id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 03 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100603.4 Rolnummer: C.08.0581.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-07-07 Raadplegingen: 316 - laatst gezien 2026-07-02 17:20 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100603.4 Fiche 1 De rechtsverhouding die ontstaat uit de door de gemeenten op grond van artikel 1 van de Wet van 22 februari 1965 ingestelde parkeerretributies met diegene die de retributie verschuldigd is, is niet van contractuele, maar van reglementaire aard, zodat artikel 1231, § 1, eerste lid, van het B.W. hierop niet toepasselijk is
(1)Zie de conclusie van het O.M.; Cass., 29 mei 2009, AR C.08.0130.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090529.6, www.cass.be, met concl. O.M. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - LOKALE BELASTINGEN PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Scheiding van de machten Vrije woorden: Parkeerretributies - Rechtsverhouding met de overtreder - Aard Wettelijke bepalingen: Gemeentewet - 24-06-1988 - Art. 232 e.v. Wet - 22-02-1965 - Enig art. oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1231, § 1, eerste lid Fiches 2 - 3 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - LOKALE BELASTINGEN PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Scheiding van de machten Vrije woorden: Parkeerretributies - Rechtsverhouding met de overtreder - Aard Parkeerretributies - Wettelijkheid - Toetsing door de rechter Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ C.08.0581.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk Thijs: 1. Bij het bestreden vonnis deed de vrederechter van het 5de kanton te Antwerpen uitspraak over de parkeerretributies die eiseres langs burgerrechtelijke weg invorderde lastens verweerder. Na uitvoerig te hebben stilgestaan bij de voor- en nadelen van parkeerretributies en de ‘nefaste gevolgen voor de Antwerpse burgers', oordeelt de vrederechter dat ook de overheid bij het heffen van een parkeerretributie de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende het ‘strafbeding' moet eerbiedigen. Vermits de heffing voor langparkeren, volgens het bestreden vonnis, een strafbeding uitmaakt, kan de rechter de retributie matigen tot normale proporties op grond van artikel 1231 van het Burgerlijk Wetboek. Het verweer van eiseres dat de artikelen 1226 e.v. van het Burgerlijk Wetboek bij gebrek aan overeenkomst in voorliggend geval niet van toepassing zijn, wordt in het bestreden vonnis verworpen. De vrederechter vermindert de gevorderde parkeerretributie vervolgens tot 12,39 EUR in plaats van de oorspronkelijk gevorderde 21,50 EUR en bekomt aldus een totaalbedrag van 99,12 EUR aan parkeerretributies. 2. In het enig middel tot cassatie voert eiseres aan dat de vrederechter door in die zin te oordelen onder meer de artikelen 1226 en 1231, §1, van het Burgerlijk Wetboek geschonden heeft. 3. Overeenkomstig artikel 1226 van het Burgerlijk Wetboek is een strafbeding een beding waarbij een persoon zich voor het geval van niet-uitvoering van de overeenkomst verbindt tot betaling van een forfaitaire vergoeding van de schade die kan worden geleden ten gevolge van de niet-uitvoering van de overeenkomst. Artikel 1231, §1 van dat wetboek bepaalt anderzijds dat de rechter ambtshalve of op verzoek van de schuldenaar de straf kan verminderen die bestaat in het betalen van een bepaalde geldsom, wanneer die som kennelijk het bedrag te boven gaat dat de partijen konden vaststellen om de schade wegens de niet-uitvoering van de overeenkomst te vergoeden. 