← België

ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100415.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 15 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100415.1 Rolnummer: F.09.0068.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Belastingrecht Invoerdatum: 2010-05-18 Raadplegingen: 202 - laatst gezien 2026-07-02 18:16 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100415.1 Fiches 1 - 2 Indien de hoofdvordering bij verzoekschrift op tegenspraak voor de rechter kan worden gebracht, zoals dat het geval is inzake de geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet, kunnen de met deze hoofdvordering samenhangende vorderingen eveneens in dit verzoekschrift voor de rechter worden gebracht, ook al diende de samenhangende vordering bij dagvaarding te worden ingesteld

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Inleiding van de zaak Vrije woorden: Instelling van de vordering - Vorm - Bij verzoekschrift in te stellen hoofdvordering - Samenhangende vordering - Vorm Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 30, 569, eerste lid, 32°, 700 en 701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385decies, eerste lid Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Inleiding van de zaak Vrije woorden: Aanslag - Betwisting - Vordering in rechte - Vorm - Bij verzoekschrift in te stellen hoofdvordering - Samenhangende vordering - Vorm Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 30, 569, eerste lid, 32°, 700 en 701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 30, 569, eerste lid, 32°, 700 en 701 Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Inleiding van de zaak Vrije woorden: Instelling van de vordering - Vorm - Bij verzoekschrift in te stellen hoofdvordering - Samenhangende vordering - Vorm Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Inleiding van de zaak Vrije woorden: Aanslag - Betwisting - Vordering in rechte - Bij verzoekschrift in te stellen hoofdvordering - Samenhangende vordering - Vorm Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ F.09.0068.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS:
  1. In deze zaak vorderden de eisers voor de fiscale rechter niet alleen de nietigverklaring van de door de fiscus voor de aanslagjaren 1994 en 1995 gevestigde vervangende aanslagen in de personenbelasting maar ook "schadevergoeding wegens rechtsmisbruik". In hun verzoekschrift op tegenspraak wordt hun eis tot schadevergoeding als volgt geformuleerd: "Verzoekers wensen te worden vergoed voor de schade die zij in casu hebben geleden in de mate dat zij door verweerster werden verplicht een vordering in rechte in te stellen, niettegenstaande over de grond van de zaak reeds op definitieve en onherroepelijke wijze uitspraak werd gedaan bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 20 november
  2. In casu bezondigt de administratie zich aan rechtsmisbruik in de mate dat voor de aanslagjaren 1994 en 1995 een belastingverhoging werd ingekohierd, wat manifest in strijd is met het dictum van het voormeld arrest. De omstandigheid dat gedaagde een belastingverhoging blijft inkohieren, toont eens te meer de kwade trouw, dan wel de bedoeling om schade te berokkenen. Een en ander impliceert dat verzoekers door gedaagde worden verplicht om een procedure in rechte in te stellen. Verzoekers vragen om deze reden gedaagde te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding ex aequo et bono begroot op 2500 EUR." Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 2 oktober 2006, dat in graad van beroep bevestigd werd bij het thans bestreden arrest, werden de beide vorderingen van eisers onontvankelijk verklaard. De appelrechters oordeelden, zoals de eerste rechter, dat de door eisers gestelde vordering tot schadevergoeding geen subsidiaire vordering is, maar een nevengeschikte hoofdvordering, die had moeten worden ingeleid bij dagvaarding. Op die grond werd beslist dat niet enkel de vordering tot betaling van een schadevergoeding niet ontvankelijk was, maar ook de vordering strekkende tot vernietiging van de betwiste aanslagen in de personenbelasting.
