← België

ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100330.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 30 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100330.9 Rolnummer: P.09.1789.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2010-04-06 Raadplegingen: 358 - laatst gezien 2026-07-02 18:29 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100330.9 Fiches 1 - 2 De regels met betrekking tot de bewijsvoering vereisen, in principe, dat de rechter de onwettig of onregelmatig bevonden bewijzen uit het debat weert samen met de elementen die er het gevolg van zijn; dit verhindert evenwel niet dat de rechter uitspraak doet op grond van andere bewijselementen die, zonder aangetast te zijn door enig gebrek, aan het vrije debat tussen partijen onderworpen zijn

(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) Vrije woorden: Onwettig of onregelmatig bewijs Onwettig of onregelmatig bewijs - Andere bewijsmiddelen Fiches 3 - 4 Het niet toelaatbaar verklaren of uitsluiten van alle bewijsmiddelen wegens de onwettigheid of de onregelmatigheid ervan of wegens de onmogelijkheid om de wettigheid of de regelmatigheid ervan te onderzoeken, leidt niet tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering; de strafvordering en het recht om de strafvordering uit te oefenen ontstaan immers door het plegen van het misdrijf zelf, ongeacht de wijze waarop zij verder worden uitgeoefend en onafhankelijk van de wijze waarop de bewijsgaring verloopt
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) Vrije woorden: Onwettig of onregelmatig bewijs - Strafvordering Thesaurus CAS: STRAFVORDERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) Vrije woorden: Bewijs - Onwettig of onregelmatig bewijs Fiches 5 - 8 Conclusie van advocaat-generaal DUINSLAEGER. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) Vrije woorden: Onwettig of onregelmatig bewijs Onwettig of onregelmatig bewijs - Andere bewijsmiddelen Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) Vrije woorden: Onwettig of onregelmatig bewijs - Strafvordering Thesaurus CAS: STRAFVORDERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) Vrije woorden: Bewijs - Onwettig of onregelmatig bewijs Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ P.09.1789.N Conclusie van advocaat-generaal Patrick DUINSLAEGER
  1. De vervolging van de verweerders heeft, onder meer, betrekking op een internationale drugtrafiek van amfetamines naar Zweden. Het onderzoek in deze zaak startte in België met een proces-verbaal, opgesteld door de federale gerechtelijke politie te Gent op basis van informatie vanuit Zweden, waaruit bleek dat een Zweedse onderdaan zich in Gent bevoorraadde met grote hoeveelheden amfetamines. Deze inlichtingen waren mede het resultaat van een telefoontap in Zweden.
  2. Het cassatieberoep van de eiser is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 24 september 2009 en 12 november
  3. In het tussenarrest van 24 september 2009 beslissen de appelrechters, alvorens verder recht te doen, het openbaar ministerie te verzoeken om de beslissing van de arrondissementsrechtbank van Göteborg (Zweden), waarbij machtiging werd verleend om tot telefoontap over te gaan, en de stukken van het onderzoek voorafgaand aan deze beslissing op te vragen bij de Zweedse bevoegde autoriteiten en hierbij te laten nagaan of een en ander conform de Zweedse wetgeving is geschied en deze stukken bij het dossier van de rechtspleging te voegen. De zaak wordt met het oog op de uitvoering van dit verzoek uitgesteld naar een latere zitting. In het eindarrest van 12 november 2009 nemen de appelrechters akte van de (overigens met redenen omklede) weigering van het openbaar ministerie om op hun verzoek in te gaan. Zij stellen dientengevolge vast dat de regelmatigheid van het onderzoek niet kan worden gecontroleerd en verklaren, op die grond, de strafvordering niet ontvankelijk.
  4. De drie onderdelen van het enig middel van de eiser zijn in werkelijkheid enkel gericht tegen het eindarrest van 12 november
  5. Deze onderdelen zijn, hetzij niet ontvankelijk of zij kunnen om andere cassatietechnische redenen niet worden aangenomen, zodat zij in elk geval geen cassatie kunnen opleveren.
