← België

ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100330.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 30 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100330.7 Rolnummer: P.09.1592.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2010-04-06 Raadplegingen: 508 - laatst gezien 2026-07-02 18:28 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100330.7 Fiche 1 Niet-ontvankelijk is het cassatieberoep dat door de beklaagde wordt ingesteld vóór het verstrijken van de gewone termijn van verzet

(1).
(1)Zie concl. van het O.M. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Duur, begin en einde UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Maatregelen van inwendige aard GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering Vrije woorden: Begin - Veroordeling bij verstek - Cassatieberoep van beklaagde tijdens de gewone termijn van verzet - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 187, 373 en 413 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 2 Artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat beslissingen of maatregelen van inwendige aard, zoals bepaling van rechtsdag, uitstel, weglating van de rol en doorhaling, alsmede vonnissen waarbij wordt bevolen dat partijen in persoon moeten verschijnen, niet vatbaar zijn voor verzet of hoger beroep, is van toepassing in strafzaken
(1).
(1)Zie concl. van het O.M. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Maatregelen van inwendige aard GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering Vrije woorden: Beslissing of maatregel van inwendige aard - Artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek - Toepasselijkheid Fiches 3 - 4 Beslissingen of maatregelen van inwendige aard zijn beslissingen of maatregelen waarbij de rechter geen enkel geschil van feitelijke of juridische aard beslecht of niet reeds een beslissing daarover wijst, zodat de beslissing geen onmiddellijk nadeel kan berokkenen aan een van de partijen
(1).
(1)Zie concl. van het O.M. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Maatregelen van inwendige aard GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering Vrije woorden: Beslissing of maatregel van inwendige aard Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Maatregelen van inwendige aard GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering Vrije woorden: Beslissing of maatregel van inwendige aard Fiches 5 - 7 Wanneer de rechter, alvorens nader te beslissen, een prejudiciële vraag stelt aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en niet blijkt dat hij daarbij reeds uitspraak heeft gedaan over een geschil van feitelijke of juridische aard of daarover reeds een beslissing heeft gewezen, is het stellen van de prejudiciële vraag een beslissing die geen onmiddellijk nadeel berokkent aan een van de partijen; het is dus geen beslissing alvorens recht te doen in de zin van de artikelen 19, tweede lid, en 1050 Gerechtelijk Wetboek, maar uitsluitend een beslissing van inwendige aard in de zin van artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek, die niet vatbaar is voor hoger beroep
(1).
(1)Zie concl. van het O.M. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Maatregelen van inwendige aard GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering Vrije woorden: Prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen - Geen uitspraak over een geschil van feitelijke of juridische aard - Beslissing die de partijen geen nadeel kan berokkenen - Beslissing van inwendige aard - Hoger beroep - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Maatregelen van inwendige aard GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering Vrije woorden: Prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen - Geen uitspraak over een geschil van feitelijke of juridische aard - Beslissing die de partijen geen nadeel kan berokkenen - Beslissing van inwendige aard - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Maatregelen van inwendige aard GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering Vrije woorden: Prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen - Geen uitspraak over een geschil van feitelijke of juridische aard - Beslissing die de partijen geen nadeel kan berokkenen - Beslissing van inwendige aard - Hoger beroep - Ontvankelijkheid Fiches 8 - 9 Als het cassatieberoep enkel gericht is tegen het eindarrest, onderzoekt het Hof in de regel niet de wettigheid van het arrest alvorens recht te doen waartegen geen cassatieberoep is ingesteld; enkel indien een beslissing alvorens recht te doen de wettigheid van de eindbeslissing zou aantasten, onderzoekt het Hof de wettigheid van het arrest alvorens recht te doen, ook al is het cassatieberoep niet tegen die beslissing alvorens recht te doen gericht
(1).
(1)Zie concl. van het O.M. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Maatregelen van inwendige aard GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering Vrije woorden: Cassatieberoep enkel gericht tegen eindarrest - Bevoegdheid en opdracht van het Hof - Beperking - Uitzondering - Arrest alvorens recht te doen Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Maatregelen van inwendige aard GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering Vrije woorden: Cassatieberoep enkel gericht tegen eindarrest - Bevoegdheid en opdracht van het Hof - Beperking - Uitzondering - Arrest alvorens recht te doen Fiche 10 Wanneer de onwettigheid van een arrest alvorens recht te doen de wettigheid van het eindarrest aantast, is het middel, dat gericht is tegen dit arrest alvorens recht te doen, ontvankelijk, ook al is geen cassatieberoep ingesteld tegen het arrest alvorens recht te doen dat de bekritiseerde beslissing bevat, maar enkel tegen het eindarrest
(1).
