← België

ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100610.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 juni 2010 ECL

geantwoord heeft op de middelen ingeroepen in het cassatieberoep, volgt dat de betekening, ook al zou zij onregelmatig zijn, het doel dat de wet haar toeschrijft heeft bereikt, met name aan de verwerende partij een afschrift doen toekomen

haar toelaten haar verweermiddelen uiteen te zetten; in dat geval heeft de onregelmatigheid in de betekening van het cassatieberoep niet de onontvankelijkheid ervan tot gevolg

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BELASTINGZAKEN - Vormen - Vorm

termijn van betekening

-of neerlegging UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Nietigheid - Dekking FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Inrichting - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING

INVORDERING - Aanslagprocedure - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING

INVORDERING - Aanslag - Aanslagtermijnen PUBLIEK

ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Bekendmaking Vrije woorden: Onregelmatige betekening - Memorie van antwoord - Neerlegging binnen de wettelijke termijn Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 867

1079 Fiche 2 Een besluit dat de inwendige werking van een openbare dienst beoogt

geen plichten formuleert in hoofde van de rechtsonderhorigen, heeft geen openbaar nut zodat van de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad mag worden afgezien

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - BESTUURSZAKEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Nietigheid - Dekking FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Inrichting - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING

INVORDERING - Aanslagprocedure - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING

INVORDERING - Aanslag - Aanslagtermijnen PUBLIEK

ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Bekendmaking Vrije woorden: Tweetalige besluiten - Bekendmaking in het B.S. - Bekendmaking zonder openbaar nut Wettelijke bepalingen: Wet - 18-07-1966 - Art. 56, § 1, vierde lid Fiche 3 De fiscale administratie is niet verplicht gebruik te maken van de door artikel 358 van het W.I.B.

(1992)voorziene uitzonderlijke aanslagtermijn van 12 maanden, wanneer zij over de mogelijkheid beschikt de belasting te vestigen binnen de in artikel 354, eerste lid, van dat wetboek gestelde buitengewone aanslagtermijn van drie jaar
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Nietigheid - Dekking FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Inrichting - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING

INVORDERING - Aanslagprocedure - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING

INVORDERING - Aanslag - Aanslagtermijnen PUBLIEK

ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Bekendmaking Vrije woorden: Uitzonderlijke aanslagtermijnen van 12 maanden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Artt. 354, eerste lid,

358 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 4 Voor de toepassing van de buitengewone aanslagtermijn van drie jaar van artikel 354, eerste lid, van het W.I.B.

(1992)volstaat maar is vereist dat de verschuldigde belasting hoger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten

de andere gegevens waarvan aangifte is gedaan; voor de toepassing van deze aanslagtermijn is niet vereist dat de hogere belasting voortvloeit uit een handeling of nalatigheid van de belastingplichtige bij het invullen van het aangifteformulier

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Nietigheid - Dekking FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Inrichting - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING

INVORDERING - Aanslagprocedure - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING

INVORDERING - Aanslag - Aanslagtermijnen PUBLIEK

ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Bekendmaking Vrije woorden: Buitengewone driejarige aanslagtermijn - Toepassingsmodaliteiten Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 354, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 5 Het standpunt dat de liquidatieboni uitgekeerd vóór 1 januari 2003 volledig vrijgesteld zijn van belasting, faalt naar recht

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Inkomsten uit roerende goederen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Nietigheid - Dekking FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Inrichting - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING

INVORDERING - Aanslagprocedure - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING

INVORDERING - Aanslag - Aanslagtermijnen PUBLIEK

ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Bekendmaking Vrije woorden: Dividenden - Liquidatieboni - Uitkeringen vóór 1 januari 2003 - Fiscale behandeling Wettelijke bepalingen: Wet - 24-12-2002 - Artt. 2 tot 5

32, § 1, eerste lid Fiches 6 - 10 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BELASTINGZAKEN - Vormen - Vorm

termijn van betekening

-of neerlegging UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Nietigheid - Dekking FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Inrichting - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING

INVORDERING - Aanslagprocedure - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING

INVORDERING - Aanslag - Aanslagtermijnen PUBLIEK

ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Bekendmaking Vrije woorden: Onregelmatige betekening - Memorie van antwoord - Neerlegging binnen de wettelijke termijn Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - BESTUURSZAKEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Nietigheid - Dekking FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Inrichting - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING

INVORDERING - Aanslagprocedure - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING

INVORDERING - Aanslag - Aanslagtermijnen PUBLIEK

ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Bekendmaking Vrije woorden: Tweetalige besluiten - Bekendmaking in het B.S. - Bekendmaking zonder openbaar nut Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Nietigheid - Dekking FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Inrichting - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING

INVORDERING - Aanslagprocedure - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING

INVORDERING - Aanslag - Aanslagtermijnen PUBLIEK

ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Bekendmaking Vrije woorden: Uitzonderlijke aanslagtermijnen van 12 maanden Buitengewone driejarige aanslagtermijn - Toepassingsmodaliteiten Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Inkomsten uit roerende goederen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Nietigheid - Dekking FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Inrichting - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING

INVORDERING - Aanslagprocedure - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING

INVORDERING - Aanslag - Aanslagtermijnen PUBLIEK

ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Bekendmaking Vrije woorden: Dividenden - Liquidatieboni - Uitkeringen vóór 1 januari 2003 - Fiscale behandeling Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ F.09.0014.N Conclusie van Advocaat-generaal D. Thijs: I. De feiten

procedurevoorgaanden. 1. Eisers waren aandeelhouders van de NV VER EECKE. Deze vennootschap werd in 2002 in vereffening gesteld

ontbonden. Op het bedrag dat aan de aandeelhouders werd toegekend werd 10% roerende voorheffing ingehouden, krachtens de bepalingen van de wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsbelasting inzake inkomstenbelastingen

tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken. Deze wet onderwierp liquidatieboni uitgekeerd vanaf 1 januari 2002 aan de inkomstenbelasting

aan een (bevrijdende) roerende voorheffing van 10%. Bij arrest 10/9/2004 van 23 juni 2004 vernietigde het Grondwettelijk Hof artikel 32, §1, eerste lid van de wet van 24 december 2002, doch

kel in zoverre de liquidatieboni, toegekend voor 1 januari 2003 aan de roerende voorheffing werden onderworpen. Op grond van dit arrest bekwam de NV VER EECKE de terugbetaling van de ingehouden RV. De belastingadministratie vestigde daarop op 1 december 2005 ten laste van de eisers een aanvullende aanslag in de personenbelasting op de liquidatieboni. Het bezwaar tegen de aanslag werd afgewezen

ook de fiscale rechter

het Hof van Beroep wezen de vordering tot ontheffing van de aanslag af als ongegrond. II. De voorziening in cassatie. Middel van niet-ontvankelijkheid van de voorziening 2. Verweerder werpt op dat de voorziening niet ontvankelijk is omdat ze niet aan de minister maar aan de gedelegeerde ambtenaar van de directeur der belastingen werd betekend. Luidens artikel 867 van het Gerechtelijk Wetboek kan het verzuim of de onregelmatigheid van een proceshandeling niet tot nietigheid leiden, wanneer uit de gedingstukken blijkt dat de handeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt ofwel dat de niet vermelde vorm in acht is genomen. Verweerder heeft binnen de wettelijke termijn een memorie van antwoord neergelegd door tussenkomst van een advocaat bij het Hof

geantwoord op de middelen ingeroepen in het cassatieberoep. Zoals blijkt uit de rechtspraak van Uw Hof (o.m. Cass. 29 mei 2009, A.R. nr. C.08.0130.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090529.6, www.cass.be) volgt hieruit dat de betekening, ook al zou zij onregelmatig zijn, het doel dat de wet haar toeschrijft heeft bereikt, met name aan de verwerende partij een afschrift doen toekomen van het verzoekschrift

