id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 18 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100518.8 Rolnummer: P.10.0468.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2010-06-07 Raadplegingen: 289 - laatst gezien 2026-07-02 17:39 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100518.8 Fiches 1 - 7 Om te oordelen of de verjaring van de strafvordering in de zin van artikel 7 Uitleveringswet 1874 al dan niet is ingetreden, moet men zich plaatsen op het ogenblik van de uitlevering, maar dient de eventuele verjaring nagegaan te worden overeenkomstig de kwalificatie van het feit volgens de Belgische wet zoals zij bestond op het moment waarop het feit waarvoor om uitlevering wordt verzocht, werd gepleegd; hieruit volgt dat om te oordelen of op het moment van de beoordeling van de uitlevering de strafvordering al dan niet is verjaard, geen rekening kan worden gehouden met de kwalificatie van misdrijven en de daarop van toepassing zijnde verjaringstermijnen wanneer de wetgeving waardoor die feiten strafbaar worden gesteld naar Belgisch recht, nog niet in voege was op het ogenblik waarop de feiten waarvoor om uitlevering wordt verzocht, werden gepleegd
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: UITLEVERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - UITLEVERING - Uitleveringswet - Voorwaarden STRAFRECHT - UITLEVERING - Uitleveringswet - Procedure Vrije woorden: Buitenlands bevel tot aanhouding ter fine van uitlevering - Exequatur - Beschikking van de raadkamer tot uitvoerbaarverklaring - Hoger beroep - Beoordeling van de verjaring van de feiten naar Belgisch recht - Tijdstip Buitenlands bevel tot aanhouding ter fine van uitlevering - Exequatur - Beschikking van de raadkamer tot uitvoerbaarverklaring - Hoger beroep - Kwalificatie van de feiten naar Belgisch recht - Invoering in het Belgisch recht sedert het plegen van de feiten van een nieuwe wet die de feiten strafbaar stelt Buitenlands bevel tot aanhouding ter fine van uitlevering - Exequatur - Beschikking van de raadkamer tot uitvoerbaarverklaring - Hoger beroep - Kwalificatie van de feiten naar Belgisch recht - Invoering in het Belgisch recht sedert het plegen van de feiten van een nieuwe wet die de feiten strafbaar stelt - Toepasselijke verjaringstermijn Buitenlands bevel tot aanhouding ter fine van uitlevering - Exequatur - Beschikking van de raadkamer tot uitvoerbaarverklaring - Hoger beroep - Kamer van inbeschuldigingstelling - Arrest dat de feiten omschrijft onder een op het ogenblik van de feiten nog niet bestaande nieuwe kwalificatie - Toepassing van de voor de nieuwe kwalificatie geldende verjaringstermijn - Wettigheid Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - UITLEVERING - Uitleveringswet - Voorwaarden STRAFRECHT - UITLEVERING - Uitleveringswet - Procedure Vrije woorden: Uitlevering - Buitenlands bevel tot aanhouding ter fine van uitlevering - Exequatur - Kwalificatie van de feiten naar Belgisch recht - Invoering in het Belgisch recht sedert het plegen van de feiten van een nieuwe wet die de feiten strafbaar stelt Uitlevering - Buitenlands bevel tot aanhouding ter fine van uitlevering - Exequatur - Kwalificatie van de feiten naar Belgisch recht - Invoering in het Belgisch recht sedert het plegen van de feiten van een nieuwe wet die de feiten strafbaar stelt - Kwalificatie volgens de nieuwe wet - Wettigheid Uitlevering - Buitenlands bevel tot aanhouding ter fine van uitlevering - Exequatur - Beoordeling van de verjaring naar Belgisch recht - Kwalificatie van de feiten naar Belgisch recht - Invoering in het Belgisch recht sedert het plegen van de feiten van een nieuwe wet die de feiten strafbaar stelt - Toepassing van de voor de nieuwe kwalificatie geldende verjaringstermijn - Wettigheid Fiches 8 - 14 Conclusie van advocaat-generaal DUINSLAEGER. Thesaurus CAS: UITLEVERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - UITLEVERING - Uitleveringswet - Voorwaarden STRAFRECHT - UITLEVERING - Uitleveringswet - Procedure Vrije woorden: Buitenlands bevel tot aanhouding ter fine van uitlevering - Exequatur - Beschikking van de raadkamer tot uitvoerbaarverklaring - Hoger beroep - Beoordeling van de verjaring van de feiten naar Belgisch recht - Tijdstip Buitenlands bevel tot aanhouding ter fine van uitlevering - Exequatur - Beschikking van de raadkamer tot uitvoerbaarverklaring - Hoger beroep - Kwalificatie van de feiten naar Belgisch recht - Invoering in het Belgisch recht sedert het plegen van de feiten van een nieuwe wet die de feiten strafbaar stelt Buitenlands bevel tot aanhouding ter fine van uitlevering - Exequatur - Beschikking van de raadkamer tot uitvoerbaarverklaring - Hoger beroep - Kwalificatie van de feiten naar Belgisch recht - Invoering in het Belgisch recht sedert het plegen van de feiten van een nieuwe wet die de feiten strafbaar stelt - Toepasselijke verjaringstermijn Buitenlands bevel tot aanhouding ter fine van uitlevering - Beschikking van de raadkamer tot uitvoerbaarverklaring - Hoger beroep - Kamer van inbeschuldigingstelling - Arrest dat de feiten omschrijft onder een op het ogenblik van de feiten nog niet bestaande nieuwe kwalificatie - Toepassing van de voor de nieuwe kwalificatie geldende verjaringstermijn - Wettigheid Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - UITLEVERING - Uitleveringswet - Voorwaarden STRAFRECHT - UITLEVERING - Uitleveringswet - Procedure Vrije woorden: Uitlevering - Buitenlands bevel tot aanhouding ter fine van uitlevering - Exequatur - Kwalificatie van de feiten naar Belgisch recht - Invoering in het Belgisch recht sedert het plegen van de feiten van een nieuwe wet die de feiten strafbaar stelt Uitlevering - Buitenlands bevel tot aanhouding ter fine van uitlevering - Exequatur - Kwalificatie van de feiten naar Belgisch recht - Invoering in het Belgisch recht sedert het plegen van de feiten van een nieuwe wet die de feiten strafbaar stelt - Kwalificatie volgens de nieuwe wet - Wettigheid Uitlevering - Buitenlands bevel tot aanhouding ter fine van uitlevering - Exequatur - Beoordeling van de verjaring naar Belgisch recht - Kwalificatie van de feiten naar Belgisch recht - Invoering in het Belgisch recht sedert het plegen van de feiten van een nieuwe wet die de feiten strafbaar stelt - Toepassing van de voor de nieuwe kwalificatie geldende verjaringstermijn - Wettigheid Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ P.10.0468.N Conclusie van advocaat-generaal P. DUINSLAEGER
- De eiser maakt het voorwerp uit van een uitleveringsverzoek van 2 december 2008 van de bevoegde Marokkaanse overheden wegens vereniging van misdadigers en bendevorming met het oog terreurdaden voor te bereiden en te plegen.
- Het aanhoudingsbevel afgeleverd op 28 maart 2008 door de procureur-generaal bij het hof van beroep te Rabat (Marokko) werd uitvoerbaar verklaard bij beschikking van de raadkamer bij de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren op 23 december
- Het hoger beroep van de eiser tegen de beschikking van de raadkamer van 23 december 2008 wordt door de kamer van beschuldigingstelling te Antwerpen niet ontvankelijk verklaard bij arrest van 30 april 2009, omdat het rechtsmiddel niet was ingesteld binnen 24 uur na de betekening van de beschikking van de raadkamer.
- Ingevolge het cassatieberoep van de eiser wordt het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 30 april 2009 door het Hof vernietigd, omdat het arrest het verweer van de eiser, dat de termijn van 24 uur, bepaald in artikel 135, §4, Wetboek van Strafvordering, niet toepasselijk is, niet heeft beantwoord. Het Hof verwijst de zaak naar de kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen, anders samengesteld.
