id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 18 maart 2010 EC
Art. 1798
, eerste lid Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Huur werk en diensten BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Bouwrecht - Aanneming - Rechtstreekse vordering bij aanneming HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Rechten van de schuldeisers Vrije woorden: Faillissement van de aannemer - Aannemingsovereenkomst - Onderaannemer - Rechtstreekse vordering tegen de bouwheer Wettelijke bepalingen:
Art. 1798
, eerste lid Fiche 3 De uitoefening van de rechtstreekse vordering van de onderaannemer tegen de bouwheer heeft, zoals een beslag onder derden, tot gevolg dat de vordering van de aannemer op de bouwheer onbeschikbaar wordt; deze onbeschikbaarheid ontstaat slechts wanneer de bouwheer van de uitoefening van de rechtstreekse vordering kennis heeft gekregen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: HUUR VAN DIENSTEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Huur werk en diensten BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Bouwrecht - Aanneming - Rechtstreekse vordering bij aanneming HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Rechten van de schuldeisers Vrije woorden: Aannemingsovereenkomst - Onderaannemer - Rechtstreekse vordering tegen de bouwheer - Gevolg - Onbeschikbaarheid - Ontstaan Wettelijke bepalingen:
Art. 1798, eerste lid Fiche 4 De onbeschikbaarheid van de goederen van de gefailleerde treedt in vanaf het uur nul van de dag van het vonnis van faillietverklaring
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Huur werk en diensten BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Bouwrecht - Aanneming - Rechtstreekse vordering bij aanneming HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Rechten van de schuldeisers Vrije woorden: Onbeschikbaarheid van de goederen - Tijdstip Wettelijke bepalingen: Wet - 08-08-1997 - Art. 16, eerste lid Fiches 5 - 8 Conclusie van advocaat-generaal DUBRULLE. Thesaurus CAS: HUUR VAN DIENSTEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Huur werk en diensten BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Bouwrecht - Aanneming - Rechtstreekse vordering bij aanneming HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Rechten van de schuldeisers Vrije woorden: Aannemingsovereenkomst - Onderaannemer - Rechtstreekse vordering tegen de bouwheer - Faillissement van de aannemer Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Huur werk en diensten BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Bouwrecht - Aanneming - Rechtstreekse vordering bij aanneming HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Rechten van de schuldeisers Vrije woorden: Faillissement van de aannemer - Aannemingsovereenkomst - Onderaannemer - Rechtstreekse vordering tegen de bouwheer Thesaurus CAS: HUUR VAN DIENSTEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Huur werk en diensten BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Bouwrecht - Aanneming - Rechtstreekse vordering bij aanneming HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Rechten van de schuldeisers Vrije woorden: Aannemingsovereenkomst - Onderaannemer - Rechtstreekse vordering tegen de bouwheer - Gevolg - Onbeschikbaarheid - Ontstaan Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) Vrije woorden: Onbeschikbaarheid van de goederen - Tijdstip Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ C.09.0136.N Conclusie van Advocaat-generaal G. Dubrulle
- De eerste verweerster, de N.V. MOURIK, de bouwheer, sloot een aannemingsovereenkomst met de BVBA Vloer- en Tegelwerken V.T.M, de aannemer, die in staat van faillissement verklaard werd bij vonnis van 4 april 2006 van de rechtbank van koophandel te Turnhout en hier vertegenwoordigd wordt door de curatoren, de eisers. De aannemer sloot, voor de uitvoering van deze werken, een overeenkomst met tweede verweerster, de N.V. ABSA, de onderaannemer, wiens facturen onbetaald bleven. De onderaannemer stelde bij aangetekende brief van 3 april 2006 een rechtstreekse vordering tegen de bouwheer.
