← België

ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100610.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100610.5 Rolnummer: F.08.0067.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2010-06-28 Raadplegingen: 335 - laatst gezien 2026-07-02 17:08 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100610.5 Fiche 1 Op grond van artikel 344, § 1, van het W.I.B.

(1992)kan de administratie der directe belastingen aan een verrichting die op kunstmatige wijze in afzonderlijke akten is opgesplitst, in haar geheel een nieuwe kwalificatie geven die verschilt van de kwalificatie die door de partijen werd gegeven aan elke afzonderlijke akte wanneer zij vaststelt dat de akten uit economisch oogpunt dezelfde verrichting betreffen; het is mogelijk om opeenvolgende overeenkomsten tussen diverse partijen te wijzigen in een overeenkomst tussen partijen die niet rechtstreeks met elkaar hebben gecontracteerd, voor zover het vanuit economisch oogpunt om dezelfde verrichting gaat; de administratie kan de belasting vestigen op grond van die nieuwe kwalificatie, tenzij de belastingplichtige het bewijs levert dat de oorspronkelijke verrichting beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften. De administratie kan evenwel slechts tot herkwalificatie van de verrichting overgaan indien de nieuwe kwalificatie gelijksoortige niet-fiscale rechtsgevolgen heeft als het eindresultaat van de door de partijen gestelde rechtshandelingen; het voorgaande sluit niet uit dat de administratie een overeenkomst tot levering van diensten die tussen verbonden vennootschappen werd gesloten herkwalificeert in een overeenkomst tot levering van diensten en in een "gift" voor het deel van de verrichting dat aanleiding gaf tot een betaling zonder tegenprestatie
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bewijsvoering - Algemeen UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Fiscale fraude en simulatie FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Keuze van de minst belaste weg Vrije woorden: Akte - Herkwalificatie door de belastingadministratie Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 344, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 2 Zonder dat noodzakelijkerwijs vereist is dat de verrichting is geschied met de bedoeling een belastbare winst aan de belasting te onttrekken, wordt onder 'abnormale voordelen', die voordelen verstaan die, gelet op de economische omstandigheden van het ogenblik, strijdig zijn met de gewone gang van zaken, met de regels, of met de gevestigde handelsgebruiken, en onder 'goedgunstige voordelen', de voordelen die worden verleend zonder de uitvoering van een verbintenis te vormen, of die welke worden verleend zonder enige tegenwaarde
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Winsten UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Fiscale fraude en simulatie FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Keuze van de minst belaste weg Vrije woorden: Abnormale of goedgunstige voordelen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 26, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 3 Artikel 26, eerste lid, W.I.B.
(1992)heeft betrekking op de vaststelling van de belastbare winsten van de nijverheids, handels- of landbouwondernemingen en houdt een afwijking in van de bepalingen van de belastingwet die slechts de in het vermogen van een onderneming opgenomen winsten aan de belasting onderwerpen, met uitsluiting van die welke zij had kunnen verkrijgen indien zij haar zaken anders had beheerd dan zij heeft gedaan
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Winsten UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Fiscale fraude en simulatie FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Keuze van de minst belaste weg Vrije woorden: Abnormale of goedgunstige voordelen - Artikel 26, eerste lid, W.I.B.
(1992)Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 26, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 4 Artikel 49 W.I.B.
(1992)verduidelijkt de voorwaarden waaronder de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen, als beroepskosten aftrekbaar zijn. Dit artikel is een autonome wetsbepaling ten aanzien van artikel 26 W.I.B.
(1992)
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Algemeen UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Fiscale fraude en simulatie FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Keuze van de minst belaste weg Vrije woorden: Beroepskosten - Artikel 49 W.I.B.
(1992)Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Artt. 26 en 49 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 5 Een uitgave moet niet als een beroepskost worden aangezien indien ze in aanmerking komt voor het bepalen van de belastbare inkomsten van diegene die de daarmee overeenstemmende betaling heeft ontvangen; uit de omstandigheid dat uitgaven niet voldoen aan de voorwaarden om als beroepskosten aftrekbaar te zijn, volgt niet dat die uitgaven abnormale of goedgunstige voordelen vormen in de zin van artikel 26, eerste lid, W.I.B.
