciale- of gemeentelijke belastingverordening - Aangifteverplichting - Laattijdige, onjuiste of onvolledige aangifte - Bevoegde overheid - Procedure van aanslag van ambtswege Wettelijke bepalingen: Wet - 24-12-1996 - Art. 6 Fiche 2 Wanneer de bevoegde overheid er zich toe beperkt de aanslag te vestigen overeenkomstig de laattijdig ingediende aangifte, is zij gerechtigd te beslissen dat er in dat geval geen redenen zijn om de aanslag ambtshalve te vestigen, nu het recht van verdediging van de belastingplichtige in dat geval wordt geëerbiedigd
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - RECHTSPLEGING UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VESTIGING DOOR ANDERE OVERHEDEN Vrije woorden: Provinciale- of gemeentelijke belastingverordening - Aangifteverplichting - Laattijdige aangifte - Bevoegde overheid - Aanslag gevestigd overeenkomstig de aangifte - Mogelijkheid om de aanslag niet van ambtswege te vestigen Wettelijke bepalingen: Wet - 24-12-1996 - Art. 6 Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - RECHTSPLEGING UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VESTIGING DOOR ANDERE OVERHEDEN Vrije woorden: Provinciale- of gemeentelijke belastingverordening - Aangifteverplichting - Laattijdige, onjuiste of onvolledige aangifte - Bevoegde overheid - Procedure van aanslag van ambtswege Provinciale- of gemeentelijke belastingverordening - Aangifteverplichting - Laattijdige aangifte - Bevoegde overheid - Aanslag gevestigd overeenkomstig de aangifte - Mogelijkheid om de aanslag niet van ambtswege te vestigen Tekst van de conclusie ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.9 2010-03-11 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.9 2010-03-11 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.9 2010-03-11 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.9 2010-03-11 PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ F.09.0069.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS:
  1. Het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 19 april 2005 ging, in overeenstemming met de toenmalige meerderheidsopvatting binnen de rechtspraak en de rechtsleer, uit van het standpunt dat de lokale belastingoverheid op grond van artikel 6 van de wet van 24 december 1996 verplicht was de procedure van aanslag van ambtswege te volgen in geval van laattijdige aangifte en verklaarde de bestreden aanslag in de gemeentebelasting, die op basis van de laattijdige aangifte was gevestigd zonder dat toepassing werd gemaakt van de procedure van aanslag van ambtswege, nietig. Uw Hof verbrak dit arrest bij arrest van 19 januari 2007 (AR nr. F.05.0095.N) en oordeelde, op mijn andersluidende conclusie, dat uit de samenhang van artikel 6, eerste, tweede en derde lid van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provinciale- en gemeentebelastingen noodzakelijk volgt dat de ter zake bevoegde overheid over de mogelijkheid beschikt te oordelen dat er motieven bestaan om bij gebrek aan aangifte binnen de gestelde termijn toch niet de belasting van ambtswege te vestigen, met name omdat het mogelijk is de aanslag alsnog te vestigen op grond van een laattijdige aangifte. De zaak werd na cassatie verwezen naar het Hof van Beroep te Brussel.. Het arrest van het verwijzingshof van 28 januari 2009 weigert categoriek zich te gedragen naar de rechtsregel die door Uw Hof werd geformuleerd in zijn arrest van 19 januari 2007 en sluit zich uitdrukkelijk aan bij de andere opvatting die volgens de verwijzingsrechter zou zijn aangekleefd door het Grondwettelijk Hof (Brussel, 28 jan. 2009, RGCF 2009, 261). De Belgische Staat heeft cassatieberoep ingesteld tegen die beslissing. Het middel heeft dezelfde strekking als het middel dat werd aangevoerd tegen het arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen van 19 april 2005 zodat Uw Hof geroepen wordt om er uitspraak over te doen in Verenigde Kamers overeenkomstig artikel 1119 van het Gerechtelijk Wetboek.