- Het bestreden arrest veroordeelt de bouwheer tot betaling van een som aan de onderaannemer, de eisers tot vrijwaring van de bouwheer en deze om een bedrag aan eisers te betalen. Het verklaart aldus de rechtstreekse vordering van de onderaannemer tegen de bouwheer gegrond, daar ze haar wettelijke grondslag vindt in artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek (en de tussenvordering van de eisers tegen de bouwheer dus slechts tot beloop van het saldo van de aannemingsprijs gegrond). Het arrest steunt ondermeer op volgende redengeving: "Het staat vast dat (de onderaannemer) met de aangetekende brief van 3 april 2006 gericht aan (de bouwheer) op ondubbelzinnige wijze (zijn) wil heeft geuit om de rechtstreekse vordering uit te oefenen. Artikel 1798 B.W. stelt het bestaan van de rechtstreekse vordering verder niet afhankelijk van de kennisname door de bouwheer van de uiting van de onderaannemer van zijn intentie om de rechtstreekse vordering uit te oefenen. Het uitoefenen van de rechtstreekse vordering impliceert in hoofde van de onderaannemer de uiting van de wil om de rechtstreekse vordering in te stellen. Door deze wilsuiting wordt de rechtstreekse vordering door de onderaannemer uitgeoefend, zonder dat bijkomend vereist is dat de bouwheer van deze wilsuiting kennis heeft genomen, laat staan ermee zou hebben ingestemd. De wilsuiting door de onderaannemer maakt een eenzijdige rechtshandeling uit die rechtsgevolgen heeft. Met de eerste rechter besluit het hof dat de hoofdvordering van de onderaannemer gegrond is en dat (de bouwheer) gehouden is tot betaling van een bedrag van 12.413,55 EUR aan de onderaannemer. Het hoofdberoep is op dit punt gegrond".
- In hun enig cassatiemiddel voeren de eisers aan dat de appelrechters aldus de artikelen 1798 B.W., 7 en 8 van de Hypotheekwet en 16, eerste lid van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 hebben geschonden. De door dit middel gestelde vraag is of deze rechtstreekse vordering, gezien het faillissement van de aannemer, tijdig werd ingesteld.
- Artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt: "Metselaars, timmerlieden, arbeiders, vaklui en onderaannemers gebezigd bij het oprichten van een gebouw of voor andere werken die bij de aanneming zijn uitgevoerd, hebben tegen de bouwheer een rechtstreekse vordering ten belope van hetgeen deze aan de aannemer verschuldigd is op het ogenblik dat hun vorderingsrecht ontstaat. De onderaannemer wordt als aannemer en de aannemer als bouwheer beschouwd ten opzichte van de eigen onderaannemers van de eerstgenoemde". De zogenaamde "onvolmaakte" rechtstreekse vordering wordt pas definitief op het ogenblik van haar uitoefening door de onderaannemer
(1). In zijn arrest van 27 mei 2004 stelt het Hof dat het faillissement van de (hoofd)aannemer tot gevolg heeft dat zijn schuldvordering op de bouwheer onbeschikbaar wordt en dat de rechtstreekse vordering enkel kan worden ingesteld wanneer die schuldvordering nog beschikbaar is in zijn vermogen
(2). Het middel stelt nu inzonderheid de vraag vanaf welk ogenblik die onbeschikbaarheid intreedt, enerzijds ten aanzien van de rechtshandeling zelf - en de betrokkenheid van de schuldenaar, de bouwheer - anderzijds ten aanzien van de faillietverklaring - en dus van de schuldeisers van de aannemer die, krachtens de artikelen 7 en 8 van de Hypotheekwet, op het gehele vermogen van hun schuldenaar kunnen aanspraak maken en door zijn faillissement in samenloop komen en (behoudens voorrang) recht hebben op gelijke behandeling. 