id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 29 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100329.6 Rolnummer: C.08.0600.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Strafrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-05-10 Raadplegingen: 476 - laatst gezien 2026-07-02 18:31 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100329.6 Fiche 1 De in artikel 35, tweede lid van de R.S.Z.-wet, zoals van toepassing, bedoelde ambtshalve veroordeling is een burgerrechtelijke maatregel die enkel het herstel beoogt van de schade die de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid door het misdrijf heeft geleden. Deze veroordeling heeft niet het karakter van een strafrechtelijke sanctie en verjaart niet zoals de straf
(1). Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - ALGEMEEN Vrije woorden: Sociale zekerheidsbijdragen - Niet aan de Rijksdienst gestorte bijdragen - Sanctie - Ambtshalve veroordeling van de werkgever tot de ontdoken bijdragen - Aard van de maatregel Wettelijke bepalingen: Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 27-06-1969 - Art. 35, tweede lid - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Programmawet 27 december 2005 - 27-12-2005 - in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan door de - 30 ELI link Pub nr 2005021182 Fiche 2 Uit het feit dat de veroordelingen waarvan sprake in artikel 35, vierde lid R.S.Z.-wet, artikel 172, tweede lid, van de programmawet van 22 december 1989 en artikel 11bis van het koninklijk besluit nr 5 van 23 oktober 1978, worden gekwalificeerd als "vergoeding" en ze bestemd zijn voor de inningsinstelling van de socialezekerheidsbijdragen, blijkt dat de wetgever hiermee een bijzondere vorm van herstel of teruggave heeft willen instellen, teneinde, ten behoeve van de financiering van de sociale zekerheid, de door het misdrijf verstoorde wettelijke orde te herstellen. De ambtshalve veroordelingen tot betaling van deze vergoeding zijn bijgevolg geen straf in de zin van de artikelen 7 tot 43quater van het Strafwetboek, ook al vallen zij onder de uitoefening van de strafvordering
(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - ALGEMEEN Vrije woorden: Sociale zekerheidsbijdragen - Sancties - Ambtshalve veroordeling van de werkgever tot het drievoud van de ontdoken bijdragen - Aard van de maatregel Wettelijke bepalingen: Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 27-06-1969 - Art. 35, vierde lid - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Programmawet 27 december 2005 - 27-12-2005 - in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan door de - 30 ELI link Pub nr 2005021182 Programmawet 22 december 1989 - 22-12-1989 - Art. 172, tweede lid - 31 ELI link Pub nr 1989021231 Wet 23 maart 1994 houdende bepaalde maatregelen op arbeidsrechtelijk vlak tegen het zwartwerk - 23-03-1994 - in de versie vóór de vervanging bij art. 8 - 30 ELI link Pub nr 1994012217 KB nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 5 - 23-10-1978 - Art. 11bis - 01 ELI link Pub nr 1978102310 Wet 23 maart 1994 houdende bepaalde maatregelen op arbeidsrechtelijk vlak tegen het zwartwerk - 23-03-1994 - in de versie vóór de opheffing ervan bij art. 5 - 30 ELI link Pub nr 1994012217 Fiche 3 Niettemin ontlenen deze ambtshalve veroordelingen aan de strafrechtelijke sanctie die zij vervolledigen, een repressief en afschrikwekkend karakter dat vooral tot uiting komt in het bedrag ervan, vastgesteld op het drievoud van de bedoelde bijdragen. Deze maatregelen beogen aldus niet enkel het herstel van de schade die de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid door het misdrijf werkelijk heeft geleden maar vertonen hierdoor ook het karakter van een strafrechtelijke sanctie in de zin van artikel 7.1 E.V.R.M., wat enkel meebrengt dat de waarborgen van de bepalingen van het E.V.R.M. moeten in acht genomen worden, maar niet tot gevolg heeft dat die maatregelen van strafrechtelijke aard zijn in de zin van het Belgisch Strafwetboek zodat de algemene bepalingen van het Belgisch strafrecht en strafprocesrecht erop toepassing moeten vinden