4. Zoals eiseres aanvoert veronderstelt de toepassing van deze bepalingen onmiskenbaar een contractueel kader. Buiten de contractuele rechtsverhouding hebben de regels inzake het strafbeding geen bestaansreden. Zij behoren tot het contractueel aansprakelijkheidsrecht (L. CORNELIS, "Lief zijn voor het verbintenissenrecht (over het virtuele strafbeding)", T.B.H. 2000, 13, nr 22; P. WERY, Les clauses applicables en cas d'inexécution des obligations contractuelles, Brugge, Die Keure, 2001, 254, nr. 5 en 284, nr. 44). De regels inzake het strafbeding veronderstellen bijgevolg een overeenkomst tussen handelaars of professionelen, dan wel tussen particulieren (C. DELFORGE, "Entre prudence et audace ... réflexions sur la récente modification des dispositions du Code civil relative à la clause pénale et aux intérêts moratoires", Rev. Not. B. 1999, 602-603; P. WERY, "La loi du 23 novembre 1998 modifiant le Code civil en ce qui concerne la clause pénale et les intérêts moratoires: fin de la crise de la clause pénale ou début de nouvelles incertitudes?", T.B.B.R. 1999, 226). 5. Van een contractuele rechtsverhouding tussen eiseres en verweerster is in casu evenwel geen sprake. De rechtsverhouding tussen partijen wordt immers beheerst door de bepalingen van het parkeerretributiereglement. In zoverre het vredegerecht beslist dat "met het zogenaamde ‘vermoeden voor gekozen te hebben voor zulk tarief' het zeer duidelijk (
- is)dat de stad Antwerpen een verdoken strafbeding tracht te creëren met overdreven karakter, waarvan het de taak van de rechtbank is om zulke praktijken tegen te gaan en deze te herleiden tot normale proporties ongeacht of zulk strafbeding nu van contractuele dan wel van wettelijke aard zou zijn" en verderop in het vonnis overweegt dat "nergens wordt aangetoond dat een verhoging op 2 à 3 jaar naar 21,50 euro verantwoord is", om dan vervolgens de retributie te herleiden tot acht maal 12,39 EUR, past het de artikelen 1226 en 1231, §1, van het Burgerlijk Wetboek toe op een rechtsverhouding die erdoor niet beheerst wordt. In zoverre het middel schending aanvoert van deze bepalingen, komt het dan ook gegrond voor. 6. Ten behoeve van de verwijzingsrechter lijkt het mij aangewezen een kritische kanttekening te maken bij het bestreden vonnis. Op grond van artikel 159 van de Grondwet is de rechter verplicht een gemeentelijk reglement dat voorziet in de heffing van parkeerretributies, buiten toepassing te verklaren wanneer hij tot de bevinding komt dat het reglement strijdig is met de wetten. Ieder met eigenlijke rechtspraak belast orgaan kan en moet nagaan of de besluiten en verordeningen waarop een vordering, verweer of exceptie is gegrond, met de wet overeenstemmen (Cass. 16 juni 2006, AR nr. C.05.0287.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060616.5, A.C. 2006, nr. 334; Cass. 22 maart 1993, A.C. 1993, nr. 154.). 7. Artikel 42 van het Wetboek van de met de Inkomstenbelastingen Gelijkgestelde Belastingen (hierna: W.I.G.B.) verbiedt de gemeenten en provinciën om op motorrijtuigen enige belasting te heffen. Anderzijds is de vrederechter niet bevoegd voor betwistingen over belastingen (cfr. art. 569, 32° Ger.W.). Nadat Uw Hof in enkele arresten oordeelde dat een parkeerheffing een verboden vorm van belasting was (o.m. Cass. 19 nov. 1954, Pas. 1955, I, 253; R.W. 1954, 1462; Cass. 18 feb. 1955, Pas. 1955, I, 653), kwam de wetgever de gemeenten te hulp en werden zij bij wet van 22 februari 1965 gemachtigd om parkeergeld te heffen. Uw Hof oordeelde in latere arresten dat deze heffing voor een gebruik van het openbaar domein dat normaal niet is toegestaan, als een retributie moest worden beschouwd (Cass. 20 nov. 1972, A.C. 1973, 279; Pas. 1973, I, 275; T. Gem. 1973, 257; Cass. 23 maart 1983, A.C. 1982-83, 901; Pas. 1983, I, 800.). Omdat de boetes die werden opgelegd in geval van niet-betaling van de bewuste parkeerheffing niet aan de gemeenten ten