← België

ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100607.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100607.1 Rolnummer: C.09.0352.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2010-07-07 Raadplegingen: 401 - laatst gezien 2026-07-02 17:14 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100607.1 Fiche 1 Artikel 88, tweede lid van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst impliceert dat de verzekeraar, teneinde zijn recht op verhaal te bewaren, aan de betrokken persoon duidelijk en ondubbelzinnig kennis moet geven van zijn voornemen verhaal in te stellen. Het is hierbij niet vereist dat de inhoud van de polisvoorwaarden waarvan sprake in de modelovereenkomst, gevoegd bij het koninklijk besluit van 14 december 1992 betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, in de kennisgeving gedetailleerd wordt weergegeven

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen - Zwakke weggebruiker Vrije woorden: Verhaal door de verzekeraar - Kennisgeving - Klare en ondubbelzinnige bewoordingen Wettelijke bepalingen: Wet - 25-06-1992 - Art. 88, tweede lid Fiche 2 Uit het geheel van de bepalingen van artikel 88, eerste lid Wet Landverzekeringsovereenkomst, artikel 25, 3° ,b) van de modelovereenkomst gevoegd bij het koninklijk besluit van 14 december 1992 en artikel 29bis, § 1 van de W.A.M. 1989 volgt dat het de verzekeringsmaatschappij die de slachtoffers van een verkeersongeval heeft vergoed op grond van artikel 29bis W.A.M. 1989, is toegelaten een contractueel recht van verhaal uit te oefenen op de verzekerde of de verzekeringnemer, zij het beperkt tot het bedrag waartoe de verzekeraar op grond van de aansprakelijkheid van zijn verzekerde zou zijn gehouden. Dit geldt ook wanneer de verzekeringsmaatschappij verhaal uitoefent op de verzekeringnemer voor de schadevergoeding die zij als W.A.M.-verzekeraar op grond van voormeld artikel 29bis aan de verzekeringnemer als passagier en slachtoffer betaalde
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen - Zwakke weggebruiker Vrije woorden: Verzekeraar - Vergoeding van de verzekeringnemer - Zwakke weggebruiker - Verhaal Wettelijke bepalingen: Wet - 25-06-1992 - Art. 88, eerste lid Koninklijk Besluit - 14-12-1992 - Art. 25, 3°, b Wet - 21-11-1989 - Art. 29bis, § 1 Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal MORTIER. Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen - Zwakke weggebruiker Vrije woorden: Verhaal door de verzekeraar - Kennisgeving - Klare en ondubbelzinnige bewoordingen Verzekeraar - Vergoeding van de verzekeringnemer - Zwakke weggebruiker - Verhaal Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ C.09.0352.N Conclusie van advocaat-general R. Mortier 1. Overeenkomstig artikel 88, tweede lid van de wet op de landverzekeringsovereenkomst, is de verzekeraar verplicht, op straffe van verval van zijn recht op verhaal, de verzekeringsnemer of de verzekerde in kennis te stellen van zijn voornemen om verhaal in te stellen zodra hij op de hoogte is van de feiten waarop dat besluit gegrond is. Uw Hof oordeelde, bij arrest van 12 oktober 2000
(1)dat deze bepaling impliceert dat de verzekeraar, teneinde zijn recht op verhaal niet te verliezen, aan de betrokken persoon in klare en ondubbelzinnige bewoordingen kennis moet geven van zijn voornemen om verhaal in te stellen. Het voornemen om verhaal in te stellen staat niet gelijk aan een definitieve beslissing om dit te doen, nu van het voornemen om verhaal in te stellen uiteindelijk kan afgezien worden indien de voorwaarden op grond waarvan de verzekeraar wettelijk het recht heeft om verhaal uit te oefenen, uiteindelijk niet vervuld zouden zijn. Maar de kennisgeving van het voornemen dient in "klare en ondubbelzinnige bewoordingen" te geschieden. Uw Hof heeft bij voormeld arrest van 12 oktober 2000 geoordeeld dat ingeval van de loutere mededeling door de verzekeraar dat hij overeenkomstig de artikelen 24 en 25 van de modelpolis verzekering BA een verhaalsrecht heeft op de verzekerde wettig kan beslist worden dat er geen kennisgeving van het voornemen om verhaal in te stellen gebeurde in klare en ondubbelzinnige bewoordingen. 