  2. In een arrest van 20 juni 2007 deed het Grondwettelijk Hof uitspraak over de vraag of artikelen 4 tot 6 van de Wet van 24 december 1996 strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel in zoverre ze de lokale belastingoverheid verplichten om in geval van laattijdige aangifte de procedure van aanslag van ambtswege toe te passen, terwijl die procedure op het vlak van de rijksbelastingen facultatief is (Grondwettelijk Hof nr. 92/2007, 20 juni 2007, TFR 2008, 28 met noot van M. MAUS en A. DELAFONTEYNE). Het Grondwettelijk Hof besliste dat de artikelen 4, 5 en 6 van de voormelde wet van 24 december 1996 de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet schenden in de interpretatie van de verwijzende rechter die aanneemt dat de provinciale of gemeentelijke overheid in geval van een laattijdige aangifte gehouden is de belasting ambtshalve in te kohieren en geen gewone aanslag kan vestigen.
  3. De auteurs MAUS en DELAFONTEYNE stellen dat het Grondwettelijk Hof, in tegenstelling tot Uw Hof, de meerderheidsopvatting deelt die voorhoudt dat de lokale belastingadministratie verplicht is om de belasting ambtshalve in te kohieren in geval van laattijdige of onjuiste aangifte (M. MAUS en A. DELAFONTEYNE, "De ambtshalve aanslag bij het miskennen van de aangifteverplichting in de lokale belastingsfeer. Het Hof van Cassatie versus het Grondwettelijk Hof", TFR 2008, 32). De auteurs verduidelijken niet uit welke passage van het arrest blijkt dat het Grondwettelijk Hof de meerderheidsopvatting onderschrijft.
  4. Auteur VAN DE VELDE, die eveneens een bespreking heeft gewijd aan de voormelde arresten van het Grondwettelijk Hof en van ons Hof, laat zich heel wat voorzichtiger uit. Zij stelt dat de standpunten van beide hoven niet lijnrecht tegenover elkaar lijken te staan, maar dat de hoven wel duidelijk andere accenten leggen. De auteur stelt vast dat artikel 6 van de wet van 24 december 1996 volgens het Grondwettelijk Hof dient te worden onderzocht in de interpretatie van vóór het cassatiearrest van 19 januari 2007 en dat het Grondwettelijk Hof zelf geen andere interpretatie in de plaats stelt (E. VAN DE VELDE, "Kan of moet de lokale overheid de procedure van ambtshalve inkohiering toepassen naar aanleiding van een laattijdige belastingaangifte? Een toelichting bij het oordeel van het Hof van Cassatie én het Grondwettelijk Hof", TGEM 2007, 317, nr. 21) . De conclusies die de auteur trekt na de vergelijking van het arrest van Uw Hof van 19 januari 2007 met het arrest van het Grondwettelijk Hof van 20 juni 2007 zijn niet altijd éénduidig. De auteur stelt dat beide arresten verschillende standpunten lijken in te nemen, maar even verder ook dat beide standpunten niet lijnrecht tegenover elkaar lijken te staan, maar wel na lezing van overweging B.7 van het Grondwettelijk Hof duidelijk andere accenten leggen. Uit voormelde overweging volgt, volgens de auteur, dat ook het Grondwettelijk Hof een gewone aanslag naar aanleiding van een laattijdig ingediende aangifte niet lijkt uit te sluiten, maar dat bij deze "gewone aanslag" wel de vormvereisten van artikel 6, lid 2 en 3 van de wet van 24 december 1996 moeten worden toegepast opdat de aanslag geldig is. Aldus creëert het Grondwettelijk Hof, volgens de auteur, een nieuwe aanslagprocedure tussen de gewone en de ambtshalve aanslag in. Toch besluit de auteur dat de uitspraak van het Grondwettelijk Hof dat de verplichte ambtshalve inkohiering niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, achterhaald is, nu ons Hof heeft geoordeeld dat de ambtshalve inkohiering facultatief is. De auteur eindigt dan ook met het besluit dat het arrest van het Grondwettelijk Hof na het (eerdere!) cassatiearrest achterhaald is en verwacht dan ook dat vele gemeenten zullen onthouden dat zij dankzij het cassatiearrest niet meer in een procedureval kunnen trappen. Aldus lijkt de auteur te stellen dat in zoverre het Grondwettelijk Hof artikel 6 van de wet van 24 december 1996 anders interpreteert dan het Hof van Cassatie, die andere visie niet meer van belang is, vermits Uw Hof bevoegd is om de interpretatie van de wet te toetsen en niet het Grondwettelijk Hof.
