← België

ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100520.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 20 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100520.8 Rolnummer: F.09.0055.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Belastingrecht Invoerdatum: 2010-06-09 Raadplegingen: 271 - laatst gezien 2026-07-02 17:33 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100520.8 Fiche 1 Een nieuwe wet is in de regel niet enkel van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Algemene wet inzake douane en accijnzen - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Werking in de tijd - Nieuwe wet Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2 Fiche 2 Wetten die nieuwe procesrechtelijke regels invoeren hebben in beginsel onmiddellijke werking; daden van tenuitvoerlegging zijn geregeld door procesrechtelijke bepalingen en vallen bijgevolg onder de vigeur van de wet die van toepassing is op het ogenblik waarop de tenuitvoerlegging plaatsvindt
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Algemene wet inzake douane en accijnzen - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Werking in de tijd - Wetten die procesrechterlijke regels invoeren - Daden van tenuitvoerlegging - Toepasselijke wet Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 3 Fiche 3 Door de wet van 30 juni 2000, die de in artikel 313, § 5, A.W.D.A. voorziene vervaltermijn van drie jaar voor de dadelijke uitwinning door middel van een dwangbevel ophief, van bij haar inwerkingtreding toe te passen op belastingschulden waarvoor het recht van dadelijke uitwinning op grond van de opgeheven bepaling was ingetreden, maar die op dat ogenblik nog niet waren verjaard en dus nog konden worden ingevorderd middels een gerechtelijke procedure, wordt geen afbreuk gedaan aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten nu het op grond van dat artikel ingetreden verval van het recht van dadelijke uitwinning niet raakt aan het bestaan en de opeisbaarheid van de onderliggende belastingschuld
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Algemene wet inzake douane en accijnzen - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Dwangbevel - Invordering - Recht van parate executie - Vervaltermijn van drie jaar - Opheffing van de vervaltermijn - Werking in de tijd Wettelijke bepalingen: Wet - 18-07-1977 - Artt. 313, § 5, en 314 oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2262bis, § 1, eerste lid oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 3 Fiches 4 - 6 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Algemene wet inzake douane en accijnzen - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Werking in de tijd - Nieuwe wet Werking in de tijd - Wetten die procesrechterlijke regels invoeren - Daden van tenuitvoerlegging - Toepasselijke wet Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Algemene wet inzake douane en accijnzen - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Dwangbevel - Invordering - Recht van parate executie - Vervaltermijn van drie jaar - Opheffing van de vervaltermijn - Werking in de tijd Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ F.09.0055.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk Thijs: I. De feiten en procedurevoorgaanden. Voorwerp van onderhavige betwisting betreft het op 17 december 2001 door eiser lastens verweerster uitgevaardigd dwangbevel tot betaling van invoerrechten ten bedrage van 10.233,66 euro ingevolge de invoer van videocassettes uit China, die ten onrechte onder dekking van certificaten van oorsprong (Form A) aan een preferentieel tarief waren ingevoerd en die bestemd waren voor verweerder. Bij het thans bestreden arrest oordeelde het Hof van Beroep te Antwerpen dat het litigieus dwangbevel nietig was om reden dat het nieuw artikel 313 AWDA een eerder ingetreden verval van recht niet ongedaan kan maken en dat verweerders zich tegenover het hen op 22 januari 2002 aangezegde dwangbevel kunnen beroepen op definitief verworven rechten (met name het verval van het recht in hoofde van eiser om bij dwangbevel tot dadelijke uitwinning over te gaan). II. De voorziening in cassatie.