(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Vrije woorden: Sociale zekerheid - Sociale zekerheidsbijdragen - Sancties - Ambtshalve veroordeling van de werkgever tot het drievoud van de ontdoken bijdragen - Aard van de maatregel Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 27-06-1969 - Art. 35, vierde lid - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Programmawet 27 december 2005 - 27-12-2005 - in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan door de - 30 ELI link Pub nr 2005021182 Programmawet 22 december 1989 - 22-12-1989 - Art. 172, tweede lid - 31 ELI link Pub nr 1989021231 Wet 23 maart 1994 houdende bepaalde maatregelen op arbeidsrechtelijk vlak tegen het zwartwerk - 23-03-1994 - in de versie vóór de vervanging bij art. 8 - 30 ELI link Pub nr 1994012217 KB nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 5 - 23-10-1978 - Art. 11bis - 01 ELI link Pub nr 1978102310 Wet 23 maart 1994 houdende bepaalde maatregelen op arbeidsrechtelijk vlak tegen het zwartwerk - 23-03-1994 - in de versie vóór de opheffing ervan bij art. 5 - 30 ELI link Pub nr 1994012217 Fiche 4 De tenuitvoerlegging van de ambtshalve veroordeling die geen straf is in de zin van het Strafwetboek, maar een maatregel van burgerlijke aard, verjaart overeenkomstig de regels van het burgerlijk recht
(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Sociale zekerheidsbijdragen - Sancties - Ambtshalve veroordeling van de werkgever tot het drievoud van de ontdoken bijdragen - Tenuitvoerlegging - Aard van de maatregel - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 99, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2262bis, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 27-06-1969 - Art. 35, vierde lid - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Programmawet 27 december 2005 - 27-12-2005 - in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan door de - 30 ELI link Pub nr 2005021182 Programmawet 22 december 1989 - 22-12-1989 - Art. 172, tweede lid - 31 ELI link Pub nr 1989021231 Wet 23 maart 1994 houdende bepaalde maatregelen op arbeidsrechtelijk vlak tegen het zwartwerk - 23-03-1994 - in de versie vóór de vervanging bij art. 8 - 30 ELI link Pub nr 1994012217 KB nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 5 - 23-10-1978 - Art. 11bis - 01 ELI link Pub nr 1978102310 Wet 23 maart 1994 houdende bepaalde maatregelen op arbeidsrechtelijk vlak tegen het zwartwerk - 23-03-1994 - in de versie vóór de opheffing ervan bij art. 5 - 30 ELI link Pub nr 1994012217 Fiches 5 - 8 Conclusie van advocaat-generaal MORTIER. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - ALGEMEEN Vrije woorden: Sociale zekerheidsbijdragen - Niet aan de Rijksdienst gestorte bijdragen - Sanctie - Ambtshalve veroordeling van de werkgever tot de ontdoken bijdragen - Aard van de maatregel Sociale zekerheidsbijdragen - Sancties - Ambtshalve veroordeling van de werkgever tot het drievoud van de ontdoken bijdragen - Aard van de maatregel Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Vrije woorden: Sociale zekerheid - Sociale zekerheidsbijdragen - Sancties - Ambtshalve veroordeling van de werkgever tot het drievoud van de ontdoken bijdragen - Aard van de maatregel Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Sociale zekerheidsbijdragen - Sancties - Ambtshalve veroordeling van de werkgever tot het drievoud van de ontdoken bijdragen - Tenuitvoerlegging - Aard van de maatregel - Gevolg Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ C.08.0600.N Conclusie van advocaat-generaal R. MORTIER: Situering Artikel 35, tweede lid van de RSZ-wet, in de versie zoals van toepassing
(1), bepaalde dat de rechter die de straf uitspreekt ten laste van de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, ambtshalve de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers veroordeelt tot betaling aan de RSZ van de bijdragen, bijdrageopslagen en verwijlinteresten die niet aan de Rijksdienst werden gestort. Het vierde lid van dit artikel
