← België

ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100610.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100610.7 Rolnummer: F.08.0061.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Belastingrecht - Bestuursrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-06-28 Raadplegingen: 276 - laatst gezien 2026-07-02 17:09 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100610.7 Fiches 1 - 2 Een vordering inzake een geschil betreffende de toepassing van een belastingwet door de belastingplichtige kan slechts op ontvankelijke wijze worden aanhangig gemaakt bij de rechtbank van eerste aanleg indien hij vooraf het door of krachtens de wet georganiseerd administratief beroep heeft ingesteld; deze vereiste van de uitputting van het administratief beroep vervat in artikel 1385undecies, eerste lid, van het Ger. W., is slechts van toepassing op geschillen met betrekking tot de toepassing van een belastingwet die worden ingeleid voor de rechtbank van eerste aanleg vanaf 6 april 1999 en waarvoor de termijn voor het indienen van het administratief beroep op die datum niet reeds is verstreken

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Rechtbank van eerste aanleg - Bijzondere gevallen FISCAAL RECHT - REGIONALE BELASTINGEN - Vlaanderen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Vrije woorden: Geschil m.b.t. de toepassing van een belastingwet - Vordering voor de rechtbank van eerste aanleg - Voorwaarden - Voorafgaande uitputting van het administratief beroep - Inwerkingtreding Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 569, eerste lid, 32°, en 1385undecies, eerste lid oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2 Wet - 23-03-1999 - Art. 11, eerste lid Thesaurus CAS: BELASTING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Rechtbank van eerste aanleg - Bijzondere gevallen FISCAAL RECHT - REGIONALE BELASTINGEN - Vlaanderen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Vrije woorden: Geschil m.b.t. de toepassing van een belastingwet - Vordering voor de rechtbank van eerste aanleg - Voorwaarden - Voorafgaande uitputting van het administratief beroep - Inwerkingtreding Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 569, eerste lid, 32°, en 1385undecies, eerste lid oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2 Wet - 23-03-1999 - Art. 11, eerste lid Fiche 3 In geval van een administratief beroep van de houder van het zakelijk recht tegen de vaststelling van de leegstand van het goed, moet de administratie een formele beslissing nemen over het beroep en moet zij de beslissing om het goed al dan niet op te nemen in de inventaris ter kennis brengen van de houder van het zakelijk recht
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Rechtbank van eerste aanleg - Bijzondere gevallen FISCAAL RECHT - REGIONALE BELASTINGEN - Vlaanderen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Vrije woorden: Gewestbelasting - Leegstandheffing - Vaststelling van de leegstand - Kennisgeving aan de houder van het zakelijk recht - Beroep - Rechtsgevolgen - Verplichting in hoofde van de administratie Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 22-12-1995 - Artt. 26, eerste lid, 28, § 1, eerste lid, en 33 Fiches 4 - 5 De beslissing tot opname van het gebouw en/of de woning in de inventaris overeenkomstig artikel 33, vierde lid, van het Heffingsdecreet beoogt rechtsgevolgen vermits ze op zich reeds de materiële belastingschuld veroorzaakt, en is derhalve een bestuurshandeling die uitdrukkelijk moet worden gemotiveerd in de zin van artikel 2 van de Wet Motivering Bestuurshandelingen
