id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 13 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100413.5 Rolnummer: P.10.0005.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2010-04-22 Raadplegingen: 328 - laatst gezien 2026-07-02 18:20 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100413.5 Fiche 1 De Staat, met inbegrip van de nationale gerechtelijke instanties, is niet verantwoordelijk voor het toezicht op de redelijkheid van de duur van de rechtspleging voor het E.H.R.M.
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Berechting - Heropening van de rechtspleging Vrije woorden: Redelijke termijn - Duur van de rechtspleging voor het E.H.R.M. Fiches 2 - 3 De beschuldigde die vooraf kennis heeft van het feit dat zwaar geweld nodig zal zijn om de diefstal te kunnen plegen, de mogelijke gevolgen ervan kent of behoort te kennen en met dit alles instemt, is ook individueel schuldig aan de verzwarende omstandigheden van het hoofdfeit diefstal als mededader
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: DIEFSTAL EN AFPERSING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Berechting - Heropening van de rechtspleging Vrije woorden: Diefstal met geweld of bedreiging gepleegd zonder oogmerk om te doden en toch de dood veroorzaakt - Individuele schuld aan verzwarende omstandigheid - Toepassing Thesaurus CAS: MISDRIJF - VERZWARENDE OMSTANDIGHEDEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Berechting - Heropening van de rechtspleging Vrije woorden: Diefstal met geweld of bedreiging gepleegd zonder oogmerk om te doden en toch de dood veroorzaakt - Individuele schuld aan verzwarende omstandigheid - Toepassing Fiche 4 Geen verdrags- of wettelijke bepaling verbiedt de rechter op verwijzing na heropening van de rechtspleging de oordeelkundige redengeving van de eerste rechter te hernemen en tot de zijne te maken voor zover niet strijdig met zijn eigen redengeving
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: HEROPENING VAN DE RECHTSPLEGING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Berechting - Heropening van de rechtspleging Vrije woorden: Rechter op verwijzing - Redengeving van de beslissing Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 442septies, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 8 Conclusie van Eerste advocaat-generaal DE SWAEF. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Berechting - Heropening van de rechtspleging Vrije woorden: Redelijke termijn - Duur van de rechtspleging voor het E.H.R.M. Thesaurus CAS: DIEFSTAL EN AFPERSING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Berechting - Heropening van de rechtspleging Vrije woorden: Diefstal met geweld of bedreiging gepleegd zonder oogmerk om te doden en toch de dood veroorzaakt - Individuele schuld aan verzwarende omstandigheid - Toepassing Thesaurus CAS: MISDRIJF - VERZWARENDE OMSTANDIGHEDEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Berechting - Heropening van de rechtspleging Vrije woorden: Diefstal met geweld of bedreiging gepleegd zonder oogmerk om te doden en toch de dood veroorzaakt - Individuele schuld aan verzwarende omstandigheid - Toepassing Thesaurus CAS: HEROPENING VAN DE RECHTSPLEGING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Berechting - Heropening van de rechtspleging Vrije woorden: Rechter op verwijzing - Redengeving van de beslissing Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ P.10.0005.N Conclusie van eerste advocaat-generaal M. DE SWAEF
- In deze zaak worden aan het Hof onderworpen beslissingen van het hof van assisen, genomen na een procedure van heropening van de rechtspleging (artt. 442bis e.v. Wetboek van Strafvordering).