  5. Auteurs MAUS en DELAFONTEYNE gaan er net zoals het bestreden arrest, mijns inziens ten onrechte, van uit dat het Grondwettelijk Hof zich in het voormelde arrest van 20 juni 2007 aansluit bij de voormelde meerderheidsopvatting dat de procedure van ambtshalve aanslag verplicht moet worden gevolgd in geval van laattijdige (maar correcte) aangifte. Uit de overwegingen B.1.2 en B.6 blijkt duidelijk dat het Grondwettelijk Hof de gestelde prejudiciële vraag beantwoordt in de interpretatie die de verwijzende rechter geeft aan de bepalingen waarover de prejudiciële vraag wordt gesteld. Het Grondwettelijk Hof spreekt zich niet uit over de juistheid van de interpretatie van de verwijzende rechter, maar verwijst wel uitdrukkelijk naar de andere interpretatie die door ons Hof werd vooropgesteld in het arrest van 19 januari
  6. Het behoort niet tot het takenpakket van het Grondwettelijk Hof om na te gaan of de interpretatie die de verwijzende rechter geeft aan de wetsbepaling die moet worden getoetst aan de Grondwet, de juiste is. Het Grondwettelijk Hof treedt niet in de beoordeling van de zaak zelf en toetst de wetsbepaling in de regel aan de Grondwet in de interpretatie die de verwijzende rechter daaraan geeft. Enkel indien de bepaling in die interpretatie strijdig is met de Grondwet, zal het Grondwettelijk Hof desgevallend een grondwetsconforme interpretatie aanwijzen. De verwijzingsrechter dwaalt dan ook als hij (met verwijzing naar de auteurs MAUS en DELAFONTEYNE) stelt dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 20 juni 2007 van oordeel was dat de bevoegde overheid niet over de mogelijkheid beschikt om te kiezen voor het al dan niet opleggen van een ambtshalve aanslag maar daartoe verplicht is. De spraakverwarring is wellicht te wijten aan de bewoordingen van overweging B.7 van het arrest van het Grondwettelijk Hof: "Volgens bepaalde rechtspraak vloeit uit de in het geding zijnde artikel 6 van de wet van 24 december 1996 voort dat wanneer een lokale overheid op grond van een laattijdige aangifte alsnog een gewone aanslag zou vestigen, deze laatste nietig zou zijn. Die nietigheid vloeit voort uit de niet-naleving van de in het voormelde artikel 6, tweede en derde lid van de wet van 24 december 1996 voorgeschreven substantiële vormvereisten. De overheid zou in die hypothese die sanctie kunnen vermijden door, na te hebben vastgesteld dat een aangifte laattijdig is, de in het geding zijnde bepaling voorgeschreven procedure na te leven".
  7. In deze woorden zou de boodschap kunnen gelezen worden dat het Grondwettelijk Hof de ambtshalve aanslagprocedure als een substantiële formaliteit aanziet, ook in geval van een laattijdige, maar correcte aangifte. Maar dan verliest men uit het oog dat deze overweging, net als de overweging B.6, kadert in het onderzoek van de vraag of de verplichte ambtshalve inkohiering bij laattijdige aangifte voor de betrokken belastingoverheid onredelijke gevolgen heeft. Mijns inziens onderschrijft het Grondwettelijk Hof die rechtspraak niet, wat overigens niet haar taak is, maar gaat ze enkel na of de belastingoverheid op onredelijke wijze zou getroffen worden indien die rechtspraak het bij het rechte eind heeft. Het Grondwettelijk Hof oordeelt van niet omdat de belastingoverheid, zelfs in dat geval, de nietigheid van de aanslag kan vermijden door de formaliteiten van de procedure van ambtshalve aanslag te respecteren terwijl het Hof in overweging B.6 reeds had vastgesteld dat de belastingoverheid een ambtshalve aanslag kan vestigen op basis van de inhoud van de laattijdige aangifte. Aldus stelt het Grondwettelijk Hof vast dat de verplichting om een ambtshalve aanslag te vestigen in geval van laattijdige aangifte geen onredelijke gevolgen heeft voor de belastingoverheid omdat zij de mogelijkheid heeft een ambtshalve aanslag te vestigen op de belastbare basis die blijkt uit de laattijdige aangifte. De vaststelling dat de verplichting om een ambtshalve aanslag te vestigen in geval van laattijdige aangifte, die de verwijzende rechter afleidt uit artikel 6 van de wet van 24 december 1996, geen onoverkomelijke problemen oplevert voor de belastingoverheid, impliceert evenwel niet dat de vestiging van een ambtshalve aanslag volgens het Grondwettelijk Hof effectief verplicht is in geval van laattijdige aangifte. Het Grondwettelijk Hof heeft zich daarover niet uitgesproken. Het Grondwettelijk Hof stelt vast dat de ongelijke behandeling van de centrale en de lokale belastingoverheid, die volgens de interpretatie van de verwijzende rechter en van de meerderheidsopvatting voortvloeit uit artikel 6 van de wet van 24 december 1996, niet strijdig is met het gelijkheidsbeginsel, omdat het verschil in behandeling noch voor de belastingplichtige, noch voor de betrokken overheid, onredelijke gevolgen heeft. De ongelijke behandeling van de belastingoverheden is dus aanvaardbaar in het licht van het gelijkheidsbeginsel. Maar dat betekent geenszins dat de meer gelijke behandeling van de belastingoverheden die voortvloeit uit de interpretatie die Uw Hof heeft gegeven aan artikelen 4 tot 6 van de wet van 24 december 1996, in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel, wel in tegendeel. De gelijke behandeling van de centrale en de lokale belastingoverheid is nog altijd beter in overeenstemming met het gelijkheidsbeginsel dan de nog net aanvaardbare ongelijke behandeling van beide overheden.