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Rechtbank van eerste aanleg - Bijzondere gevallen FISCAAL RECHT - REGIONALE BELASTINGEN - Vlaanderen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Vrije woorden: Gewestbelasting - Leegstandheffing - Beslissing tot opname van het goed in de inventaris - Bestuurshandeling Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 22-12-1995 - Art. 33, vierde lid Wet - 29-07-1991 - Artt. 1 en 2 Thesaurus CAS: MACHTEN - ALLERLEI UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Rechtbank van eerste aanleg - Bijzondere gevallen FISCAAL RECHT - REGIONALE BELASTINGEN - Vlaanderen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Vrije woorden: Wet Motivering Bestuurshandelingen - Leegstandheffing - Beslissing tot opname van het goed in de inventaris Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 22-12-1995 - Art. 33, vierde lid Wet - 29-07-1991 - Artt. 1 en 2 Fiches 6 - 10 Conclusies van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Rechtbank van eerste aanleg - Bijzondere gevallen FISCAAL RECHT - REGIONALE BELASTINGEN - Vlaanderen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Vrije woorden: Geschil m.b.t. de toepassing van een belastingwet - Vordering voor de rechtbank van eerste aanleg - Voorwaarden - Voorafgaande uitputting van het administratief beroep - Inwerkingtreding Thesaurus CAS: BELASTING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Rechtbank van eerste aanleg - Bijzondere gevallen FISCAAL RECHT - REGIONALE BELASTINGEN - Vlaanderen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Vrije woorden: Geschil m.b.t. de toepassing van een belastingwet - Vordering voor de rechtbank van eerste aanleg - Voorwaarden - Voorafgaande uitputting van het administratief beroep - Inwerkingtreding Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Rechtbank van eerste aanleg - Bijzondere gevallen FISCAAL RECHT - REGIONALE BELASTINGEN - Vlaanderen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Vrije woorden: Gewestbelasting - Leegstandheffing - Vaststelling van de leegstand - Kennisgeving aan de houder van het zakelijk recht - Beroep - Rechtsgevolgen - Verplichting in hoofde van de administratie Gewestbelasting - Leegstandheffing - Beslissing tot opname van het goed in de inventaris - Bestuurshandeling Thesaurus CAS: MACHTEN - ALLERLEI UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Rechtbank van eerste aanleg - Bijzondere gevallen FISCAAL RECHT - REGIONALE BELASTINGEN - Vlaanderen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Vrije woorden: Wet Motivering Bestuurshandelingen - Leegstandheffing - Beslissing tot opname van het goed in de inventaris Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ F.08.0061.N Conclusie van Advocaat-generaal D. Thijs: I. De feiten en procedurevoorgaanden. Bij administratieve akte van 7 juli 1997 stelde de inventarisbeheerder van de stad Brugge de leegstand vast van de woning van de verweerder. Bij aangetekende brief van 14 juli 1997 betwistte de verweerder de leegstand. Desondanks werd de woning opgenomen in de inventaris van leegstaande gebouwen op datum van 7 juli
  1. Bij brief van 13 januari 1999 werd het aanslagbiljet verstuurd naar de verweerder. Vervolgens werd een herinnering verstuurd. De verweerder weigerde de leegstandheffing te betalen en tekende bij dagvaarding van 30 november 1999 verzet aan tegen de beslissing tot opname van zijn woning in de inventaris der leegstaande gebouwen bij de rechtbank van eerste aanleg te Brugge. Hij vorderde de nietigverklaring, minstens ongegrondverklaring van die beslissing tot afwijzing van zijn bezwaar. Bij vonnis van 12 november 2001 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Brugge de vordering onontvankelijk en veroordeelde de verweerder tot de kosten. Tegen dat vonnis tekende de verweerder hoger beroep aan. Bij arrest van 10 mei 2005 verwijst het hof van beroep te Gent de zaak naar het hof van beroep te Brussel. Bij tussenarrest van 13 september 2006 verklaart het hof van beroep te Brussel het hoger beroep ontvankelijk, vernietigt het hof het bestreden vonnis en verklaart het de vordering van de verweerder ontvankelijk; alvorens ten gronde uitspraak te doen, beveelt het hof van beroep de heropening van de debatten. Bij eindarrest van 28 juni 2007 verklaart het hof van beroep te Brussel het hoger beroep gegrond, stelt het de nietigheid vast van de opname van de woning in de inventaris der leegstaande gebouwen en vernietigt het de litigieuze heffing. De eiser wordt veroordeeld tot de kosten. Tegen die arresten van het hof van beroep te Brussel voert eiser twee middelen tot cassatie aan. II. De voorziening in cassatie. Eerste middel.