- Bij arrest van 5 oktober 2009 beveelt de kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen de heropening van de debatten teneinde het openbaar ministerie toe te laten standpunt in te nemen over het verweer van de eiser betreffende de uitvoerbaarheid van het Marokkaans aanhoudingsbevel. De eiser voerde onder meer verweer in verband met de bevoegdheid van de Marokkaanse autoriteiten, de verjaring van de feiten en het politiek karakter van de misdrijven waarvoor de uitlevering werd gevraagd.
- Bij arrest van 14 december 2009 beslist de kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen opnieuw de debatten te heropenen teneinde het federaal parket toe te laten nadere inlichtingen te verschaffen over de eventuele stuiting of schorsing van de verjaring van de strafvordering in België voor een moord, gepleegd in het gerechtelijk arrondissement Brussel op 3 oktober 1989, over de situering in tijd en ruimte van de feiten van deelneming of mededaderschap aan twee andere moorden, gepleegd in het gerechtelijk arrondissement Brussel op 29 maart 1989, en omtrent de eventuele stuiting of schorsing van de verjaring van de strafvordering voor deze laatste feiten.
- Bij arrest van 1 maart 2010 verklaart de kamer van inbeschuldigingstelling het hoger beroep van de eiser tegen de beschikking tot exequatur van de raadkamer van 23 december 2008 deels gegrond, maar het aanhoudingsbevel van de Marokkaanse overheden wordt uitsluitend uitvoerbaar verklaard voor de feiten gepleegd tussen 1 januari 1989 en 9 januari
- Het huidig cassatieberoep is gericht tegen de tussenarresten van 5 oktober 2009 en 14 december 2009, alsmede tegen het eindarrest van 1 maart
- In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen het tussenarrest van 5 oktober 2009, dat het hoger beroep van de eiser tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 23 december 2008 ontvankelijk verklaart en de heropening van het debat beveelt, tegen het tussenarrest van 14 december 2009, dat eveneens de heropening van het debat beveelt en tegen de beslissing van het arrest van 1 maart 2010, dat het aanhoudingsbevel met het oog op uitlevering niet uitvoerbaar verklaart, in zoverre dat betrekking heeft op de feiten gepleegd vanaf 9 januari 1998, datum waarop de eiser de Belgische nationaliteit heeft verworven, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
- De eiser voert in zijn memorie drie middelen aan. In het eerste onderdeel van het derde middel voert de eiser de schending aan van artikel 7 Uitleveringswet 1874 en artikel 8.1 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko betreffende uitlevering, ondertekend te Brussel op 7 juli 1997: volgens de eiser oordeelt de kamer van inbeschuldigingstelling in haar arrest van 1 maart 2010 onterecht dat de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, niet verjaard zijn overeenkomstig het Belgische recht, nu er geen termijn van vijftien jaar is verstreken sinds 9 januari
- Steeds volgens de eiser is dat enkel het geval voor de feiten van moord, maar niet voor de andere feiten, die gepleegd werden tussen 1 januari 1989 en 9 januari 1998 en waarvoor de uitlevering van de eiser ook wordt toegestaan, maar die pas veel later strafbaar werden gesteld door de artikelen 137, §1 en 2, 1°, en 138, §1, 10°, Strafwetboek, ingevoerd bij de wet van 19 december
- Wanneer een buitenlands verzoek tot uitlevering, zoals hier, betrekking heeft op de uitlevering van een verdachte met het oog op zijn vervolging in de verzoekende Staat, moet de raadkamer en, in hoger beroep, de kamer van inbeschuldigingstelling, in het kader van de procedure van exequatur van het buitenlands bevel tot aanhouding, - naast de vervulling van andere vereisten die hier niet verder aan bod moeten komen -, onder meer nagaan of aan de regel van de dubbele strafbaarstelling van het feit, waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, is voldaan
(1): het feit, eventueel geherkwalificeerd
(2), moet dus strafbaar zijn zowel in de verzoekende Staat als in België. Het feit moet evenwel niet alleen strafbaar zijn in beide landen, het moet in deze landen bovendien ook nog vervolgbaar zijn
(3): de feiten waarvoor de uitlevering met het oog op de vervolging in de verzoekende Staat wordt gevraagd, mogen bijgevolg ook niet verjaard zijn.