haar toelaten haar verweermiddelen uiteen te zetten. Er bestaat dan ook aanleiding toe het middel van niet-ontvankelijkheid te verwerpen. Eerste middel. 3. In het eerste onderdeel van het eerste middel werpen eisers op dat de administratieve controle, die aanleiding heeft gegeven tot het vestigen van de litigieuze aanslag, was uitgevoerd door een dienst waarvan de territoriale bevoegdheid niet rechtmatig was geregeld zodat deze dienst geen controlebevoegdheid had

de aanslag bijgevolg niet wettig was gevestigd. Het onderdeel voert aan dat de Minister van Financiën, aan wie de bevoegdheid tot organisatie van de administratieve structuur van de Federale Overheidsdienst Financiën, bij artikel 2 van het KB van 29 oktober 1971 tot vaststelling van het organiek reglement van het Ministerie van Financiën

van de bijzondere bepalingen die er voorzien in de uitvoering van het statuut van het Rijkspersoneel, was toegewezen,

die, overeenkomstig artikel 59 van datzelfde KB, zijn bevoegdheid tot het vastleggen van de zetel

de territoriale bevoegdheid van de gewestelijke

lokale diensten van de Federale Overheidsdienst Financiën mag delegeren, niet zonder schending van de artikelen 33

108 G.W., deze bevoegdheid, bij MB van 10 oktober 1979, aan de Secretaris-Generaal van Financiën heeft gedelegeerd. Overeenkomstig de artikelen 33

108 G.W. moeten alle machten worden uitgeoefend op de door de Grondwet bepaalde wijze zodat, volgens eisers, een minister de hem bij KB toegekende verordenende bevoegdheid, niet wettig kan delegeren. Het MB van 10 oktober 1979, waarin deze delegatie werd verleend, alsook de in uitvoering van deze delegatie genomen beslissingen van 23 november 1994

2 december 1994 van de Secretaris-Generaal van Financiën, kunnen volgens eisers bijgevolg geen rechtsgrond vormen voor de territoriale bevoegdheid van de controledienst van de Federale Overheidsdienst Financiën die in onderhavige zaak de controle heeft uitgevoerd. 4. In het tweede onderdeel van het eerste middel voeren eisers aan dat het MB van 10 oktober 1979

de op grond van dit besluit genomen beslissingen van 23 november 1994

2 december 1994 van de Secretaris-Generaal van Financiën slechts uitvoerbaar zijn vanaf hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad op 15 december 2006. Door te beslissen dat deze normen ook zonder publicatie in het Belgisch Staatsblad uitvoerbaar zijn, gezien zij geen belang hebben voor de meerderheid van de burgers, noch van openbaar nut zijn, zou het bestreden arrest volgens eisers de artikelen 190 G.W., 6, eerste lid, van de Wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken

inwerkingtreden van wetten

verordeningen

56, §1, vierde lid, van de Wet van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, hebben miskend. Het onderdeel komt op tegen de stelling van het bestreden arrest dat deze normen niet kunnen worden aanzien als besluiten die belang hebben voor de meerderheid van de burgers, noch van openbaar nut zijn, in zoverre het slechts gaat om besluiten van inwendige orde die geen rechten of plichten doen ontstaan in hoofde van de rechtsonderhorigen. Eisers argumenteren dat met het regelen van de inwendige inrichting van de fiscale administratie meteen ook wordt bepaald in welke mate een bepaalde dienst van de fiscale administratie ratione loci afbreuk kan doen aan de fundamentele rechten

vrijheden van de rechtsonderhorigen zodat deze regeling wel degelijk van «openbaar nut»

van «algemeen belang» is

de rechtsonderhorigen hiervan, via een officiële bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, op de hoogte moeten worden gebracht. 5. In zijn memorie van antwoord werpt verweerder op dat het eerste onderdeel, zelfs indien het gegrond is, niet tot cassatie kan leiden

bijgevolg, onontvankelijk is bij gebrek aan belang. Verweerder argumenteert inzonderheid dat de controlerende ambtenaar van een fiscale dienst zijn controlebevoegdheid niet ontleent aan de beslissingen van 23 november 1994

2 december 1994 van de Secretaris-Generaal van Financiën, die slechts de ambtsgebieden van de controlediensten territoriaal afbakenen, maar deze bevoegdheid rechtstreeks put uit de bepalingen van de wet, namelijk de artikelen 315 tot

met 338 van het W.I.B.