(1)Zie concl. van het O.M. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Maatregelen van inwendige aard GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering Vrije woorden: Cassatieberoep enkel gericht tegen eindarrest - Tussenarrest dat de wettigheid van het eindarrest aantast - Middel enkel gericht tegen het tussenarrest - Ontvankelijkheid Fiches 11 - 20 Conclusie van advocaat-generaal DUINSLAEGER. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Duur, begin en einde UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Maatregelen van inwendige aard GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering Vrije woorden: Begin - Veroordeling bij verstek - Cassatieberoep van beklaagde tijdens de gewone termijn van verzet - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Maatregelen van inwendige aard GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering Vrije woorden: Beslissing of maatregel van inwendige aard - Artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek - Toepasselijkheid Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Maatregelen van inwendige aard GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering Vrije woorden: Beslissing of maatregel van inwendige aard Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Maatregelen van inwendige aard GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering Vrije woorden: Beslissing of maatregel van inwendige aard Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Maatregelen van inwendige aard GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering Vrije woorden: Prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen - Geen uitspraak over een geschil van feitelijke of juridische aard - Beslissing die de partijen geen nadeel kan berokkenen - Beslissing van inwendige aard - Hoger beroep - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Maatregelen van inwendige aard GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering Vrije woorden: Prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen - Geen uitspraak over een geschil van feitelijke of juridische aard - Beslissing die de partijen geen nadeel kan berokkenen - Beslissing van inwendige aard - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Maatregelen van inwendige aard GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering Vrije woorden: Prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen - Geen uitspraak over een geschil van feitelijke of juridische aard - Beslissing die de partijen geen nadeel kan berokkenen - Beslissing van inwendige aard - Hoger beroep - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Maatregelen van inwendige aard GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering Vrije woorden: Cassatieberoep enkel gericht tegen eindarrest - Bevoegdheid en opdracht van het Hof - Beperking - Uitzondering - Arrest alvorens recht te doen Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Maatregelen van inwendige aard GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering Vrije woorden: Cassatieberoep enkel gericht tegen eindarrest - Opdracht van het Hof - Beperking - Uitzondering - Arrest alvorens recht te doen Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Maatregelen van inwendige aard GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering Vrije woorden: Cassatieberoep enkel gericht tegen eindarrest - Tussenarrest dat de wettigheid van het eindarrest aantast - Middel enkel gericht tegen het tussenarrest - Ontvankelijkheid Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ P.09.1592.N Conclusie van advocaat-generaal Patrick DUINSLAEGER 1. In deze procedure werden de verschillende eisers, op rechtstreekse dagvaarding door de Belgische Staat, Federale Overheidsdienst Financiën, in verschillende zaken vervolgd wegens, onder meer, sluikinvoer van sigaretten, onttrekking aan het douanetoezicht van deze sigaretten, niet-aanzuivering van douanedocumenten, vermelding van een verkeerde benaming op douanedocumenten, meer bepaald op een T1-document, niet-naleving van de uit de communautaire wetgeving voortvloeiende verplichting de goederen op een summiere aangifte onder hun juiste benaming te vermelden en het opstellen van valse facturen met het opzet de douane te bedriegen. De eiseressen VII en VIII stelden zich tevens burgerlijke partij tegen een aantal (mede-)beklaagden. 2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, meer bepaald de processen-verbaal van de rechtszitting van 29 maart 2007, blijkt dat de correctionele rechtbank te Antwerpen reeds op die datum besloot tot de samenvoeging van tien verschillende zaken. Uit de stukken blijkt niet dat deze beslissing op dat ogenblik of later bij de behandeling in eerste aanleg, aanleiding zou gegeven hebben tot enige betwisting. 3. In het vonnis van 31 mei 2007 stellen de rechters allereerst vast dat "de zaken (...) werden gevoegd, zoals vermeld in het (p)roces-verbaal van terechtzitting d.d. 26 april 2007
(1)". In het beschikkend gedeelte van het vonnis beslist de correctionele rechtbank te Antwerpen, enerzijds, het ter zitting door een medebeklaagde geformuleerde verzoek tot voeging van nog vier andere dossiers af te wijzen, en, anderzijds, vooraleer enige uitspraak te doen over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de strafvordering en van de burgerlijke rechtsvorderingen, met toepassing van artikel 234 EG een reeks prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen omtrent de interpretatie of uitlegging van de artikelen 5, 202 en 221 van het Communautair Douanewetboek. De correctionele rechtbank wijst voor het overige het meer en anders gevorderde af en houdt de beslissing over de kosten aan.
  1. De door de correctionele rechtbank gestelde prejudiciële vragen hadden niet enkel betrekking op een aantal vragen gesuggereerd door de beklaagden, maar ook op prejudiciële vragen die, ofwel geherformuleerd werden door de Administratie der Douane en Accijnzen, ofwel, zij het in uiterst ondergeschikte orde, door deze partij zelf werden voorgesteld.
  2. Tegen dit tussenvonnis van 31 mei 2007 wordt enkel door de Administratie der Douane en Accijnzen hoger beroep aangetekend.
  3. Ingevolge dit hoger beroep van de Administratie der Douane en Accijnzen, oordeelt het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, bij tussenarrest van 6 februari 2008, dat het hoger beroep ontvankelijk is. Het hof van beroep doet verder het beroepen vonnis teniet, trekt de zaak aan zich, beveelt de heropening van de debatten teneinde de zaak zowel op strafrechtelijk als op civielrechtelijk vlak verder te behandelen, met inbegrip van de gebeurlijke samenvoeging op grond van samenhang van alle of sommige van de zaken en van de gebeurlijke prejudiciële vraagstellingen aan het Hof van Justitie en stelt de zaak op een latere datum uit. Tegen dit arrest werd reeds op 22 februari 2008 cassatieberoep aangetekend door de eiseressen VII en VIII. Beiden deden evenwel afstand zonder berusting van hun cassatieberoep. Het Hof verleende akte van de afstanden bij arrest van 9 september 2008, AR P.08.0438.N.
  4. Het eindarrest van 24 september 2009 van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, bij verstek gewezen ten aanzien van de eiser I en ten aanzien van een aantal verweerders, veroordeelt onder meer een aantal beklaagden bij eenvoudige schuldigverklaring wegens overschrijding van de redelijke termijn, in toepassing van artikel 21ter Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, spreekt een aantal verbeurdverklaringen uit, veroordeelt een aantal beklaagden tot de betaling van de tegenwaarde van de niet-inbeslaggenomen goederen bij niet-voortbrenging ervan en veroordeelt de beklaagden tot de betaling van de ontdoken accijns, de ontdoken specifieke en specifieke bijzondere accijns op gefabriceerde tabak en tot de betaling van bepaalde kosten en invoerrechten of antidumpingrechten.