- De voorgaande procedures kunnen als volgt worden samengevat. Ü.G. werd met twee andere beschuldigden vervolgd voor het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen wegens, te Lochristi in de nacht van 7 op 8 december 1996, mededaderschap aan roofmoord, met name diefstal van een geldsom met de verzwarende omstandigheid dat, om de diefstal te vergemakkelijken of om de straffeloosheid ervan te verzekeren, het slachtoffer opzettelijk werd gedood met het oogmerk om te doden (artikelen 66, 392, 393, 461, eerste lid, 468, 475 en 483 Strafwetboek). De huidige eiser in cassatie verzocht het hof van assisen bij conclusie de vragen aan de jury betreffende de verzwarende omstandigheid te individualiseren maar het hof weigerde dit bij arrest nr. 6240 van 27 november
- Het hof van assisen motiveerde die weigering met de overweging dat de diefstal het hoofdfeit uitmaakt, zodat alle reële verzwarende omstandigheden al diegenen treffen die aan de diefstal hebben deelgenomen, zelfs als hun rechtstreekse en persoonlijke deelneming aan het geweld, aan de ongewilde dood of aan de doodslag niet is bewezen en zij die niet hebben gewild. De jury verklaarde G.schuldig aan diefstal, door middel van geweld of bedreiging als dader of mededader met de verzwarende omstandigheid van gebruik van geweld zonder het oogmerk om te doden doch met de dood tot gevolg (artikelen 66, 461, eerste lid, 468, 474 en 483 Strafwetboek). Het hof van assisen veroordeelde hem bij arrest nr. 6241 van 27 november 1998 tot 30 jaar opsluiting, afzetting van titels, graden, openbare ambten, bedieningen en betrekkingen en levenslange ontzetting van de rechten aangehaald in artikel 31 Strafwetboek. G. kwam tegen de vermelde arresten in cassatie en voerde onder meer een middel aan tegen de vraagstelling aan de jury betreffende de verzwarende omstandigheid en zijn veroordeling op grond van het antwoord van de jury. Het Hof heeft het cassatieberoep verworpen bij arrest van 16 februari 1999 (P.98.1624.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990216.6). G. richtte zich vervolgens tot het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het Hof Mensenrechten (1e afdeling.) oordeelde bij arrest nr. 50372/99 van 2 juni 2005 dat de klacht gegrond was en dat artikel 6, § 1, E.V.R.M. was geschonden; het feit dat een rechtscollege geen oog heeft voor de argumenten die betrekking hebben op een essentieel punt en die dergelijke zware gevolgen met zich meebrengen, is onverenigbaar met het recht op tegenspraak dat de kern vormt van het recht op een eerlijk proces gewaarborgd door artikel 6 E.V.R.M.; dergelijk besluit gold in het bijzonder in deze zaak, rekening houdend met het feit dat de juryleden hun oordeel niet motiveren: de nauwkeurigheid in de vraagstelling moet op gepaste wijze de beknopte antwoorden van de jury compenseren. Het Hof Mensenrechten kende G. tevens een schadevergoeding toe. Het arrest van het Hof Mensenrechten ging op 2 september 2005 in kracht van gewijsde bij gebreke aan een voorziening bij de Grote Kamer van dit Hof.
- Bij verzoekschrift, op 10 januari 2008 neergelegd op de griffie van het Hof alhier, werd namens de eiser om heropening van de rechtspleging verzocht. Bij arrest van 17 juni 2008 besliste het Hof o.m. als volgt, na te hebben vastgesteld dat er te dezen ernstige twijfel over de uitkomst van de bestreden rechtspleging bestaat indien de jury had moeten antwoorden op de voor de aanvrager geïndividualiseerde vragen over de verzwarende omstandigheden en dat aldus de voorwaarden voor de heropening van de rechtspleging met betrekking tot de arresten nummers 6240 en 6241 vervuld zijn; beveelt (...) de heropening van de rechtspleging die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van het Hof van 16 februari 1999; trekt het arrest van 16 februari 1999 (P.98.1624.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990216.6)in, in zoverre dit het cassatieberoep van de eiser tegen de arresten van het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen van 27 november 1998 (nummers 6240 en 6241) verwerpt; doet hierover opnieuw recht; vernietigt het arrest van het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen van 27 november 1998 (nummer 6240) in zoverre dit het verzoek van de eiser afwijst, waarbij hij verzocht de vragen 4, 5 en 6 individueel te stellen, wat hem betreft, gecombineerd met de vragen naar de strafbare deelneming, zoals omschreven in artikel 66 Strafwetboek; vernietigt het arrest van het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen van 27 november 1998 (nummer 6241) in zoverre dit de eiser veroordeelt tot straf, bijdrage en kosten; verwijst de aldus beperkte zaak van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen. Zegt dat dit hof van assisen uitspraak zal doen over: - de schuld van de eiser aan de verzwarende omstandigheden van diefstal door middel van geweld of bedreiging, omschreven in artikel 468 Strafwetboek, en van diefstal met geweld of bedreiging gepleegd zonder het oogmerk om te doden, en toch de dood heeft veroorzaakt, omschreven in artikel 474 Strafwetboek; - de straftoemeting tegen de eiser; - de bijdrage en de kosten; de eventuele veroordeling van de Belgische Staat overeenkomstig artikel 442septies, § 2, Wetboek van Strafvordering
(1).