  2. Artikel 1385undecies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat werd ingevoegd door artikel 9 van de wet van 23 maart 1999, bepaalt dat de vordering tegen de belastingadministratie inzake geschillen betreffende de toepassing van een Belastingwet slechts wordt toegelaten indien de eiser voorafgaand het door of krachtens de wet georganiseerd administratief beroep heeft ingesteld. In het eerste middel verwijt eiser het hof van beroep een aantal wettelijke bepalingen en het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van terugwerkende kracht te hebben geschonden, door te beslissen dat de uitputtingsvereiste waarin voormeld artikel voorziet in casu niet geldt omdat die vereiste pas werd ingevoerd door de wetten van 15 en 23 maart 1999 en het administratieve luik van de zaak was afgesloten op 12 februari 1999, d.w.z. voor de inwerkingtreding van die wetten op 6 april
  3. De vraag rijst vanaf welk moment die nieuwe procedureregel van toepassing is geworden. De relevante overgangsbepaling is artikel 11, eerste lid, van de wet van 23 maart
  4. Krachtens die bepaling worden de gedingen die hangende zijn bij de hoven, de rechtbanken en andere instanties, met inbegrip van de rechtsmiddelen die tegen hun beslissingen kunnen worden aangewend, vervolgd en afgehandeld met toepassing van de vóór 1 maart 1999 geldende regels. Met die bepaling heeft de wetgever beoogd alle geschillen die op de dag van de inwerkingtreding van die wet, nl. op 6 april 1999, nog niet definitief door de rechter beslecht waren, te laten afhandelen volgens de eerder geldende regels. Aldus moet, wanneer voor die datum een geding reeds is gebracht voor een rechtscollege, de vroegere procedure worden gevolgd, ook wat de rechtsmiddelen betreft (Cass. 22 mei 2000, A.C. 2000, nr. 309). Artikel 11 van de wet van 23 maart 1999 gebruikt als aanknopingspunt dus het hangend zijn van het geding bij de hoven, de rechtbanken "en andere instanties", welke die ook zijn. In principe heeft dat voorschrift dus ook betrekking op situaties waarbij een bezwaarschrift in behandeling is bij de belastingsadministratie. Dat betekent dat, indien een bezwaarschrift werd ingediend voor de inwerkingtreding van de nieuwe wet (6 april 1999: zie Grondwettelijk Hof 8 mei 2001, B.S. juni 2001, 22302, overweging B.2; Cass. 22 mei 2000, A.C. 2000, nr. 309), maar de beslissing van de directeur genomen wordt ná die datum, er sprake is van een hangend geding. Op die procedure zijn dan de van de vóór 1 maart 1999 geldende bepalingen van toepassing. De notie "hangend geding" moet aldus worden begrepen dat het geding een aanvang neemt met de inleiding van de eis en eindigt met de beslissing die over die eis in die aanleg wordt gewezen (Cass. 19 feb. 1972, A.C. 1972, 536; Cass. 27 okt. 1977, A.C. 1978, 266). Er moet dan ook worden nagegaan of er in casu sprake was van een hangend geding op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 23 maart 1999 op 6 april
  5. Zulks is niet het geval. Op 6 april 1999 was de termijn waarbinnen de verweerder tegen de heffing nuttig bezwaar kon aantekenen bij de Vlaamse regering krachtens artikel 39, §2, van het Heffingsdecreet, reeds verstreken. Van een administratiefrechtelijk geding kon er op dat ogenblik dan ook geen sprake meer zijn. Anderzijds had de verweerder op die datum de eiser nog niet gedagvaard voor de rechtbank van eerste aanleg, en bestond er aldus ook nog geen jurisdictioneel geding. Bijgevolg leidt de toepassing van artikel 11 van de wet van 23 maart 1999 tot de toepasselijkheid van de procesrechtelijke bepalingen die golden na 1 maart 1999, waaronder (vanaf 6 april 1999) o.a. voormeld artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek.
  6. In de mate dat men zou aanvaarden dat zulks betekent dat, gelet op het verstrijken van de bezwaartermijn op 12 februari 1999, de verweerder voor de rechtbank van eerste aanleg na de inwerkingtreding van de wet van 23 maart 1999 op 6 april 1999 tegen de eiseres geen toelaatbare vordering meer kon stellen, is dat resultaat moeilijk te verantwoorden, zoals eiser zelf voorhoudt in de toelichting onder het middel. Op die manier zou het door artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek ingevoerde toelaatbaarheidsvereiste toch retroactieve werking krijgen. Anders gezegd, die regel wordt dan van toepassing op een rechtsverhouding die ontstaan en definitief beëindigd is vóór de inwerkingtreding ervan, wat het grondbeginsel van de rechtszekerheid aantast (P. POPELIER, "Beginselen van behoorlijke wetgeving in de rechtspraak", T.P.R. 1995, 1093). Het verbod tot terugwerkende kracht, gebaseerd op het rechtszekerheidsbeginsel, is weliswaar geen algemeen rechtsbeginsel met grondwettelijke waarde (Cass. 17 nov. 2005, R.W. 2005-06, 1469) maar het verbod van terugwerkende kracht zoals neergelegd in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek is wel een algemeen rechtsbeginsel (o.m. Cass. 22 okt. 1970, A.C. 1971, 170 en Cass. 14 maart 1974, A.C. 1974, 785). Retroactieve werking is hoe dan ook in beginsel afkeurenswaard. Een rechtsregel moet zo mogelijk worden uitgelegd conform het verbod van retroactiviteit (P. POPELIER, Toepassing van de wet in de tijd, in A.P.R., Antwerpen, nr. 58).