  8. Het arrest van Uw Hof van 19 januari 2007 is door sommigen kritisch onthaald, hetgeen niet verwonderlijk is vermits Uw Hof doelbewust inging tegen de meerderheidsopvatting binnen de rechtsleer en de rechtspraak welke aan bod kwam in de conclusie van het openbaar ministerie. De omstandigheid dat Uw Hof in dat arrest geen motivering heeft gegeven voor zijn afwijkend standpunt, werd aan de kaak gesteld door het verwijzingshof te Brussel en bepaalde auteurs. Toch moet de weerstand tegen voormeld arrest niet overroepen worden.
  9. De beslissing van ons Hof heeft immers ook bijval ontmoet. Zo wijst auteur VAN DE VELDE erop dat de vraag kan worden gesteld of er wel sprake is van een ambtshalve vaststelling van de belastbare grondslag en dus van een ambtshalve inkohiering, wanneer de aanslag wordt gevestigd op basis van de laattijdig ingediende aangifte. Hij stelt dat voorafgaande vormvereisten ter bescherming van de rechten van verdediging van de belastingplichtige hun bestaansreden verliezen, wanneer de belastbare grondslag integraal wordt bepaald door de aangifte. De belastingplichtige weet dan feilloos op basis waarvan hij zal worden belast (E. VAN DE VELDE, "Kan of moet de lokale overheid de procedure van ambtshalve inkohiering toepassen naar aanleiding van een laattijdige belastingaangifte? Een toelichting bij het oordeel van het Hof van Cassatie én het Grondwettelijk Hof", TGEM 2007, p.316, nr. 18 in fine).
  10. Daarmee stelt de auteur, naar mijn mening terecht, vragen bij één van de voornaamste argumenten voor de meerderheidsopvatting, met name dat het miskennen van de in artikel 6 van de wet van 24 december 1996 voorgeschreven procedure in geval van ambtshalve vestiging van de aanslag de rechten van verdediging van de belastingplichtige in het gedrang brengt. De vormvoorschriften die gelden in geval van ambtshalve aanslag, zijn in de regel ontegenzeggelijk substantiële vormvoorschriften. Telkens wanneer de belastingadministratie zelf de belastbare grondslag vaststelt of wanneer de belastingadministratie de door de belastingplichtige aangegeven belastbare grondslag verhoogt, maken die vormen substantiële vormvereisten uit, zodat de met miskenning van die vormen gevestigde aanslag nietig is. Maar in het geval waarin de aanslag in de gemeentebelasting zoals in casu quo, gevestigd wordt op basis van de in een laattijdige aangifte vermelde belastbare grondslag, zonder dat de belastingadministratie daarvan afwijkt, lijken die vormen mij niet langer substantieel te zijn. Los van de vraag of de aanslag in dat geval wel werkelijk een ambtshalve aanslag uitmaakt, kunnen we niet om de vaststelling heen dat de rechten van de verdediging van de belastingplichtige in die hypothese niet in dezelfde mate in gevaar zijn als wanneer de belastingoverheid bij afwezigheid van aangifte zelf de belastbare grondslag vaststelt of wanneer ze de door de belastingplichtige aangegeven grondslag verhoogt. In die gevallen vereisen de rechten van verdediging dat de belastingplichtige uitgenodigd wordt om in dialoog te treden met de belastingoverheid en aldus de kans krijgt om zijn rechten te verdedigen. Ingeval de administratie evenwel de door de belastingschuldige laattijdig aangegeven belastbare grondslag als correct aanvaardt en daarop taxeert, is er geen objectieve reden voorhanden om die dialoog op te starten, ook al houdt de verwijzingsrechter het tegendeel voor.