(1992). Zo bepaalt artikel 335 W.I.B.
(1992)dat elke ambtenaar van een fiscaal staatsbestuur, regelmatig belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van een bepaalde belasting, bij een natuurlijk persoon of rechtspersoon, van rechtswege gemachtigd is alle inlichtingen te nemen, op te zoeken of in te zamelen welke de juiste heffing van alle door deze persoon verschuldigde andere belastingen kunnen verzekeren. Elke ambtenaar van een fiscaal staatsbestuur die belast is met een controle heeft bijgevolg een controle-

onderzoeksbevoegdheid voor om het even welke belasting. Aangezien het Wetboek van Inkomstenbelastingen zelf geen interne territoriale beperkingen oplegt aan de fiscale controlebevoegdheid, moet volgens verweerder worden aangenomen dat, zelfs indien de territoriale afbakening van de ambtsgebieden van de fiscale controlediensten vanuit grondwettelijk oogpunt niet rechtmatig was geregeld, zoals door eisers wordt beweerd, zulks niet kan impliceren dat de fiscale controle niet rechtmatig was uitgevoerd. De rechtmatigheid van het optreden van de controledienst zou

kel

alleen moeten worden getoetst aan de bepalingen van het Wetboek van Inkomstenbelastingen inzake onderzoek

controle (Titel VII, hoofdstuk III)

niet aan de bepalingen die betrekking hebben op de territoriale afbakening van de ambtsgebieden van de fiscale controlediensten. Deze afbakening belangt volgens verweerder louter de interne organisatie van de FOD Financiën aan

doet geen rechten of verplichtingen in hoofde van de belastingplichtigen ontstaan, zodat eisers geen belang hebben om de onregelmatigheid aan te voeren van de bij delegatie genomen beslissingen van 23 november 1994

2 december 1994 van de Secretaris-Generaal van Financiën. Het bestreden arrest heeft verweerders standpunt kennelijk bijgetreden waar het, zonder terzake te worden bekritiseerd, oordeelt als volgt: "Het opdracht geven aan de secretaris-generaal om territoriaal het ambtsgebied van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën te bepalen

de vraag welk ambtsgebied een ambtenaar toegewezen krijgt, zijn een kwestie van louter interne organisatie van het Ministerie van Financiën,

doen geen rechten of verplichtingen ontstaan in hoofde van de rechtsonderhorigen.

kel de interne werking van het ministerie wordt erdoor geregeld,

hier

kel wat de toebedeling van een ambtsgebied betreft. Zo het kunnen stellen van fiscale onderzoekshandelingen raakt aan de rechten

verplichtingen van de rechtsonderhorigen, dan vindt dit zijn oorsprong in het Wetboek van Inkomstenbelastingen dat in dergelijke onderzoeksmogelijkheden voorziet,

niet in de regeling van de ambtsgebieden" (bestreden arrest, folio 1736, vierde alinea). 6. Verweerder gaart er, zoals het bestreden arrest, m.i. terecht vanuit dat de belastingadministratie (

haar ambtenaren) hun controlebevoegdheid rechtstreeks aan de wet ontlenen (cfr. de art. 333

339 W.I.B.

(1992)). Indien de betwiste besluiten van de secretaris-generaal niet constitutief zijn voor de controlebevoegdheid van de belastingambtenaren, leidt de onregelmatigheid van die besluiten niet tot de onregelmatigheid van de uitgevoerde controle