- Ingevolge deze beslissing oordeelde het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen op 20 november 2009 bij (tussen)arrest over het gevoerde verweer met betrekking tot de redelijke termijn-vereiste en op 26 november 2009 stelde het vast dat er geen omschrijding was van de redelijke termijn en veroordeelde het Ü.G. tot dezelfde straffen als deze die eertijds werden uitgesproken. Op 11 december 2009 stelde G. cassatieberoep in tegen de voornoemde arresten van 20 en 26 november 2009 en op 2 maart 2010 werd een ontvankelijke memorie namens de eiser neergelegd die drie middelen ontwikkelt.
- Het eerste middel komt op tegen het oordeel van de bestreden arresten dat de redelijke termijn niet overschreden is en voert schending aan van de artikelen 14.3.g I.V.B.P.R., 6.1 en 6.2 E.V.R.M. en 149 Grondwet alsook van de algemene rechtsbeginselen van berechting binnen een redelijke termijn, het individualiteitsbeginsel, het mondeling karakter van de rechtspleging en het vermoeden van onschuld. Het eerste onderdeel van het middel voert enerzijds aan dat het hof van assisen ten onrechte oordeelt dat, ter beoordeling of de redelijke termijn al dan niet overschreden is, het individueel belang van de beschuldigde dient te wijken voor het algemeen maatschappelijk belang. Anderzijds voert het onderdeel aan dat het hof van assisen ten onrechte heeft geoordeeld dat een eventuele schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn te wijten is aan het feit dat de eiser nagenoeg zes maanden zou gedraald hebben om zijn verzoekschrift voor het EHRM neer te leggen en dat de rechtspleging voor het EHRM zes jaar heeft geduurd en dat zulks niet kan tegengeworpen worden aan de Belgische Staat en dan ook niet onder de redelijke termijn valt. Vooral dit laatste aspect verdient aandacht, met name of de procedure voor het EHRM al dan niet een invloed heeft op de beoordeling van het redelijk karakter van de termijn.
- Artikel 442sexies, § 1, derde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de verjaringstermijn van de strafvordering opnieuw begint te lopen vanaf het arrest dat de heropening beveelt. Deze bepaling beoogt te voorkomen dat elke heropening van de rechtspleging automatisch uitmondt in een vrijspraak doordat de strafvordering door verjaring vervallen is (N. COLPAERT, "De nieuwe procedure van heropening van een strafzaak na een veroordelend arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens", RW 2007-08,
(53)60). Uit deze bepaling volgt dat de procedure voor het Hof van Cassatie een schorsend effect heeft (C. VAN DEN WYNGAERT m.m.v. B. DE SMET en S. VANDROMME, Strafrecht en strafprocesrecht, Antwerpen, Maklu, 2009, 821). Bovendien bepaalt artikel 442sexies, § 2 dat het arrest van het Hof van Cassatie, gewezen overeenkomstig § 1, dezelfde gevolgen heeft als een arrest gewezen op een cassatieberoep.