  1. In het eerste onderdeel van het enig middel voert eiser aan dat de appelrechters door in die zin te oordelen de algemene rechtsbeginselen afgeleid uit artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 2, 2262 en 2262bis van het Burgerlijk Wetboek, artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 313 en 314 van de AWDA, artikel 3 van de wet van 30 juni 2000 tot wijziging van de AWDA en van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 en artikel 10 van de wet van 10 juni 1998, hebben geschonden. Ingevolge de opheffing van artikel 313, §5 AWDA — dat bepaalde dat het recht van dadelijke uitwinning ophoudt na drie jaar vanaf de dag dat de schuld opeisbaar is geworden — door artikel 3 van de wet van 30 juni 2000, zou volgens eiser de mogelijkheid voor dadelijke uitwinning bij dwangbevel niet meer onderworpen zijn aan een vervaltermijn van drie jaar na het invorderbaar worden van een belastingschuld en kan het recht van dadelijke uitwinning bijgevolg worden uitgeoefend zolang de belastingschuld niet is verjaard overeenkomstig artikel 2262bis, §1 B.W. (voorziening, p. 6). Eiser voert vervolgens aan dat nieuwe procedureregels geacht worden van toepassing te zijn vanaf hun inwerkingtreding op de hangende rechtsgedingen, tenzij zij betrekking hebben op voor de inwerkingtreding ervan definitief verworven rechtsposities (voorziening, p. 6-7). De wetswijziging van 30 juni 2000 zou volgens eiser van toepassing zijn op alle opeisbare belastingschulden waarvan de invorderbaarheid op het ogenblik van de inwerkingtreding ervan nog niet door verjaring is vervallen, ongeacht het feit dat het recht op dadelijke uitwinning reeds was vervallen onder vigeur van de opgeheven wetsbepaling. Door het recht van dadelijke uitwinning te doen herleven voor belastingschulden die sedert meer dan drie jaar opeisbaar zijn geworden en waarvoor het verval van het recht van dadelijke uitwinning overeenkomstig artikel 313, §5 AWDA was ingetreden, wordt geen afbreuk gedaan aan definitief verworven rechtsposities in zoverre het verstrijken van die vervaltermijn onder vigeur van de opgeheven wetsbepaling niet verhinderde dat de belastingschuld door middel van een gerechtelijke procedure kon worden ingevorderd (voorziening, p. 7). Eiser leidt hieruit af dat de onderliggende belastingschuld nog steeds opeisbaar was. Op het ogenblik dat de wet van 30 juni 2000 op 12 augustus 2000 in werking trad en het recht van dadelijke uitwinning volgens eiser herleefde, was de rechtsvordering (volgens eiser) overeenkomstig artikel 2262bis, §1 B.W. nog niet verjaard. Op grond van het dwangbevel van 7 december 2001 zou eiser derhalve wettig kunnen (hebben) overgaan tot dadelijke uitwinning van de verschuldigde invoerrechten (voorziening, p. 8). Ter ondersteuning van dit standpunt verwijst eiser naar de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 juni 2000 die zou bevestigen dat voor alle nog niet betaalde belastingen op het moment van de inwerkingtreding van de wet, een dwangbevel kan worden opgesteld en dit ongeacht de datum van ontstaan van de belastingschuld en voor zover de vordering tot betaling nog niet is verjaard (voorziening, p. 13).
  2. Volgens artikel 313, §5, AWDA, zoals van toepassing vóór zijn opheffing bij wet van 30 juni 2000, kon de ontvanger slechts binnen een termijn van drie jaar na het opeisbaar worden van de belastingschuld het recht van dadelijke uitwinning (bij dwangbevel) uitoefenen. Deze termijn was in voorliggende zaak reeds verstreken zodat eiser, in beginsel, vervallen was van het recht van dadelijke uitwinning. Bij wet van 30 juni 2000 werd de bedoelde vervaltermijn van drie jaar evenwel opgeheven. Vanaf de inwerkingtreding van die wetswijziging op 12 augustus 2000 is de uitoefening van het recht van dadelijke uitwinning derhalve aan geen andere restrictie onderworpen dan de vereiste dat de dadelijke uitwinning moet geschieden binnen de verjaringstermijn van de belastingschuld.
  3. Op de navordering van schulden inzake douane en accijnzen is de verjaringstermijn voor rechtsvorderingen van het burgerlijk recht toepasselijk, met name de verjaringstermijn van 10 jaar ingesteld door artikel 2262bis, §1, van het Burgerlijk Wetboek (Cass. 26 februari 2008, P.08.0575.N).