  11. De auteurs MAUS en DELAFONTEYNE gaan er blijkbaar van uit dat de vormvoorschriften inzake belastingen steeds substantieel zijn. In zijn algemeenheid lijkt deze stelling achterhaald. De belastingen als dusdanig betreffen vanzelfsprekend de openbare orde, maar dat is niet noodzakelijk in alle hypothesen het geval voor alle vormvoorschriften die in de fiscale wetboeken zijn terug te vinden.
  12. Zo besliste Uw Hof ten aanzien van artikel 346, vijfde lid, van het W.I.B.
(1992), dat uit de tekst en de economie van dat artikel volgt dat de wetgever essentieel bedoeld heeft dat de belastingplichtige geïnformeerd wordt over de motieven van de administratie om de opmerkingen, die de belastingplichtige heeft geformuleerd in antwoord op het bericht van wijziging, te verwerpen. De aangetekende zending voorzien in dat artikel is volgens Uw Hof op zich geen substantiële vormvereiste (Cass. 15 maart 2007, FJF 2007, nr. 2007/287).
  1. De verwijzingsrechter verwijst in het bestreden arrest ook naar de stelling van mijn ambt dat er gevaar voor rechtsmisbruik bestaat indien de procedure van ambtshalve vestiging wordt miskend, met name indien de verjaring nakende is en de ter zake bevoegde overheid alleen nog tijdig een aanslag kan vestigen door de procedure voorafgaand aan de ambtshalve aanslag over te slaan. Ook dit argument kan worden gerelativeerd. Vooreerst heeft Uw Hof op het vlak van de inkomstenbelastingen herhaaldelijk bewezen dat het dergelijk rechtsmisbruik niet tolereert. Bovendien is de aanslagtermijn in geval van ambtshalve aanslag (drie jaar volgend op 1 januari van het dienstjaar (art. 6, vierde lid wet 24 december 1996) beduidend langer dan in geval van gewone aanslag (30 juni van het jaar dat volgt op het dienstjaar), zodat het gevaar voor rechtsmisbruik veelal theoretisch van aard is.
  2. Wat het belangrijkste argument van de meerderheidsopvatting betreft, namelijk het tekstargument, stelt auteur VAN DE VELDE dat de bedenking kan worden gemaakt dat de meest voor de hand liggende argumenten om de uitspraak van het Hof van Cassatie te ontkrachten (nl. de werkwoordkeuze en de opsomming in artikel 12 van de wet van 24 december 1996) zelf in vraag kunnen worden gesteld waardoor het cassatieoordeel juist wordt bekrachtigd (E. VAN DE VELDE, "Kan of moet de lokale overheid de procedure van ambtshalve inkohiering toepassen naar aanleiding van een laattijdige belastingaangifte? Een toelichting bij het oordeel van het Hof van Cassatie én het Grondwettelijk Hof", TGEM 2007, p. 316-317, nr. 19). In de toelichting door de auteur van het wetsvoorstel staat letterlijk: "Artikel 6 voorziet in de mogelijkheid de belasting ambtshalve in te kohieren gedurende een periode van drie jaar volgend op 1 januari van het dienstjaar, bij gebrek aan aangifte binnen de reglementair gestelde termijnen, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte vanwege de belastingplichtige. In geval van fraude wordt de termijn verlengd tot vijf jaar" (Parl. St. Kamer, 1995-96, nr. 49-461/4, 3). Ook auteur PLETS gaat ervan uit dat het wellicht niet de bedoeling van de wetgever is geweest om de ambtshalve aanslag verplicht te maken (N. PLETS, "Vlaams decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen: nieuwigheden in vergelijking met de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen", TGEM 2009, 143).