- In het kader van de zaak die ons thans aanbelangt, lijkt het aangewezen even langer stil te staan bij beide elementen.
- Met betrekking tot de dubbele strafbaarstelling van het feit, fundamentele regel van ons uitleveringsrecht
(4), bepaalt artikel 1, §2, eerste lid, Uitleveringswet 1874: "Grond voor uitlevering kunnen alleen die feiten opleveren welke luidens de Belgische en de buitenlandse wet strafbaar zijn met een vrijheidsstraf waarvan de maximumduur groter is dan één jaar." Artikel 2.1 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko betreffende uitlevering, ondertekend te Brussel op 7 juli 1997
(5)bepaalt: "Alleen feiten die volgens de wetgeving van beide Overeenkomstsluitende Partijen misdrijven uitmaken die strafbaar zijn met een vrijheidsberovende straf waarvan de maximumduur twee jaar overtreft, kunnen aanleiding geven tot uitlevering (...)." Het Hof heeft in verschillende arresten geoordeeld dat voor de appreciatie van het bestaan van de dubbele strafbaarstelling voor het feit waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, het onderzoeksgerecht, dat uitspraak moet doen over de uitvoerbaarverklaring van een door een buitenlandse overheid verleend bevel tot aanhouding met het oog op uitlevering, dient na te gaan of het feit zelf waarvoor dat bevel is verleend, en niet de omschrijving of de kwalificatie die de verzoekende Staat eraan heeft gegeven, een misdrijf is volgens de wetgevingen van zowel de verzoekende als van de aangezochte Staat, ongeacht of de benaming ervan in beide Staten verschilt, en of dit feit in het toepasselijke uitleveringsverdrag is omschreven
(6). Het is dus niet zozeer de gelijkenis tussen de kwalificaties die van belang is, dan wel de gelijkenis tussen de feiten zelf
(7). Bij het onderzoek van de dubbele strafbaarstelling worden dus enkel de bestanddelen van het feit waarvoor de uitlevering wordt gevraagd in aanmerking genomen en niet de wettelijke kwalificatie die de verzoekende Staat aan het feit heeft gegeven
(8). De uitlevering kan dus ook worden toegestaan wanneer de wettelijke kwalificatie die door de verzoekende Staat aan het feit wordt gegeven, niet overeenstemt met de kwalificatie van hetzelfde feit volgens de Belgische strafwet
(9): in het licht van het vereiste van de dubbele strafbaarstelling is het dus voldoende, maar tevens noodzakelijk dat de bestanddelen van het feit een misdrijf uitmaken in het Belgisch strafrecht en dat het binnen de bepalingen van de Uitleveringswet 1874 of van het uitleveringsverdrag valt
(10). Anders gesteld: de uitlevering is mogelijk wanneer het feit strafbaar is volgens het Belgisch strafrecht, zelfs onder een andere kwalificatie
(11). Het onderzoeksgerecht moet dus de strafbaarstelling in België van de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht, beoordelen volgens de mogelijkheid die feiten te vervolgen op grond van de naar Belgisch recht eraan te geven delictsomschrijving
(12). 14. Een enkele uitzondering niet te na gesproken
(13), is de rechtsleer van oordeel dat deze dubbele strafbaarstelling beoordeeld moet worden op het ogenblik van het plegen van het misdrijf waarvoor de uitlevering is gevraagd
(14). De latere strafbaarstelling van het feit, die in de wetgeving van de aangezochte Staat zou worden ingevoerd tussen het ogenblik van het plegen van de feiten en het verzoek tot uitlevering, kan in geen enkel geval leiden tot het vaststellen door de gerechtelijke overheden van de aangezochte Staat, van het bestaan van het vereiste van de dubbele incriminatie
(15). Het is dus uitgesloten een persoon uit te leveren of een vreemd bevel tot aanhouding ter fine van uitlevering uitvoerbaar te verklaren voor feiten die niet strafbaar gesteld waren door het recht van de aangezochte Staat op het ogenblik van het plegen ervan
(16).