(1992), en evenmin dat ze, om te kunnen worden belast, gevoegd hadden moeten worden bij de eigen winst waarvan ze, doordat ze als beroepskosten zijn verworpen, niet mogen worden afgetrokken. De rechter die beslist dat de administratie op grond van artikel 49 W.I.B.
(1992)terecht de door de belastingplichtige aangevoerde beroepskosten heeft verworpen, dient bijgevolg niet na te gaan of de voorwaarden voor de toepassing van artikel 26, eerste lid, van dat wetboek vervuld zijn
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Algemeen UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Fiscale fraude en simulatie FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Keuze van de minst belaste weg Vrije woorden: Beroepskosten - Abnormale of goedgunstige voordelen - Correlatie - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Artt. 26, eerste lid, en 49 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiches 6 - 10 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bewijsvoering - Algemeen UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Fiscale fraude en simulatie FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Keuze van de minst belaste weg Vrije woorden: Akte - Herkwalificatie door de belastingadministratie Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Winsten UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Fiscale fraude en simulatie FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Keuze van de minst belaste weg Vrije woorden: Abnormale of goedgunstige voordelen Abnormale of goedgunstige voordelen - Artikel 26, eerste lid, W.I.B.
(1992)Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Algemeen UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Fiscale fraude en simulatie FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Keuze van de minst belaste weg Vrije woorden: Beroepskosten - Artikel 49 W.I.B.
(1992)Beroepskosten - Abnormale of goedgunstige voordelen - Correlatie - Taak van de rechter Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ F.08.0067.N Conclusie van Advocaat-generaal D. Thijs: 1. Onderhavige betwisting betreft voornamelijk de toepassing van artikel 344, §1, van het W.I.B.
(1992)krachtens welke bepaling aan de administratie der directe belastingen niet kan worden tegengeworpen, de juridische kwalificatie door de partijen gegeven aan een akte alsook aan afzonderlijke akten die een zelfde verrichting tot stand brengen, wanneer de administratie door vermoedens of door andere bewijsmiddelen vaststelt dat die kwalificatie tot doel heeft de belasting te ontwijken, tenzij de belastingplichtige bewijst dat die kwalificatie aan rechtmatige financiële of economische behoeften beantwoordt. Met de invoering van deze bepaling heeft de wetgever rechtstreeks een bewijsmiddel in de wet opgenomen met het oog op het bestrijden van rechtsmisbruik inzake belastingen. Het rechtsmisbruik dat wordt beoogd, is het rechtsmisbruik dat ontstaat wanneer de juridische kwalificatie die de partijen aan een handeling geven, hoewel werkelijk uitgevoerd, werd uitgedokterd om belastingen te ontwijken. De administratie die wil herkwalificeren moet bijgevolg in eerste instantie bewijzen dat een bepaalde reeks van verrichtingen of akten is gesteld teneinde een bepaalde belasting te ontwijken. Ik kreeg reeds eerder de gelegenheid voor uw Hof te concluderen over deze problematiek (cfr. conclusie O.M. bij Cass., 22 nov. 2007, A.R. F.06.0028.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071122.6, www.cass.be, en Cass., 11 mei 2006, A.R. F.04.0043.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060511.3, A.C. 2006, nr. 269). 2. In het eerste onderdeel van het eerste middel voert eiser aan dat het bestreden arrest niet wettig het bewijs van het bestaan van belastingontwijking heeft aangenomen. Volgens het onderdeel kan het belastingontwijkend motief enkel worden vastgesteld in hoofde van de belastingplichtige ten aanzien van wie de administratie zich beroept op de toepassing van artikel 344, §1, W.I.B.