(2), bepaalde dat, ingeval van niet-onderwerping van één of meer personen aan de toepassing van deze wet, de rechter ambtshalve de werkgever veroordeelt tot betaling aan de RSZ van een vergoeding gelijk aan het drievoud van de ontdoken bijdragen, zonder dat dit bedrag minder dan 51.000 BF per tewerkgestelde persoon en dit per maand of per fractie ervan mag bedragen. In voorliggende zaak is de vraag aan de orde welke de aard is van de ambtshalve veroordeling die respectievelijk krachtens het tweede lid en het vierde lid van voormeld artikel 35 wordt uitgesproken. Gaat het om een burgerlijke maatregel dan wel een strafsanctie? In tweede instantie stelt zich dan de vraag welk verjaringsregime van toepassing is op de uitvoering van de uitgesproken ambtshalve veroordeling. Verjaart deze zoals de straf of wordt zij beheerst door artikel 2262 bis, §1 eerste lid B.W.? Artikel 35, tweede lid RSZ-wet. Wat het tweede lid van artikel 35 RSZ-wet betreft, bestaat er eensgezindheid in rechtspraak en rechtsleer dat de ambtshalve veroordeling tot betaling van de ontdoken socialezekerheidsbijdragen niet het karakter heeft van een straf, maar van burgerrechtelijke aard is
(3). Deze ambtshalve veroordeling wordt beschouwd als een parallellisme met de teruggaveverplichting, zoals omschreven in artikel 44 SW die tot doel heeft de toestand zoals die bestond vóór het misdrijf werd gepleegd, te herstellen.
(4)Zo oordeelde Uw Hof bij arrest van 22.11.2006
(5)dat de ambtshalve veroordeling tot betaling van de bijdragen, bijdrageopslagen en interesten geen straf is maar een bijzondere wijze van herstel, waarvan de toepassing vereist dat de bijdragen nog wettig verschuldigd zijn dit wil zeggen niet verjaard zijn zoals in artikel 42 van de wet is bepaald. Het Grondwettelijk Hof nam bij arrest nr. 46/2008 van 4 maart 2008 aan dat deze ambtshalve veroordeling, in de versie vóór de wijziging bij de programmawet van 27 december 2005, geen repressieve functie vervult. Zij wordt verklaard door de zorg van de wetgever om de forfaitair geraamde schade te vergoeden. Op deze burgerrechtelijke maatregel zijn de strafrechtelijke beginselen zoals verwoord in de artikelen 7 EVRM en 15 IVBPR niet van toepassing. Artikel 35, vierde lid RSZ-wet. Na een periode van controverse, gekenmerkt door tegenstrijdige standpunten ingenomen door uw Hof enerzijds en het Grondwettelijk Hof anderzijds
(6), bestaat thans eensgezindheid over het gegeven dat bedoelde ambtshalve veroordeling, hoewel geen straf in de zin van het Strafwetboek, wel het karakter heeft van een strafsanctie in de zin van het EVRM
(7). Bij arrest van 12 september 2007
(8)oordeelde Uw Hof dat de omschrijving van vergoeding die aan deze veroordeling wordt gegeven, alsook de toekenning van het bedrag ervan aan de Rijksdienst die door de niet-betaling van de bijdragen is benadeeld, aangeven dat de wetgever, in het laatste lid van voormeld artikel 35, een bijzondere wijze van herstel of teruggave heeft willen creëren om, in het belang van de financiering van de sociale zekerheid, de door het misdrijf verstoorde wettelijke orde te herstellen. De ambtshalve veroordeling van de werkgever tot betaling van dit bedrag is bijgevolg geen straf in de zin van de artikelen 7 tot 43 quater SW, ook al valt zij onder de uitoefening van de strafvordering. De ambtshalve veroordeling neemt echter van de strafrechtelijke sanctie die zij aanvult een beteugelende en ontradende dimensie over die voortvloeit uit het opgelegde bedrag, dat het drievoud bedraagt van de ontdoken bijdragen en dan aan die som wordt toegevoegd. De maatregel beperkt zich dus niet tot het herstel van de door het misdrijf geleden schade. De veroordeling heeft aldus het karakter van een strafrechtelijke sanctie in de zin van artikel 7.1. van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens. Dit standpunt werd zeer recent, bij arrest van 26 januari 2010
(9)door Uw Hof bevestigd en aangevuld. Gezien deze vergoeding aan de strafrechtelijke sanctie die zij vervolledigt, een repressief en afschrikwekkend karakter ontleent, dat vooral tot uiting komt in het bedrag ervan, beoogt zij niet enkel het herstel van de schade die de RSZ door het misdrijf werkelijk heeft geleden en vertoont zij hierdoor het karakter van strafrechtelijke sanctie in de zin van artikel 7.
