← België

ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100520.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 20 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100520.11 Rolnummer: F.09.0093.N Kamer: 1N + Eerste Kamer + Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2010-06-16 Raadplegingen: 203 - laatst gezien 2026-07-02 17:35 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100520.11 Fiche 1 Bij ontstentenis van een bijzondere definitie in de belastingwet dient onder geldlening, overeenkomstig het gemeen recht, te worden verstaan het contract waarbij de uitlener geld overmaakt aan de lener teneinde hem in staat te stellen er gebruik van te maken en onder verplichting voor laatstgenoemde om het hem terug te geven op het overeengekomen tijdstip; een geldlening in de zin van artikel 18, tweede lid, van het W.I.B. 1992, kan worden vastgesteld door een boeking op de rekening-courant van de aandeelhouder of van de persoon die een opdracht of functies als vermeld in artikel 32,eerste lid, 1°, uitoefent, maar een dergelijke boeking impliceert niet noodzakelijk het bestaan van een leningscontract in de zin van die bepaling

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Inkomsten uit onroerende goederen UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Algemeen Vrije woorden: Dividenden - Interest van voorschotten - Aan een vennootschap verstrekte geldlening - Geldlening Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 18, eerste lid, 4°, en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 2 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Inkomsten uit roerende goederen UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Algemeen Vrije woorden: Dividenden - Interest van voorschotten - Aan een vennootschap verstrekte geldlening - Geldlening Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ F.09.0093.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: I. De feiten en procedurevoorgaanden. Bij overeenkomst van 11 mei 2000 heeft Pieter Paul TACK, vennoot van verweerster, zijn advocatenpraktijk met inbegrip van immateriële en materiële vaste activa en schulden, overgedragen aan verweerster. De niet betaalde aankoopprijs voor de overdracht van de advocatenpraktijk werd geboekt onder een rentedragende rekening-courant. Op het uitstaande saldo werd een intrest tegen marktrente betaald. Er ligt geen bewijs voor dat de fondsen t.b.v. 7.125.000BEF (176.624,14 euro ) materieel werden overhandigd. Er werd geen terugbetalingstermijn bedongen; het uitstaand saldo kan op eenzijdig verzoek worden opgevraagd. Volgens het Hof van Beroep te Gent is de betwisting beperkt tot het antwoord op de vraag of voorschotten via rekening-courant als geldleningen kunnen worden aangemerkt, waardoor een herkwalificatie van intresten in dividenden op grond van artikel 18, lid 1,4° W.I.B.
(1992)mogelijk is. Het geschil moet volgens de appelrechters worden opgelost door een onderzoek naar de concrete omstandigheden waarin verweerster de rechtshandeling heeft gesteld die tot het betalen van de intrest aanleiding gaf. Anderzijds is de vraag deze naar de kwalificatie van de overeenkomst die de onderliggende oorzaak is voor de inschrijving in de rekening-courant. Dit gegeven is volgens het hof van beroep determinerend om uit te maken of er sprake is van een geldlening of niet. De appelrechters zijn van mening dat, bij gebrek aan definitie van het begrip "geldlening" in het W.I.B.
(1992), aan dat begrip een gemeenrechtelijke invulling moet worden gegeven overeenkomstig de artikelen 1892 en 1895 van het Burgerlijk Wetboek. Bijgevolg veronderstelt een geldlening dat er een materiële afgifte (desnoods via de moderne technieken) van geld gebeurt. Volgens het hof van beroep staat het vast dat de onderliggende rechtsverhouding voor de boeking in rekening-courant een schuld is ingevolge niet betaling van de aankoopprijs voor de verkoop van de advocatenpraktijk aan verweerster. Het gaat dus om een koop-verkoop met uitstel van betaling van de koopprijs, wat niet hetzelfde is als een geldlening. Het bestreden arrest oordeelt dan ook dat de voorwaarden voor de herkwalificatie van de intrest in dividenden niet vervuld zijn, zodat de eerste rechter de bestreden aanslagen terecht heeft ontheven. II. De voorziening in cassatie. 1. In de drie onderdelen van het enig middel tot cassatie voert eiser telkens schending aan van artikel 18, tweede lid, van het W.I.B.
