← België

ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100429.14

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 29 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100429.14 Rolnummer: C.09.0169.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-05-26 Raadplegingen: 356 - laatst gezien 2026-07-02 17:58 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100429.14 Fiche 1 Een schenking die het beschikbaar gedeelte overschrijdt, is om die reden niet nietig, maar enkel vatbaar voor inkorting; het is daarbij zonder belang of de overschrijding doelbewust is gebeurd; deze regel is ook van toepassing op vermomde schenkingen

(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN - Giften - Beschikbaar gedeelte - Inkorting BURGERLIJK RECHT - SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN - Schenkingen - Vermomde schenking Vrije woorden: Schenking die het beschikbaar gedeelte overschrijdt - Gevolg - Vermomde schenking - Toepasselijkheid Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 920 Fiche 2 Conclusie van advocaat-generaal met opdracht VAN INGELGEM. Thesaurus CAS: SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN - Giften - Beschikbaar gedeelte - Inkorting BURGERLIJK RECHT - SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN - Schenkingen - Vermomde schenking Vrije woorden: Schenking die het beschikbaar gedeelte overschrijdt - Gevolg - Vermomde schenking - Toepasselijkheid Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ C.09.0169.N Conclusie van advocaat-generaal m.o. VAN INGELGEM I. SITUERING
  1. Eiseres betwistte, als enige reservataire erfgename, de eerdere verkoop door de erflaatster (haar moeder) van diens volledig aandeel in naakte eigendom (3/4) in een appartementsgebouw op lijfrente aan verweerders en zij vorderde de nietigverklaring daarvan.
  2. Het bestreden arrest, dat het vonnis a quo bevestigt, verklaart het hoger beroep van eiseres ongegrond en verwerpt de door haar in ondergeschikte orde gestelde vordering in nietigverklaring van de bij de akte van verkoop vermomde schenking (omwille van de intentionele fraude tot miskenning van haar reservataire rechten in de nalatenschap van wijlen haar moeder) op grond van de overweging dat zelfs wanneer bewezen zou worden dat de vermomming met dit doel gebeurde, zulks niet tot de nietigheid van de schenking leidt, nu de rechten van de reservatairen immers voldoende beschermd worden door de toepassing van de strengere regels die gelden inzake de schenkingen, meer bepaald inzonderheid inkorting.
  3. Tegen deze beslissing voert eiseres een enig middel tot cassatie aan dat ervan uitgaat dat het bestreden arrest zijn beslissing aldus niet naar recht verantwoordt en de door haar als geschonden weerhouden wetsbepalingen van het Burgerlijk Wetboek evenals de algemene rechtsbeginselen (fraus omnia corrumpit en het verbod op wetsontduiking) miskent. II. BESPREKING VAN HET MIDDEL
  4. De vraag die derhalve in dit dossier centraal staat, is of een vermomde schenking die gebeurd is met als doorslaggevende reden de reserve van een reservataire erfgenaam aan te tasten, integraal nietig is wegens een ongeoorloofde oorzaak, dan wel enkel vatbaar is voor inkorting.
  5. De wetten die de erfelijke reserve instellen, zijn van openbare orde. Zij hebben tot doel om bepaalde wettelijke erfgenamen een deel van de nalatenschap te garanderen die de erflater hen niet kan ontnemen
(1). 3. Om rechtsgeldig te bestaan, dient een rechtshandeling een oorzaak te hebben. Wanneer een oorzaak in een overeenkomst niet is uitgedrukt en het bestaan of de geoorloofdheid van de oorzaak wordt betwist, moet de feitenrechter de oorzaak bepalen
(2). Zelfs zo een beding door de rechter ongeoorloofd wordt geacht, is het onontbeerlijk dat de wilsovereenstemming tussen de partijen wordt bewezen, opdat een overeenkomst rechtsgeldig tot stand zou komen
(3). De omstandigheid dat de oorzaak van een overeenkomst niet is uitgedrukt, maakt ze evenwel niet ongeldig
(4). Een overeenkomst met gesimuleerde oorzaak is echter niet verbindend wanneer niet het bewijs van de werkelijke oorzaak wordt geleverd
(5). 4. De nietigheid van schenkingen op grond van artikel 893 van het B.W. mag worden ingeroepen door de rechtverkrijgende erfgenamen
(6). 5. Vermomde schenkingen houden veinzing in
(7). Een vermomde schenking in de zin van een schenking die gebeurt onder het mom van een rechtshandeling onder bezwarende titel, waarbij de partijen verklaren dat er een tegenprestatie moet worden geleverd, maar bij tegenbrief anders overeenkomen, is een vorm van veinzing waarbij partijen hun werkelijke overeenkomst verborgen houden door een geveinsde. 6. De rechter oordeelt op soevereine wijze, op grond van de feitelijke elementen van de zaak, over het al dan niet gesimuleerd karakter van deze akte
(8). Er is sprake van simulatie indien vaststaat dat de handeling in kwestie niet werkelijk gesteld is of wanneer partijen niet alle gevolgen van de gestelde handelingen hebben aanvaard of van de door hen verrichte handelingen hebben gewild