- In het bestreden arrest van 1 maart 2010 oordeelt de kamer van inbeschuldigingstelling, na te hebben vastgesteld dat de feiten naar Marokkaans recht strafbaar gesteld worden: "Naar Belgisch recht worden deze samenhangende feiten, omschreven als vereniging van misdadigers en criminele organisatie (artikel 322 e.v. Sw.), vrijwillige doodslag (artikelen 392 en 393 Sw.) en deelneming aan activiteiten van een terroristische groep (artikel 137 t/m 140 Sw.), eveneens strafbaar gesteld".
- De wet van 10 januari 1999 betreffende de criminele organisaties voert de artikelen 324bis tot 325 in het Strafwetboek in
(17). De feiten van terroristische misdrijven werden evenwel nog veel later in het Strafwetboek ingeschreven door de invoeging in dit wetboek van de artikelen 137 tot 141ter door de wet van 19 december 2003, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 29 december 2003 en in werking getreden op 8 januari 2004, hetzij dag op dag zes jaar na de laatste feiten waarvan de kamer van inbeschuldigingstelling oordeelde dat zij in aanmerking kwamen voor de uitvoerbaarverklaring van het Marokkaans bevel tot aanhouding
(18). Door de wetten van 10 januari 1999 betreffende de criminele organisaties en van 19 december 2003 betreffende de terroristische misdrijven werden in België bijgevolg feiten strafbaar gesteld, die dit eerder niet waren. De kamer van inbeschuldigingstelling kon zich, desgevallend, weliswaar steunen op de omschrijving van de feiten in de kwalificatie van de misdrijven van "vereniging van misdadigers" van de artikelen 322 tot 324 Strafwetboek en van "vrijwillige doodslag" van de artikelen 392 en 393 Strafwetboek, die reeds bestonden op het ogenblik van het plegen van de feiten waarvoor de uitlevering werd gevraagd, maar niet op een omschrijving van deze feiten in de kwalificaties van "criminele organisatie (artikel 322 e.v. Sw.)" en "deelneming aan activiteiten van een terroristische groep (artikel 137 t/m 140 Sw.)" om na te gaan of aan het vereiste van de dubbele strafbaarstelling was voldaan: de strafbaarstelling van de (thans bestaande) misdrijven van "criminele organisatie (artikel 322 e.v. Sw.)" en "deelneming aan activiteiten van een terroristische groep (artikel 137 t/m 140 Sw.)" is immers posterieur aan het ogenblik waarop of het tijdsvak waarin de feiten waarvoor om uitlevering werd verzocht, werden gepleegd. 17. Met betrekking tot het probleem van de verjaring bepaalt artikel 7 van de Uitleveringswet van 15 maart 1874: "Tot uitlevering wordt er niet overgegaan zo sedert het ten laste gelegde feit, de vervolgingen of de veroordeling, de verjaring van de strafvordering of van de straf naar Belgisch recht is bereikt." Hoewel deze wetsbepaling enkel spreekt over de verjaring naar Belgisch recht, is de grote meerderheid van de rechtsleer het erover eens dat de verjaring van de feiten (hier wat de strafvordering betreft, aangezien het een uitlevering met het oog op de vervolging betreft) niet enkel volgens het recht van de aangezochte Staat moet worden onderzocht, maar ook volgens het recht van de verzoekende Staat
(19). Dit lijkt ook het standpunt van het Hof te zijn
(20). Dit houdt verband met het principe van de dubbele incriminatie en is bovendien ook logisch: de verzoekende Staat kan maar de uitlevering vragen wanneer die Staat zelf nog vervolgingen kan instellen, anders heeft hij geen belang meer bij de uitlevering en is zijn verzoek niet ontvankelijk
(21). Bij het nazicht van de verjaring ten opzichte van het rechtstelsel van beide Staten zal in elk geval steeds de meest gunstige verjaringstermijn voor de verdachte spelen, met name de verjaringstermijn van dat rechtstelsel dat de kortste verjaringstermijn kent