- EVRM en 15.
- IVBPR. Gevolgen van het karakter van strafrechtelijke sanctie in de zin van artikel 7.
- EVRM en 15.
- IVBPR. Aangenomen dat de ambtshalve veroordeling bepaald bij artikel 35, vierde lid RSZ-wet, zoals van toepassing, een strafrechtelijke sanctie is in de zin van artikel 7.
- EVRM en 15.1 IVBPR blijft de vraag naar de gevolgen van die kwalificatie voor de toepassing van de bepalingen van het nationale strafrecht. In de voorliggende zaak gaat het in het bijzonder over de vraag of deze kwalificatie meebrengt dat de artikelen 91 SW en volgende, die betrekking hebben op de verjaring van de straf, op deze ambtshalve veroordeling van toepassing zijn. Terzake passen volgende overwegingen; 4.
- Het begrip "straf" in het EVRM heeft een autonome betekenis. In zijn conclusie vóór het arrest van 27 september 2006 wees advocaat-generaal D. Vandermeersch er op dat het onderzoek van de rechtspraak van het EHRM aantoont dat hoewel de Lidstaten souverein de juridische aard van de sancties vastleggen die in hun nationale wetgeving zijn bepaald, het Hof op die kwalificatie toezicht uitoefent om te beletten dat de ruimte die terzake aan de Staten wordt gelaten gevolgen zou hebben die onverenigbaar zijn met het voorwerp en doel van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele vrijheden. Zo diende het EHRM vast te stellen dat bepaalde sancties die volgens het intern recht geen straffen waren, toch als strafzaken in de zin van artikel 6 EVRM dienden beschouwd te worden. De criteria die door het EHRM het vaakst in aanmerking worden genomen om te bepalen of een maatregel al dan niet een "straf" is zijn de aard van het misdrijf, de aard en de gestrengheid van de sanctie, de analogie met de strafrechtelijke sancties wat betreft het type gedrag dat wordt bestraft, de regels van de rechtspleging en de rol van de maatregel, het ontradende en bestraffende oogmerk ervan en het algemeen karakter van de bepaling die alle burgers aangaat. 4.
- De strafrechtelijke aard van een sanctie impliceert niet noodzakelijk de toepassing van interne strafrechtelijke regels. Het Grondwettelijk Hof erkent het bestaan van een beoordelingsmarge en stelt, o.a. bij arrest nr. 80/2001 van 13 juni 2001, dat na de vaststelling dat een sanctie van strafrechtelijke aard is moet onderzocht worden of daaruit volgt dat strafrechtelijke regels daarop toepasbaar zijn en zoniet of de afwijkingen die op die regels zouden bestaan kunnen verantwoord worden
(10). Bij arrest nr. 86/2007 van 20 juni 2007
(11)oordeelde het Grondwettelijk Hof dat wanneer een bijslag die een overwegend repressief karakter heeft, een sanctie van strafrechtelijke aard vormt in de zin van artikel 6.1. EVRM hij bijgevolg in overeenstemming moet zijn met de algemene beginselen van strafrecht. Het feit dat de bijslag geen straf is in de zin van artikel 1 Sw maakt evenwel dat de interne regels van het strafrecht en de strafrechtspleging als dusdanig niet daarop van toepassing zijn. Ook uw Hof oordeelt op restrictieve wijze dat de vaststelling dat een veroordeling een strafrechtelijke sanctie is, niet meebrengt dat de nationale strafrechtelijke regels automatisch daarop van toepassing zijn, maar enkel tot gevolg heeft dat de waarborgen van het EVRM gegarandeerd moeten worden.