  6. Ik meen op die onderdelen niet verder te moeten ingaan, omdat er, naar mijn oordeel, aanleiding bestaat om, althans met betrekking tot het cassatieberoep tegen het arrest van 12 november 2009, ambtshalve de schending aan te voeren van artikel 1 Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering en van de artikelen 159 en 191 Wetboek van Strafvordering.
  7. De strafvordering, in de zin van het recht om te vervolgen, ontstaat door het louter plegen van het misdrijf
(1). In een aantal gevallen zal de rechter evenwel moeten vaststellen dat de strafvordering niet ontvankelijk is. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn: - wanneer de dagvaarding of de burgerlijke partijstelling nietig, onregelmatig of niet ontvankelijk is; - wanneer het feit verjaard is; - wanneer het misdrijf een klachtmisdrijf betreft en er geen klacht is van de door het misdrijf benadeelde persoon; - wanneer niet voldaan is aan de voorwaarden waaronder de Belgische gerechten bevoegd zijn voor de uitoefening van de strafvordering wegens misdaden of wanbedrijven buiten het Rijk gepleegd; - wanneer een tweede vervolging uitgesloten is wegens de regel "non bis in idem"; - wanneer voor hetzelfde feit reeds een minnelijke schikking werd betaald; - wanneer, in geval van uitlevering, voor bepaalde misdrijven niet kan worden vervolgd wegens het specialiteitsbeginsel. 6. Deze lijst van voorbeelden is uiteraard verre van exhaustief en het Hof heeft overigens zelf beslist dat er ook sprake kan zijn van de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering in gevallen die niet specifiek door de wet zijn voorzien
(2). Toch kunnen de hiervoor aangehaalde voorbeelden volstaan om te illustreren dat advocaat-generaal MOK een juiste analyse maakt, waar hij preciseert in zijn conclusie voor het arrest van 4 december 1979
(3)van de Hoge Raad der Nederlanden dat men in het algemeen kan stellen dat de strafvordering slechts niet-ontvankelijk is als de strafvordering (of het recht de strafvordering uit te oefenen) hetzij nooit heeft bestaan, hetzij niet bestaat tenzij aan bepaalde voorwaarden is voldaan, hetzij niet meer bestaat, omdat de strafvordering vervallen is
(4). 7. Hoewel uit bepaalde rechtspraak
(5)van het Hof zou kunnen worden afgeleid dat de onrechtmatigheid van het bewijs moet worden gesanctioneerd met de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, moet met R. DECLERCQ
(6), Ph. TRAEST
(7)en R. VERSTRAETEN
(8)worden aangenomen dat het probleem van de onrechtmatigheid van de bewijsgaring en, bij uitbreiding, het probleem van de onmogelijkheid om het rechtmatig karakter van de bewijsvoering te controleren, geen invloed heeft op de ontvankelijkheid van de strafvordering: het eventuele onrechtmatig karakter van het bewijs of de onmogelijkheid om de rechtmatigheid ervan te controleren tast het bestaan of het verder bestaan van de strafvordering niet aan. Ook het Hof heeft dit meermaals gezegd.
(9)De strafvordering ontstaat immers door het plegen van het misdrijf zelf en de wijze waarop de strafvordering naderhand wordt uitgeoefend heeft geen invloed op het (voort)bestaan van de strafvordering. 8. De rechtspraak
(10)laat overigens toe dat de rechter het onrechtmatig verkregen bewijs en alles wat eruit is voortgevloeid, uitsluit of ontoelaatbaar verklaart, maar toch een veroordeling uitspreekt op grond van de resterende bewijselementen, die totaal onafhankelijk van het onrechtmatig bewijs werden verzameld. Wanneer de rechter vaststelt dat alle voorhanden zijnde bewijselementen onrechtmatig zijn of dat het rechtmatig karakter ervan niet kan gecontroleerd warden, bij gebrek aan voldoende toetsingsgegevens, mag hij dus niet de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering vaststellen, maar moet of kan hij omwille van het waardeloze
(11)karakter van het bewijs, de beklaagde vrijspreken. De appelrechters die de strafvordering niet-ontvankelijk verklaren omdat de regelmatigheid van het onderzoek niet kan worden gecontroleerd, verantwoorden dus hun beslissing niet naar recht.