  7. Volgens vaste rechtspraak van uw Hof wordt afgeweken van de regel dat een nieuwe wet niet enkel van toepassing is op de toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder gelding van de nieuwe wet, wanneer de onmiddellijke toepassing van de nieuwe wet afbreuk zou doen aan vorige toestanden die definitief voltrokken zijn (Cass. 9 sept. 1993, A.C. 1993, 678; Cass. 9 sept. 2004, Pas. 2004, afl. 7-8, 1289) of aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten (Cass. 27 april 2007, Pas. 2005, afl. 5-6, 1115; Cass. 9 sept. 2004, Pas. 2004, afl. 7-8, 1289).
  8. Uit niets blijkt evenwel dat het verbod van retroactiviteit en het principe van de onmiddellijke toepassing t.a.v. de nieuwe toelaatbaarheidvereiste van artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek tot gevolg zou hebben dat voor de verweerder een nieuwe termijn voor een administratief beroep tegen de leegstandheffing zou zijn beginnen te lopen op de datum van inwerkingtreding van de nieuwe wettelijke regeling, op 6 april 1999, zoals eiser voorhoudt en door de eerste rechter werd beslist. Dat verbod van retroactiviteit noopt er wel toe het vereiste van de voorafgaande uitputting van het administratief beroep waarin artikel 1385undecies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek voorziet, niet toe te passen op geschillen met betrekking tot de toepassing van een belastingwet die weliswaar werden ingeleid voor de rechtbank van eerste aanleg na 6 april 1999, doch waarvoor de termijn voor het indienen van het administratief op die datum reeds verstreken was. Het eerste middel, dat uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel.
  9. In het tweede onderdeel bekritiseert eiser de beslissing van de appelrechters dat de door de administratie, in het kader van het bezwaar tegen de voorgenomen inventarisatie, te nemen beslissing een bestuurshandeling is in de zin van de Wet Motivering Bestuurshandelingen, stellende dat bestuurshandelingen in de zin van die wet een uitvoerbaar karakter moeten hebben. Opdat de heffing verschuldigd zou zijn en kan worden geïnd, moet zij worden ingekohierd en moet het kohier uitvoerbaar worden verklaard, waarna zo nodig gedwongen uitvoering kan gebeuren door de bevoegde ambtenaren. De loutere weigering van de administratie de vaststelling van de leegstand te herzien wanneer het oordeelt dat de houder van het zakelijk recht er niet in slaagt het tegenbewijs te leveren van de leegstand van zijn woning, heeft volgens eiser dan ook niet rechtstreeks en onmiddellijk tot gevolg dat de leegstandheffing verschuldigd is en zonder meer kan worden geïnd. Ook de opname van de woning in de inventaris van de leegstaande woningen heeft volgens eiser niet rechtstreeks en onmiddellijk tot gevolg dat de leegstandheffing verschuldigd is en kan worden geïnd.
  10. Overeenkomstig artikel 1 van de Wet Motivering Bestuurshandelingen moet voor de toepassing van deze wet onder "bestuurshandelingen" te worden verstaan, "de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor een of meer bestuurden of voor een ander bestuur." In een arrest van 7 januari 2005 preciseerde Uw Hof in dit verband dat blijkens de wetgeschiedenis de bestuurshandeling enkel de handeling is die bewust wordt verricht met het oog op het creëren van rechtsgevolgen of het beletten van de totstandkoming van bepaalde rechtsgevolgen, met andere woorden de handeling die gericht is op de wijziging van een bestaande rechtstoestand of die integendeel erop gericht is een wijziging in de rechtstoestand te beletten (Cass. 7 jan. 2005, A.R. nr. C.03.0186.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050107.4, A.C. 2005, nr. 12).