(12)Uw Hof oordeelde in die zin bij arresten van 28.10.2008, 4 november 2008, en 23 juni 2009.
(13)Ook in de rechtsleer wordt verdedigd dat de kwalificatie van een bestuurlijke sanctie of maatregel als straf in de zin van artikel 6 EVRM niet automatisch impliceert dat de interne regels van strafrecht en strafprocesrecht van toepassing zijn.
(14)4.3. Anderzijds wordt in bepaalde rechtsleer betoogd dat de punitieve invulling van de ambtshalve veroordeling meebrengt dat de regels inzake de verjaring van de straf, zoals verwoord in de artikelen 91 e.v. Sw. van toepassing zijn.
(15)In dit opzicht vormen de artikelen 100SW en 38 RSZ-wet het uitgangspunt voor de problematiek die voorligt. Artikel 100 Sw. bepaalt dat bij gebreke aan andersluidende bepalingen in bijzondere wetten en verordeningen de bepalingen van het eerste boek van dit wetboek toegepast worden op misdrijven die bij die wetten en verordeningen strafbaar zijn gesteld, met uitzondering van hoofdstuk VII en artikel 85.
(16)Artikel 38 RSZ-wet bepaalt dat alle bepalingen van boek I strafwetboek, uitgezonderd hoofdstuk V, maar met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85 toepasselijk zijn op de misdrijven in deze wet omschreven.
(17)4.4. De "punitieve invulling" van de ambtshalve veroordeling impliceert evenwel niet dat deze ambtshalve veroordeling een "straf wordt in de zin van artikel 1 Sw."
(18). Waar de ambtshalve veroordeling onbetwistbaar in feite een betaling in geld impliceert kan niet geoordeeld worden dat dit een geldboete is zoals bepaald in artikel 7 en 38 Sw. Het is dus geen correctionele straf zoals bedoeld in de artikel 92 en 94 Sw. Het lijkt evenmin de bedoeling van de wetgever te zijn geweest de ambtshalve veroordeling te onderwerpen aan hetzelfde regime als de geldboete.
(19)Het rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straf is niet van toepassing op de ambtshalve veroordeling. Dit volgt uit het feit dat de werkgever kan veroordeeld worden overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid zelfs al werd hij strafrechtelijk niet vervolgd of veroordeeld wegens het misdrijf bepaald in het eerste lid. Uw Hof oordeelde in die zin bij arrest van 8 april 2008.
(20)Bij hetzelfde arrest werd trouwens geoordeeld dat de toepassing van het vijfde lid van artikel 35, met andere woorden de ambtshalve veroordeling tot het drievoud van de ontdoken bijdragen,slechts wettig kan worden uitgesproken voor zover de bijdragen die verschuldigd zijn niet verjaard zijn overeenkomstig de specifieke verjaringsregels die gelden voor de invordering van socialezekerheidsbijdragen zoals bepaald in artikel 42 van de RSZ-wet, en de dagvaarding die er toe strekt de werkgever ambtshalve te doen veroordelen tot betaling aan de RSZ van de bijdragen, bijdrageopslagen en interesten die niet aan de Rijksdienst werden gestort de verjaringstermijn bepaald bij artikel 42, eerste lid van de RSZ-wet heeft gestuit. Waar de dagvaarding die strekt tot de veroordeling, de stuiting van de verjaring en het uitspreken van de ambtshalve veroordeling beheerst worden door niet-strafrechtelijke verjaringsregels, wordt ook de uitvoering van de uitgesproken veroordeling niet beheerst door de strafrechtelijke verjaringsregel bepaald in artikel 92 en 94 Sw. De ambtshalve veroordeling tot het drievoud van de ontdoken bijdragen die door de wetgever in artikel 35 wordt gedefinieerd als een vergoeding die wordt toegekend aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid blijft, ondanks de aard van strafrechtelijke sanctie in de zin van artikel 7 EVRM en 15 IVBPR, een burgerlijke veroordeling in de zin van artikel 99 Sw. die wordt uitgesproken bij arresten of vonnissen gewezen in criminele, correctionele of politiezaken en die bijgevolg verjaart naar de regels van het burgerlijk recht. Dit artikel heeft immers niet enkel betrekking op de burgerlijke veroordelingen die door de strafrechter uitgesproken worden op een burgerlijke vordering maar ook op de burgerlijke veroordelingen vreemd aan enige burgerlijke vordering maar die door de wet opgelegd worden en door de strafrechter worden uitgesproken als verplichte aanvulling van de strafrechtelijke veroordeling.