dus ook niet tot ontheffing van de betwiste aanslag. De belastingambtenaar die de controle heeft uitgevoerd was dan immers bevoegd op grond van de wet. De wet voorziet niet in een territoriale afbakening van de controlebevoegdheid. De ambtenaar had dan ook controlebevoegdheid, ook als de betwiste besluiten niet regelmatig door de secretaris-generaal werden genomen. De door verweerder opgeworpen grond van onontvankelijkheid van het eerste onderdeel dient dan ook te worden aangenomen. 7. Het standpunt dat verweerder aldus ontwikkelt ten aanzien van het eerste onderdeel, dient m. i. eveneens te worden aangehouden ten aanzien van het tweede onderdeel van het eerste middel waarin eisers aanvoeren dat het MB van 10 oktober 1979

de op grond van dit besluit genomen beslissingen van 23 november 1994

2 december 1994 van de Secretaris-Generaal van Financiën slechts uitvoerbaar zijn vanaf hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad op 15 december 2006. Indien het betwiste besluit

de litigieuze beslissingen van de Secretaris-Generaal niet constitutief zijn voor de controlebevoegdheid van de belastingambtenaren welke volgt uit het W.I.B.

(1992), kan de laattijdige publicatie van die akten niet tot de onregelmatigheid van de uitgevoerde controle leiden,

dus ook niet tot ontheffing van de betwiste aanslag. De appelrechters oordelen zonder terzake door eisers te worden bekritiseerd dat "zo het kunnen stellen van fiscale onderzoekshandelingen raakt aan de rechten

verplichtingen van de rechtsonderhorigen, dit zijn oorsprong (vindt) in het Wetboek van Inkomstenbelastingen dat in dergelijke onderzoeksmogelijkheden voorziet,

niet in de regeling van de ambtsgebieden" (bestreden arrest, folio 1736, vierde alinea). Vanuit die optiek komt ook het tweede onderdeel mij onontvankelijk voor bij gebrek aan belang. 8. In subsidiaire orde weze opgemerkt dat het eerste onderdeel, afgeleid uit de schending van de artikelen 33

108 van de G.W., ten gronde faalt naar recht. De memorie van antwoord (p. 4-6) kan ook op dit punt integraal worden bijgetreden. Overeenkomstig artikel 33 van de G.W. moeten alle machten op de door de Grondwet bepaalde wijze worden uitgeoefend, hetgeen een delegatie van bevoegdheid in beginsel uitsluit. Het principieel verbod van delegatie is evenwel niet absoluut. Onder bepaalde strikte voorwaarden, is het niet verboden dat een orgaan van de uitvoerende macht aan een ander ondergeschikt orgaan, dat onder zijn controle staat, opdraagt om met zijn uitdrukkelijk of stilzwijgende instemming, louter bijkomstige

aanvullende detailmaatregelen te nemen (J. VELAERS., De Grondwet

de Raad van State, afdeling wetgeving, Antwerpen, Maklu, 1999, 375). Zo wordt bijgevolg unaniem aanvaard dat de Koning, voor minder belangrijke aangelegenheden, zijn verordenende bevoegdheid aan een minister kan delegeren, onder voorbehoud van zijn uitdrukkelijke of stilzwijgende goedkeuring (J. VANDE LANOTTE, J. DUJARDIN

M. VAN DAMME, Overzicht van het administratief recht, Mechelen, Kluwer, 2006, 20; Cass. 4 mei 1920, Pas. 1920, I, 135, met conclusies van Adv.-gen. DEMEURE; Cass. 4 sept. 1995, A.C. 1995, nr. 360 met conclusies van Proc.-gen., toen Adv.-gen. LECLERCQ, Pas. 1995). De verordenende bevoegdheid van een minister tot het treffen van aanvullende maatregelen, kan worden verantwoord op grond van artikel 106 van de G.W., dat voorschrijft dat geen akte van de Koning gevolg kan hebben wanneer zij niet medeondertekend is door een minister (A. MAST