- Uit voormelde bepalingen kan derhalve worden afgeleid dat vanaf het arrest van het hof van assisen nr. 6241 van 27 november 1998 waarbij de eiser werd veroordeeld tot 30 jaar opsluiting, de verjaring van de strafvordering was geschorst en zulks tot het arrest van het Hof van Cassatie van 17 juni 2008 waarin de heropening van de rechtspleging werd bevolen die aanleiding had gegeven tot het eerdere arrest van het Hof van Cassatie van 16 februari 1999 (P.98.1624.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990216.6) dat zijn cassatieberoep tegen het arrest van 27 november 1998 verwierp. Met dat arrest van 17 juni 2008 werd het arrest van 16 februari 1999 ingetrokken en het veroordelend arrest van het hof van assisen van 27 november 1998 vernietigd in zoverre het de eiser veroordeelde tot straf, bijdrage en kosten. In het beginsel is de verjaring van de strafvordering, in geval van cassatieberoep, geschorst vanaf de bestreden beslissing tot de uitspraak in cassatie, tenzij de voorziening onontvankelijk is wegens de aard van de beslissing (R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2007, nr. 3305). Juister is het te zeggen dat in geval van onontvankelijk of ongegrond cassatieberoep, eigenlijk wordt vastgesteld dat de bestreden beslissing definitief is geworden en dat bijgevolg geen verjaring nadien heeft kunnen lopen (R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2007, nr.
- Cfr. M. DE SWAEF, Penaal cassatieberoep van nu en straks: enkele denkrichtingen voor de toekomst, mercuriale van 1 september 2005, nr. 9): het eindpunt is dan de in cassatie bestreden uitspraak die door de beslissing van het Hof van Cassatie definitief is gebleken (J. MEESE, De duur van het strafproces. Onderzoek naar de termijn waarbinnen een strafprocedure moet of mag worden afgehandeld, Brussel, Larcier, 2006, nr. 244). In geval van cassatie met verwijzing daarentegen herleeft de verjaring nu de strafvordering zijn verloop herneemt (M. TRAEST, "Krachtlijnen van het cassatieberoep in strafzaken", NC 2007,
(97)99). 8. Toegepast op deze zaak betekent het voorgaande dat ingevolge het arrest van 16 februari 1999 dat het cassatieberoep dat de eiser had ingesteld tegen zijn veroordeling op 27 november 1998 door het hof van assisen verwierp, die veroordeling door het hof van assisen definitief geworden was. Daardoor stond op dat ogenblik vast dat de strafvordering was uitgeput en er van verjaring geen sprake meer was. Het gegeven dat de eiser naderhand een procedure voerde voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens doet aan het voorgaande geen afbreuk. Pas ingevolge het arrest van het Hof van Cassatie van 17 juni 2008 is er weer sprake van een strafvordering waarvan de verjaring is beginnen lopen met ingang van de datum van dat arrest; dit volgt uit de bepaling van artikel 442sexies, § 1, derde lid Wetboek van Strafvordering maar eveneens uit artikel 442sexies, § 2 Wetboek van Strafvordering. Doordat laatst vermeld artikel bepaalt dat het arrest van het Hof van Cassatie, gewezen overeenkomstig § 1, dezelfde gevolgen heeft als een arrest gewezen op een cassatieberoep, betekent dit dat het arrest dat de heropening van de rechtspleging beveelt, het eerdere cassatiearrest intrekt en de zaak opnieuw verwijst naar een ander hof van assisen, kan aanzien worden als een cassatiearrest dat de uitgesproken veroordeling vernietigt met verwijzing. In zo een geval herleeft de verjaring die gedurende de cassatieprocedure niet heeft kunnen lopen (R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2007, nr. 3305). Er wordt ook gezegd dat het arrest dat de heropening van de rechtspleging beveelt en tot vernietiging van de veroordelende beslissing overgaat, terugwerkt en die veroordeling geacht wordt nooit te zijn uitgesproken (Cfr. J. VAN MEERBEECK, "La réouverture des procédures pénales après un arrêt de Strasbourg. Commentaire de la loi du 1er avril 2007 », JT 2007,
(733)736). Kortom, vanaf 27 november 1998 tot 17 juni 2008 was de verjaring van de strafvordering geschorst of, juister gezegd, was er geen strafvordering meer. Pas vanaf 17 juni 2008 - met name het arrest van het Hof dat de heropening van de rechtspleging heeft bevolen en de veroordeling van 27 november 1998 (gedeeltelijk) vernietigde - is de strafvordering gaan herleven en is de verjaringstermijn ervan opnieuw beginnen lopen, zulks conform artikel 442sexies, § 1, derde lid Wetboek van Strafvordering. Met dit gegeven dient rekening te worden gehouden ter beoordeling van de redelijke termijn.