(1992). Eiser gaat er daarbij van uit dat de term "geldlening" in de zin van artikel 18, lid 1,4° W.I.B.
(1992)niet in zijn gemeenrechtelijke betekenis moet worden begrepen. Volgens eiser veronderstelt dat begrip niet noodzakelijk een afgifte van de geleende zaak. Een loutere wilsovereenstemming tussen partijen om voor onbepaalde tijd geldsommen tegen intrest ter beschikking te stellen, zou voldoende zijn. Van zodra uit een overeenkomst blijkt dat gelden ter beschikking van de vennootschap werden gesteld of gelaten bij wijze van een inschrijving in rekening-courant, kan er volgens eiser sprake zijn van een geldlening in de zin van voormelde bepaling. Door te stellen dat het begrip "geldlening" in zijn gemeenrechtelijke betekenis dient te worden begrepen in de zin dat er een materiële afgifte (desnoods via de moderne technieken) van geld gebeurt, zou het bestreden arrest artikel 18, tweede lid W.I.B.
(1992)schenden. 2. Overeenkomstig het ten deze toepasselijk artikel 18, eerste lid, 4°, van het W.I.B.
(1992)omvatten de dividenden de interest van voorschotten onder de daarin bepaalde voorwaarden. Het tweede lid van dit artikel preciseert dat als voorschot wordt beschouwd, elke, al dan niet door effecten vertegenwoordigde geldlening verstrekt door een natuurlijk persoon aan een vennootschap waarvan hij aandelen bezit of door een persoon aan een vennootschap waarin hij een opdracht of functies uitoefent als vermeld in artikel 32, eerste lid, 1° van het W.I.B.
(1992). 3. De in deze bepalingen neergelegde herkwalificatieregel heeft aldus uitsluitend "geldleningen" op het oog. Er wordt algemeen aanvaard dat het gemeen recht het fiscaal recht beheerst, tenzij de fiscale wet in een afwijkende regeling voorziet ( ). Noch in de fiscale wet, noch in de voorbereidende werkzaamheden m.b.t. artikel 18 W.I.B.
(1992)wordt het begrip geldlening gepreciseerd. Bijgevolg moet dit begrip verstaan worden in zijn gemeenrechtelijke betekenis. Overeenkomstig de in de memorie van antwoord geciteerde vaste rechtspraak en rechtsleer kan de herkwalificatieregel waarvan sprake uitsluitend worden toegepast indien een geldlening in civielrechtelijke betekenis voorhanden is (cf. artikel 1895 e.v. B.W.) ( ).
  1. In een circulaire van 11 januari 2005 heeft ook de fiscale administratie dit standpunt onderschreven ( ).
  2. Zoals blijkt uit navolgend antwoord op een parlementaire vraag van 25 juni 1998, heeft ook de Minister van Financiën erkend dat de herkwalificatieregel van artikel 18 W.I.B.
(1992)uitsluitend kan worden toegepast op geldleningen in civielrechtelijke zin. "De gespecialiseerde dienst van mijn administratie heeft de implicaties onderzocht van de vervanging van het woord vordering door het woord geldlening in artikel 18, tweede lid, W.I.B.
(1992), zoals het werd vervangen van het artikel 3, 20, bij koninklijk besluit van 20 december 1996. De voormelde dienst is, uitgaande van het Verslag aan de Koning en het advies van de Raad van State van 6 november 1996 bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, tot het besluit gekomen dat het begrip geldlening moeilijk anders kan worden uitgelegd dan in de zin van artikel 1895 van het Burgerlijk Wetboek (BW), daar: het begrip geldlening niet wordt gedefinieerd in het W.I.B.
(1992)en enkel voorkomt in artikel 18, tweede lid, W.I.B.
(1992); ook het begrip lening wordt in het W.I.B.
(1992)niet gedefinieerd; de terminologie die wordt gebruikt in voormeld artikel 18, tweede lid, W.I.B.