J. DUJARDIN, Overzicht van het Belgisch Grondwettelijk Recht, Gent, Story-Scientia, 1985, 326, nr. 270). Op zijn beurt kan ook de minister, de hem door de Koning regelmatig gedelegeerde verordenende bevoegdheid, toewijzen aan ambtenaren die aan zijn departement zijn verbonden. Wanneer die toewijzing van bevoegdheid wordt gedaan aan ambtenaren die aan het centraal bestuur zijn verbonden (secretaris-generaal, directeur-generaal, diensthoofden) betreft het een vorm van interne deconcentratie. Deze deconcentratie strekt ertoe de centrale overheid (Koning of minister) te ontlasten van talrijke aangelegenheden van ondergeschikt belang waaruit het dagelijks administratief leven bestaat. Ingeval van interne deconcentratie blijven de ambtenaren, aan wie een bevoegdheid werd toegewezen, aan het hiërarchische gezag van de minister onderworpen zodat de eenheid van gezag, anders dan bij decentralisatie, onaangetast blijft (J. VANDE LANOTTE, o.c., nrs. 82-83). In dat verband gaan de appelrechters er terecht van uit dat "niet uit het oog (mag) verloren worden dat de Minister door aan de vermelde ambtenaar van zijn ministerie opdracht te geven de territoriale bevoegdheid te regelen, controle-

goedkeuringsmogelijkheid ten aanzien van de uitgewerkte regeling behoudt, nu het gaat om de organisatie van de eigen diensten" (bestreden arrest, folio 1735, tweede alinea, eerste zin). Uit het tijdsverloop sedert de inwerkingtreding van de bij delegatie genomen beslissingen van 23 november 1994

2 december 1994 van de Secretaris-Generaal van Financiën kon het bestreden arrest dan ook wettig afleiden dat de Minister van Financiën minstens stilzwijgend de door zijn Secretaris-Generaal uitgewerkte regeling heeft goedgekeurd (bestreden arrest, folio 1735, tweede alinea, in fine). In zoverre de toewijzing van de bevoegdheid om de zetel

de territoriale bevoegdheid van de controlediensten van de Federale Overheidsdienst Financiën vast te leggen slechts een rationele verdeling van het administratieve werk beoogt

als dusdanig een detailmaatregel betreft die niet noodzakelijk door de Koning zelf of door de Minister van Financiën moet worden geregeld, is de delegatie, op grond van artikel 59 van het KB van 29 oktober 1971,

de subdelegatie, op grond van het MB van 10 oktober 1979, geoorloofd

bijgevolg verenigbaar met de artikelen 33

108 G.W. Het onderdeel dat terzake uitgaat van een verkeerde rechtsopvatting, faalt naar recht. 9. Steeds in subsidiaire orde, moet worden vastgesteld dat ook het tweede onderdeel van het eerste middel ten gronde niet tot cassatie kan leiden (cfr. memorie van antwoord, p. 9-11). Overeenkomstig artikel 56, §1, vierde lid, van de Wet van 18 juli 1966 mogen tweetalige koninklijke

ministeriële besluiten bij uittreksel worden bekendgemaakt of het voorwerp uitmaken van een gewone vermelding in het Belgisch Staatsblad wanneer zij geen belang hebben voor de meerderheid van de burgers. Wanneer hun bekendmaking geen openbaar nut heeft, mag daarvan zelfs worden afgezien. Een besluit van inwendige orde dat geen rechten of plichten formuleert in hoofde van de rechtsonderhorigen, is in beginsel geen besluit dat de meerderheid van de burgers aanbelangt in de zin van artikel 56, §1, vierde lid, van de Wet van 18 juli 1966, nu hieronder moet worden verstaan, een besluit dat een hele categorie van in dezelfde feitelijke omstandigheden verkerende burgers betreft (Cass. 16 juni 2008, A.R. S.07.0101.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080616.3, www.cass.be; Cass. 19 mei 1987, A.C. 1986-87, nr. 552). Regels betreffende de inwendige werking van een overheidsdienst beogen uitsluitend een goede

doelmatige interne organisatie van de dienst

kunnen uit hun aard niet het karakter hebben dat zij een algemeenheid van burgers aanbelangen of van openbaar nut zijn (J. De JONGHE, De Staatsrechtelijke verplichting tot bekendmaking van normen, Antwerpen, Kluwer, 1985, 152). Zo werd door de Raad van State bij arrest van 7 april 1954 reeds beslist dat een besluit dat betrekking heeft op de toewijzing