goede kwamen, werden zij door een wijziging van het Koninklijk Besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, bij koninklijk besluit van 18 september 1991, ook gemachtigd om parkeergeld op langdurig parkeren te heffen. Deze heffing op langdurig parkeren berust op de veronderstelling dat, zo men niet afdoende gebruik maakt van de parkeerautomaat, men geacht wordt te opteren voor het systeem langdurig parkeren en de daarbij horende heffing (M. DE JONCKHEERE, "De heffing op het langdurig parkeren", noot sub Cass. 10 sept. 1998, L.R.B. 2000, 73; P. PEETERS en A. WEYN, "Het cassatie-arrest van 10 mei 2002: langdurig parkeren (opnieuw) ter discussie", noot sub Cass. 10 mei 2002, T.F.R. 2003, 640). In de door voornoemde auteurs besproken arresten van 10 september 1998 (Bull. 1998, 942, nr. 397, met concl. van toenmalig advocaat-generaal J.F. Leclercq) en 10 mei 2002 (Pas. 2002, 1123) besliste Uw Hof dat ook de heffing op het langdurig parkeren als een retributie kan worden beschouwd voor zover er een redelijke verhouding bestaat tussen het gevorderde forfait en de verleende dienst. Bij gebrek aan dergelijke redelijke verhouding is er geen sprake van een retributie maar wel van een (door artikel 42 W.I.G.B. verboden) belasting (cfr. de conclusie van toenmalig advocaat-generaal J.F. Leclercq voor Cass. 10 sept. 1998, Bull. 1998, 944: "c'est en effet là l'examen d'un des critères permettant de déterminer s'il s'agit d'une rétribution ou d'un impôt). In het bestreden vonnis stelt de vrederechter als principe voorop dat krachtens artikel 159 van de Grondwet de hoven en de rechtbanken alleen de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen toepassen in zoverre zij met de wetten overeenstemmen (vonnis, p. 5, alinea 2). De vrederechter wijst er terecht op dat "het bedrag van de retributie evenwel in een redelijke verhouding moet staan tot het bedrag van de verleende dienst, zoniet is zij geen retributie meer, maar moet zij als een belasting worden beschouwd" (vonnis, p. 4, 9de alinea). De vrederechter onderzoekt daarop de tariefstructuur van het parkeerretributiereglement en spreekt van ‘straatjesmelkerij, louter en alleen ter extra financiering van de stadskas'. (...) De burger vergeet 1 euro te betalen voor bijvoorbeeld 1 uur parkeertijd en als sanctie dient hij 21,50 euro (dus 21,5 x meer) te betalen? Dit staat absoluut niet meer in redelijke verhouding tot het belang van de verleende dienst. (...) Het vroegere bedrag van 12,39 euro was al erg hoog en nergens wordt aangetoond dat een verhoging op 2 à 3 jaar tijd naar 21,50 euro verantwoord is" (vonnis, p. 6 en 7) Gelet op deze vaststelling dat de litigieuze retributie niet meer in redelijke verhouding staat tot het belang van de verleende dienst had de vrederechter daaruit moeten afleiden dat deze retributie in werkelijkheid een verdoken belasting betrof in de zin van artikel 42 van het W.I.G.B. zodat er aanleiding toe bestond het parkeerretributiereglement buiten toepassing te verklaren op grond van artikel 159 van de Grondwet. In voorliggende zaak heeft de vrederechter kennelijk geen onderzoek verricht naar de wettelijkheid van de litigieuze retributie ofschoon hij zulks in het vooruitzicht had gesteld ingevolge de verwijzing naar artikel 159 van de Grondwet. Uw Hof beschikt in deze zaak cassatietechnisch evenwel niet over de mogelijkheid over te gaan tot substitutie van motieven. Besluit: VERNIETIGING. Gerelateerde publicatie(
- s)Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100603.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060616.5 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250502.1N.8 precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090529.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div