(1992), zijnde eiseres, terwijl het bestreden arrest het bewijs van de belastingontwijking heeft aangenomen op grond van vaststellingen die enkel betrekking hebben op de medecontractant van eiseres, zijnde de NV STOC, die niet in zake was. Het belastingontwijkend motief mag volgens het onderdeel bovendien niet worden aangetoond aan de hand van de herkwalificatie die de administratie aan de bekritiseerde rechtshandeling zal toekennen zodat het bestreden arrest niet wettig het ontwijkmotief heeft kunnen vaststellen op grond van de vaststelling dat winsten werden overgeheveld naar de NV STOC, waardoor de appelrechters immers reeds vooruitlopen op de gedeeltelijke herkwalificatie als gift van de vergoedingen die eiseres aan de NV STOC heeft betaald als tegenprestatie voor de uitvoering van de overeenkomst "levering van diensten" van 2 juni
  1. In zoverre het eerste onderdeel ervan uitgaat dat het belastingontwijkend motief enkel mag worden vastgesteld in hoofde van de belastingplichtige ten aanzien van wie de administratie zich beroept op de toepassing van artikel 344, §1, WIB92, faalt het naar recht. Artikel 344, §1, WIB92 strekt ertoe maneuvers te bestrijden die erin bestaan via rechtsgeldige, niet-gesimuleerde juridische combinaties de belasting te ontwijken. Het heeft tot doel dat oneigenlijke kwalificaties - oneigenlijk in de zin dat de kwalificatie van één of meer rechtshandelingen die, al zijn ze regelmatig gesteld, er uitsluitend toe strekken de belasting te ontwijken - niet aan de administratie kunnen worden tegengeworpen. Wanneer wordt aangetoond dat de juridische constructie ertoe strekt belastingen te ontwijken, kan de administratie tot herkwalificatie van de oorspronkelijke overeenkomst(en) overgaan en de belastingen grondvesten op de normale, juridische kwalificatie van de verrichtingen tussen partijen. (cfr. conclusie O.M. bij Cass. 11 mei 2006, A.R. F.04.0043.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060511.3, A.C. 2006, nr. 269) Het bewijs van een juridische constructie die werd opgezet met de bedoeling de belasting te ontwijken is derhalve voldoende voor de toepassing van artikel 344, §1, W.I.B.
(1992), zonder dat vereist is dat het belastingontwijkend motief specifiek wordt vastgesteld in hoofde van elke belastingplichtige die heeft meegewerkt aan het tot stand brengen van de gewraakte constructie.
  1. Wat er ook van zij, anders dan het onderdeel aanvoert, hebben de appelrechters wel degelijk vastgesteld dat ook in hoofde van eiseres het bewijs was geleverd dat zij de litigieuze betalingen aan de NV STOC had verricht met de bedoeling de belasting te ontwijken. Het bestreden arrest stelt immers vast dat de betalingen, door eiseres verricht aan de NV STOC, in het kader van de overeenkomst "levering van diensten" van 2 juni 1999, ten bedrage van 500.000 BEF per maand, ten dele neerkwamen op een overheveling van belastbare winsten in de mate dat er geen tegenprestaties werden geleverd door de NV STOC, die de BVBA PURTRADE INVEST, tegen een aanzienlijk lagere vergoeding van slechts 190.000 BEF, met de uitvoering van voornoemde overeenkomst had belast. Het eerste onderdeel mist derhalve feitelijke grondslag in zoverre het ervan uitgaat dat het bestreden arrest geen ontwijkingmotief zou hebben vastgesteld in hoofde van eiseres.