2. Het voorliggend geval betreft evenwel een andere situatie. De appelrechters oordelen dat het schrijven van eiseres waarin verwezen wordt naar de rijbewijsproblematiek en de modaliteiten van het verhaal zoals voorzien in de polisvoorwaarden kan aanzien worden als kennisgeving in klare en ondubbelzinninge bewoordingen maar niet ten aanzien van verweerder als verzekerde, omdat die bezwaarlijk kan verondersteld worden te weten wat de inhoud van de polisvoorwaarden bevat. Zij lijken hiermee aan te geven dat de kennisgeving ten aanzien van de verzekerde, die geen contractspartij was bij het afsluiten van de polis, slechts in "klare en ondubbelzinnige bewoordingen" gebeurt wanneer deze een gedetailleerde weergave van de inhoud van die artikelen bevat of een bondige samenvatting ervan. Artikel 88 lid 2 Wet Landverzekeringsovereenkomst regelt niet hoe de kennisgeving moet gebeuren. Noch deze wetsbepaling, noch enige andere wetsbepaling voorziet evenwel in de verplichting een gedetailleerde weergave van de inhoud van die artikelen of een bondige samenvatting ervan mee te delen. Bovendien kan gewezen worden op de rechtspraak van Uw Hof, , waaronder het arrest van 28 november 1975
(2), met noot, waarin werd geoordeeld dat door het in het verkeer brengen van een motorrijtuig dat overeenkomstig de bepalingen van de wet door de eigenaar-verzekeringnemer is verzekerd, de bestuurder instemt met de bedingen van de verzekeringsovereenkomst die hem betreffen en dit in zowel wat betreft de verplichtingen die hem daardoor ten laste vallen als wat de voordelen betreft die hem daaruit ten goede komen. De gebruiker van het voertuig wordt dus vermoed stilzwijgend toegetreden te zijn tot de verzekeringsovereenkomst. Enige bijzondere kennisgeving van de polisvoorwaarden wordt niet vereist. De beslissing van de appelrechters is op dit punt niet naar recht verantwoord. Het eerste onderdeel van het eerste middel is gegrond.
  1. Het tweede middel heeft betrekking op het verhaalsrecht van de verzekeraar voor de vergoedingen die door de verzekeraar werden uitbetaald op grond van artikel 29bis WAM. In voorliggend geval werd het voertuig van de verzekeringnemer bestuurd door een persoon die niet in het bezit was van een geldig rijbewijs. De bestuurder veroorzaakt een ongeval waarbij hijzelf alsook de verzekeringnemer als passagier, en twee andere inzittenden van het voertuig, lichamelijke schade lijden. Zij worden door de verzekeraar vergoed op grond van artikel 29 bis WAM. De verzekeraar wenst nadien de uitgekeerde vergoedingen te verhalen, en dit zowel op de bestuurder - verzekerde als op de inzittende verzekeringnemer. De appelrechters stellen deze feiten vast, erkennen de rechtsgrond van artikel 25, 3, b van de algemene polisvoorwaarden maar oordelen dat de vordering van eiseres tegen de verzekeringnemer ongegrond is in zoverre het diens eigen schade betreft omdat de verzekeringnemer als slachtoffer werd vergoed op grond van artikel 29bis, §4 WAM en de verzekeraar datgene dat zij aan het slachtoffer uitbetaalde niet op hem kan recupereren wegens strijdigheid met de geest en de bepalingen van artikel 29bis WAM. Zij achten het verhaal op grond van artikel 25, 3°, b wel mogelijk ten aanzien van de verzekeringnemer voor wat betreft de uitkeringen die aan de andere inzittenden werden betaald. 3.
  2. Het oordeel van de appelrechters verwijst met betrekking tot de rechtsgrond van de vordering enerzijds naar het subrogatoir verhaal zoals bepaald in artikel 29bis §4 WAM en anderzijds naar het contractueel verhaal zoals bepaald in artikel 25, 3°, b van de modelpolis. 3.1.
