id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100607.2 Rolnummer: S.09.0079.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2010-07-07 Raadplegingen: 128 - laatst gezien 2026-07-02 17:15 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100607.2 Fiches 1 - 2 Uit artikel 103ter van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, kan niet afgeleid worden dat artikel 101bis, dat vóór zijn opheffing door de wet van 9 juli 2004 bepaalde dat bij opzegging gegeven door de werkgever, de opzeggingstermijn niet loopt gedurende de bij de artikelen 100 en 100bis van die wet bedoelde onderbreking van de arbeidsovereenkomst, van toepassing was op werknemers die vallen onder de toepassing van de C.A.O. nr. 77bis van 19 december 2001 gesloten in de Nationale arbeidsraad tot invoering van een stelsel van tijdskrediet, loopbaanonderbreking en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - SCHORSING VAN DE OVEREENKOMST Vrije woorden: Loopbaanonderbreking - Uitoefenen van recht op tijdskrediet - Bescherming tegen ontslag - Opzegging door de werkgever - Lopen van de opzeggingstermijn - Werknemers die vallen onder toepassing van CAO nr. 77bis - Toepassing Wettelijke bepalingen: Programmawet 9 juli 2004 - 09-07-2004 - Art. 101bis, zoals van toepassing vóór zijn opheffing bij - 30 ELI link Pub nr 2004021091 Herstelwet 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen - 22-01-1985 - Art. 103ter - 30 ELI link Pub nr 1985021271 Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzegging Vrije woorden: Loopbaanonderbreking - Uitoefenen van recht op tijdskrediet - Bescherming tegen ontslag - Opzeggingstermijn - Lopen van de opzeggingstermijn gedurende de schorsing van de arbeidsovereenkomst - Werknemers die vallen onder toepassing van CAO nr. 77bis - Toepassing Wettelijke bepalingen: Programmawet 9 juli 2004 - 09-07-2004 - Art. 101bis, zoals van toepassing vóór zijn opheffing bij - 30 ELI link Pub nr 2004021091 Herstelwet 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen - 22-01-1985 - Art. 103ter - 30 ELI link Pub nr 1985021271 Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal MORTIER. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - SCHORSING VAN DE OVEREENKOMST Vrije woorden: Loopbaanonderbreking - Uitoefenen van recht op tijdskrediet - Bescherming tegen ontslag - Opzegging door de werkgever - Lopen van de opzeggingstermijn - Werknemers die vallen onder toepassing van CAO nr. 77bis - Toepassing Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzegging Vrije woorden: Loopbaanonderbreking - Uitoefenen van recht op tijdskrediet - Bescherming tegen ontslag - Opzeggingstermijn - Lopen van de opzeggingstermijn gedurende de schorsing van de arbeidsovereenkomst - Werknemers die vallen onder toepassing van CAO nr. 77bis - Toepassing Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ S.09.0079.N Conclusie van advocaat-generaal R. Mortier: 1. In het interprofessioneel akkoord van 22 december 2000 verklaarden de sociale partners zich akkoord om vanaf 1 januari 2002 een nieuw conventioneel kader in te stellen dat op individueel vlak een betere combinatie van het beroeps- en gezinsleven moet toelaten. Als gevolg hiervan sloot de NAR CAO nr. 77 tot invoering van een stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking. Deze CAO bracht op diverse punten wijzigingen aan aan het sedert de herstelwet van 22 januari 1985 ingevoerde basissysteem van beroepsloopbaanonderbreking. CAO nr. 77 werd vervangen evenwel, vóór deze in werking kon treden, volledig vervangen door CAO nr. 77bis van 19 december 2001. CAO nr. 77bis wou een aantal onduidelijkheden, vergetelheden en interpretatiemoeilijkheden die in de CAO nr. 77 stonden uitklaren. Het was de bedoeling van de sociale partners de leesbaarheid van de nieuwe regelgeving te verbeteren en deze onder de beste voorwaarden qua rechtszekerheid te laten starten op 1 januari 2002
(1).
- De herstelwet van 22 januari 1985 bevat een specifieke bescherming tegen ontslag van de werknemer die loopbaanonderbreking geniet of heeft aangevraagd en bepaalt in artikel 101 dat wanneer de uitvoering van de arbeidsovereenkomst wordt geschorst de werkgever geen handeling mag verrichten die ertoe strekt eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking, behalve om een dringende reden of een voldoende reden, waarmee bedoeld wordt een door de rechter als zodanig bevonden reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan de in de artikelen 100 en 100bis bedoelde schorsing. De CAO nr. 77bis herneemt in artikel 20 deze ontslagbescherming. De arbeidsovereenkomst van de werknemer die met toepassing van de CAO een loopbaanonderbreking geniet of heeft aangevraagd, mag uitsluitend worden beëindigd om een dringende reden of om een reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan de loopbaanonderbreking.