5. Ten aanzien van de bouwheer dient men ervan uit te gaan dat de rechtstreekse vordering wordt ingesteld op het tijdstip dat hij de kennisgeving van de onderaannemer, waarbij deze mededeelt dat hij die vordering wenst uit te oefenen, heeft ontvangen. Immers, deze rechtstreekse vordering is een bewarende maatregel, vergelijkbaar met een beslag onder derden. En die kennisgeving is een eenzijdige wilsuiting of rechtshandeling, waarbij de onderaannemer de vordering in het vermogen van de (hoofd)aannemer onbeschikbaar wenst te maken, wat betekent dat de bouwheer niet meer kan betalen in handen van de (hoofd)aannemer en gehouden is de onderaannemer te betalen. Een betaling aan de (hoofd)aannemer zal niet tegenwerpelijk zijn aan de onderaannemer. De bouwheer zal aan de verkeerde persoon betaald hebben en een tweede maal moeten betalen. Anderzijds kan slechts op het ogenblik van die kennis bepaald worden welke excepties de bouwheer eventueel aan de onderaannemer kan tegenwerpen. Derhalve kan de rechtstreekse vordering maar uitwerking hebben bij ontvangst van die kennisgeving door de bouwheer
(3). De eisers verwijzen hierbij niet ten onrechte naar een enigszins vergelijkbare situatie m.b.t. de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud ingeval van samenloop, waarbij het Hof (onder het oude recht), in een arrest van 22 september 1994, beslist heeft "dat de verkoper, die doet blijken dat hij een beding van eigendomsvoorbehoud wil aanvoeren, daarbij een eenzijdige rechtshandeling stelt die voor de koper is bedoeld en waardoor de verkoper van laatstgenoemde de teruggave van het verkochte goed eist, zodat die rechtshandeling slechts voltrokken is wanneer de geadresseerde kennis neemt van de verklaring"
(4). Het instellen van de rechtstreekse vordering is, volgens de rechtspraak van het Hof, in zijn arrest van 25 maart 2005
(5), niet aan vormvoorschriften onderworpen. Indien ze ingesteld wordt door de verzending van een aangetekende brief, is ze dus pas 'volmaakt' en kan de onderaannemer zijn rechten op grond van artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek pas doen gelden, op het ogenblik dat de bouwheer de brief effectief ontvangt
(6), wat - ten deze niet aan de orde zijnde - bewijsproblemen met zich kan brengen. 6. Ten aanzien van de schuldeisers geldt als grondslag het artikel 16, eerste lid van de Faillissementswet, krachtens hetwelk de gefailleerde het beheer over zijn goederen verliest "vanaf de dag van het vonnis van faillietverklaring". Het Hof besliste reeds bij arrest van 19 oktober 1987, onder vigeur van artikel 444 F.W. - dat het beheerverlies laat ingaan "te rekenen van het vonnis van faillietverklaring - dat de dag waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken daaronder wordt begrepen
(7). Het Hof verwerpt er het middel tegen de beslissing dat de betaling, op die dag, van een cheque getrokken op de bankrekening van de gefailleerde niet kan tegengeworpen worden aan de curator. Dit geldt thans temeer daar artikel 16, eerste lid, Faillissementswet 1997, zoals voormeld, preciseert dat het beheerverlies vanaf de dag van het vonnis van faillietverklaring ingaat. Dit is vanaf het eerste uur (of uur nul) van die dag
(8). De wetgever heeft in 1997, erover bezorgd dat de gefailleerde de samenstelling van de boedel niet zou wijzigen en aldus de gelijkheid van de schuldeisers zou verbreken, omwille van de rechtszekerheid de rechtspraak van het Hof willen bekrachtigen