  3. Artikel 29bis, §1 WAM bepaalt dat bij een verkeersongeval waarbij één of meer motorrijtuigen betrokken zijn, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden hoofdelijk vergoed wordt door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken. De doelstelling van de wetgever bij het invoeren van dit vergoedingssysteem was het lot van de "zwakke" slachtoffers van fysiel letsel bij een verkeersongeval opgelopen, te verbeteren.
(3)Het klassieke systeem van schuldaansprakelijkheid wordt in de door de wet omschreven gevallen vervangen door een systeem van automatische vergoeding. Er mag van automatische vergoeding gesproken worden omdat de vraag naar de schuld van de eigenaar, bestuurder of houder van het in het ongeval betrokken voertuig niet aan de orde dient te komen. Het vergoedingssysteem is aldus niet gebaseerd op de vaststelling van enige aansprakelijkheid, zodat het ontbreken van aansprakelijkheid in hoofde van de verzekerde geen weerslag heeft op de vergoedingsplicht van zijn verzekeraar. De verzekeraar van het in het ongeval betrokken voertuig is dus tot vergoeding gehouden op grond van een wettelijke vergoedingsplicht in zijn hoedanigheid als WAM-verzekeraar en is niet het gevolg van een concrete en vooraf vastgestelde aansprakelijkheid van de eigenaar, bestuurder of houder van het in het ongeval betrokken voertuig.
(4),
(5)Artikel 29bis§1 in fine bepaalt dat de vergoedingsplicht wordt uitgevoerd overeenkomstig de wettelijke bepalingen betreffende de aansprakelijkheidsverzekering in het algemeen en de aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen in het bijzonder voorzover daarvan in dit artikel niet wordt van afgeweken. Hiermee beoogde de wetgever het verhaalsrecht toepasselijk te maken en te vermijden dat de WAM-verzekeraar die de slachtoffers heeft vergoed op grond van artikel 29bis nadien zonder enige beperking een subrogatoir verhaal zou kunnen richten tot de bestuurder van het betrokken motorrijtuig.
(6)De WAM-verzekeraar die de slachtoffers of hun rechthebbenden op grond van deze bepaling heeft vergoed, hoeft de schadelast niet steeds definitief te dragen. Wanneer een derde aansprakelijk is voor het ongeval kan hij de uitgekeerde vergoedingen terugvorderen van deze derde of diens verzekeraar. Artikel 29bis, §4 voorziet daartoe in een subrogatoir verhaalsrecht en bepaalt dat de verzekeraar in de rechten treedt van het slachtoffer tegen de in gemeen recht aansprakelijke derden. Deze derden zijn degenen die, overeenkomstig de regels van de civielrechtelijke aansprakelijkheid, gehouden zijn tot vergoeding van de schade voortvloeiend uit een verkeersongeval dat aanleiding heeft gegeven tot de prestaties op grond van artikel 29bis. Het subrogatierecht zoals geformuleerd in artikel 29bis, §4 is dus eng geformuleerd en voorziet enkel een subrogatie in de rechten van het slachtoffer tegen de in gemeen recht aansprakelijke derden. De verzekeraar kan op die rechtsgrond dezelfde rechten uitoefenen die het slachtoffer bezat, op voorwaarde dat de beschermde weggebruiker niet zelf de dader van het schadegeval is. Het slachtoffer kan immers niet beschouwd worden als een derde met betrekking tot de vergoedingen die hem betaald zijn op grond van artikel 29bis. Is er slechts één zwakke weggebruiker en is die tevens de enige aansprakelijke in gemeen recht voor het ongeval, dan kan de verzekeraar zijn subrogatierecht niet uitoefenen. Zijn er verschillende slachtoffers-zwakke weggebruikers betrokken in het verkeersongeval, dan kan de WAM-verzekeraar zijn subrogatierecht uitoefenen ten aanzien van de naar gemeen recht aansprakelijke zwakke weggebruiker voor de vergoedingen betaald aan de niet-aansprakelijke zwakke weggebruiker
(7). Wanneer de aansprakelijkheid voor het ongeval berust bij de bestuurder van een in het ongeval betrokken motorrijtuig is deze bestuurder te beschouwen als een "derde" voor wat betreft de uitkeringen die de WAM-verzekeraar aan de slachtoffers heeft gedaan op grond van artikel 29bis. Deze vergoedingen zal de verzekeraar evenwel niet kunnen verhalen op de bestuurder omdat de aansprakelijkheid gedekt is door door de WAM-verzekeraar. De Wam-verzekeraar zou dus verhaal uitoefenen op zichzelf, in zijn hoedanigheid van aansprakelijkheidsverzekeraar van de bestuurder, en dit zou dus een zinloze vestzak-broekzak operatie zijn.