  5. De cassatieberoepen van de eisers I, II, III.1 en III.2, IV, V, VI, VII en VIII zijn gericht tegen het eindarrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 24 september 2009 De cassatieberoepen III.1 en III.2, IV, VII en VIII zijn ook gericht tegen het arrest alvorens recht te doen van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 6 februari
  6. Het cassatieberoep IX is enkel gericht tegen het arrest alvorens recht te doen van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 6 februari
  7. De eiseres II voert in een memorie een middel aan tegen het tussenarrest van 6 februari 2008 en zeven middelen tegen het eindarrest. De eiseres III.1 voert in een memorie een middel aan tegen het arrest van 6 februari 2008 en drie middelen tegen het arrest van 24 september
  8. De eiseres III.2 voert in een memorie een middel aan tegen het tussenarrest van 6 februari 2008 en twee middelen tegen het eindarrest. Hetzelfde geldt voor de eiser IV. De eiseressen V en VIII voeren elk een middel aan tegen het eindarrest. De eisers VI en IX voeren zowel tegen het tussenarrest van 6 februari 2008 als tegen het eindarrest een afzonderlijk middel aan. De eisers I en VII voeren geen middel aan.
  9. Het cassatieberoep van eiser I, dat werd ingesteld binnen de gewone termijn van verzet, tegen het eindarrest dat hem bij verstek veroordeelt, is niet ontvankelijk
(2).
  1. Het enig middel dat door de eisers III.1, III.2, IV en VI tegen het tussenarrest van 6 februari 2008 wordt aangevoerd heeft telkens nagenoeg dezelfde inhoudelijke strekking. In deze middelen wordt een schending van de artikelen 17 (eiseres VI), 1046 (eiseressen III.1 en III.2 en eiseres VI) en 1050 (eiseressen III.1 en III.2 en eiseres VI) Gerechtelijk Wetboek en 199 en 202 Wetboek van Strafvordering (eiseres VI) aangevoerd: volgens de eisers hebben de appelrechters bij tussenarrest van 6 februari 2008 onterecht het hoger beroep tegen het tussenvonnis van 31 mei 2007 ontvankelijk verklaard. Naar het oordeel van de eisers moet dit tussenvonnis, dat naast het afwijzen van een door een medebeklaagde gevraagde voeging, er enkel toe strekte een aantal prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, beschouwd worden als een beslissing of maatregel van inwendige aard, die overeenkomstig artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek niet vatbaar is voor hoger beroep.
  2. Het Hof heeft zich over dit probleem nog niet uitgesproken. Het hof van beroep te Brussel oordeelde in een arrest van 5 maart 1999
(3)dat het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen dient beschouwd te worden als een maatregel van inwendige orde die geen schade kan berokkenen aan de partijen en de strafvordering niet in het gedrang kan brengen, zodat het hoger beroep tegen deze beslissing dan ook niet ontvankelijk is. In zijn noot onder dit arrest verdedigt M. CRUYSMANS
(4)het standpunt van het hof van beroep. Ook R. VERSTRAETEN
(5), G. de LEVAL
(6), P. TAELMAN
(7)en B. LAMBRECHT
(8)schijnen zich bij deze stelling aan te sluiten.
  1. Twee criteria lijken van belang voor de verdere analyse, met name, enerzijds, de aard van de beslissing waarbij een prejudiciële vraag wordt gesteld, anderzijds, het belang dat een partij moet hebben om het rechtsmiddel van hoger beroep in te stellen. Uit de relevante rechtspraak van het Hof zal blijken dat beide criteria nauw met elkaar verbonden zijn: wanneer de beslissing om een prejudiciële vraag te stellen moet aanzien worden als een beslissing of maatregel van inwendige aard, zal, in de regel, ook het door artikel 17 Gerechtelijk Wetboek vereiste belang ontbreken omdat de beslissing geen onmiddellijk nadeel kan berokkenen aan de partijen, aangezien over geen enkele feitelijk of juridisch geschil uitspraak wordt gedaan.