  3. Het eerste onderdeel van het enig middel tot cassatie verwijt het bestreden arrest zowel de hoofdvordering van eisers, met betrekking tot de toepassing van de belastingwet in de zin van artikel 569, eerste lid, 32°, Ger.W., als de vordering van eisers tot betaling van een schadevergoeding, gegrond op het tergend en/of roekeloos karakter van de proceshouding die verweerder ten aanzien van de eerstgenoemde vordering had ingenomen, niet ontvankelijk te hebben verklaard. Volgens het bestreden arrest kunnen enkel de vorderingen die betrekking hebben op de toepassing van de belastingwet in de zin van artikel 569, eerste lid, 32°, Ger.W., alsook de vorderingen die in subsidiaire orde worden aangevoerd, regelmatig, op grond van artikel 1385decies Ger.W., bij verzoekschrift worden ingesteld. Waar de vordering van eisers tot betaling van een schadevergoeding geen subsidiaire, maar een nevengeschikte hoofdvordering uitmaakte, kon deze vordering derhalve niet op ontvankelijke wijze bij verzoekschrift op tegenspraak worden ingesteld en konden beide vorderingen samen enkel bij dagvaarding worden ingeleid. In het eerste onderdeel wordt het standpunt verdedigd dat een vordering tot betaling van een schadevergoeding, die niet subsidiair is aan de hoofdvordering, maar wel gegrond is op het tergend en/of roekeloos karakter van de proceshouding die de tegenpartij ten aanzien van de hoofdvordering heeft ingenomen, samen met die hoofdvordering bij verzoekschrift op tegenspraak kan worden ingeleid indien die hoofdvordering bij verzoekschrift op tegenspraak kan worden ingeleid. Waar de hoofdvordering van eisers, die betrekking had op de toepassing van een belastingwet, regelmatig overeenkomstig artikel 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek bij verzoekschrift kon worden ingeleid, kon ook de vordering van eisers tot betaling van een schadevergoeding, gegrond op het tergend en/of roekeloos karakter van de proceshouding die verweerder ten aanzien van die hoofdvordering had ingenomen, bijgevolg regelmatig bij datzelfde verzoekschrift worden ingeleid. In zoverre het bestreden arrest beide vorderingen niet ontvankelijk verklaarde, miskende het bestreden arrest derhalve de artikelen 30, 569, eerste lid, 32°, 700, 701, 1034bis en 1385decies van het Gerechtelijk wetboek, aldus het eerste onderdeel.
  4. Voorafgaandelijk weze opgemerkt dat eisers in hun voorziening bedoelde vordering tot schadevergoeding ten onrechte kwalificeren als een vordering gegrond op het tergend en roekeloos karakter van de proceshouding van de verwerende partij. Het gaat hier niet om een vordering inzake tergend of roekeloos geding maar eerder om een klassieke aansprakelijkheidsvordering gesteund op feiten die het proces voorafgingen: de overheid had niet het recht om de belasting opnieuw in te kohieren na een eerdere ontheffing van de aanslag ingevolge een beslissing van het Hof van Beroep. De vordering tot het bekomen van schadevergoeding is in casu geen subsidiaire vordering zodat de leer van het cassatiearrest van 8 januari 2004 er in beginsel (cfr. infra sub 10 en 11 ) niet kan op worden toegepast. Uw Hof besliste in dat arrest dat "wanneer op grond van een daartoe strekkende bepaling een rechtsgeding regelmatig wordt ingeleid bij een verzoekschrift op tegenspraak, de eiser voor het geval deze hoofdvordering niet zou worden ingewilligd, in deze akte van rechtsingang tevens een subsidiaire vordering kan instellen, ook al diende zij als hoofdvordering bij dagvaarding te worden ingesteld". In dat arrest verwees Uw Hof niet naar artikel 701 van het Gerechtelijk wetboek of naar het vereiste van samenhang om de combinatie van vorderingen in een tegensprekelijk verzoekschrift mogelijk te maken (zie over dit arrest de bijdrage van S. MOSSELMANS, "Het instellen van verscheidene vorderingen bij een zelfde verzoekschrift, wanneer de wet het slechts met betrekking tot één of bepaalde van die vorderingen toelaat", noot onder Cass. 8 jan. 2004, T. Vred. 2004, 338 e.v.).