(22). Dit alles stelt evenwel geen probleem in het geval dat ons thans bezighoudt, aangezien artikel 8.1 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko betreffende uitlevering, de voorwaarde van artikel 7 Uitleveringswet uitdrukkelijk uitbreidt tot de verjaring volgens het recht van beide betrokken Staten door te bepalen: "Geen uitlevering wordt toegestaan indien, volgens de wetgeving van de verzoekende of van de aangezochte Partij, verjaring van de vordering of van de straf is ingetreden." 18. Om te oordelen of de verjaring al dan niet is ingetreden moet het onderzoeksgerecht zich plaatsen op het ogenblik van de (handeling van de) uitlevering en niet op enig ander moment van de procedure, aangezien er geruime tijd kan verlopen tussen het ontvangen van het verzoek tot uitlevering en de effectieve overlevering van de uitgeleverde persoon aan de verzoekende Staat
(23). 19. Een ander gevolg van het principe van de dubbele strafbaarstelling ligt in de regel dat het Belgisch onderzoeksgerecht, dat uitspraak moet doen over de uitvoerbaarverklaring van een vreemd bevel tot aanhouding ter fine van uitlevering en die daarbij, zoals hiervoor uiteengezet, de kwalificatie van de feiten waarvoor die uitlevering gevraagd wordt, zoals die omschreven werden door de verzoekende Staat, moet vertalen naar een kwalificatie naar Belgisch recht volgens de Belgische wet, zoals die bestond op het ogenblik van het plegen van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, op deze uiteindelijke kwalificatie de Belgische regels van artikel 21 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering inzake de verjaring moet toepassen
(24). De uitlevering wegens een door de Belgische wet als misdrijf omschreven feit zal dus niet mogelijk zijn wanneer de door de Belgische wet bepaalde termijn voor de verjaring van de strafvordering voor dit misdrijf, gekwalificeerd volgens de Belgische wet zoals die bestond op het tijdstip van het plegen van de feiten, is verstreken, zelfs wanneer de wetgeving van de verzoekende Staat een langere verjaringstermijn bepaalt
(25). Bij de beoordeling of de verjaring van de strafvordering al dan niet is ingetreden, kan dus geen rekening worden gehouden met een omschrijving van de feiten volgens een kwalificatie die nog niet bestond op het ogenblik van het plegen van deze feiten en met de op deze nieuwe kwalificatie toepasselijke (nieuwe) verjaringstermijn, die zou verschillen van de verjaringstermijn, die (oorspronkelijk) toepasselijk zou zijn geweest op de omschrijving van de feiten naar Belgisch recht volgens de stand van de Belgische wetgeving op het ogenblik van het plegen van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd.
- Hier rijst bijgevolg opnieuw een probleem, want de appelrechters oordelen: "De feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd, zoals die nader worden toegelicht in de stukken afkomstig van de Marokkaanse autoriteiten, en die naar Belgisch (s)trafrecht omschreven worden als criminele organisatie en bendevorming met het oog op het plegen en voorbereiden van terreurdaden, worden gestraft met niet correctionaliseerbare criminele straffen (artikelen 137, §1, 137, §2,1°, 138, §1, 10°, 393 en 323 Sw.)". Zij stellen verder vast: "daar geen termijn van 15 jaar verlopen is sedert 8 januari 1998, zijnde de einddatum waarvoor de uitlevering wordt gevraagd en zou kunnen toegestaan worden, zijn deze feiten overeenkomstig Belgisch recht niet verjaard". Met deze redenen verantwoordt de kamer van inbeschuldigingstelling haar beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond.