  2. Krachtens de artikelen 199 en 202 Wetboek van Strafvordering kan tegen de vonnissen gewezen in correctionele zaken hoger beroep worden ingesteld. Artikel 1050 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat in alle zaken hoger beroep kan worden ingesteld van zodra het vonnis is uitgesproken, zelfs al is dit een beslissing alvorens recht te doen of een verstekvonnis. Artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek, dat eveneens toepasselijk is in strafzaken
(9), bepaalt dat beslissingen of maatregelen van inwendige aard niet vatbaar zijn voor verzet of hoger beroep. Deze uitzondering op het in het artikel 616 Gerechtelijk Wetboek en 199 Wetboek van Strafvordering gestelde principe van de appellabiliteit van de vonnissen, moet strikt worden geïnterpreteerd
(10). 15. Maatregelen van inwendige aard zijn, volgens de rechtspraak van het Hof
(11), beslissingen waarbij de rechter geen enkel geschil van feitelijke of juridische aard of geen enkel feitelijke of rechtsvraag beslecht of daarover een beslissing wijst, zodat die beslissing geen onmiddellijk nadeel kan berokkenen aan één van de partijen. Indien daarentegen een beslissing van inwendige orde overwegingen of vaststellingen bevat die een onmiddellijk nadeel
(12)kunnen berokkenen aan een partij, omdat daarbij een feitelijke of rechtsvraag wordt beslist die voor de rechter werd betwist, zal hoger beroep toch mogelijk zijn
(13): uitzonderingen op de beroepbaarheid moeten immers strikt worden uitgelegd
(14). Een beslissing die geen enkel geschil in feite of in rechte oplost, zal normalerwijze de belangen van de partijen niet in het gedrang brengen: vermits er niets wordt beslist dat rechtstreeks of onrechtstreeks één van de partijen in het gelijk dan wel in het ongelijk stelt, blijft het een neutrale beslissing die de partijen niet kan grieven. Hoger beroep zal dus mogelijk zijn, hetzij wanneer de beslissing geen echte beslissing of maatregel van inwendige aard is omdat de rechter in zijn tussenvonnis in werkelijkheid toch een feitelijke of juridische kwestie oplost, hetzij wanneer de beslissing wél degelijk een beslissing of maatregel van inwendige aard is, maar toch een onmiddellijk nadeel berokkent aan één van de partijen en, bijgevolg, een belang doet ontstaan in hoofde van die partij om tegen deze beslissing hoger beroep aan te tekenen. Zo besliste het Hof dat de beslissing van de eerste rechter dat de verweerder tot dan toe nog niet het bewijs had geleverd van de gegrondheid van de door hem ingestelde vordering en dat de partijen dienden uitgenodigd te worden om bewijskrachtige stukken bij te brengen, in werkelijkheid de bewijslevering betrof en de verweerder nadeel kon berokkenen, zodat hoger beroep moest worden toegelaten
(15). In een ander geval oordeelde het Hof dat, wanneer het hof van beroep regelmatig kennis heeft genomen van het hoger beroep onder meer tegen de beslissing van de correctionele rechtbank waarbij de vervolgingen ontvankelijk worden verklaard, ook het onderzoek van het door de eerste rechter aan één van de partijen gerichte verzoek om een stuk neer te leggen wettig is, als het arrest vaststelt dat een andere partij voor het hof van beroep de overlegging van het litigieuze stuk als een voorwaarde voor de ontvankelijkheid van de vervolgingen heeft beschouwd, zodat onder die omstandigheden het verzoek van de eerste rechter niet kan worden beschouwd als een maatregel van inwendige aard, maar als een uitspraak over een rechtsvraag
(16).
  1. Er dient dus te worden nagegaan, aan de hand van de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, wat de juiste inhoud is van het tussenvonnis van 31 mei
  2. In de eerste plaats dient te worden uitgemaakt of er in het tussenvonnis uitspraak werd gedaan over een feitelijk of juridisch geschil. Zo het antwoord op deze vraag negatief is, hebben wij weliswaar te maken met een beslissing of maatregel van inwendige aard, maar dan moet nog worden nagegaan of deze beslissing of maatregel toch niet van aard is om nadeel te berokkenen aan één van de partijen: in dit laatste geval heeft deze partij een belang om een rechtsmiddel in te stellen en zal het hoger beroep toelaatbaar zijn.
  3. In het tussenvonnis van 31 mei 2007 beslist de correctionele rechtbank te Antwerpen, enerzijds, het ter zitting door een medebeklaagde geformuleerde verzoek tot voeging van nog vier andere dossiers af te wijzen, en, anderzijds, vooraleer enige uitspraak te doen over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de strafvordering en van de burgerlijke rechtsvorderingen, met toepassing van artikel 234 EG een reeks prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen omtrent de interpretatie of uitlegging van de artikelen 5, 202 en 221 van het Communautair Douanewetboek. De correctionele rechtbank wijst voor het overige het meer en anders gevorderde af en houdt de beslissing over de kosten aan.
  4. De beslissing tot afwijzing van de door een medebeklaagde gevraagde voeging, kan alleen het belang van deze medebeklaagde schaden. Voor deze partij zou er desgevallend een recht op hoger beroep kunnen bestaan, maar deze partij tekende zelf geen hoger beroep aan: enkel de vervolgende partij, de Administratie der Douane en Accijnzen kwam van het tussenvonnis van 31 mei 2007 in hoger beroep en de Administratie der Douane en Accijnzen heeft zelf geen belang om op te komen tegen de afwijzing door de rechter van een door haar niet gevraagde en blijkbaar ook niet gewilde voeging. De afwijzing van dit verzoek tot voeging is dus niet relevant bij de beoordeling van het belang van de Administratie der Douane en Accijnzen.