(1992)(geldlening - prét d'argent), praktisch dezelfde is als die van artikel 1895, eerste lid, B.W. (lening van geld - prét en argent)." (...) ( ). 6. Zoals verweerster opmerkt in haar memorie van antwoord, werd dit standpunt recent uitdrukkelijk bijgetreden door Uw Hof. In het arrest van 4 september 2009 (A.R. nr. F.08.0055.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090904.1) oordeelde Uw Hof immers uitdrukkelijk dat het begrip geldlening, bij gebrek aan definitie in het fiscaal recht, moet worden begrepen in zijn gemeenrechtelijke betekenis, nl. een overeenkomst op basis waarvan de geldschieter een geldsom overhandigt aan de lener die ervan kan gebruikmaken, onder de verplichting voor deze laatste de som op de afgesproken datum terug te betalen. Uw Hof herhaalde vervolgens dat de inschrijving van een vordering in de rekening-courant van de betrokken aandeelhouder of bedrijfsleider een "geldlening" kan uitmaken ( ). Maar Uw Hof voegde daaraan toe dat een dergelijke boeking niet noodzakelijk het bestaan van een leningscontract in de zin van artikel 18 W.I.B.
(1992)impliceert. Uw Hof besloot dan ook dat de appelrechters naar recht hebben kunnen beslissen dat er, bij gebrek aan geldlening in de zin van artikel 18 W.I.B.
(1992), geen reden is tot een herkwalificatie van intresten in dividenden, noch tot het inkohieren van een bijkomende roerende voorheffing.
  1. Het behoort aan de rechter ten gronde om, op basis van de feitelijke omstandigheden van de zaak, uit te maken of er in het concrete geval al dan niet sprake is van een "geldlening". De vraag of deze kwalificatie in een concreet geval terecht is of niet, kan door Uw Hof slechts marginaal worden getoetst. In voorliggende zaak hebben de appelrechters uit de in het bestreden arrest weergegeven feitelijke elementen wettig kunnen afleiden dat de vordering van Pieter Paul TACK in diens rekening-courant niet als een "geldlening" in de zin van artikel 18 W.I.B./92 kan worden gekwalificeerd.
  2. Nu eiser ervan uitgaat dat de notie "geldlening" in artikel 18, tweede lid, van het W.I.B.
(1992)"zich niet enkel (beperkt) tot leningscontracten die door het gemeen recht worden geregeld (artikelen 1874 tot 1914 van het Burgerlijk Wetboek)", faalt het middel in zijn drie onderdelen op dit punt naar recht. 9. In het tweede onderdeel gaat eiser er bovendien verkeerdelijk van uit als zou het oordeel van de appelrechters dat de administratie in casu niet gerechtigd was om de intresten in dividenden te herkwalificeren steunen op het motief dat de term ‘geldlening' in de zin van artikel 18 W.I.B.
(1992)niet kan worden uitgebreid tot "de verrichtingen verwezenlijkt binnen het kader van een rekening-courant". Het onderdeel berust terzake op een verkeerde lezing van het bestreden arrest waardoor het feitelijke grondslag mist.
  1. In het derde onderdeel voert eiser tevens schending aan van artikel 149 van de Grondwet stellende dat "bij de beoordeling van het arrest een bedenkelijke tegenspraak kan worden ontwaard". Het bestreden arrest stelt volgens eiser dat de kwalificatie van de overeenkomst, die de onderliggende oorzaak is voor de inschrijving in de rekening-courant, determinerend is om uit te maken of er sprake is van een geldlening of niet, en dat in casu aan het begrip "geldlening" een gemeenrechtelijke invulling (...) moet worden gegeven, in die zin dat een geldlening veronderstelt dat er een materiële afgifte (...) van geld gebeurt, hetgeen in casu niet het geval is. Het is volgens eiser niet duidelijk hoe dit standpunt te rijmen valt met de stelling van het bestreden arrest dat de inschrijving van het bedrag van de verkoopprijs in de rekening-courant van de aandeelhouders nog niet uitsluit dat er sprake is van een geldlening, doch voor de oplossing van deze casus een onderzoek vereist is naar de concrete omstandigheden waarin verweerster de rechtshandelingen heeft gesteld die tot het betalen van de interest aanleiding gaven.
  2. Beide vaststellingen lijken mij evenwel niet tegenstrijdig te zijn. De grief mist bijgevolg feitelijke grondslag. Besluit: VERWERPING. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100520.11 citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090904.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.