(21)Het middel dat uitgaat van een andere opvatting faalt naar recht. CONCLUSIE: VERWERPING __________________
(1)Artikel 35, tweede lid RSZ-wet vóór de wijziging ervan door de Programmawet van 27 december 2005.
(2)Artikel 35, vierde lid (oud) van de RSZ-wet 1969, thans artikel 35, §1, vijfde lid.
(3)De programmawet van 27 december 2005 heeft de oorspronkelijke burgerrechtelijke aard van de ambtshalve veroordeling tot betaling van de bijdragen, de bijdrageopslagen en de verwijlinteresten gewijzigd door in artikel 35, §3 RSZ-wet te bepalen dat "het bedrag van de te betalen bijdragen in geen geval lager mag zijn dan 2500 euro per tewerkgesteld persoon en dit per maand of per fractie ervan". Het Grondwettelijk Hof oordeelde bij arrest nr. 46/2008 van 4 maart 2008 dat de wetgever die bedragen heeft opgetrokken tot een bedrag dat niet in verhouding staat tot het nadeel dat de inningsinstelling van de socialezekerheidsbijdragen heeft ondervonden en dit er derhalve toe leidt aan die bijdragen een strafrechtelijke aard toe te kennen in de zin van artikel 7 EVRM. Inmiddels heeft de wetgever artikel 35, §3 RSZ-wet opgeheven(artikel 72 van de programmawet van 22 december 2008) zodat aangenomen kan worden dat bedoelde ambtshalve bijdrage, ten aanzien waarvan geen minimumbedrag meer geldt, opnieuw burgerrechtelijk van aard is geworden.
(4)Zie J. Rozie, De ambtshalve veroordeling in het sociaal strafrecht in een nieuw kleedje, noot onder Cass. 26 feb. 2008, Nullum crimen, 2009, 42.
(5)Cass. 22 nov. 2006, A.R. P.06.0953.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061122.7, Pas. 2006, III, nr. 588.
(6)Zie terzake de conclusie van advocaat-generaal D. Vandermeersch vóór Cass. 27 sept. 2006, A.R. P.06.0393.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060927.9, Pas., 2006, II, nr. 440.
(7)De rechtspraak van het Grondwettelijk Hof was reeds in die zin gevestigd zoals mag blijken uit o.a. arrest nr. 80/2001 van 13 juni 2001 (overweging B.7.: er dient te worden onderzocht of de veroordelingen tot het drievoud van de bedrieglijk aangegeven of ontdoken bijdragen niet als straffen moeten worden beschouwd om de redenen uiteengezet in de rechtspraak door het EHRM ontwikkeld in verband met het begrip "strafvervolging" in de zin van artikel 6 EVRM. Het Hof stelt vast dat de sanctie waarin het derde lid van artikel 35 RSZ-wet voorziet een overwegend repressief karakter heeft; zij heeft tot doel de inbreuken begaan door alle werkgevers, aangestelden of lasthebbers zonder enig onderscheid die de regels van onderwerping aan de sociale zekerheid niet naleven, te voorkomen en te bestraffen; die personen, die vooraf de sanctie kennen die zij riskeren op te lopen, worden er toe aangezet hun verplichtingen na te komen; de maatregel is ondergebracht in afdeling 4 die aan de "strafbepalingen" is gewijd; hij wordt toegevoegd aan een straf die door de strafrechter is uitgesproken; hij vergoedt niet de schade die de betrokkene heeft berokkend aan de benadeelde partij die met toepassing van artikel 35, tweede lid RSZ-wet wordt vergoed. Die vaststellingen leiden tot het besluit dat de sanctie van strafrechtelijke aard is."