  1. Deze vaststelling moet leiden tot de vernietiging van het arrest van 12 november 2009 en het enig middel van de eiser dat, zo het al gegrond ware, niet tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing zou kunnen leiden, moet niet meer worden beantwoord.
  2. Thans rest enkel nog de vraag wat de invloed is van de vernietiging van het eindarrest van 12 november 2009 op het tussenarrest van 24 september 2009, waarbij de appelrechters aan het openbaar ministerie vragen bijkomende stukken aan het dossier te voegen. Dit laatste arrest lijkt mij volkomen regelmatig en conform de wet. In de mate dat het enig middel van de eiser in werkelijkheid enkel gericht is tegen het eindarrest, zou het cassatieberoep tegen het tussenarrest van 24 september 2009 dus dienen verworpen te worden en zou dienen vastgesteld te worden dat het ambtshalve onderzoek, althans wat dit tussenarrest betreft, geen resultaat oplevert. Een dergelijke benadering doet evenwel een wel heel bijzondere situatie ontstaan: de rechters op verwijzing zullen immers dienen vast te stellen dat de vraag tot voeging van bepaalde stukken die tot het parket-generaal te Antwerpen werd gericht in het bestreden tussenarrest van 24 september 2009, nog niet beantwoord werd. Bovendien is het niet zeker dat de rechters op verwijzing de mening van het hof van beroep te Antwerpen zullen delen: het is immers niet uitgesloten dat zij van oordeel zijn dat het ook zonder de gevraagde voeging, mogelijk is uitspraak te doen over de regelmatigheid van het onderzoek. Ik meen bijgevolg dat het Hof dient te overwegen om de cassatie uit te breiden tot het tussenarrest van 24 september 2009, wegens het innig verband dat tussen de twee arresten bestaat. Een dergelijke beslissing plaatst de partijen opnieuw in de positie die zij hadden v66r het tussenarrest en geeft aan de rechters op verwijzing een grotere bewegingsvrijheid. CONCLUSIE: vernietiging van de arresten van 24 september 2009 en 12 november
  3. _______________
(1)DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 4°ed. 2007, p. 9, nr. 7.
(2)Cass. 6 mei 1993, A.R. 6416, A.C., 1993, p. 455, met concl; adv.-gen. Bresseleers.
(3)HR, 4 dec. 1979, NJ, 1980, nr. 356, p. 1185.
(4)TRAEST, Ph., Het Bewijs in Strafzaken, 1992, Mys & Breesch, uitgevers, nr. 668.
(5)Zie Cass. 4 maart 1929, Pas., 1929, I, 118; 13 mei 1986, A.C., 1985-86, nr. 558 met concl. adv.-gen. du Jardin.
(6)DECLERCQ, R., La preuve en matière pénale, 1988, ED; Swinnen, p. 58.
(7)Zie voetnoot 4.
(8)VERSTRAETEN, R., Handboek Strafvordering, 4de ed. 2005, p. 865, nr. 181.
(9)Cass. 23 dec. 1998, A.R. A.94.0001.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981223.9, A.C., 1998, nr. 534; 15 juni 2005, A.R. P.05.0572.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050615.27, A.C., 2005, nr. 345.
(10)Cass. 4 jan. 1994, A.R. 6388, A.C., 1994, nr. 1 met concl. Adv.-gen. du Jardin; 23 dec. 1998, A.R. A.94.0001.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981223.9, A.C., 1998, nr. 534; 14 dec. 1999, A.R. P.099.1585.N, A.C., 1999, nr. 678; 9 juni 2004, A.R. P.04.0603.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040609.11, A.C., 2004, nr. 314.
(11)DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 4°ed. 2007, p. 842, nr. 1794. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100330.9 citeert: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981223.9 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040609.11 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050615.27 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.