- De overige onderdelen van het derde middel en het eerste en tweede middel kunnen niet tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing leiden en dienen bijgevolg niet beantwoord te worden. Conclusie: vernietiging van het bestreden arrest van 1 maart 2010 in zoverre het bevel tot aanhouding ter fine van uitlevering van 28 maart 2008 van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Rabat (Marokko) deels uitvoerbaar verklaart voor de feiten gepleegd tussen 1 januari 1989 en 9 januari 1998, met verwijzing naar de kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen, in een andere zetelsamenstelling dan deze die de bestreden arresten en het arrest van 30 april 2009 heeft gewezen en verwerping van het cassatieberoep voor het overige. ______________
(1)THEYS, M., Extradition, Les Novelles, Procédure pénale, Tome Ier, Vol. II, p. 513, n° 12; MASSET, A. et MASSA A.-S., L'extradition, in "Poursuites pénales et Extraterritorialité - Strafprocesrecht en Extraterritorialiteit", La Charte - Die Keure, 2002, p. 216; DEMANET, G., "Du rôle de la chambre du conseil et de la chambre des mises en accusation en cas d'extradition demandée à la Belgique", Rev. dr. pén. crim., 1988, p. 259; DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 4de ed., 2007, p. 1652, nr. 3858; DAVID, E., Eléments de Droit Pénal International et Européen, Bruylant, Bruxelles, 2009, p. 492, n° 7.1.68; TROUSSE P.E. en VANHALEWIJN, J., Uitlevering en Internationale Rechtshulp in Strafzaken, A.P.R., 1970, p. 72, nr. 101 en volgende; VAN DEN WYNGAERT, C., Strafrecht, Strafprocesrecht & Internationaal Strafrecht, 6de ed., 2006, p. 1248; BOSLY, H.-D., VANDERMEERSCH, D. et BEERNAERT M.-A., Droit de la procédure pénale, La Charte, 5ième éd., 2008, p. 1159.
(2)DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 4de ed., 2007, p. 1654, nr. 3860.
(3)VAN DEN WYNGAERT, C., Strafrecht, Strafprocesrecht & Internationaal Strafrecht, 6de ed., 2006, p. 1250.
(4)TROUSSE P.E. en VANHALEWIJN, J., Uitlevering en Internationale Rechtshulp in Strafzaken, A.P.R., 1970, p. 72, nr. 101; THEYS, M., Extradition, Les Novelles, Procédure pénale, Tome Ier, Vol. II, p. 513, nr. 12.
(5)In werking getreden op 1 mei 2005.
(6)Cass. 22 juni 1994, A.R. P.94.0719.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940622.14, A.C., 1994, nr. 327; 8 mei 2001, A.R. P.01.0392.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010508.22, A.C., 2001, nr. 262; 15 feb. 2006, A.R. P.05.1594.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060215.4, A.C., 2006, nr. 96 met concl. adv.-gen. Vandermeersch.
(7)DAVID, E., Eléments de Droit Pénal International et Européen, Bruylant, Bruxelles, 2009, p. 493, nr. 7.1.68; BOSLY, H.-D., VANDERMEERSCH, D. et BEERNAERT M.-A., Droit de la procédure pénale, La Charte, 5ième éd., 2008, p. 1159
(8)THEYS, M., Extradition, Les Novelles, Procédure pénale, Tome Ier, Vol. II, p. 514, nr. 13.
(9)VAN DEN WYNGAERT, C., Strafrecht, Strafprocesrecht & Internationaal Strafrecht, 6de ed., 2006, p. 1249.
(10)TROUSSE P.E. en VANHALEWIJN, J., Uitlevering en Internationale Rechtshulp in Strafzaken, A.P.R., 1970, p. 75, nr. 106.
(11)THEYS, M., Extradition, Les Novelles, Procédure pénale, Tome Ier, Vol. II, p. 514, nr. 13; MASSET, A. et MASSA A.-S., L'extradition, in "Poursuites pénales et Extraterritorialité - Strafprocesrecht en Extraterritorialiteit", La Charte - Die Keure, 2002, p. 217.
(12)Cass. 11 april 2000, A.R. P.00.0407.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000411.9, A.C., 2000, nr. 246.