- Inderdaad wordt de beoordeling van de redelijke termijn onder meer bepaald door de complexiteit van de zaak, de houding van de verdachte en van de gerechtelijke autoriteiten. Hoewel werd geschreven dat de houding van de gerechtelijke overheid zonder meer het belangrijkste criterium is om na te gaan of er al dan niet sprake is van een schending van het recht op behandeling van een zaak binnen een redelijke termijn en de Staat de verplichting op zich heeft genomen om een snelle behandeling van strafzaken mogelijk te maken, zodat hij zeker niet zelf aan de basis mag liggen van een gebeurlijke vertraging (J. MEESE, De duur van het strafproces. Onderzoek naar de termijn waarbinnen een strafprocedure moet of mag worden afgehandeld, Brussel, Larcier, 2006, nr. 295), is het tijdsverloop van 27 november 1998 tot 17 juni 2008 waardoor de verjaring van de strafvordering was geschorst of, juister gezegd, geen sprake meer was van een strafvordering, niet te wijten aan de gerechtelijke overheden. De nationale gerechtelijke overheden konden immers geen enkele invloed uitoefenen op het verloop van de rechtspleging voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens of de vertraging die het gevolg was van het feit dat de eiser een procedure voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens initieerde, verhinderen. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat een arrest dat de heropening van de rechtspleging beveelt en het veroordelend arrest vernietigt - in dit geval het cassatiearrest van 17 juni 2008 - terugwerkende kracht heeft en deze veroordeling daardoor moet geacht worden nooit te hebben bestaan, brengt dit met zich mee dat de procedure voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geenszins in rekening kan worden gebracht om te oordelen over het al dan niet redelijk karakter van de termijn. In zoverre het onderdeel het tegendeel aanvoert, faalt het naar recht.
- Terloops kan er hier op gewezen worden dat, althans in Frankrijk, werd geoordeeld dat de overschrijding van de redelijke termijn en de schending van artikel 6 E.V.R.M. die daaruit voortvloeit geen voldoende reden is om tot heropening van de rechtspleging te besluiten. Inderdaad, "depuis la décision "Cherakrak" du 21 juin 2001, la Commission considère que « la violation de l'exigence du délai raisonnable prévu à l'article 6-1 de la Convention européenne n'est pas de nature à entraîner le réexamen du pourvoi ou de la décision de la juridiction de jugement", même si certains ont observé que, parfois, la durée excessive de la procédure et les conséquences qui en résultent, notamment les risques de déperdition des preuves, peuvent affecter les droits de la défense" (R. DE GOUTTES, "La procédure de réexamen des décisions pénales après un arrêt de condamnation de la Cour européenne des droits de l'homme", in Mélanges Cohen-Jonathan, Brussel, Bruylant, 2004,
(563)575. Cfr. E. DREYER, "A quoi sert le réexamen des décisions pénales après condamnation à Strasbourg?", Recueil Dalloz 2008, nr. 25,
(1705)1707).