(8)Het subrogatierecht van de WAM-verzekeraar is beperkt tot het gedeelte van de uitgekeerde vergoeding waarop het slachtoffer zelf aanspraak had kunnen maken tegen de mede-aansprakelijke derde, ingevolge diens eigen fout
(9). 3.1.
  1. Uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt dat het de bestuurder van het voertuig is die voor het ongeval aansprakelijk is. De verzekeringnemer liep, samen met twee andere inzittenden als passagier lichamelijke schade op die vergoed werd door eiseres. Op grond van artikel 29bis§4 WAM kon eiseres geen verhaalsrecht uitoefenen ten aanzien van haar verzekeringnemer nu deze niet als aansprakelijke derde kan beschouwd worden. Het middel verwijt echter de rechters de verhaalsvordering te hebben afgewezen ten aanzien van de verzekeringnemer, en dit voor wat de vergoeding van zijn eigen schade betreft, niettegenstaande de contractuele grond van verhaal die in artikel 25, 3, b van de modelovereenkomst is bepaald en waarvan niet wordt betwist dat deze in voorliggende zaak van toepassing is. De appelrechters oordeelden immers dat de verzekeraar die vergoedingen uitkeert op grond van artikel 29bis WAM aan onder andere de verzekeringnemer, die vergoeding niet kan terugvorderen omdat de verzekeringnemer niet als aansprakelijke derde kan beschouwd worden. Eiseres baseerde haar vordering evenwel niet op die rechtsgrond, maar wel op de polisvoorwaarden, in het bijzonder artikel 25, 3°, b. van de Modelovereenkomst. 3.1.
  2. Artikel 88, lid 1 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst voorziet in een recht van verhaal dat de verzekeraar zich kan voorbehouden tegen de verzekeringnemer en, indien daartoe grond bestaat, tegen de verzekerde die niet de verzekeringnemer is, voor zover hij volgens de wet of de verzekeringsovereenkomst de prestaties had kunnen weigeren of verminderen. Dit artikel geeft aan de verzekeraar enkel de mogelijkheid een recht van verhaal te voorzien in de verzekeringsovereenkomst. De uitoefening van het recht van verhaal is dan ook gesteund op de verzekeringsovereenkomst en niet op artikel 88, lid 1 van de Wet landverzekeringsovereenkomst
(10)
(11). Uw Hof oordeelde bij arrest van 19 juni 2009
(12)dat wanneer de verzekeraar in de polis een dergelijk beding opneemt, hij op contractuele grondslag beschikt over een recht van verhaal wanneer de voorwaarden hiertoe vervuld zijn, zonder dat vereist is dat er een oorzakelijk verband wordt aangetoond tussen het ongeval en het verzuim om te voldoen aan de Belgische wet en reglementen om een motorrijtuig te besturen. 3.1.
  1. Het koninklijk besluit van 14 december 1992 betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen voorziet in artikel 24 dat wanneer de maatschappij gehouden is tot vergoeding ten aanzien van de benadeelden, zij behoudens iedere andere mogelijke vordering waarover zij beschikt, een recht van verhaal heeft in de gevallen en op de personen vermeld in artikel
  2. Artikel 25, 3, b bepaalt dat de maatschappij een recht van verhaal heeft op de verzekeringnemer wanneer op het ogenblik van het schadegeval, het rijtuig wordt bestuurd door een persoon die niet voldoet aan de voorwaarden die de Belgische wet en de reglementen voorschrijven om dat rijtuig te besturen. 3.