(13)VAN DEN WYNGAERT, C., Strafrecht, Strafprocesrecht & Internationaal Strafrecht, 6de ed., 2006, p. 1249. Deze auteur schrijft: "De vraag rijst of de dubbele incriminatie moet worden beoordeeld op het tijdstip van de beslissing tot uitlevering, ofwel op het tijdstip van de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd. Hoewel hierover geen stellingen worden ingenomen in rechtspraak en rechtsleer lijkt men tot voor kort aangenomen te hebben dat het tijdstip van de uitlevering moest in aanmerking genomen worden, niet het tijdstip van de feiten." Deze stelling wordt evenwel niet verder onderbouwd, noch wordt er verwezen naar enige rechtsleer of rechtspraak.
(14)BOSLY, H.-D., VANDERMEERSCH, D. et BEERNAERT M.-A., Droit de la procédure pénale, La Charte, 5ième éd., 2008, p. 1159; TROUSSE P.E. en VANHALEWIJN, J., Uitlevering en Internationale Rechtshulp in Strafzaken, A.P.R., 1970, p. 74, nr. 105.
(15)MASSET, A. et MASSA A.-S., L'extradition, in "Poursuites pénales et Extraterritorialité - Strafprocesrecht en Extraterritorialiteit", La Charte - Die Keure, 2002, p. 217.
(16)DAVID, E., Eléments de Droit Pénal International et Européen, Bruylant, Bruxelles, 2009, p. 490, n° 7.1.66; MASSET, A. et MASSA A.-S., L'extradition, in "Poursuites pénales et Extraterritorialité - Strafprocesrecht en Extraterritorialiteit", La Charte - Die Keure, 2002, p. 217.
(17)Gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 26 feb. 1999, in werking getreden op 8 maart 1999, gewijzigd bij wet van 10 aug. 2005 (B.S., 2 sept. 2005(eerste uitgave)).
(18)De kamer van inbeschuldigingstelling verklaarde het Marokkaans bevel tot aanhouding slechts uitvoerbaar voor de feiten gepleegd tussen 1 jan. 1989 en 9 jan. 1998.
(19)DEMANET, G., "Du rôle de la chambre du conseil et de la chambre des mises en accusation en cas d'extradition demandée à la Belgique", Rev. dr. pén. Crim., 1988, p. 266; TROUSSE P.E. en VANHALEWIJN, J., Uitlevering en Internationale Rechtshulp in Strafzaken, A.P.R., 1970, p. 82, nr. 141; FRANCHIMONT M., JACOBS, A. et MASSET, A., Manuel de procédure pénale, Larcier, Bruxelles, 2006, p. 1284; BOSLY, H.-D., VANDERMEERSCH, D. et BEERNAERT M.-A., Droit de la procédure pénale, La Charte, 5ième éd., 2008, p. 1160; THEYS, M., Extradition, Les Novelles, Procédure pénale, Tome Ier, Vol. II, p. 523, nr. 37.
(20)Cass. 22 juni 1994, A.R. P.94.0719.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940622.14, A.C., 1994, nr. 327.
(21)TROUSSE P.E. en VANHALEWIJN, J., Uitlevering en Internationale Rechtshulp in Strafzaken, A.P.R., 1970, p. 82, nr. 141.
(22)THEYS, M., Extradition, Les Novelles, Procédure pénale, Tome Ier, Vol. II, p. 523, nr. 37; TROUSSE P.E. en VANHALEWIJN, J., Uitlevering en Internationale Rechtshulp in Strafzaken, A.P.R., 1970, p. 82, nr. 142.
(23)TROUSSE P.E. en VANHALEWIJN, J., Uitlevering en Internationale Rechtshulp in Strafzaken, A.P.R., 1970, p. 82, nr. 140.
(24)THEYS, M., Extradition, Les Novelles, Procédure pénale, Tome Ier, Vol. II, p. 523, nr. 39.
(25)TROUSSE P.E. en VANHALEWIJN, J., Uitlevering en Internationale Rechtshulp in Strafzaken, A.P.R., 1970, p. 83, nr. 145. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100518.8 citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940622.14 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000411.9 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010508.22 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060215.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div