  11. Krachtens artikel 33, tweede lid, van het decreet stelt de administratie de leegstand vast in een gemotiveerde administratieve akte, zoals bedoeld in artikel 28, en geeft de houder van het zakelijk recht, bedoeld in artikel 27, bij aangetekend schrijven kennis van deze vaststelling. Overeenkomstig het derde lid van die bepaling kan de houder van het zakelijk recht de vaststelling binnen één maand na de kennisgeving betwisten en met alle bewijsmiddelen van gemeen recht, met uitzondering van de eed, het bewijs leveren dat het gebouw en/of de woning effectief gebruikt wordt. Krachtens het vierde lid van die bepaling neemt de administratie het gebouw en/of de woning op in de inventaris bedoeld in artikel 28, wanneer de vaststelling niet werd betwist of de houder van het zakelijk recht er niet in slaagt het tegenbewijs te leveren binnen de gestelde termijn. Het gebouw en/of de woning wordt ingeschreven op de datum van de administratieve akte, bedoeld in artikel
  12. De vraag stelt zich dan ook of deze beslissing tot opname van het gebouw en/of de woning in de inventaris al dan rechtsgevolgen creëert of wijzigt voor de bestuurde (cfr. Cass. 7 jan. 2005, A.R. nr. C.03.0186.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050107.4, A.C. 2005, nr. 12).
  13. Op grond van artikel 26 van het decreet van 22 december 1995 is de heffing wegens leegstand een eerste maal verschuldigd op het ogenblik van de opname van het gebouw en/of de woning in de inventaris en daarna op elke verjaardag van deze opname, zolang de woning niet uit het register is geschrapt. Auteur M. DE JONCKHEERE merkt in dit verband terecht op dat de opname in de inventaris op zich reeds een materiële belastingschuld veroorzaakt vermits de belasting op leegstaande woningen de langdurige leegstand in het verleden treft en de leegstand in die zin ook gedefinieerd is als een niet-gebruik gedurende minstens 12 opeenvolgende maanden. De opname in de inventaris heeft volgens DE JONCKHEERE onmiddellijke en rechtstreekse gevolgen (M. DE JONCKHEERE, "De Raad van State bestempelt de registratie als leegstaande woning als een onaanvechtbare "voorbereidende" handeling in een weinig overtuigend arrest "(noot onder R.v.St., 19 nov. 2003), T.F.R., 2004,
(395), 397; In dezelfde zin: S. HUYGHE, "Vlaamse en lokale heffingen op onroerend goed", in Jaarboek lokale en regionale belastingen, Brugge, die Keure, 2003, p. 145-146, nr. 23: "de opname in het kader van het DGW heeft wel rechtstreekse gevolgen: de heffing is ingevolge artikel 26 DGW immers verschuldigd van zodra het pand wordt opgenomen op de inventaris). De omstandigheid dat de materiële belastingschuld nog moet worden geformaliseerd in een kohier, alvorens invorderbaar te zijn, doet daaraan geen afbreuk. Dat de opname in de inventaris bepalend is voor de belastingplicht blijkt ook uit artikel 27, §1, van het Heffingsdecreet: "Als belastingplichtige van de eerste heffing wordt beschouwd de houder van een van de hierna vermelde zakelijke rechten met betrekking tot een gebouw en/of woning op het ogenblik van de opname in de inventaris, bedoeld in onderafdeling 3 van deze afdeling. (...)" 10. Bovendien ontstaat een recht van voorkoop louter alleen omwille van de opname in de inventaris van leegstaande gebouwen en/of woningen: overeenkomstig artikel 85, §1, tweede lid, 1°, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode (B.S., 19 aug. 1997, 21127) krijgen de VHM, de sociale huisvestingsmaatschappijen binnen hun werkgebied, en de gemeenten op hun grondgebied, een recht van voorkoop op een woning die is opgenomen op een van de lijsten van de inventaris, bedoeld in artikel 28, §1, van het decreet op de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting (Zie hierover nader, M. DE JONCKHEERE, "De Raad van State bestempelt de registratie als leegstaande woning als een onaanvechtbare "voorbereidende" handeling in een weinig overtuigend arrest "(noot onder R.v.St., 19 november 2003), T.F.R., 2004,
(395), 397 e.v.). S. HUYGHE, "Vlaamse en lokale heffingen op onroerend goed", in Jaarboek lokale en regionale belastingen, Brugge, die Keure, 2003, p. 145-146, nr. 23).
