id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 03 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100603.5 Rolnummer: C.09.0125.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Familierecht Invoerdatum: 2010-07-07 Raadplegingen: 262 - laatst gezien 2026-07-02 17:19 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100603.5 Fiches 1 - 2 De afwezigheid van respect dat een kind aan zijn ouders verplicht is, vormt geen uitsluitinggrond voor het recht op onderhoudsbijdrage van dat kind, recht dat van openbare orde is
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: LEVENSONDERHOUD UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ALIMENTATIE - LEVENSONDERHOUD - Recht op uitkering tot levensonderhoud Vrije woorden: Ouders t.o.v. kinderen - Afwezigheid van respect voor de ouder - Gevolg - Aard van het recht Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 203, § 1 en 371 Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - GEVOLGEN T.A.V. DE PERSONEN - T.a.v. de kinderen UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ALIMENTATIE - LEVENSONDERHOUD - Recht op uitkering tot levensonderhoud Vrije woorden: Levensonderhoud - Afwezigheid van respect voor de ouder - Gevolg - Aard van het recht Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 203, § 1 en 371 Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal DUBRULLE. Thesaurus CAS: LEVENSONDERHOUD UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ALIMENTATIE - LEVENSONDERHOUD - Recht op uitkering tot levensonderhoud Vrije woorden: Ouders t.o.v. kinderen - Afwezigheid van respect voor de ouder - Gevolg - Aard van het recht Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - GEVOLGEN T.A.V. DE PERSONEN - T.a.v. de kinderen UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ALIMENTATIE - LEVENSONDERHOUD - Recht op uitkering tot levensonderhoud Vrije woorden: Levensonderhoud - Afwezigheid van respect voor de ouder - Gevolg - Aard van het recht Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ C.09.0125.N Schriftelijke conclusie van de heer Advocaat-generaal Dubrulle
- Het bestreden vonnis schaft de bij de aan de echtscheiding door onderlinge toestemming voorafgaande overeenkomst van 10 september 1991 tussen partijen bepaalde onderhoudsbijdrage van de verweerder voor hun zoon, met ingang van 1 april 2001, en voor hun dochter, met ingang van 1 maart 2005, af, op grond dat deze kinderen hun plicht tot respect tegenover de verweerder, hun vader, miskennen, meer bepaald doordat ze hem bij hun onderscheiden studiekeuzes nooit betrokken, terwijl zijn onderhoudsplicht gold o.m. tot de voltooiing van die studies.
- Het cassatiemiddel voert een schending aan van de artikelen 203, 203bis, 371, 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek en van het toepasselijk artikel 1288, eerste lid, 3° van het Gerechtelijk Wetboek. Krachtens deze laatste bepaling kan de bijdrage van elk van beide echtgenoten in het levensonderhoud, de opvoeding en de passende opleiding van de kinderen, die vóór de echtscheiding door onderlinge toestemming is overeengekomen conform het eerste lid, sub 3°, van dat artikel, na de echtscheiding worden herzien door de bevoegde rechter, wanneer nieuwe omstandigheden buiten de wil van de partijen hun toestand of die van de kinderen ingrijpend wijzigen. Het artikel 203, § 1 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de ouders naar evenredigheid van hun middelen dienen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, het toezicht, de opvoeding en de opleiding van hun kinderen. Volgens het middel legt het artikel 371 van het Burgerlijk Wetboek, naar luid waarvan een kind en zijn ouders op elke leeftijd aan elkaar respect verschuldigd zijn, geen wettelijke beperking op aan de uitoefening van de rechten van het kind ten opzichte van zijn ouders op grond van artikel 203, §1, van dat wetboek, noch aan de uitoefening van de rechten van de ene ouder ten opzichte van de andere om diens bijdrage te vorderen overeenkomstig artikel 203bis van dat wetboek. Een zelfs flagrante miskenning van deze plicht tot respect voor zijn ouders kan de onderhoudsaanspraken van het kind dus niet beperken. A fortiori kan een gebrek aan respect van de ene ouder voor de andere ouder het recht om van de andere ouder een desbetreffende bijdrage te vorderen niet beperken, nu dat artikel 371 enkel het wederzijds respect tussen ouder en kind betreft en niet tussen de ouders onderling, die door hun overeenkomst gebonden blijven, behoudens herziening.
- De beslissing wordt afgeleid uit de correlatie tussen de artikelen 371 en 203 B. W., waarover rechtspraak en rechtsleer verdeeld zijn en waarover Hof heeft zich nog niet eerder heeft kunnen uitspreken. Ik ben van mening dat de opvatting volgens welke de onderhoudsverplichting van de ouders gesteund is op de afstamming en niet afhankelijk is van de genegenheidbanden of het gedrag van een kind moet worden gevolgd en dus dat de afwezigheid van respect dat een kind ten overstaan van zijn ouders overeenkomstig artikel 371 van het Burgerlijk Wetboek op elke leeftijd verschuldigd is, geen uitsluitinggrond vormt voor het recht op alimentatie
(1). Er kan begrip opgebracht worden voor de evolutie in de rechtspraak
(2), die, met betrekking tot de onderhoudsplicht van de ouders tegenover de meerderjarige kinderen, deze exceptie, gesteund op de miskenning van de verplichting van die kinderen tot respect van de ouders, in beginsel aanvaardt. Er dient evenwel meteen vastgesteld te worden dat deze rechtspraak deze sanctie zelf nuanceert, zowel wat de duur als wat de graad van de miskenning betreft. Het voornaamste bezwaar tegen deze benadering is echter dat deze sanctie wettelijk niet, zoals bv. in Frankrijk, voorzien is. Behoudens dat het de rechter niet toekomt zich in de plaats van de wetgever te stellen, is zijn te ruime appreciatiebevoegdheid, meer bepaald van het wettelijk niet nader omschreven begrip respect, een bron van rechtsonzekerheid. Het bestreden vonnis heeft dus ten onrechte een wettelijk niet bepaalde sanctie aangenomen. Het middel komt mij derhalve gegrond voor. 4. Conclusie: vernietiging en verwijzing naar een andere rechtbank van eerste aanleg, zitting houdend in hoger beroep ____________
(1)Zie S. BROUWERS, Alimentatie, A.P.R., 2009, 22, nr. 36.
(2)Vred. Elsene 14 nov. 1995, J. dr.jeun. 1996.433 en J.T. 1996,107; Vred. Gent 28 dec. 1998, A.J.T. 1999-2000,711, noot E. DE GROOTE; Brussel 6 juni 2006, T. Fam. 2007, 6, noot en 10 okt. 2006, ibid., 7, (goedkeurende) noot R. HEPS; Div. Act. 2007, 36, (afkeurende) noot J. FIERENS; Gent, 5 april 2007, RAGB 2004/4, 215, (goedkeurende) noot C. VERGAUWEN. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100603.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div