  5. Overeenkomstig artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van kracht voor de wijziging ervan bij Wet van 26 april 2007, worden hoofdvorderingen bij dagvaarding, door middel van een gerechtsdeurwaardersexploot, voor de rechter gebracht, onverminderd de bijzondere regels inzake vrijwillige verschijning en inzake de rechtspleging op verzoekschrift. De inleiding bij dagvaarding is de algemene regel, terwijl de inleiding bij contradictoir verzoekschrift de uitzondering is waarvan slechts gebruik kan worden gemaakt wanneer de wet dat uitdrukkelijk toestaat of voorschrijft (LAENENS, J., BROECKX, K., SCHEERS, D. en THIRIAR, P., Handboek Gerechtelijk Recht, Antwerpen, Intersentia, 2008, 356-357, nr. 735).
  6. Het voorschrift dat vorderingen bij dagvaarding moeten worden ingeleid, behoudens afwijkende bepaling, betreft een regel van rechterlijke organisatie waarop de artikelen 860 en 861 Ger.W. niet van toepassing zijn (Cass. 27 mei 1994, A.C., 1994, nr. 270). Wanneer een vordering bij dagvaarding wordt ingeleid, terwijl de wet de gedinginleiding bij verzoekschrift voorschrijft, zal dit bijgevolg niet leiden tot de niet ontvankelijkheid van deze vordering, precies omdat de inleiding bij dagvaarding de regel is (Cass. 1 okt. 1990, A.C., 1990-91, 111). Het omgekeerde geldt daarentegen niet: een vordering die bij dagvaarding moet worden ingeleid, zal niet ontvankelijk zijn wanneer zij wordt ingeleid bij verzoekschrift.
  7. In het hoger geciteerd arrest van 8 januari 2004 milderde Uw Hof voormelde algemene regel in die zin dat wanneer op grond van een daartoe strekkende bepaling een rechtsgeding regelmatig wordt ingeleid bij een verzoekschrift op tegenspraak, de eiser, voor het geval deze hoofdvordering niet zou worden ingewilligd, in deze akte van rechtsingang tevens een subsidiaire vordering kan instellen, ook al diende zij als hoofdvordering bij dagvaarding te worden ingesteld (A.C., 2004, nr. 5). De klemtoon ligt hierbij op het "in hoofdorde" instellen van de vordering die krachtens een wettelijke bepaling bij verzoekschrift kan worden ingesteld, en het «in ondergeschikte orde» instellen van een andere vordering, die eigenlijk bij dagvaarding had moeten worden ingeleid (MOSSELMANS, S., "Het instellen van verscheidene vorderingen bij een zelfde verzoekschrift, wanneer de wet het slechts met betrekking tot één of bepaalde van die vorderingen toelaat", noot bij Cass. 8 jan. 2004, T.Vred., 2004, 346). Een hoofdvordering is, luidens artikel 12 Ger.W., een inleidende vordering die een rechtsgeding opent. Een subsidiaire vordering is een vordering die slechts wordt ingeleid voor het geval dat de hoofdvordering wordt verworpen (FETTWEIS, A., Manuel de procédure civile, Luik, 1985, 100, nr. 93).
  8. Voorgaande afzwakking van de algemene regel dat een vordering in beginsel bij dagvaarding moet worden ingeleid, kan niet worden doorgetrokken naar de situatie waarin de eiser verscheidene hoofdvorderingen wenst in te leiden bij éénzelfde verzoekschrift, terwijl de wet het slechts voor één van die hoofdvorderingen toelaat: deze gedinginleidende akte zal in zijn geheel niet ontvankelijk zijn (MOSSELMANS, S., l.c., 345-346). Anders dan voor subsidiaire vorderingen, blijft voor hoofdvorderingen immers de algemene regel gelden dat zij bij dagvaarding moeten worden ingeleid, tenzij de wet uitdrukkelijk toelaat hiervan af te wijken.
  9. Luidens artikel 701 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen verscheidene vorderingen tussen twee of meer partijen, indien zij samenhangend zijn, bij éénzelfde akte worden ingesteld. Overeenkomstig artikel 30 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen vorderingen als samenhangende zaken worden behandeld wanneer zij onderling zo nauw met elkaar zijn verbonden dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht.