  5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, en meer bepaald uit de beroepsconclusie van de Administratie der Douane en Accijnzen, die neergelegd werd vóór het tussenarrest van 6 februari 2008, blijkt dat het instellen van het hoger beroep gesteund was op het gegeven, dat naar het oordeel van de Administratie der Douane en Accijnzen, enerzijds, de samenvoeging van de verschillende zaken de uitoefening van de strafvordering belemmerde en de rechtsbedeling niet ten goede kwam en, anderzijds, op het gegeven dat de gestelde prejudiciële vragen, die volgens de Administratie der Douane en Accijnzen slechts relevant waren in drie van de tien gevoegde zaken, de strafprocedure aanzienlijk zouden vertragen en tot een overschrijding van de redelijke termijn zouden kunnen leiden. Het belang om hoger beroep aan te tekenen situeert zich volgens de Administratie der Douane en Accijnzen dus zowel op het vlak van de samenvoeging van de verschillende zaken als op het vlak van het stellen van de prejudiciële vragen. Wat het belang van de Administratie der Douane en Accijnzen op het vlak van de samenvoeging van de verschillende zaken betreft, kan allereerst worden opgemerkt, enerzijds, dat de correctionele rechtbank reeds tot voeging van de verschillende zaken besliste op de zitting van 29 maart 2007, zoals blijkt uit de processen-verbaal van de rechtszitting van die datum, en dus niet bij het tussenvonnis van 31 mei 2007, en, anderzijds, dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan niet blijkt dat deze samenvoeging op dat ogenblik aanleiding zou hebben gegeven tot enige betwisting tussen de partijen. Het vonnis van 31 mei 2007 stelt enkel de eerder besliste samenvoeging vast. Het hele verweer dat door de Administratie der Douane en Accijnzen in haar beroepsbesluiten vóór het tussenarrest van 6 februari 2008 wordt gevoerd omtrent de voor haar nadelige samenvoeging van de verschillende zaken en het daaruit afgeleide belang om hoger beroep in te stellen is niet ter zake dienend, want bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep bespreken de appelrechters in het tussenarrest van 6 februari 2008 enkel en alleen de problematiek van de aard van de beslissing waarbij een prejudiciële vraag wordt gesteld. Er wordt bij het onderzoek van de ontvankelijkheid van het hoger beroep geen enkel woord gewijd aan de problematiek van de samenvoeging van de verschillende zaken of over het belang dat de Administratie der Douane en Accijnzen had om zich hiertegen te verzetten door hoger beroep aan te tekenen.
  6. Zo komen wij tot de kern van het probleem: wat is de precieze aard van de beslissing bij tussenvonnis van 31 mei 2007 om een aantal prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen? Voor de strafrechter bestaat, volgens artikel 234 EG, de mogelijkheid om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie te Luxemburg, wanneer in het kader van de bij hem aanhangige strafzaak, een interpretatieprobleem rijst of wordt opgeworpen met betrekking tot het verdrag, de daarin bedoelde akten of de handelingen van de gemeenschapsinstellingen
(17). De strafrechter zal die vraag stellen in de mate dat hij een beslissing op dat punt noodzakelijk acht om zelf te kunnen beslissen: behalve voor het Hof van Cassatie, dat in de regel verplicht is een opgeworpen interpretatieprobleem voor te leggen aan het Europees Hof van Justitie, oordeelt de strafrechter, wiens beslissing volgens het nationale recht nog vatbaar is voor enig beroep, zelf of hij een arrest van het Hof van Justitie nodig heeft voor zijn eigen voorlichting
(18). 21. Artikel 19, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter, alvorens recht te doen, in elke stand van de rechtspleging, een voorafgaande maatregel kan bevelen om de vordering te onderzoeken of een tussengeschil te regelen dat betrekking heeft op een dergelijke maatregel, dan wel de toestand van de partijen voorlopig te regelen. Krachtens artikel 1050 Gerechtelijk Wetboek kan tegen een dergelijke beslissing "alvorens recht te doen" hoger beroep worden ingesteld. In de rechtspraak van het Hof vindt men een aantal traditionele voorbeelden van dergelijke beslissingen "alvorens recht te doen". De uitspraken "alvorens recht te doen" kunnen in de eerste plaats betrekking hebben op voorafgaande maatregelen om de vordering of de eis te onderzoeken. Zo kan beschouwd worden als een uitspraak "alvorens recht te doen", de beslissing waarbij een onderzoeksmaatregel wordt bevolen
(19), zoals een deskundigenonderzoek
(20), een getuigenverhoor
(21)of een plaatsopneming, waarbij verduidelijkende handelingen van de partijen worden gevraagd, zoals de overlegging van stukken, of waarbij de debatten worden heropend
(22). Uitspraken "alvorens recht te doen" kunnen anderzijds ook betrekking hebben op beslissingen die de toestand van de partijen voorlopig regelen door, in afwachting van een einduitspraak, een provisionele maatregel te nemen of een provisionele vergoeding toe te kennen. De beslissing waarbij een prejudiciële vraag wordt gesteld aan het Europees Hof van Justitie is in elk geval geen uitspraak die tot doel heeft de toestand van de partijen voorlopig te regelen: er wordt immers over die toestand geen uitspraak gedaan, zelfs niet bij wijze van voorlopige regeling. Het is evenmin een beslissing waarbij beslist wordt de debatten te heropenen of waarbij aan de partijen gevraagd wordt om een actie te ondernemen om de zaak te verduidelijken door het aanbrengen van nieuwe stukken. Er blijft dus na te gaan of de beslissing tot het stellen van een prejudiciële vraag gelijkgesteld kan worden met een beslissing waarbij een onderzoeksmaatregel wordt bevolen en waartegen hoger beroep mogelijk is? Eiseres II houdt voor dat uit het arrest van het Hof van 21 oktober 2002
(23), waarbij geoordeeld wordt dat de beslissing waarbij de eerste rechter een prejudiciële vraag stelt aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, geen onderzoeksmaatregel is in de zin van artikel 1068 Gerechtelijk Wetboek, volgt dat een vonnis dat prejudiciële vragen stelt aan het Hof van Justitie, gekwalificeerd moet worden als een maatregel van inwendige aard, waartegen geen hoger beroep mogelijk is. Ook P. TAELMAN lijkt deze mening toegedaan. Ik meen evenwel dat deze lezing aan het arrest een draagwijdte toekent die het niet heeft: het Hof zegt in dit arrest niet dat tegen een vonnis dat een prejudiciële vraag stelt geen hoger beroep mogelijk is, maar enkel dat de appelrechters die beslissen dat het stellen van een prejudiciële vraag een onderzoeksmaatregel is in de zin van artikel 1068 Gerechtelijk Wetboek, deze wetsbepaling schenden.