- In het eerste middel voert eiser aan dat verweerder in strijd met het bepaalde in artikel 20 van CAO nr. 77bis werd ontslagen om redenen die verband houden met het uitoefenen van zijn recht op tijdskrediet en de argumenten waarop de appelrechters zich steunen om zijn vordering tot schadevergoeding te verwerpen, dit alleszins niet uitsluiten. De appelrechters oordelen dat de werkgever voldoende aantoont dat een herstructurering plaatsvond die niet alleen gevolgen had voor de Belgische onderneming maar ook voor de afdeling waarin eiser was tewerkgesteld. Zij ontmoeten bovendien het verweer van eiser dat hij in zijn functie werd opgevolgd door twee andere werknemers, en verwerpen dit op gemotiveerde wijze. Zij stellen dat het hof zich niet in de plaats van de werkgever kan stellen om te oordelen welke werknemer in die omstandigheden diende af te vloeien en een dergelijke bewijslast op dit punt voor de werkgever bijzonder zwaar is. Op die gronden konden zij oordelen dat de reden van het ontslag van eiser vreemd was aan zijn loopbaanonderbreking. Het eerste middel kan niet aangenomen worden.
- Het tweede middel heeft betrekking op de vraag of de opzeggingsperiode kon lopen tijdens de periode van schorsing van de arbeidsovereenkomst. In CAO nr. 77bis zijn geen bepalingen te vinden met betrekking tot de eventuele schorsing van de opzeggingstermijn bij volledige schorsing van de arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomstenwet voorziet in dit verband in de artikelen 38, §1 en §2 dat de opzeggingstermijn, bij opzegging gedaan door de werkgever, slechts ophoudt te lopen tijdens de gevallen van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, vermeld in de artikelen 28, 1°, 2° en 5°, 29 en 31 van die wet. Het wordt niet betwist dat deze gevallen van schorsing, net zomin als deze bedoeld in artikel 38bis, niet van toepassing zijn in voorliggend geval. Eiser voert aan dat, hoewel de situatie van eiser niet kan beschouwd worden als één van de schorsingsgevallen bedoeld in artikel 38 van de arbeidsovereenkomstenwet en noch CAO nr. 77bis, noch de Herstelwet van 22 januari 1985 voor de situatie van eiser een schorsing van de opzeggingstermijn voorziet, het altijd de bedoeling van de wetgever is geweest in dat geval de opzeggingstermijn niet te laten lopen. Ter beoordeling van dit standpunt, past het de wijzigingen die aan Hoofdstuk IV, afdeling 5 van de Herstelwet van 22 januari 1985 werden aangebracht, en de reden daartoe nader te bekijken.
- Hoofdstuk IV, afdeling 5 van de Herstelwet bevatte vóór de totstandkoming van de CAO nr.77 bis een artikel 100, dat betrekking had op de uitkering die aan de werknemer toekomt ingeval die met de werkgever overeenkomt de arbeidsovereenkomst volledig te schorsen. Artikel 100 bis voorzag in een recht voor de werknemer om de schorsing van de arbeidsovereenkomst te verkrijgen ingeval van palliatieve verzorging van een persoon. Naast artikel 101, die in een ontslagbescherming voorziet gedurende de periode van schorsing van de arbeidsovereenkomst, behoudens om dringende reden of een voldoende reden, werd bij koninklijk besluit nr. 424 van 1 augustus 1986 artikel 101bis ingevoegd, waarbij als algemene regel werd voorzien dat wanneer de werkgever toch mocht ontslaan (dus ingeval van dringende of voldoende reden), de opzeggingstermijn niet loopt gedurende de periode van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst.
(2)Wanneer nieuwe gronden van schorsing van de arbeidsovereenkomst werden ingevoerd, werd ook artikel 101 bis aangepast en werd het principe van het niet lopen van de opzeggingstermijn gedurende de periode van schorsing tot die nieuwe schorsingsgevallen uitgebreid.
(3). 6. Opdat de conventie, die uitmondde in CAO nr. 77, haar volledige uitwerking zou kunnen ressorteren verbond de regering er zich toe de reglementering aan te passen en de nodige overgangsbepalingen te voorzien.