(9). Wanneer de rechter vaststelt dat partijen bij een overeenkomst geveinsd hebben, kan hij aan deze overeenkomst de uitwerking geven die zij gewild hebben, en is hij niet verplicht het contract nietig te verklaren
(10). 7. Veinzing is derhalve in principe geoorloofd en een vermomde schenking is in principe rechtsgeldig, ook al ligt de oorzaak van een schenking niet uitsluitend in de wil tot begiftiging, maar in die van de (hoofdzakelijke) beweegreden die de schenker gebracht heeft tot het geven of begiftigen
(11). Zo heeft uw Hof i.v.m. vermomde schenkingen tussen echtgenoten reeds herhaaldelijk beslist dat deze - ondanks de bewoordingen van artikel 1099 van het B.W. - niet nietig zijn, maar onderworpen aan inkorting tot het beschikbaar gedeelte
(12). Hieruit volgt m.i. dat uw Hof van oordeel is dat wanneer de wet een beschikbaar deel naast een reserve instelt, en aldus de beschikkingsvrijheid slechts gedeeltelijk aan banden legt, de aantasting van die reserve enkel tot inkorting kan leiden, ook als de aantasting van de reserve doelbewust gebeurt. In de rechtspraak en rechtsleer wordt trouwens doorgaans aangenomen dat vermomde schenkingen niet nietig zijn, zelfs zo bewezen is dat de vermomming gebeurde om de rechten van de reservataire te ontzenuwen, nu die rechten voldoende worden beschermd door toepassing van de strengere regels die gelden inzake schenkingen
(13). Waar het middel ervan uitgaat dat met toepassing van de gemeenrechtelijke regels inzake de ongeoorloofdheid van de oorzaak van de overeenkomst
(14)wegens strijdigheid met een bepaling van openbare orde
(15)(zoals te dezen de wettelijke reserve), in de regel zou moeten besloten worden tot de nietigheid van de volledige overeenkomst wanneer blijkt dat het omzeilen van het dwingend voorschrift (één van) de doorslaggevende beweegreden(en) was van de overeenkomst
(16), komt het mij evenwel voor dat, voor zover een schenking die de reserve doelbewust aantast een ongeoorloofde oorzaak heeft, dit slechts zo is in de mate waarin de schenking de reserve ook effectief aantast
(17). Immers, de reserve maakt het vermogen van de schenker slechts in beperkte mate onbeschikbaar. In de mate waarin de doelbewuste onterving van de reservataire erfgenaam tot het beschikbaar deel beperkt blijft, is deze alleszins geoorloofd. Trouwens het bestaan van de reserve op zich toont m.i. aan dat de onterving als dusdanig niet ongeoorloofd is. Dat de onterving verder gaat dan wettelijk toegestaan, maakt evenwel niet dat de schenker of de erflater daardoor het recht verliest om een bepaalde erfgenaam het beschikbaar deel te ontzeggen en dat daardoor de onterving in zijn geheel ongeoorloofd zou zijn of een ongeoorloofde oorzaak heeft. In die mate lijkt de inkorting op zich dan ook een afdoende bescherming voor de reservataire erfgenaam, nu ze er immers toe leidt dat de onterving tot het beschikbaar deel beperkt wordt en in de mate waarin ze ongeoorloofd is, ongedaan wordt gemaakt. In het verlengde hiervan is er m.i. trouwens geen enkele aanwijzing dat de wetgever de inkortingsregeling heeft willen beperken tot onbewuste of ongewilde schendingen van de reserve, zodat dergelijke regeling niet zozeer een afwijking lijkt te vormen op de algemene regel dat de verbintenis met ongeoorloofde oorzaak nietig is, maar eerder een modulering inhoudt van die regel op het specifieke geval van de gedeeltelijk beperkte beschikkingsvrijheid van de erflater - schenker. In die redenering is dan ook alleen de vermomming ongeoorloofd, maar blijft de schenking op zich rechtsgeldig nu zij ook rechtstreeks had kunnen gebeuren, weliswaar steeds onder voorbehoud van inkorting
(18). De enige sanctie dient dan ook de toepassing te zijn van de regel die men wenste te omzeilen. Dergelijke benadering sluit aan bij de moduleerbaarheid of flexibiliteit van de radicale nietigheidssanctie in die mate dat de nietigheid maatwerk moet blijven en nooit verder mag reiken dan haar doel noodzakelijk maakt
(19). Ook het Franse Hof van Cassatie oordeelde bij arrest van 2 februari 1971 dat de enige sanctie van de vermomde schenking de inkorting is, ook al is de doorslaggevende beweegreden van de schenking het miskennen van de erfrechtelijke reserve
(20). In de mate waarin de onterving aldus binnen de grenzen van het beschikbaar gedeelte blijft, is de wet niet geschonden, en hebben de appelrechters - door te beslissen dat de vermomde schenking enkel kan ingekort worden (zelfs als bewezen zou worden dat de vermomming gebeurde om de rechten van de reservataire te ontzenuwen) - het algemeen rechtsbeginsel van het verbod op wetsontduiking
(21)en van fraus omnia corrumpit
(22)niet miskent. Uit voormelde beschouwingen leid ik dan ook af dat het middel, dat ervan uitgaat dat de mogelijkheid tot inkorting niet uitsluit dat de vermomde schenking - waarvan één van de doorslaggevende beweegredenen de aantasting van de rechten van de reservataire erfgenamen is - integraal nietig is, berust op een m.i. onjuiste juridische stelling en derhalve faalt naar recht. III. CONCLUSIE: VERWERPING ______________
(1)Cass. 30 maart 1944, A.C., 1943-44, 131; Cass. 8 maart 1934, Pas., 1934, I, 211.