  1. Er moet naar mijn oordeel veeleer gekeken worden naar de juiste inhoud en draagwijdte van de beslissing waarbij de prejudiciële vraag aan het Europees Hof van Justitie wordt gesteld. Bij een uitspraak "alvorens recht te doen", waarbij tot het nemen van een voorbereidende onderzoeksmaatregel, zoals een deskundigenonderzoek, een getuigenverhoor of een plaatsopneming, wordt besloten, steunt de beslissing van de rechter op de vaststelling dat hij nood heeft aan een bijkomende belichting van bepaalde aspecten of facetten van de zaak, die rechtstreeks betrekking hebben op de wijze waarop het geschil zich voor hem voordoet. De wijze waarop de inhoud van deze bijkomende onderzoeksmaatregel wordt geformuleerd, kan in bepaalde gevallen een onmiddellijk nadeel voor een partij opleveren. Bij het stellen van een prejudiciële vraag daarentegen, ziet de rechter zich niet geconfronteerd met een gebrek aan elementen omtrent de wijze waarop het geschil zelf zich voor hem aandient, maar realiseert hij zich dat er een probleem ontstaan is dat rechtstreeks te maken heeft met de vraag of en hoe bepaalde communautaire normen moeten worden geïnterpreteerd en toegepast. Het enige obstakel dat de oplossing van het geschil nog in de weg staat is de vraag naar de juiste draagwijdte van het wettelijk instrument dat op het geschil moet worden toegepast. De nationale rechter die een prejudiciële vraag stelt aan het Europees Hof van Justitie, verzoekt dit Hof de regel van gemeenschapsrecht uit te leggen, teneinde hem in staat te stellen, op basis van het antwoord van het Hof van Justitie, en na deze elementen in het debat te hebben gebracht, het voor hem aanhangige geschil op te lossen. Het Hof van Justitie zal zich in zijn antwoord overigens ook niet uitspreken over de toepassing van het gemeenschapsrecht op de specifieke zaak waarin de prejudiciële vraag werd gesteld: het Hof van Justitie verstrekt aan de nationale rechter enkel de elementen van interpretatie van het gemeenschapsrecht, die hem in staat moeten stellen, desgevallend, een juiste toepassing te maken van het communautair recht. Door het stellen van de prejudiciële vraag, neemt de rechter dus nog geen enkel standpunt in ten opzichte van de wijze waarop het geschil moet worden opgelost: de prejudiciële vraagstelling beoogt precies om, in een later stadium, de bestaande rechtspunten te kunnen beslechten aan de hand van het antwoord. Het is dus een beslissing die weliswaar de verdere behandeling van de zaak voorbereidt, maar zonder dat daarbij al wordt geoordeeld over welk geschil van feitelijke of juridische aard dan ook en zonder dat daarbij welke feitelijke of rechtsvraag dan ook wordt beslecht of daarover een beslissing wordt gewezen, zodat die beslissing derhalve ook geen onmiddellijk nadeel kan berokkenen aan één van de partijen.
  2. Het besluit, althans in de hier voorliggende zaak
(24), moet dus zijn dat de strafrechter die bij tussenvonnis enkel een aantal prejudiciële vragen stelt aan het Hof van Justitie te Luxemburg geen enkele vraag in feite of in rechte oplost, zodat geen rechtstreeks of onmiddellijk nadeel aan één van de partijen kan worden berokkend.
  1. Wat het belang van de Administratie der Douane en Accijnzen, in de zin van artikel 17 Gerechtelijk Wetboek betreft, oordelen de appelrechters, in het kader van het onderzoek naar de gegrondheid van het hoger beroep: "Nu de procedure voor het Hof van Justitie hoe dan ook geruime tijd in beslag neemt (...), dient vastgesteld dat het bestreden vonnis, om de vermelde redenen, de uitoefening van de strafvordering in de onderscheiden betrokken zaken - mede gelet op het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM, - kan belemmeren of in het gedrang brengen en aldus een onmiddellijk nadeel kan berokkenen, onder meer, aan de vervolgende partij". Bij het onderzoek naar de ontvankelijkheid van het hoger beroep wijzen de appelrechters verder, onder meer, op het feit dat de nationale rechter gebonden is door de interpretatie van het gemeenschapsrecht door het Hof van Justitie "zodat het stellen van een prejudiciële vraag invloed heeft op de hoofdzaak". Ik meen dat deze overwegingen geen hout snijden: de beroepbaarheid van een beslissing hangt af van de aard van deze beslissing. Zoals hiervoor gebleken is heeft de eerste rechter met zijn tussenvonnis van 31 mei 2007 geen enkel geschil beslecht en geen enkel voor één van de partijen nadelige beslissing genomen: hij heeft enkel beslist aan het Hof van Justitie te vragen om hem de elementen van interpretatie van het gemeenschaprecht mede te delen, die hem in staat moeten stellen het geschil te beslechten. Het enkele feit dat de nationale rechter gebonden is door de interpretatie van het gemeenschapsrecht door het Hof van Justitie wijzigt niets aan de aard van de beslissing tot het stellen van een prejudiciële vraag en maakt deze beslissing op zich niet beroepbaar. Hetzelfde geldt voor de overweging van de appelrechters dat het stellen van een prejudiciële vraag vertraging kan meebrengen bij de afhandeling van de strafvordering: ook dit gegeven wijzigt niets aan de aard van de beslissing tot het stellen van een prejudiciële vraag. Een beslissing die uit haar aard op zich niet beroepbaar is, wordt immers niet appelabel door het enkele gegeven dat de beslissing een invloed kan hebben op de termijn waarbinnen de strafvordering zal kunnen worden afgehandeld. Het stellen van een prejudiciële vraag levert overigens een schorsingsgrond op in de zin van artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. Op grond van de hiervoor aangehaalde elementen kan dus besloten worden dat het tegen het tussenarrest van 6 februari 2008 aangevoerde middel gegrond is: de appelrechters die beslissen dat het hoger beroep tegen het tussenvonnis van 31 mei 2007 toelaatbaar en ontvankelijk is, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.