  4. Krachtens het algemeen rechtsbeginsel inzake de niet-terugwerkende kracht van een wet, is de nieuwe wet in beginsel niet alleen van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten (zie bijv. Cass. 7 oktober 2008, P.08.0575.N, www.cass.be; Cass. 20 februari 2007, P.06.1377.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070220.2, www.cass.be; Cass. 7 november 1997, A.C. 1997, nr. 46O; R.W. 1998-99, 1109, noot; Cass. 10 februari 1997, A.C. 1997, 195; Cass. 25 november 1991, A.C. 1991-92, 268; Cass 3 juni 1966, Pas. 1966, I, 1258). Uw Hof heeft dit principe ook in fiscale aangelegenheden bevestigd. De niet-terugwerkende kracht van een nieuwe belastingwet houdt in dat zij niet van toepassing is op handelingen, toestanden of feiten die vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet ontstaan en definitief voltrokken waren (cf. Cass. 25 mei 2000, T.F.R. 2000, 676, noot B. PEETERS; Cass. 8 november 2005, Pas. 2005, 2157). Aldus kan de nieuwe belastingwet geen afbreuk doen aan onherroepelijk vastgestelde rechten in hoofde van de belastingplichtige (Cass. 29 juni 1998, F.J.F. 1998, nr. 213).
  5. Zoals nieuwe procedureregels zijn nieuwe regels in verband met de invordering van belastingen, in beginsel, vanaf hun inwerkingtreding van toepassing op alle belastingen die nog niet zijn ingevorderd, tenzij hierdoor afbreuk wordt gedaan aan definitief verworven rechtsposities.
  6. Door de wet van 30 juni 2000, die de vervaltermijn ex artikel 313, §5, AWDA ophief, van bij haar inwerkingtreding toe te passen op belastingschulden waarvoor het recht van dadelijke uitwinning op grond de opgeheven bepaling was ingetreden, wordt geen afbreuk gedaan aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. Hoewel de ontvanger als gevolg van het verstrijken van die vervaltermijn het recht verloor om bij dwangbevel de verschuldigde belastingen in te vorderen, verloor hij niet het recht om door middel van een gerechtelijke procedure alsnog de verschuldigde belastingen in te vorderen, voor zover de verjaring van die belastingschulden nog niet was ingetreden. Het verstrijken van de vervaltermijn van artikel 313, §5, AWDA had bijgevolg niet tot gevolg dat de belastingplichtige zich tegenover eiser kon beroepen op reeds onherroepelijk vastgestelde rechten wat betreft de invorderbaarheid van zijn belastingschuld. Het verval van het recht van dadelijke uitwinning dient duidelijk te worden onderscheiden van het verval van het recht tot invordering als gevolg van de verjaring van de belastingschuld.
  7. In voorliggende zaak werd niet betwist dat de douaneschuld waarvan eiser de invordering nastreefde niet was verjaard op 12 augustus 2000, datum waarop de wet van 30 juni 2000 tot opheffing van de bedoelde vervaltermijn inwerking trad. In hoofde van verweerder kon bijgevolg geen sprake zijn van reeds definitief verworven rechten om aan de verschuldigdheid van de belastingschuld te kunnen ontsnappen. Vanaf 12 augustus 2000 kon eiser derhalve wettig, ondanks het ingetreden verval van het recht van dadelijke uitwinning op grond van artikel 313, §5, ADWA, een dwangbevel uitvaardigen lastens de verweerster met betrekking tot de belastingschuld die hij nog was verschuldigd, en dit zolang die schuld nog niet was verjaard.