  3. In voorliggend geval staat vast dat de verzekerde als bestuurder van het motorrijtuig aansprakelijk was voor het ongeval. Hij werd strafrechtelijk veroordeeld voor het toebrengen van onopzettelijk letsel en het rijden zonder rijbewijs. Eiseres zou hoe dan ook als aansprakelijkheidsverzekeraar gehouden zijn tot tussenkomst. Het wordt evenmin betwist dat het contractueel verhaal zoals bepaald in artikel 25, 3°, b. van toepassing was. In die omstandigheden staat, wanneer de toepassingsvoorwaarden voor dit verhaal vervuld zijn, een vergoeding door de WAM - verzekeraar op grond van artikel 29bis een contractueel verhaal ten aanzien van de verzekerde of de verzekeringnemer op grond van artikel 25, 3°, b van de modelpolis niet in de weg. Dit is evenzeer zo ingeval de verzekeraar verhaal uitoefent op de verzekeringnemer voor de schade die aan hemzelf als slachtoffer werd uitbetaald. Dit verhaal is uiteraard onderhevig aan beperkingen. Het verhaal kadert in een aansprakelijkheidsverzekering zodat het beperkt zal zijn tot het bedrag waartoe de verzekeraar op grond van de aansprakelijkheid van de verzekerde zou gehouden zijn
(13). Om dit verhaalsrecht te kunnen uitoefenen zal de verzekeraar dan ook moeten aantonen dat: de verzekeraar effectief gehouden was tot uitbetaling overeenkomstig artikel 29bis WAM de verzekerde burgerlijke aansprakelijkheid draagt voor het ongeval één van de gestipuleerde regresgronden aanwezig is de uitbetaalde vergoeding cijfermatig beantwoordt aan de vergoeding waarop het slachtoffer naar gemeen recht recht had. Door binnen die perken het verhaalsrecht toe te kennen wordt de positie van de verzekerde of de verzekeringsnemer, door de invoering van artikel 29bis WAM niet verzwaard, noch verlicht. Wel biedt artikel 29bis WAM de verzekerde of de verzekeringnemer de extra-bescherming, zoals vermeld in §4, tweede lid, dat de vergoedingen die ter uitvoering van dit artikel worden uitgekeerd, niet vatbaar zijn voor beslag of schuldvergelijking met het oog op de vordering van andere vergoedingen wegens het verkeersongeval, zoals de verhaalsvordering van de verzekeraar jegens de verzekeringnemer op contractuele basis. Zo oordeelde Uw Hof bij arrest van 2 oktober 2009
(14)dat de schuldvordering die de verzekeraar op de zwakke weggebruiker heeft op grond van het recht van verhaal dat artikel 25, 3°, b van de modelovereenkomst hem toekent wanneer de weggebruiker als verzekerde het motorrijtuig heeft toevertrouwd aan een persoon die, op het ogenblik van het schadegeval, niet voldoet aan de voorwaarden die de wetten en reglementen voorschrijven om dat rijtuig te besturen, moet beschouwd worden als een schuldvordering betreffende een vergoeding die verschuldigd is wegens een verkeersongeval, zodat het vonnis dat oordeelt dat verweerder die inzittende was van het motorrijtuig dat betrokken was bij een ongeval waarbij hij ernstig gewond raakte en die dat motorrijtuig had toevertrouwd aan een persoon die geen rijbewijs had, wettig kan oordelen dat zowel het verhaal dat de verzekeraar op de verzekeringnemer uitoefent op grond van artikel 25, 3°, b van de modelovereenkomst als het verhaal dat de verzekeringnemer op de verzekeraar heeft op grond van artikel 29bis gegrond zijn en dat de schuldvergelijking tussen de bedragen die het aan elk van de partijen toekent, geweigerd wordt. 4. De appelrechters konden op grond van de door hen gedane vaststellingen, niet wettig de vordering van eiseres ten aanzien van tweede verweerder, voor wat betreft diens eigen schade, ongegrond verklaren. Het tweede middel is in zoverre gegrond. Conclusie: VERNIETIGING ________________
(1)Cass. 12 oktober 2000, AR C.99.0219.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001012.5, A.C., 2000, nr. 546.
(2)Cass. 28 november 1975, A.C., 1976, p. 401.
(3)Memorie van Toelichting, Senaat, 1993-94, nr. 980/3.
(4)Zie de conclusies van Procureur-generaal du Jardin vóór Cass. 28 maart 2000, AR P.99.0274.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000328.7, A.C. 2000, nr. 206.