  2. Ook de eiseres II voert hetzelfde middel aan tegen het tussenarrest van 6 februari 2008, maar haar cassatieberoep was slechts gericht tegen het eindarrest van 24 september 2009 en niet tegen het tussenarrest van 6 februari
  3. Dit betekent dat er, wat haar betreft, eerst een nazicht dient te gebeuren van draagwijdte van de devolutieve werking van het cassatieberoep.
  4. Wanneer er enkel cassatieberoep werd ingesteld tegen het eindarrest, onderzoekt het Hof niet de wettigheid van de arresten alvorens recht te doen en zijn, in principe, de middelen die enkel tegen deze tussenarresten zijn gericht niet ontvankelijk
(25), behalve in zoverre die tussenarresten de wettigheid van de einduitspraak zouden aantasten
(26). In zijn arrest van 17 april 1996 oordeelt het Hof dat de beschuldigde, die zich enkel in cassatie heeft voorzien tegen het veroordelend arrest dat een hof van assisen tegen hem heeft uitgesproken, zich enkel kan beroepen op de onwettigheid van een tussenarrest, in zoverre het eindarrest door die onwettigheid kan worden aangetast
(27). Het Hof preciseert in dit arrest dat het middel dat gericht is tegen dit tussenarrest ontvankelijk is, ook al is geen voorziening ingesteld tegen het tussenarrest dat de bekritiseerde beslissing bevat.
  1. Wanneer dezelfde redenering zou worden toegepast in de zaak die thans aan de beoordeling van het Hof is onderworpen, zou moeten worden vastgesteld dat het (enig) middel dat de eiseres II tegen het tussenarrest van 6 februari 2008 aanvoert, - ondanks het feit dat deze eiseres geen cassatieberoep aantekende tegen dit tussenarrest -, toch als ontvankelijk moet worden beschouwd, wanneer zou blijken dat het eindarrest door de onwettigheid van het tussenarrest wordt aangetast. Dit lijkt hier inderdaad het geval te zijn: wanneer het hof van beroep te Antwerpen in het tussenarrest van 6 februari 2008 het hoger beroep van de Administratie der Douane en Accijnzen tegen het tussenvonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen, waarbij een aantal prejudiciële vragen worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, onterecht ontvankelijk heeft verklaard, dan heeft de vaststelling dat het tussenarrest, waarbij de appelrechters de zaak ook evoceren, onwettig is, onvermijdelijk tot gevolg dat ook het eindarrest, dat voortbouwt op de onwettige evocatie en er onlosmakelijk mee verbonden is, door dezelfde onwettigheid is aangetast. Er dient dan immers vastgesteld te worden dat de appelrechters, door in het bestreden tussenarrest van 6 februari 2008 het hoger beroep van de Administratie der Douane en Accijnzen onterecht ontvankelijk te verklaren, zichzelf de rechtsmacht toekennen om de zaak zelf af te handelen, waar de toegang tot de appelrechters eigenlijk onmogelijk was wegens de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep.
  2. Dezelfde redenering moet worden doorgetrokken voor de eisers, die enkel een ontvankelijk cassatieberoep hebben ingesteld tegen het eindarrest van 24 september 2009, maar niet tegen het tussenarrest van 6 februari
  3. Hiervoor werd al uiteengezet dat het devolutief karakter van het ontvankelijk cassatieberoep tegen het eindarrest ook reikt tot tussenarrest, indien het eindarrest door de onwettigheid van het tussenarrest wordt aangetast: dit betekent dat het Hof, dat vaststelt dat het met een dergelijke situatie wordt geconfronteerd, desgevallend ook ambtshalve de schending van artikel 1046 en 1050 Gerechtelijk Wetboek zal moeten aanvoeren ten aanzien van de eisers die enkel een ontvankelijk cassatieberoep instelden tegen het eindarrest.
  4. De conclusie moet dan ook zijn dat het tussenarrest ten aanzien van alle eisers, behalve eiser I, wiens cassatieberoep voorbarig was, dient vernietigd te worden. Deze vernietiging brengt eveneens de vernietiging mee ten opzichte van deze eisers van het eindarrest
(28)dat voortbouwt op het te vernietigen tussenarrest en ervan afhangt.
  1. Deze algehele vernietiging van het eindarrest van 24 september 2009, zowel op strafrechtelijk als op burgerrechtelijk vlak, heeft tot gevolg dat de verschillende middelen, die de eisers aanvoeren tegen dit eindarrest, maar die niet tot een ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing kunnen leiden, niet meer dienen te worden beantwoord.