  2. Het bestreden arrest kan evenmin worden verweten bij het vaststellen van het belastingontwijkend motief te hebben geanticipeerd op de nieuwe kwalificatie die het zou geven aan de betalingen verricht door eiseres aan de NV STOC. De administratie die met toepassing van artikel 344, §1, WIB92, een bepaalde reeks van verrichtingen of akten wil herkwalificeren moet bewijzen dat deze zijn gesteld teneinde een bepaalde belasting te ontwijken. Het spreekt vanzelf dat het feit zelf van de belastingontwijking enkel aan de hand van fiscale bepalingen kan worden vastgesteld. De appelrechters oordelen dat de door eiseres uitgevoerde betalingen aan de NV STOC gebeurden zonder daadwerkelijke tegenprestatie zodat deze vergoedingen, bij toepassing van artikel 49 WIB92, als verworpen uitgaven moeten worden opgevat, waardoor deze uitgaven in werkelijkheid een overheveling van winst tot voorwerp hebben. Aldus stellen de appelrechters, aan de hand van de werkelijke fiscale kwalificatie van de verrichte betalingen, louter het bestaan vast van belastingontwijking in hoofde van eiseres. In zoverre het eerste onderdeel het verwijt formuleert dat de appelrechters bij het vaststellen van het belastingontwijkend motief geanticipeerd hebben op de kwalificatie als gift van de vergoedingen betaald aan de NV STOC, mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
  3. Het eerste onderdeel voert voorts een motiveringsgebrek aan in zoverre uit de vaststellingen van het arrest niet zou blijken of de "kosten", die met de overgehevelde winsten werden gecompenseerd, gemaakt werden door eiseres dan wel door de NV STOC. Het onderdeel mist ook op dit punt feitelijke grondslag. De "kosten" die aldus worden beoogd, zijn de financiële kosten of uitgaven, ten bedrage van 11.785.349 BEF, die gemaakt zijn door de NV STOC (zie p.15, bovenaan) en slaan niet op de kosten van de eiseres. (zie in die zin overigens de voorziening, p. 12, laatste alinea).
  4. Eiseres voert onder het eerste onderdeel tenslotte nog aan dat het bestreden arrest niet naar recht zou zijn verantwoord waar het oordeelt dat door de NV STOC geen vennootschapsbelasting zou worden betaald op de opbrengsten die voortvloeien uit de betalingen verricht door eiseres, ofschoon de door eiseres betaalde vergoedingen in alle geval wel in aanmerking kwamen ter bepaling van de belastbare inkomsten van deze vennootschap. De vaststelling dat de NV STOC op de opbrengsten, die voortkomen uit de litigieuze betalingen van de eiseres, geen vennootschapsbelasting is verschuldigd, is gegrond op het feit dat de NV STOC, ingevolge de aanzienlijke financiële kosten waar geen opbrengsten tegenover staan, een verlieslatende vennootschap is waardoor de overgehevelde winsten van eiseres onmiddellijk worden gecompenseerd door de aanwezige kosten. Het bestreden arrest oordeelt zodoende niet dat de door eiseres betaalde vergoedingen niet in aanmerking komen ter bepaling van de belastbare inkomsten van de NV STOC, maar wel dat door de aftrek van de kosten van de NV STOC op deze belastbare inkomsten geen vennootschapsbelasting verschuldigd is. Het eerste onderdeel berust terzake op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag.
  5. In het tweede onderdeel voert eiseres aan dat het bestreden arrest niet heeft geantwoord op haar besluiten waarin zij aanvoerde dat de administratie bij toepassing van artikel 344, §1, W.I.B.
(1992), de oorspronkelijke akte niet kan herkwalificeren in een akte die rechtens nietig is. Waar handelingen om niet strijdig zijn met het doel van een vennootschap, die gekenmerkt wordt door winstoogmerk, kon de administratie de litigieuze overeenkomsten niet wettig, deels als gift herkwalificeren, zijnde een rechtens nietige akte binnen het kader van een handelsvennootschap. Het bestreden arrest was volgens eiseres evenmin naar recht verantwoord in zoverre niet werd vastgesteld dat de weerhouden herkwalificatie als gift een wettig karakter vertoonde (schending van artikel 344, §1, W.I.B.
(1992)).
  1. Na eerst eiseres' standpunt te hebben weergegeven (arrest, p.8, regel 11 tot 14), verwerpt het bestreden arrest vervolgens deze kritiek op grond van de overweging dat de herkwalificatie door de administratie van deze betalingen als gift perfect mogelijk is, rekening houdend met de juridische realiteit van de feiten: "In tegenstelling tot hetgeen door (eiseres) wordt gesteld, doet deze herkwalificatie geen afbreuk aan de juridische realiteit of aan de vastgestelde feiten. De door (eiseres) gegeven kwalificatie en de herkwalificatie door de administratie hebben dezelfde juridische gevolgen, met name een geldstroom van 500.000 BEF (...) per maand naar de NV STOC, waarvan 190.000 BEF (...) doorstroomt naar de BVBA PURTRADE INVEST voor bij (eiseres) geleverde prestaties." "Zowel de kwalificatie door eiseres als de herkwalificatie door de administratie, zijn mogelijk, rekening houdend met de juridische realiteit van de feiten" (arrest, p.16, 2.4). De grief mist bijgevolg feitelijke grondslag.