herklassering van de ontvangstkantoren der directe belastingen de burgers niet aanbelangt omdat het gaat om interne maatregelen die de rechten

verplichtingen van de burgers niet raken (R.v.St., DE LOORE/CASTELEYN, nrs. 3289-3290). Het vastleggen van de zetel

de territoriale bevoegdheid van de controlediensten van de Federale Overheidsdienst Financiën betreft een zuiver interne aangelegenheid waarbij geen rechten of plichten worden geformuleerd in hoofde van de rechtsonderhorigen. Anders dan eisers onder het tweede onderdeel voorhouden, wordt met deze regeling van de ambtsgebieden bijgevolg niet rechtstreeks geraakt aan de rechten

verplichtingen van de rechtsonderhorigen. Zoals een fiscale controledienst zijn bevoegdheid rechtstreeks ontleent aan de bepalingen van het Wetboek van Inkomstenbelastingen (zie hoger randnrs. 5, 6

7), zijn het ook de bepalingen van datzelfde Wetboek die de rechten

verplichtingen van de belastingplichtige vastleggen

die bepalen in welke mate

onder welke voorwaarden, desgevallend «afbreuk» wordt gedaan aan de "fundamentele rechten

vrijheden" van de belastingplichtige. De appelrechters kunnen dan ook worden gevolgd, waar zij oordelen dat " zo het kunnen stellen van fiscale onderzoekshandelingen raakt aan de rechten

verplichtingen van de rechtsonderhorigen, dit zijn oorsprong (vindt) in het Wetboek van Inkomstenbelastingen dat in dergelijke onderzoeksmogelijkheden voorziet,

niet in de regeling van de ambtsgebieden" (bestreden arrest, folio 1736, vierde alinea). Het bestreden arrest vermocht derhalve wettig te oordelen dat het MB van 10 oktober 1979

de beslissingen van 23 november 1994

2 december 1994 van de Secretaris-Generaal van Financiën, geen belang hebben voor de meerderheid van de burgers

evenmin van openbaar nut zijn zodat ze niet moesten worden bekendgemaakt. In zoverre het tweede onderdeel staande houdt dat uit de regeling inzake de territoriale afbakening van de ambtsgebieden van de fiscale onderzoeks-

controlediensten rechten

plichten voor de belastingplichtige kunnen worden gepuurd, vermits het "stellen van een fiscale onderzoekshandeling (...) ipso faco een inbreuk op fundamentele (...) rechten

vrijheden, zoals het recht op privacy, (impliceert)", kan het bijgevolg niet worden aangenomen. Tweede middel. 10. Het tweede middel neemt als uitgangspunt dat uit het bericht van wijziging van aangifte, alsook uit de Circulaire nr. Ci.RH.231/566.182 (AOIF 20/2005) van 4 mei 2005, blijkt dat de taxatieambtenaar, bij het vestigen van de aanslag, toepassing heeft gemaakt van de bijkomende aanslagtermijn van één jaar voorzien in artikel 358, §1, 4°

§2, 4° W.I.B.

(1992), die aanving op 23 november 2004

eindigde op 23 november 2005, zodat de aanslag, die pas op 1 december 2005 was gevestigd, laattijdig

dus nietig was. Het bestreden arrest oordeelde dat de aanslag niet op grond van deze bijkomende aanslagtermijn was gevestigd, maar binnen de buitengewone aanslagtermijn van drie jaar, voorzien in artikel 354, eerste lid, W.I.B.