  10. In zijn memorie van antwoord stelt de Belgische Staat de regel voorop dat "wanneer tussen verschillende hoofdvorderingen, waarvan minstens één bij dagvaarding moet worden ingeleid, samenhang bestaat, niet kan worden afgeweken van de gemeenrechtelijke wijze van inleiding bij dagvaarding en zullen alle hoofdvorderingen samen slechts op die wijze kunnen worden ingeleid." De artikelen 30 en 701 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen volgens verweerder immers geen afbreuk doen aan de regel van rechterlijke organisatie, vervat in artikel 700 van dat wetboek, zelfs wanneer het wenselijk zou zijn om twee verschillende hoofdvorderingen samen te behandelen en berechten. Bij samenhang, zo wordt geargumenteerd, zullen alle hoofdvorderingen derhalve slechts bij éénzelfde verzoekschrift kunnen worden ingeleid indien de wet voor elk van die hoofdvorderingen die wijze van inleiding voorziet. Van zodra één van de hoofdvorderingen niet bij verzoekschrift kan worden ingesteld, rest enkel de mogelijkheid om de samenhangende hoofdvorderingen bij dagvaarding in te leiden. Het instellen van een hoofdvordering samen met een subsidiaire vordering is volgens verweerder daarentegen vreemd aan het concept ‘samenhang' zodat uit het arrest van 8 januari 2004 geen argumenten zouden kunnen worden geput tot staving van het standpunt dat wanneer de hoofdvordering bij verzoekschrift op tegenspraak kan worden ingediend, de met deze hoofdvordering samenhangende vordering eveneens bij datzelfde verzoekschrift kan worden ingeleid, ook al diende deze samenhangende vordering bij dagvaarding te worden ingeleid (MOSSELMANS, S., l.c., 346, nr. 9).
  11. De argumentatie die verweerder aldus ontwikkelt gaat, zoals het bestreden arrest overigens, voorbij aan de precieze relatie van de door eisers ingestelde vordering tot schadevergoeding tot de fiscale hoofdvordering strekkende tot vernietiging van de betwiste aanslagen in de personenbelasting. De appelrechters stellen in het bestreden arrest terecht vast dat "de vordering tot schadevergoeding niet beschouwd (kan) worden als een subsidiaire vordering. Zij vorderen immers geen schadevergoeding indien de rechter de vordering tot vernietiging van de aanslagen afwijst, doch zij vorderen een schadevergoeding indien de vordering tot vernietiging van de aanslagen gegrond wordt verklaard." (bestreden arrest, 4de blad, tweede alinea). Uit deze laatste vaststelling blijkt dat het lot van de door eisers ingestelde vordering afhing van de beoordeling van hun fiscale hoofdvordering, zodat het duidelijk een aan deze hoofdvordering ondergeschikte vordering betrof. De appelrechters zijn er m.i. dan ook ten onrechte van uitgegaan dat "deze vordering (dient) beschouwd te worden als een nevengeschikte hoofdvordering" (arrest, 4de blad, derde alinea)
  12. Vanuit de logica die verwoord wordt in het voormeld arrest van Uw Hof van 8 januari 2004 wat betreft de ‘subsidiaire' vordering - welke eveneens een vordering is die afhangt van het lot van de hoofdvordering - kan m.i. als principe worden vooropgesteld dat indien de (fiscale) hoofdvordering bij verzoekschrift op tegenspraak voor de rechter kan worden gebracht, de met deze hoofdvordering samenhangende ondergeschikte vorderingen eveneens in dat verzoekschrift kunnen worden geformuleerd, ook al betreft het vorderingen die op zichzelf beschouwd in beginsel bij dagvaarding dienen te worden ingesteld. Eisers voeren dan ook terecht aan dat, nu de hoofdvordering die betrekking had op de toepassing van een belastingwet in de zin van artikel 569, eerste lid, 32° van het Gerechtelijk Wetboek regelmatig bij verzoekschrift kon worden ingesteld op grond van artikel 1385decies van dat wetboek, de aan deze hoofdvordering ‘ondergeschikte' vordering tot betaling van een schadevergoeding samen met die hoofdvordering kon worden ingesteld in het verzoekschrift op tegenspraak. Het onderdeel komt mij dan ook gegrond voor. Besluit: VERNIETIGING. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100415.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251204.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.