  3. Dat er niet meer besprekingen zijn gewijd aan de uitspraken van ons Hof en van het Grondwettelijk Hof, is wellicht voor een deel te wijten aan de omstandigheid dat de Vlaamse decreetgever het facultatieve karakter van de ambtshalve aanslag in geval van laattijdige aangifte inmiddels formeel heeft ingeschreven in het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen. De discussie is bijgevolg alleen nog van belang voor aanslagen die in het verleden werden gevestigd.
  4. Verschillende auteurs noteren de rechtsregel van het cassatiearrest van 19 januari 2007, zonder er een waardeoordeel over uit te spreken (J. ASTAES, "Het Vlaams decreet betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen. Een eerste analyse", AFT 2008, afl. 8-9, 9: CB, "Ambtshalve aanslag: evenmin een verplichting inzake lokale belastingen", Fiscoloog 2007, afl. 1066, 8; N. PLETS, "Vlaams decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen: nieuwigheden in vergelijking met de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen", TGEM 2009, 144; A. TIBERGHIEN, Handboek voor Fiscaal Recht 2008, Kluwer, 2008, 1292, nr. 7053; JVD, "Lokale belasting: aanslag van ambtswege soms toch nog verplicht?", Fiscoloog 2008, afl. 1107, 2).
  5. Het Hof van Beroep te Antwerpen heeft zich, in tegenstelling tot het Hof van Beroep te Brussel, geschikt naar de rechtspraak van Uw Hof. In zijn arrest van 24 april 2007 neemt het Hof van Beroep de rechtsregel van het arrest van ons Hof van 19 januari 2007 uitdrukkelijk over (Antwerpen, 24 april 2007, FJF 2007, nr. 2007/270). Ook in een recenter arrest van 6 november 2007, dat dateert van na het arrest van het Grondwettelijk Hof, onderschrijft het Hof van Beroep zijdelings de rechtsregel, maar verduidelijkt, terecht, dat deze niet geldt in geval van gebrek aan aangifte (Antwerpen, 6 nov. 2007, FJF 2008, nr. 2008/238).
  6. Ook de Rechtbank van Eerste Aanleg te Namen neemt akte van het cassatiearrest van 19 januari
  7. De rechtbank stelt wel dat die rechtspraak de gemeentelijke overheid enkel toelaat om van de strikte naleving van de procedure van ambtshalve aanslag af te zien indien daartoe gegronde redenen bestaan (Rb. Namen, 27 feb. 2008, FJF 2008, nr. 2009/118).
  8. Aangezien Uw Hof in zijn arrest van 19 januari 2007 met kennis van de in mijn conclusie geformuleerde tegenargumenten beslist heeft om af te wijken van de meerderheidsopvatting en inmiddels geen nieuwe, overtuigende tegenargumenten werden geformuleerd, zie ik niet in waarom Uw Hof in deze zaak een andere koers zou moeten varen. Het arrest van het Grondwettelijk Hof van 20 juni 2007, is mijns inziens geen tegenindicatie in die zin. De rechtsregel die Uw Hof heeft verwoord in het arrest van 19 januari 2007 lijkt mij logisch verdedigbaar en kan alvast geen reële bedreiging vormen voor de rechten van verdediging van de belastingplichtige die in de gegeven omstandigheden belast wordt op grond van de door hemzelf aangegeven elementen. De rechtszekerheid vereist in die omstandigheden m.i. dat de gemeenten die, afgaand op het principieel arrest van Uw Hof van 19 januari 2007, gevolgd door arresten in dezelfde zin van 16 maart 2007 (AR F.05.0016.N) en 8 mei 2009 (F.07.0097.N), gewone aanslagen zijn blijven vestigen ingeval van laattijdige maar correcte aangifte, niet in hun gerechtvaardigd vertrouwen gekrenkt worden. Zulks lijkt mij des te pertinenter nu de Vlaamse decreetgever het facultatieve karakter van de ambtshalve aanslag in geval van laattijdige aangifte inmiddels formeel heeft ingeschreven in het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, zodat onderhavige discussie, zoals gezegd, bijgevolg alleen nog relevant is voor aanslagen die in het verleden werden gevestigd. Het middel komt mij dan ook gegrond voor. Besluit: VERNIETIGING van het bestreden arrest met verwijzing van de zaak naar het Hof van Beroep te Gent dat zich overeenkomstig artikel 1120 van het Gerechtelijk Wetboek zal moeten voegen naar het oordeel van Uw Hof betreffende het ten deze beslechte rechtspunt. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:AVIS.20100311.9 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231109.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.