- De beoordeling of de redelijke termijn is geschonden maakt een feitenkwestie uit; het Hof van Cassatie kan daarbij enkel onderzoeken of de feitenrechter uit de concrete gegevens van de zaak wettig heeft kunnen afleiden dat de redelijke termijn al dan niet werd overschreden (J. MEESE, De duur van het strafproces. Onderzoek naar de termijn waarbinnen een strafprocedure moet of mag worden afgehandeld, Brussel, Larcier, 2006, nr. 304). Dat is te dezen het geval De arresten van het hof van assisen van 20 en 26 november 2009 stellen wettig vast dat de redelijke termijn niet is overschreden. In zoverre het onderdeel opkomt tegen het oordeel van het hof van assisen dat, ter beoordeling of de redelijke termijn al dan niet overschreden is, het individueel belang van de beschuldigde dient te wijken voor het algemeen maatschappelijk belang, is het gericht tegen een overtollig motief en is het niet ontvankelijk. Immers, het bestreden arrest van 20 november 2009 oordeelt dat, in de mate dat de redelijke termijn zou overschreden zijn, het gegeven dat het individueel belang niet kan opwegen tegen het algemeen belang, op zich het verdere verloop van het assisenproces niet kan verhinderen maar dat de gevolgen die daaraan moeten worden geknoopt beoordeeld zullen moeten worden vanuit het oogpunt van de sanctie. Het hof van assisen heeft evenwel geoordeeld dat de redelijke termijn niet werd overschreden.
- In het tweede onderdeel van het middel wordt aangevoerd dat geen correcte bewijslevering werd aangebracht voor het hof van assisen en de rechten van de verdediging werden gefnuikt door de miskenning van het mondeling karakter van de rechtspleging en de overschrijding van de redelijke termijn. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de rechten van de verdediging zijn geschonden door de overschrijding van de redelijke termijn is het afgeleid uit de tevergeefs aangevoerde schending van de in het eerste onderdeel aangeduide wetsbepaling en is het niet ontvankelijk. Het mondeling karakter van de rechtspleging voor het hof van assisen wordt in werkelijkheid hiertoe beperkt dat het op straffe van nietigheid verboden is aan de gezworenen mededeling of kennis te geven van de stukken waarin de verklaringen zijn opgenomen die getuigen onder eed aan de onderzoeksrechter afgelegd hebben (R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2007, nr. 2258). Uit geen enkel stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat dit laatste zou zijn gebeurd. Voor het overige stelde het hof van assisen in het arrest van 20 november 2009 vast dat "het tijdsverloop sedert het plegen van de feiten noch de bewijsverkrijging, noch de bewijswaardering heeft aangetast, dat het strafdossier zoals het op heden voorligt de partijen onverminderd toelaat om een loyaal en tegensprekelijk debat ten gronde te voeren met betrekking tot de beschuldigingen, zodat de rechten van verdediging zijn gevrijwaard". Het onderdeel kan dan ook niet worden aangenomen.
- Het derde onderdeel van het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 6.2 E.V.R.M.: het bestreden arrest zou ten onrechte een koppeling maken tussen een rechtsfeit en een beoordeling van de schuldvraag alvorens deze schuldvraag wordt beantwoord, hetgeen een schending van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld impliceert. Het onderdeel is in het bijzonder gericht tegen het oordeel van het bestreden arrest dat de eiser zeer goed wist wat zijn aandeel is geweest in de diefstal. Dit laatste is echter een element in het geheel van de elementen die het hof van assisen weerhoudt om te oordelen dat de redelijke termijn niet werd overschreden (en waarnaar wordt verwezen in randnummer 2 van het bestreden arrest nr. 3456/09 van 26 november 2009). Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
- Het vierde onderdeel van het eerste middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 6.2 E.V.R.M., 14.3.g I.V.B.P.R., 149 Grondwet en van de redelijke termijn, het individualiteitsbeginsel, het mondeling karakter van de rechtspleging en van het vermoeden van onschuld; naar het oordeel van de eiser had de onontvankelijkheid van de strafvordering moeten worden vastgesteld nu de rechten van verdediging van de eiser op onherroepelijke wijze waren aangestast. Het onderdeel is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van de in de overige onderdelen aangeduide wetsbepalingen en is niet ontvankelijk.