(9). De rechtstreekse vordering moet dus ingesteld zijn de dag voor het vonnis van faillietverklaring. Waar het arrest vaststelt dat het faillissement van V.T.M. werd uitgesproken op 4 april 2006, dat de rechtstreekse vordering werd ingesteld bij brief van 3 april 2006 van de onderaannemer aan de bouwheer en dat deze de brief ontving op 4 april 2004, dient dus te worden besloten dat de rechtstreekse vordering niet tijdig, namelijk na de faillietverklaring, van de V.T.M., werd ingesteld. Dat de aannemer zijn betalingen heeft opgeschort tot de uitspraak van de rechter, staat daaraan niet in de weg. De appelrechters oordelen dat de rechtstreekse vordering tijdig en dus voor het faillissement van V.T.M. werd ingesteld. Zij overwegen daartoe dat artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek het bestaan van de rechtstreekse vordering niet afhankelijk stelt van de kennisname door de bouwheer van de uiting van de onderaannemer van zijn intentie om deze vordering uit te oefenen, daar ze door deze wilsuiting wordt uitgeoefend, zonder dat bijkomend de kennisname, laat staan de instemming, van de bouwheer vereist is. Door aldus te oordelen, verantwoordt het arrest zijn beslissing niet naar recht en worden de in het middel aangehaalde wettelijke bepalingen geschonden. Het middel is dus gegrond. 7. Conclusie: vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing naar een ander hof van beroep. ____________
(1)E. DIRIX, 'Rechtstreekse vordering en samenloop', noot onder Kh. Antwerpen 24 april 1995, R.W., 1995-96, 265, nr. 3; A. CUYPERS, 'De rechtstreekse vordering en het voorrecht van de onderaannemer, R.W., 1997-98, 794, nr. 6, 798, nr. 16 en 804, nr. 30; E. DIRIX, 'Overzicht van rechtspraak - voorrechten en hypotheken (1991-1997)', T.P.R., 1998, 579, nr. 114; E, DIRIX, 'Overzicht van rechtspraak - zekerheden (1998-2003)', T.P.R., 2004, 1258, nr. 145; K.UYTTERHOEVEN, 'De verweermiddelen van de bouwheer tegen de rechtstreekse vordering van de onderaannemer', noot onder Cass. 25 maart 2005, R.A.B.G., 2007/9, pag. 609, nr. 1.
(2)Cass. 27 mei 2004, A.R. C.02.0435.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040527.10, A.C., 2004, nr. 288 en R.W., 2003-04, 1723; M. DEBUCQUOY, 'De rechtstreekse vordering en het voorrecht van de onderaannemer. Het Hof van Cassatie lost hete hangijzers op', noot onder Cass. 29 okt. 2004, R.W., 2005-06, 60, nr. 2; E., DIRIX, 'Overzicht van rechtspraak - zekerheden (1998-2003)', T.P.R., 2004, 1258, nr. 145.
(3)M. GREGOIRE, 'La double protection du sous-traitant de travaux immobiliers, noot onder Cass. 25 maart 2005, R.C.J.B., 2005, 494, nr. 24; C. EYBEN, 'La forme de l'action directe des sous-traitants: la fin d'une controverse?', noot onder Cass., 25 maart 2005, T.B.B.R., 2005, 409, nr. 6; K.UYTTERHOEVEN, 'De verweermiddelen van de bouwheer tegen de rechtstreekse vordering van de onderaannemer', noot onder Cass. 25 maart 2005, R.A.B.G., 2007/9, 610, nr. 2.
(4)Cass. 22 sept. 1994, A.R. 9517, A.C., 1994, nr. 395, R.W., 1994-95, 1264, noot (Eigendomsvoorbehoud en samenloop) E. DIRIX en J.L.M.B., 1995, 124, noot J. CAEYMAEX (Réflexions sur la réserve de propriété).
(5)Cass. 25 maart 2005, A.R. C.04.0.126.N, A.C., 2005, nr. 192, T.B.B.R., 2005, 405, noot C. EYBEN ('La forme de l'action directe des sous-traitants: la fin d'une controverse?').
(6)K. UYTTERHOEVEN, 'De verweermiddelen van de bouwheer tegen de rechtstreekse vordering van de onderaannemer', noot onder Cass. 25 maart 2005, R.A.B.G., 2007/9, pag. 611, nr. 2.
(7)Cass., 19 okt. 1987, A.R. 5468, A.C., 1987-88, nr. 97 en T.B.H., 1988, 20, met noot.
(8)P. COPPENS & F. T'KINT, "Examen de jurisprudence 1984-1990. Les faillites, les concordats et les privilèges", R.C.J.B., 1991, 461, nr. 75.
(9)I. VEROUGSTRAETE, Manuel de la faillite et du concordat, Kluwer 2003, 319, nr. 495; A. ZENNER, Dépistage, faillites & concordats, Larcier 1998, 111, nr. 116 en 271, nr. 360. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100318.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040527.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div