  2. Met de vaststelling dat een betaling door eiseres van 310.000 BEF aan de NV STOC zonder tegenprestatie een gift uitmaakt, en dat deze herkwalificatie stoelt op de juridische realiteit van de feiten, geven de appelrechters tevens te kennen dat deze herkwalificatie een wettelijk karakter heeft zodat het bestreden arrest deze herkwalificatie naar recht heeft verantwoord. In dit verband merkt verweerder in zijn memorie van antwoord (p. 9 en 10) terecht op dat een gift van een vennootschap niet noodzakelijk onverenigbaar is met het door een vennootschap beoogde winstoogmerk. Ook handelingen die niet onmiddellijk met winstbejag zijn gesteld, maar die zich inschakelen in een ruimere operatie die winst beoogt, stroken met het beginsel van de wettelijke specialiteit. Wanneer handelingen om niet strijdig worden geacht met het statutaire doel van de vennootschap kan deze doeloverschrijding ten anderen niet aan derden worden tegengeworpen (zie Cass., 13 april 1989, A.C., 1988-89, nr. 454; Cass., 30 sept. 2005, T.B.H. 2006, 1028, met noot FORIERS, P.A., "Spécialité légale - Spécialité statutaire et but de lucre. Quelsques observations sur l'arrêt de la Cour de cassation du 30 septembre 2005"; NAPOLITANO, D., "Ondernemingsfinanciering door kredietinstellingen-vennootschapsrechtelijke aandachtspunten: het specialiteitsbeginsel en het vennootschapsbelang", R.W. 1999-2000, 418-419; GEENS, K. en LAGA, H., "Vennootschappen (1986-91) - Overzicht van rechtspraak", T.P.R. 1993, 992-994, nrs. 66-67). In zoverre eiseres ervan uitgaat dat de herkwalificatie als gift van de overeenkomst gesloten tussen haarzelf en de NV STOC zonder meer nietig was, faalt het onderdeel bijgevolg naar recht.
  3. In het derde onderdeel voert eiseres aan dat het bestreden arrest de oorspronkelijke overeenkomst tussen eiseres en de NV STOC niet wettig kon herkwalificeren als een gift zonder in hoofde van eiseres wettig het bestaan vast te stellen van het inzicht om de NV STOC te begiftigen bij de betaling van de "meerprijs" van 310.000 BEF per maand (schending van de artikelen 894 B.W. en 344, §1, W.I.B.
(1992)). Het bestreden arrest kon volgens eiseres bijgevolg niet wettig besluiten tot verwerping van deze uitgaven als beroepskost in hoofde van eiseres (schending van artikel 49 W.I.B.
(1992)).
  1. Bij een onrechtstreekse schenking kan de animus donandi bewezen worden met alle middelen van recht (PUELINCKX-COENE, M., GEELHAND, N. en BUYSSENS, F., "Giften - Overzicht van rechtspraak (1993-1998)", T.P.R., 1999, 953, nr. 279). Het begiftigingsinzicht kan bijgevolg ook impliciet worden afgeleid uit het bestaan van zekere en met elkaar overeenstemmende vermoedens. Op grond van een analyse van de twee overeenkomsten die werden afgesloten tussen, enerzijds, eiseres en de NV STOC, en, anderzijds, de NV STOC en de BVBA PURTRADE INVEST, oordelen de appelrechters dat de meerprijs ten bedrage van 310.000 BEF per maand, die door de NV STOC werd aangerekend aan eiseres voor de prestaties die door de BVBA PURTRADE INVEST werden uitgevoerd tegen een veel lagere vergoeding, enkel zijn oorzaak kan vinden in de wil van eiseres om de NV STOC te begiftigen. Het arrest steunt deze beoordeling op het feit dat: - de twee overeenkomsten werden afgesloten op dezelfde dag; - het voorwerp van de NV STOC en de BVBA PURTRADE INVEST identiek is, met name het dagelijks bestuur bij eiseres en bij de NV REPROMETAL; - de NV STOC, bij gebrek aan activa en werkingskosten, in de materiële onmogelijkheid verkeert om de overeengekomen prestaties zelf te leveren; - de prestaties ook effectief enkel door de BVBA PURTRADE INVEST werden geleverd; - er juridische verbanden bestaan tussen de diverse vennootschappen; - de winst of meerprijs die de NV STOC realiseert in het kader van de overeenkomst met eiseres niet verantwoord is door werkelijke prestaties; - de NV STOC enkel als een doorgeefluik moet worden beschouwd (cfr. arrest, p.14, p.17, tweede alinea en p.19, bovenaan). Uit deze vaststellingen konden de appelrechters, impliciet maar zeker, bij wijze van feitelijke vermoedens, afleiden dat in hoofde van eiseres de wil voorhanden was om de NV STOC te begiftigen tot beloop van de "meerprijs". Het onderdeel dat er in zijn geheel van uitgaat dat uit deze vaststellingen niet blijkt dat er in hoofde van eiseres enig inzicht om de NV STOC te begiftigen voorhanden was, mist feitelijke grondslag.