(8)Cass. 12 sept. 2007, P.07.0373.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070912.1; Zie ook Cass. 26 feb. 2008, P.07.0033.N.
(9)Cass. 26 jan. 2010, P. 09.0264.N
(10)Zo oordeelde het Grondwettelijk Hof dat op de ambtshalve veroordeling vermeld in artikel 35, derde en vierde lid RSZ-wet de opslorpingsregel bedoeld in artikel 65 SW niet kan toegepast worden nu de wetgever met die "ambtshalve veroordeling" de bedoeling had de rechter ertoe te verplichten die veroordeling op te leggen zelfs ingeval de straf voorzien in artikel 35, eerste lid zou opgeslorpt worden door de zwaardere straf die met toepassing van een andere strafbepaling is uitgesproken.
(11)Met betrekking tot de bijslag bedoeld in artikel 30bis, §3, derde lid van de wet van 27 juni 1969.
(12)Zie M. De Swaef en M. Traest, Tussen Hamer en aambeeld: de gevolgen van het arrest Hamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens op de herstelmaatregel in stedenbouw, R.W., 2008-2009, 1134, nr. 16.
(13)Cass. 28 okt. 2008, P.08.0880.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081028.6; Cass. 4 nov. 2008, P.08.0081.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081104.2 en Cass. 23 juni 2009, P.09.276.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090623.3 waarin werd geoordeeld dat het beschouwen van het herstel in de oorspronkelijke staat als straf in de zin van artikel 6 EVRM enkel meebrengt dat de in die bepaling vervatte warborgen moeten in acht genomen worden. Het brengt niet mee dat de maatregel van srafrechtelijke aard is zodat de algemene bepalingen van het belgisch strafrecht en strafprocesrecht terzake toepassing moeten vinden.
(14)V. Franssen, J. Vanheule en F.Verbruggen, Wie heeft het gedaan en wat ermee gedaan, Recente ontwikkelingen in het strafrecht, Larcier, 38; G.-F. Raneri, "Sanction, qualification en régimes juridiques. A popos de la majoration due à l'ONSS", J.T.T., 2008, 203.
(15)Zie J. Rozie, "De ambtshalve veroordeling in het sociaal strafrecht in een nieuw kleedje", Nullum Crimen, 2009, 41.
(16)Hoofdstuk VII betreft de deelneming van verscheidene personen aan eenzelfde misdaad of wanbedrijf; artikel 85 betreft de verzachtende omstandigheden bij veroordeling tot gevangenisstraf, werkstraf of geldboete
(17)Hoofdstuk V SW betreft de herhaling.
(18)Zie ook Cass. 7 juni 2007, A.R. F.06.0056.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070607.4 waarin werd geoordeeld dat de omstandigheid dat administratieve geldboetes een strafrechtelijk karakter hebben daarvan nog geen strafrechtelijke geldboetes maakt waarop de artikelen 60 tot 62 Sw. en de beginselen betreffende de ééndaadse samenloop van misdrijven of betreffende het voortgezet misdrijf van toepassing zijn.
(19)F. Kéfer, Précis de droit pénal, Anthemis, Louvain-la-Neuve, 2008, 200, nr. 213.
(20)Cass. 8 april 2008, A.R. P.07.0631.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080408.2.
(21)Zie T. Werquin, La condamnation au paiement a l'O.N.S.S. d'une indemnité égale au triple des cotisations, R.D.P. 1993, p.526-527. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100329.6 citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060927.9 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061122.7 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070607.4 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070912.1 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080408.2 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081028.6 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081104.2 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090623.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div