  2. Rest dan nog de vraag naar de gevolgen van de vernietiging. Een verwijzing naar een ander hof van beroep lijkt vrijwel zinloos, aangezien het Hof zelf heeft vastgesteld dat het hoger beroep van de Administratie der Douane en Accijnzen niet ontvankelijk was en er dus geen rechtsmacht of bevoegdheid meer is voor het hof van beroep om alsnog uitspraak te doen over het hoger beroep tegen het tussenvonnis van 31 mei
  3. De vernietiging van het tussenarrest van 6 februari 2008 en van het eindarrest van 24 september 2009 plaatst de eisers terug in de toestand waarin zij zich bevonden op het ogenblik van het instellen van het hoger beroep tegen het tussenvonnis van de correctionele rechtbank van Antwerpen van 31 mei 2007, dat een aantal prejudiciële vragen stelde aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Een logische en proceseconomische oplossing zou dan erin kunnen bestaan dat het Hof de arresten van 6 februari 2008 en van 29 september 2009 ten aanzien van alle eisers, behalve de eiser I, vernietigt en navolgend vaststelt dat de zaak nog steeds aanhangig is voor de correctionele rechtbank te Antwerpen, waarvan de beslissing bij tussenvonnis van 31 mei 2007 niet voor enige kritiek vatbaar is. Conclusie: verwerping van het cassatieberoep van de eiser I, vernietiging ten aanzien van alle andere eisers van het arrest alvorens recht te doen van 6 februari 2008 en van het eindarrest van 24 september 2009, waarbij het Hof zal vaststellen dat de zaak nog steeds aanhangig is voor de correctionele rechtbank te Antwerpen. ________________
(1)Het betreft hier klaarblijkelijk een materiële vergissing: de voeging werd immers reeds geakteerd in het proces-verbaal van de rechtszitting van 29 maart 2007.
(2)Cass. 15 juni 1994, A.R. P.94.0667.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940615.16, A.C., 1994, nr. 311; 21 nov. 2006, A.R. P.06.1294.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061121.5, A.C., 2006, nr. 584.
(3)Brussel, 5 maart 1999, T.Strafr, 2000, 169.
(4)T.B.H., 1999, p. 433.
(5)VERSTRAETEN, R., Handboek Strafvordering, 4de ed. 2005, p. 1037, nrs. 2230 -2231.
(6)de LEVAL, G., Elements de procédure civile, 2e ed., Larcier, nr. 195, p. 292
(7)TAELMAN, P, noot onder Cass. 12 okt. 2002, NjW, 2005, p. 534.
(8)LAMBRECHT, B., Artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek, in Gerechtelijk Recht. Artikelsgewijze Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, nr. 5.
(9)Cass. 22 sept. 1993, A.R. P.93.0420.F ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930922.12, A.C., 1993, nr. 365; Jaarverslag van het Hof van Cassatie 2005, "De toepassing van het Gerechtelijk Wetboek in strafzaken: artikelsgewijze bespreking van de rechtspraak van het Hof", p. 259
(10)LAENENS, J., BROECKX, K., SCHEERS, D., THIRIAR, P., Handboek Gerechtelijk Recht, 2de ed., 2008, p.649, nr. 1415.
(11)Cass. 3 okt. 1983, A.R. 6764, A.C., 1983-84, p. 103; 22 feb. 1990, A.R. 8713-8845, A.C., 1989-90, p. 819; 2 juni 1997, A.R. S.96.0094.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970602.10, A.C., 1997, nr. 252; 9 jan. 1998, A.R. C.97.0153.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980109.4, A.C., 1998, nr. 18.
(12)Cass. 24 okt. 1980, A.C., 1980-81, p. 217; 13 dec. 1991, A.R. 7604, A.C., 1991-92, 346; 22 sept. 1993, A.R. P.93.0420.F ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930922.12, A.C., 1993, p. 734.
(13)LAENENS, J., BROECKX, K., SCHEERS, D., THIRIAR, P., Handboek Gerechtelijk Recht, 2de ed., 2008, p.650, nr. 1417.
(14)Zie voetnoot 9.
(15)Cass. 13 dec. 1991,A.R. 7604, A.C., 1991-92, 346.
(16)Cass. 22 sept. 1993, A.R. P.93.0420.F ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930922.12, A.C., 1993, p. 734.
(17)DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 4de ed., 2007, p. 58, nr. 102; VERSTRAETEN, R., Handboek Strafvordering, 4de ed., 2005, p. 100, nr. 129.
(18)Cass. 30sept. 1987, A.R. 5795, A.C., 1978-88, nr. 68.
(19)LAENENS, J., BROECKX, K., SCHEERS, D., THIRIAR, P., Handboek Gerechtelijk Recht, 2de ed., 2008, p.468, nr. 1013.
(20)Cass. 1 dec. 1997, A.R. C.96.0386.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971211.5, A.C., 1997, 551.
(21)Cass. 13 jan. 1997, A.R. S.95.0136.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970113.9, A.C., 1997, 26.
(22)Cass. 4 nov. 1976, A.C., 1977, p. 258; 21 sept. 1978, A.C., 1979, p. 90.
(23)Cass. 21okt. 2002, A.R. S.00.0155.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021021.7-S.00.0156.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021021.7, A.C., 2002, nr. 555.
(24)Deze regel mag evenwel niet zomaar veralgemeend worden: het is niet uitgesloten dat de concrete omstandigheden van een welbepaalde zaak zouden toelaten vast te stellen dat er toch enig nadeel aan één van de partijen berokkend wordt. In dat geval lijkt een hoger beroep wel mogelijk.
(25)Cass. 12 nov. 1991, A.R. 4258, A.C., 1991-92, nr. 137; 11 maart 1992, A.R. 9477, A.C., 1991-92, nr. 362.
(26)Cass. 29 jan. 1992, A.R. 9581, A.C., 1991-92, nr. 281.
(27)Cass. 17 april 1996, A.R. P.96.0022.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960417.2, A.C., 1996, nr. 116.
(28)DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 4de ed., 2007, p. 1502, nrs. 3499 en 3500. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100330.7 citeert: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930922.12 ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940615.16 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960417.2 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970113.9 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970602.10 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971211.5 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980109.4 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021021.7 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061121.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.