  2. Het vierde onderdeel heeft betrekking op de herkwalificatie door de appelrechters van de oorspronkelijke overeenkomsten tussen, enerzijds, eiseres en de NV STOC, anderzijds, de NV STOC en de BVBA PURTRADE INVEST, in een overeenkomst tussen eiseres en de BVBA PURTRADE INVEST, met als voorwerp de betaling van een vergoeding van 190.000 BEF per maand door eiseres aan de BVBA PURTRADE INVEST, via de NV STOC, voor de prestaties van dagelijks beheer en management. Volgens het vierde onderdeel kon het bestreden arrest niet wettig, zonder schending van de onderscheiden rechtspersoonlijkheid van de verschillende vennootschappen, toepassing maken van artikel 344, §1, W.I.B.
(1992)op de rechtsverhouding tussen eiseres en de BVBA PURTRADE INVEST, louter op grond van de vaststelling dat er tussen beiden een juridisch band bestaat, gelet op de vertegenwoordiging van de drie vennootschappen door dezelfde bestuurder en het aandeelhouderschap van de ene in de andere vennootschap. 14. In zijn memorie van antwoord vestigt verweerder terecht de aandacht op de parlementaire voorbereiding van artikel 344 WIB92 tijdens dewelke er werd op gewezen dat de ratio legis van artikel 344, §1, W.I.B.
(1992)erin bestaat de administratie in staat te stellen ervoor te zorgen dat de belasting gegrondvest wordt op de normale juridische kwalificatie van de verrichting tussen partijen: "de strijd moet dus worden aangeboden tegen juridische constructies". Er worden in de voorbereidende werken twee hypothesen geformuleerd waarop deze bepaling kan worden toegepast: "- ofwel komt de verrichting tot stand via een enkele akte. Als aan die akte meer dan één juridische kwalificatie kan worden gegeven, wat in de praktijk vrij uitzonderlijk lijkt, dan zal de Administratie het recht hebben te kiezen voor de kwalificatie die de belastinggrondslag herstelt wanneer de door de partijen gekozen kwalificatie alleen tot doel heeft de belasting te ontwijken; - ofwel komt de verrichting tot stand door twee of meer afzonderlijke of opeenvolgende akten. De Administratie zal belasting kunnen heffen door aan de verrichtingen een juridische kwalificatie te geven die los staat van die gegeven aan elke afzonderlijke akte wanneer de Administratie vaststelt dat deze akten uit economisch oogpunt dezelfde verrichting betreffen. Dat is de Engelse doctrine van de "step by step" waardoor een verrichting fiscaal in zijn totaliteit kan worden beschouwd door de kunstmatige verdelingen op te heffen, zodat alleen rekening wordt gehouden met de verrichting die de partijen werkelijk willen" (Parl. St., Senaat, 1992-1993, nr. 762-2, p. 37-38; tekstmarkering toegevoegd). Bij toepassing van de "step by step"-doctrine kunnen bijgevolg opeenvolgende akten het voorwerp uitmaken van herkwalificatie. Waar het voor de toepassing van deze doctrine volstaat dat de eenheid van bedoeling wordt vastgesteld tussen de verschillende akten, kan hierbij abstractie worden gemaakt van de partijen die slechts als tussenschakel zijn opgetreden bij de opeenvolgende verrichtingen. De herkwalificatie bij toepassing van de «step by step»-doctrine maakt het m.a.w. mogelijk om opeenvolgende overeenkomsten tussen diverse partijen te wijzigen in een overeenkomst tussen partijen die niet rechtstreeks met elkaar hebben gecontracteerd, voor zover het vanuit economisch oogpunt om dezelfde verrichting gaat. De omstandigheid dat er tussen