- Het tweede middel voert schending aan van de artikelen 14.3g I.V.B.P.R. en 6.1 E.V.R.M. alsook van het individualiteitsbeginsel. Volgens de eiser zou het bestreden arrest nog steeds toepassing hebben gemaakt van de theorie van de automatische toerekening van de verzwarende omstandigheden die aan alle deelnemers van het basismisdrijf moeten worden toegeschreven, zelfs indien hun rechtstreekse en persoonlijke deelneming aan het geweld niet bewezen is. Precies ingevolge het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in deze zaak, zou er geen sprake meer kunnen zijn van een automatische toerekening van de verzwarende omstandigheden. Uit het bestreden arrest blijkt echter niet dat het hof van assisen zou zijn overgegaan tot een automatische toerekening van de verzwarende omstandigheden aan de eiser. Inderdaad, met de gegevens die het arrest van 26 november 2009 vermeldt op bladzijde 2 onder randnummer 1 alsook met de vaststelling dat de eiser de diefstal niet kon plegen zonder dat eerst D.D. werd "uitgeschakeld" en dermate gedetermineerd was om diens geld te roven dat ook hij zeer bewust - wetens en willens - het geweld heeft aanvaard en heeft gewild als middel om D.D. te elimineren zodat het onverschillig is of hij al dan niet zelf slagen zou hebben toegebracht, wordt de beslissing dat ook de eiser schuldig is aan de verzwarende omstandigheden naar recht verantwoord. Anders dan het middel voorhoudt, is er aldus geen sprake van een automatische toerekening van de verzwarende omstandigheden aan de eiser. Als voorbeeld van hoe de verzwarende omstandigheden na de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in rekening moeten worden gebracht wordt aangehaald: "Wanneer A, B en C samen, na het invallen van de duisternis, een gewapende overval plegen, waarbij A het wapen vasthoudt en er de winkelbediende mee buiten westen slaat die er een blijvend trauma aan overhoudt, B enkel de kassa meegrist en C in de vluchtauto blijft wachten, zullen allen veroordeeld kunnen worden voor het basismisdrijf diefstal (art. 461 Sw.). Ook de verzwarende omstandigheid dat de diefstal met geweld gebeurde (art. 468 Sw.) zal waarschijnlijk aan alle daders kunnen worden toegerekend, aangezien zij vooraf overeengekomen zullen zijn dat ze de winkel met geweld of bedreiging zouden overvallen, alsook de omstandigheid dat de overval bij nacht plaatsvond (art. 471 Sw.) (...)." (C. VAN DEN WYNGAERT m.m.v. B. DE SMET en S. VANDROMME, Strafrecht en strafprocesrecht, Antwerpen, Maklu, 2009, 376). Voorgaand voorbeeld vindt hier ook toepassing, temeer daar het hof van assisen vaststelt dat de bedoeling van de drie betrokkenen destijds - en manifest ook van de eiser individueel beschouwd - was om D.D. te beroven van zijn geld, waarbij ook de eiser zich zeer goed realiseerde dat dit enkel kon door gebruik van geweld of bedreiging. Het middel kan niet worden aangenomen.
- Het derde middel voert schending aan van de artikelen 14.3.g I.V.B.P.R., 6.1 E.V.R.M., 442sexies, § 1 Wetboek van Strafvordering en 149 Grondwet: het hof van assisen heeft geoordeeld dat zowel naar de schuldvraag als naar de strafmaat het vernietigde arrest van het hof van assisen van Oost-Vlaanderen wordt onderschreven. Het hof van assisen heeft met eigen redenen schuld en straf bepaalt. Het middel kan niet tot cassatie leiden.
- Er zijn geen ambtshalve middelen aan te voeren. Conclusie: Verwerping van het cassatieberoep. ___________
(1)Cass. 17 juni 2008, AR P.08.0070.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080617.4, A.C., 2008, nr. 379 met concl O.M. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100413.5 citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990216.6 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080617.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div