(4)In het advies nr. 1339 herinnerde de Nationale Arbeidsraad eraan dat de sociale partners in het interprofessioneel akkoord de regering verzochten de nodige maatregelen te nemen om de personen die onder het toepassingsgebied van deze CAO vallen, uit te sluiten van het bestaand wettelijk kader zoals bepaald in de Herstelwet van 22 januari 1985, met dien verstande dat in een uitdovingsperiode voor de lopende onderbrekingen zou worden voorzien. In uitvoering hiervan
(5)werd bij wet van 10 augustus 2001 betreffende de verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven, in Hoofdstuk IV, afdeling 5, van de wet van 22 januari 1985 een onderafdeling 3bis ingevoegd waarvan de bepalingen van toepassing werden op de werkgevers en de werknemers bedoeld door die CAO. In deze onderafdeling werd in artikel 103ter bepaald dat de artikelen 100 en 102 niet van toepassing zijn op de in artikel 103bis bedoelde werknemers, in de mate dat die bepalingen eenzelfde voorwerp hebben als de collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in de Nationale Arbeidsraad tot invoering van een stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking. In de memorie van toelichting wordt ten aanzien van deze nieuwe bepalingen uitdrukkelijk gesteld dat er niet meer gesproken wordt over een bescherming tegen ontslag en dit dan ook tot gevolg heeft dat de ontslagbescherming van de wet die in artikel 101 wordt geregeld, niet van toepassing is op de werknemers die de toepassing vragen van de CAO nr. 77. In dat geval is de ontslagbescherming deze zoals geregeld door de sociale partners in de CAO. 7. Pas bij de Programmawet van 9 juli 2004 werd het principe dat de opzeggingstermijn niet loopt gedurende de periode van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst ook toepasselijk gemaakt in het kader van onderafdeling 3bis. In de memorie van toelichting
(6)wordt deze invoeging als volgt verantwoord: "Geen enkele bepaling voorziet de schorsing van de uitvoering van de opzeggingstermijn ingeval van ontslag van een werknemer in tijdskrediet (volledige onderbreking van de arbeidsprestaties), terwijl dergelijke bepaling wel bestaat in het kader van de loopbaanonderbreking. Een nieuw artikel 106bis wordt ingevoerd teneinde deze schorsing van de opzeggingstermijn te voorzien ingeval van ontslag van de werknemer tijdens een periode van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en dit zowel in het kader van de loopbaanonderbreking als in het kader van het tijdskrediet. Er wordt voorzien dat de nieuwe bepalingen na de datum van inwerkingtreding van toepassing zijn op de reeds betekende opzeggingen die nog geen aanvang hebben genomen. Als de opzegging reeds een aanvang heeft genomen, blijft deze aan de oude bepalingen onderworpen." Het vervolgens aangenomen artikel 268 van de Programmawet van 9 juli 2004 stelt uitdrukkelijk dat het nieuwe artikel 267 van toepassing is op de opzeggingen waarvan het begin zich situeert na de datum van inwerkingtreding van dat artikel. Deze wet werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 15 juli 2004 zodat het nieuwe artikel 101bis slechts van toepassing werd op de opzeggingen gegeven na 25 juli
- Uit de niet betwiste vaststellingen van de appelrechters blijkt dat de opzegging door de werkgever zich situeert vóór deze datum zodat artikel 101bis, in de versie zoals gewijzigd bij de Programmawet van 9 juli 2004 geen rechtsgrond kan bieden om te besluiten tot een schorsing van de opzeggingstermijn.
- Blijft dan de vraag of het, zoals eiser aanvoert, altijd de bedoeling van de wetgever is geweest de opzeggingstermijn niet te laten lopen tijdens de schorsing van de arbeidsovereenkomst wegens het uitoefenen van het recht op tijdskrediet. Anders dan eiser aanvoert kan uit de libellering van artikel 103 van onderafdeling 3bis, dat de artikelen 100 en 102 in de daar bepaalde mate niet van toepassing zijn op de in de CAO bedoelde werknemers, niet a contrario afgeleid worden dat artikel 101bis wel op hen van toepassing is. Dit blijkt immers niet uit de tekst, noch uit de strekking van de voorbereidende werken waarin net werd gewezen op de uitdrukkelijke vraag de werknemers die onder de CAO ressorteren uit te sluiten van het wettelijk kader van loopbaanonderbreking en hen te laten ressorteren onder de eigen regeling zoals uitgewerkt in de CAO. Ook uit het sub
- vermelde uittreksel uit de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat leidde tot de Programmawet van 9 juli 2004 blijkt duidelijk dat de wetgever deze nieuwe bepaling enkel voor de toekomst wou invoeren en niet opteerde voor een retroactieve werking. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het standpunt van de Minister van Werk, zoals opgenomen in de commissieverslagen
(7), dat deze wijziging werd ingegeven door het feit dat de sociale partners bij het uittekenen van het tijdskrediet de bepaling van artikel 101 bis, betreffende de schorsing van de opzegtermijn, over het hoofd hebben gezien en dit door de nieuwe bepaling wordt rechtgezet. Het middel kan bijgevolg niet aangenomen worden. Conclusie: VERWERPING ___________________
(1)Feremans K. Beroepsloopbaanonderbreking en tijdskrediet in de privé-sector, larcier, 2002, 211.
(2)Verslag aan de Koning bij het Koninklijk besluit nr. 424 tot wijziging van Afdeling 5 van Hoofdstuk IV van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, B.S. 21 augustus 1986, 11504.
(3)Zie vb. Wet van 12 augustus 2000, B.S. 31 augustus 2000.; Wet van 23 maart 2001, B.S. 5 april 2001.
(4)Advies nr. 1339 van de Nationale Arbeidsraad.
(5)Zie Kamer, Doc. 50.1291/001, 16.
(6)Kamer, Memorie van Toelichting, Doc. 51, 1138/1, 142.
(7)Senaat, Doc S.nr. 3-742/5; Kamer, doc. 51.1138/19. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100607.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div