de eiseres en de BVBA PURTRADE INVEST als zodanig geen rechtsverhouding bestond, maar enkel een onrechtstreeks verband, via de NV STOC, die als doorgeefluik was opgetreden, stond er derhalve niet aan in de weg dat de oorspronkelijke overeenkomsten tussen enerzijds, eiseres en de NV STOC, anderzijds, de NV STOC en de BVBA PURTRADE INVEST, geherkwalificeerd werden in een overeenkomst tussen eiseres en de BVBA PURTRADE INVEST. In zoverre het vierde onderdeel uitgaat van de verkeerde juridische onderstelling dat artikel 344, §1, WIB92 enkel de herkwalificatie toelaat van de rechtshandelingen die zijn aangegaan door de personen die zelf partij waren bij de oorspronkelijke akten of verrichtingen, faalt het derhalve naar recht. 15. Het tweede middel komt op tegen het oordeel van de appelrechters dat, vermits er geen toepassing is gemaakt van artikel 26 W.I.B.
(1992)(taxatie van abnormale of goedgunstige voordelen), de door eiseres in dat verband ontwikkelde argumentatie niet relevant is. Het middel berust op het verkeerd juridisch uitgangspunt dat wanneer een uitgave niet beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 49 W.I.B.
(1992), de administratie steeds moet onderzoeken of dat voordeel geen abnormaal of goedgunstig voordeel uitmaakt, dat slechts bij de winst van de vennootschap die het voordeel heeft toegekend, kan worden toegevoegd voor zover blijkt dat dit voordeel niet in aanmerking komt ter bepaling van het belastbare inkomen van de genieter van dat voordeel. Uit de arresten die Uw Hof over deze problematiek op 12 juni 2009 heeft uitgesproken (o.m. A.R. nr. F.06.0085.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090612.7, www.cass.be) blijkt immers dat het middel faalt naar recht nu het aanneemt dat artikel 26 WIB92 de administratie verplicht om na te gaan of een verworpen uitgave niet beantwoordt aan een abnormaal of goedgunstig voordeel zoals bedoeld in artikel 26 W.I.B.
(1992). Zoals Uw Hof toen preciseerde betreffen de artikelen 26 en 49 W.I.B.
(1992)twee fundamenteel verschillende regelingen die geenszins complementair zijn: zo heeft artikel 26 uitsluitend en alleen betrekking op het vaststellen van de belastbare inkomsten van een onderneming. Het verwerpen van een uitgave als beroepskost om reden dat ze niet beantwoordt aan artikel 49, sluit bijgevolg uit dat deze uitgave, met toepassing van artikel 26, onder de kwalificatie van «abnormaal of goedgunstig voordeel», alsnog van belasting zou kunnen worden vrijgesteld. Dit standpunt werd inmiddels bij de wet van 27 april 2007 (artikel 81) uitdrukkelijk bevestigd. Wanneer de administratie, binnen het kader van artikel 49 WIB92, beslist om een uitgave als beroepskost te verwerpen, dan is het bijgevolg niet langer terzake dienend om na te gaan of diezelfde uitgave niet kan beantwoorden aan de toepassingvoorwaarden van artikel 26. Het bestreden arrest kon derhalve wettig beslissen dat, in zoverre er geen toepassing was gemaakt van artikel 26, gelet op de toepassing van artikel 49, het in dat verband door eiseres ontwikkelde verweer niet relevant was. Besluit: VERWERPING. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100610.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060511.3 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071122.6 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090612.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.