  1. Uit het voorgaande volgt dat de beslissing tot opname van het gebouw en/of de woning in de inventaris wel degelijk rechtsgevolgen creëert of wijzigt voor de bestuurde, nu ze op zich reeds zowel de materiële belastingschuld als een recht van voorkoop doet ontstaan. Die beslissing is derhalve een bestuurshandeling die uitdrukkelijk moet worden gemotiveerd overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen.
  2. Het onderdeel dat berust op de foutieve juridische onderstelling dat de opname van een woning in de inventaris van de leegstaande woningen geen bestuurshandeling is in de zin van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, faalt naar recht.
  3. In de toelichting bij de voorziening verwijst eiser naar een arrest van 3 juli 2003 waarin de Raad van State oordeelde dat de administratieve akte tot vaststelling van de leegstand geen administratieve handeling is. Het gaat volgens de Raad van State slechts om een verwittiging en aansporing van de betrokkene om iets te ondernemen, die niet rechtstreeks en onmiddellijk tot gevolg heeft dat een heffing dient te worden betaald. Daaruit blijkt, aldus de Raad van State, dat de administratieve akte tot vaststelling van de leegstand een louter voorbereidende handeling is zonder onmiddellijke nadelige gevolgen, die niet afzonderlijk door een beroep tot nietigverklaring kan worden bestreden (R.v.St. 3 juli 2003, T.B.B.R. 2004 (samenvatting), afl. 1, 133; zie ook R.v.St. 19 nov. 2003, L.R.B. 2004, afl. 2, 92, noot F. JUDO). In dat arrest heeft de Raad van State evenwel louter uitspraak gedaan over de juridische aard van de akte tot vaststelling van de leegstand waaraan door het Heffingsdecreet inderdaad geen rechtsgevolgen worden verbonden, zonder dat de Raad zich uitgesproken heeft over de beslissing tot opname van de woning in de inventaris. Het ander arrest van de Raad van State van dezelfde datum (R.v.St. 3 juli 2003, C.D.P.K. 2004 (samenvatting), afl. 1, 133) waarnaar eiser verwijst, betreft artikel 34bis van het Heffingsdecreet, hetwelk op onderhavige casus evenwel niet toepasselijk is. Overeenkomstig dat artikel 34bis, §2, tweede lid, doet de inventarisbeheerder thans uitspraak over het door de houder van het zakelijk recht binnen de 30 kalenderdagen na betekening van het registratieattest in te stellen beroep, en betekent haar gemotiveerde beslissing aan de indiener van het beroep met een aangetekende brief binnen 60 kalenderdagen na betekening van het beroep.
  4. In het eerste onderdeel verwijt eiser de appelrechters artikel 33 van het Heffingsdecreet te hebben geschonden door te oordelen dat de bezwaarprocedure waarin deze bepaling voorziet, moet worden afgesloten met een gemotiveerde beslissing van de bevoegde administratieve overheid. Eiser wijst er op dat bedoeld artikel geenszins bepaalt dat de beslissing tot opname van een gebouw of woning in de inventaris, wanneer de vaststelling van de leegstand ervan niet wordt betwist of de bezwaarindiener het tegenbewijs van de leegstand niet levert, uitdrukkelijk en/of gemotiveerd moet zijn. Evenmin bepaalt dat artikel volgens eiser dat een woning niet in de inventaris der leegstaande woningen kan worden opgenomen zonder dat de bevoegde administratieve overheid de bezwaarprocedure afsluit met een antwoord, of beter met een gemotiveerde beslissing waarbij het bezwaar van de bezwaarindiener wordt afgewezen, bij gebreke waarvan de bezwaarprocedure hangende blijft.
  5. Uit het antwoord op het tweede onderdeel van het tweede middel volgt dat de administratie, in geval van een administratief beroep uitgaande van de houder van het zakelijk recht, een gemotiveerde beslissing moet nemen over het beroep en de beslissing om het goed al dan niet op te nemen in de inventaris ter kennis moet brengen van de houder van het zakelijk recht, nu het een bestuurshandeling betreft in de zin van artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Het onderdeel dat berust op de foutieve juridische onderstelling dat de beroepsprocedure die wordt voorzien in artikel 33 van het decreet van de Vlaamse Raad van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 niet moet worden afgesloten met een gemotiveerde beslissing van de bevoegde administratieve overheid, faalt naar recht. Besluit: VERWERPING. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100610.7 citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050107.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.