(2)Cass. 17 mei 1991, A.C., 1990-91, 927.
(3)Cass. 12 juni 1980, A.C., 1979-80, 1263.
(4)Cass. 25 nov. 1982, A.C., 1982-83, 425.
(5)Cass. 16 jan. 1981, A.C., 1980-81, 531.
(6)Cass. 19 mei 1994, A.C., 1994, 504;
(7)R. DEKKERS, Handboek burgerlijk recht, III, Brussel Bruylant; 1971, 584, nr. 990; H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, VIII/1, 598, nr. 508.
(8)Cass. 26 maart 1953, A.C., 1953, 513.
(9)Cass. 4 jan. 1991, A.C., 1990-91, 466; Cass. 19 okt. 1965, Pas., 1966, I, 231.
(10)Cass. 17 mei 1934, Pas., 1934, I, 283.
(11)Cass. 16 nov. 1989, A.C., 1989-90, 371.
(12)Cass. 19 dec. 1991, T.B.B.R., 1993, 153, met noot Ph. De Page; Cass. 26 jan. 1928, Pas., 1928, 63; Cass. 29 dec. 1865, Pas., 1866, 241.
(13)M. PUELINCK - COENE, N. GEELHAND en F. BUYSSENS, Overzicht van de rechtspraak. Giften (1993 -1998), T.P.R., 1999
(779), 955, nr. 282; M. PUELINCK - COENE, J. VERSTRAETEN, N. GEELHAND, Overzicht van de rechtspraak. Erfeniossen (1988 - 1995), T.P.R., 1997
(133), 353, nr. 271, en noot 1249; P. VAN OMMESLAGHE, La simulation en droit des obligations, in Les obligations contractuelles, P.A. FORIERS (ed.), Jeune Barreau Bruxelles, 2000,
(147), 179, nrs. 33 en 34; A. VERBEKE, Commentaar bij artikel 893 B.W., in Erfenissen, schenkingen en testamenten. Commentaar met overzicht van rechtsgrond en rechtsleer, Kluwer, losbl., B.W. art. 893 - 34 tot - 37.
(14)Art. 1131 en 1133 B.W.
(15)Art. 6 .B.W.
(16)Zie o.m. J. DU MONGH, Inbreng en inkorting, in De Vereffening van de nalatenschap, W. PINTENS (ed.), Intersantia, 2007,
(83), 136-137, nr. 53.
(17)J. DE CONINCK, De toetsing van een overeenkomst aan de openbare orde naar Belgisch recht, in Inhoud en werking van de overeenkomsten naar Belgisch en Nederlands recht, Intersentia, 2005, 187 - 221, 217.
(18)Art. 920 - 922 B.W.
(19)S. STIJNS, Nietigheid van het contract als sanctie bij zijn totstandkoming, in Totstandkoming van de overeenkomst naar Belgisch en Nederlands recht, J. SMITS en S. STIJNS (ed.), Intersentia, 2002, 238 - 239.
(20)Cass. 2 feb. 1971, Rev. Not. B., 1971, 643; I. NAJJAR, Donation, in Répertoire de droit civil, V, Dalloz, 2008, 40, nr. 268 in de daar geciteerde rechtspraak.
(21)Cass. 14 nov. 2005, A.R. C.04.0084.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051114.4, Pas., 2005, 2241 en R.W., 2007 - 08, 486, met noot van W. Rauws.
(22)Cass. 6 nov. 2007, A.R. P.07.0627.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071106.1, www.cass.be; Cass. 6 nov. 2007, A.R P.01.1108.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021106.16, www.cass.be, met concl. van adv.-gen. Spreutels. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100429.14 citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021106.16 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051114.4 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071106.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.