  8. Ook uit de parlementaire voorbereiding kan worden afgeleid dat het de werkelijke bedoeling was van de wetgever om door de opheffing van artikel 313, §5, AWDA, de uitoefening van het recht van dadelijke uitwinning te doen herleven voor belastingschulden waarvoor het verval van het recht van dadelijke uitwinning overeenkomstig artikel 313, §5, AWDA, reeds was ingetreden: "De nieuwe termijn voor het opstellen van het dwangbevel, de procedure door het opschorten van de dadelijke uitwinning evenals de procedure inzake de consignatie, zijn onmiddellijk van toepassing, ongeacht de datum waarop de belastingschuld is ontstaan. Dit betekent dat de administratie van haar kant voor de invordering van de belastingen een dwangbevel zal kunnen opstellen voor alle nog niet betaalde belastingen, ongeacht de datum van ontstaan van de belastingschuld en voor zover de vordering tot betaling nog niet is verjaard" (Memorie van Toelichting, Kamer, Parl. St., 1999-2000, nr. 50/0438/001, p.12). Het gegeven dat op datum van de inwerkingtreding van de wetswijziging het verval van het recht van dadelijk uitwinning reeds was ingetreden onder vigeur van artikel 313, §5, AWDA en dat de belastingschuld toen nog enkel via gerechtelijke weg kon worden ingevorderd, kan, m.a.w., aan die mogelijkheid tot het opstellen van een dwangbevel geen afbreuk doen. Het opheffen van artikel 313, §5, AWDA, strekt er precies toe dat eiser niet langer wordt verplicht om een burgerlijke vordering in te leiden eens de termijn voor het opstellen van een dwangbevel is verstreken, wat tijds- en kostenbesparend werkt (Memorie van Toelichting, Kamer, Parl.St., 1999-2000, nr. 50/0438/001, p.10).
  9. Er dient dan ook te worden besloten dat het bestreden arrest niet wettig heeft beslist dat het litigieus dwangbevel nietig was om reden dat het nieuw artikel 313 AWDA geen afbreuk kan doen aan definitief verworven rechten, in casu het verval van het recht in hoofde van eiser om bij dwangbevel tot dadelijke uitwinning over te gaan. In hoofde van verweerster kon er immers geen sprake zijn van een ‘definitief verworven recht' nu het verstrijken van de in het oud artikel 313, §5, AWDA gestelde termijn van drie jaar voor de uitoefening van het recht op dadelijke uitwinning bij dwangbevel, geenszins verhinderde dat de belastingschuld door middel van een gerechtelijke procedure kon worden ingevorderd. Het ingetreden verval van het recht van dadelijke uitwinning raakte m.a.w. niet aan het bestaan en de opeisbaarheid van de onderliggende belastingschuld, maar sloot enkel de invorderbaarheid bij dwangbevel uit. Op het ogenblik dat de wet van 30 juni 2000 op 12 augustus 2000 in werking trad en het recht van dadelijke uitwinning bij dwangbevel herleefde, was de rechtsvordering van eiser nog niet verjaard en was de belastingschuld dus nog steeds opeisbaar. Op grond van het dwangbevel van 7 december 2001, aangezegd lastens verweerster op 22 januari 2002, heeft eiser derhalve wettig kunnen overgaan tot dadelijke uitwinning van de verschuldigde invoerrechten waarvoor verweerster op geen enkel ogenblik aanspraak kon maken op een verworven recht van oninvorderbaarheid. Het onderdeel komt dan ook gegrond voor.
  10. Ten overvloede en in subsidiaire orde weze opgemerkt dat het tweede onderdeel - waarin eiser een gebrek aan antwoord aanvoert op zijn tussenvordering waarin hij, voor het geval het dwangbevel nietig zou worden verklaard, de veroordeling van verweerders had gevorderd tot betaling van de verschuldigde belastingen - niet kan worden aangenomen. Bedoelde tussenvordering, welke door de eerste rechter zonder voorwerp werd verklaard, werd immers niet hernomen in graad van beroep. Zoals blijkt uit eisers syntheseconclusie heeft hij zijn vordering in hoger beroep uitdrukkelijk gesteund op de uitvoerbaarverklaring van het dwangbevel van 17 december 2001 zonder op enig ogenblik de beslissing te bekritiseren die de eerste rechter had genomen ten aanzien van zijn tussenvordering. Besluit: VERNIETIGING op grond van het eerste onderdeel. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100520.8 citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070220.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.