(5)Zie Cass. 21 juni 2000, AR P.00.0368.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000621.29, A.C. 2000, nr. 388. waarbij werd geoordeeld dat de vergoedingsplicht opgelegd bij artikel 29bis bestaat wanneer niet kan worden bewezen dat de verzekerde op enigerlei wijze aansprakelijk is en wanneer zij niet gegrond is op een overtreding die hij zou begaan hebben.
(6)J.-B. Petitat, Regres in de WAM, Mechelen, Kluwer, 2008, p. 91.
(7)I. Boone en G. Jocqué, het verhaal van de WAM-verzekeraar voor zijn uitgaven op grond van artikel 29bis WAM, Kluwer, Verkeer-Aansprakelijkheid, Verzekering, 2005/2, 84.
(8)I. Boone en G. Jocqué, het verhaal van de WAM-verzekeraar voor zijn uitgaven op grond van artikel 29bis WAM, Kluwer, Verkeer-Aansprakelijkheid, Verzekering, 2005/2, 86-87.
(9)Uw Hof oordeelde in die zin bij arrest van 6 oktober 2005 (Cass. 6 oktober 2005, AR C.03.0377.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051006.14; A.C., 2005, nr. 489.) door te stellen dat het subrogatoir verhaalsrecht van de verzekeraar beperkt is tot wat het slachtoffer naar gemeen recht had kunnen vorderen van de aansprakelijke derde, in de hypothese dat de verzekeraar niet was tussengekomen in de vergoeding, zodat wanneer het slachtoffer zelf mede aansprakelijk is voor de schade, de aansprakelijke derde niet kan worden verplicht tot vergoeding van de volledige schade aan de gesubrogeerde verzekeraar. Uw Hof oordeelde bij arrest van 3 januari 2006 (A.R. P.05.1137.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060103.3) dat de verzekeraar van een bij een verkeersongeval betrokken motorrijtuig die op grond van artikel 29bis WAM aan inzittenden van het betrokken voertuig vergoedingen heeft uitbetaald voor de bij dat ongeval geleden schade, zich als gesubrogeerde in de rechten van die inzittenden burgerlijke partij kan stellen tegen de aansprakelijke beklaagde die wegens het ongeval wordt vervolgd, alsook tegen diens verzekeraar van zijn burgerlijke aansprakelijkheid.
(10)C. Van Schoubroeck, G. Jocqué, A. De Graeve, M. De Graeve en H. Cousy, Overzicht van rechtspraak, Wet op de Landverzekeringsovereenkomst, TPR, 2003, 2001.
(11)Over de contractuele grondslag van de regresvordering, zie Cass. 5 september 1980, A.C. 1980-81, nr. 12; over de noodzaak van een contractueel beding om de regresvordering te kunnen uitoefenen, zie Cass. 17 juni 1965, Bull. en Pas., I, 1965, 1130; over de kwestie in haar geheel, raadpleeg B. DUBUISSON, "A propos de la nature et du régime juridique de l'action récursoire de l'assureur R.C. Auto", R.G.A.R., 1988, nr. 1131, nrs 10 tot 35, p. 1 verso tot 5 verso; over de toepassing van de wet in de tijd inzake contracten, zie Cass. 13 mei 1996, A.R. C.94.0210.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960513.1, nr. 170.
(12)Cass. 19 juni 2009, AR C.08.0362.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090619.3.
(13)Het kan immers niet de bedoeling zijn dat artikel 29bis de positie van de verzekeringnemer verzwaart, zodat hij in elk geval maar kan gehouden zijn tot het bedrag waartoe hij bij toepassing van het gemeen recht zou zijn gehouden. Zie hierover: C. Van Schoubroeck en A. De Graeve, "Verkeersaansprakelijkheid" in X: Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, VI Commentaar, Verbintenissenrecht, Titel III, Hoofdstuk 13, Afdeling 7.
(14)Cass. 2 oktober 2009, AR C.08.0200.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091002.3 met de conclusies van advocaat-generaal T. Werquin. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100607.1 citeert: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960513.1 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000328.7 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000621.29 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001012.5 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051006.14 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060103.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090619.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091002.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.