(1992), zodat het bestreden arrest zich, volgens eisers, aan een door de wet verboden "compensatie van motieven" heeft bezondigd

niet wettig, met toepassing van die buitengewone aanslagtermijn, heeft beslist dat de aanslag tijdig was gevestigd (schending van de artikelen 346, 354, eerste lid, 358, §1, 4°

§2

, 4°

375 W.I.B.

(1992)). 11. Artikel 358 van het W.I.B.
(1992)voorziet in uitzonderlijke aanslagtermijnen die toelaten om in de in dat artikel omschreven gevallen de belasting te vestigen zelfs nadat de in artikel 354, eerste lid, van dat wetboek gestelde buitengewone aanslagtermijn van drie jaar is verstreken. De fiscale administratie is niet verplicht gebruik te maken van de door artikel 358 voorziene uitzonderlijke aanslagtermijnen wanneer zij over de mogelijkheid beschikt de belasting te vestigen binnen de in artikel 354, eerste lid, gestelde buitengewone aanslagtermijn van drie jaar. In zoverre het middel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht. 12. Het middel berust voorts op de onjuiste veronderstelling in feite dat de taxatieambtenaar de litigieuze aanslag zou hebben gevestigd op grond van artikel 358, §1, 4°

§2, 4° W.I.B.

(1992). Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag. Het loutere feit dat in de Circulaire nr. Ci.RH.231/566.182 (AOIF 20/2005) van 4 mei 2005 werd voorgesteld om voor de taxatie van liquidatieboni toepassing te maken van de bijzondere aanslagtermijn van artikel 358, §1, 4°

§2, 4° W.I.B.

(1992), laat de gevolgtrekking niet toe dat de taxatie effectief met toepassing van deze bijzondere aanslagtermijn van één jaar was gevestigd. Uit de bedoelde Circulaire van 4 mei 2005 volgt overigens niet dat de administratie in alle gevallen van taxatie van liquidatieboni toepassing zou moeten maken van de bijzondere aanslagtermijn bedoeld in artikel 358, §1, 4°

§2, 4° W.I.B.

(1992). In deze circulaire werd de toepassing van deze aanslagtermijn

kel aanbevolen gelet op het feit dat er na het arrest van het Grondwettelijk Hof van 23 juni 2004 relatief maar weinig tijd restte voor de belastingadministratie om de aanslagen in de personenbelasting op liquidatieboni, toegekend tijdens het aanslagjaar 2003, te vestigen binnen de buitengewone aanslagtermijn van artikel 354, eerste lid, W.I.B.

(1992), die liep tot 31 december 2005. Waar in casu de buitengewone aanslagtermijn van artikel 354, eerste lid, W.I.B.
(1992)nog niet was verstreken toen de aanslag op 1 december 2005 werd gevestigd, was er in onderhavige zaak bijgevolg geen

kele reden om toepassing te maken van de kortere, bijzondere aanslagtermijn van artikel 358, §1, 4°

§2, 4° W.I.B.

(1992). Zoals het bestreden arrest terecht opmerkt, is het bovendien de fiscale wet die bepaalt welke aanslagtermijn moet worden toegepast

niet een administratieve circulaire. Ook het feit dat in het bericht van wijziging terloops sprake is van "bewijskrachtige bescheiden", welke term in artikel 358, §1, 4°

§2, 4° W.I.B.

(1992)wordt gehanteerd, laat niet toe daaruit af te leiden dat de taxatie op grond van deze bepalingen was geschied. De vaststelling in het bericht van wijziging dat de administratie

kel rekening zal houden "met opmerkingen die gestaafd zijn door bewijskrachtige bescheiden" verwijst

kel

alleen naar het voorschrift van artikel 346, vijfde lid, W.I.B.

(1992), waarbij de administratie de belastingplichtige in kennis moet stellen van de opmerkingen die hij heeft gemaakt

waarmee zij geen rekening heeft gehouden, zodat de vermelding in het bericht van wijziging van «bewijskrachtige bescheiden», geenszins als indicie kan gelden dat toepassing was gemaakt van de bijzondere aanslagtermijn van artikel 358, §1, 4°

§2, 4° W.I.B.

(1992). Derde middel. 13. In het eerste onderdeel van het derde middel komen de eisers op tegen de beslissing dat verweerder toepassing kan maken van de buitengewone aanslagtermijn van artikel 354, eerste lid, W.I.B.
(1992), wanneer hij aantoont dat de verschuldigde belasting hoger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten

de andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van het aangifteformulier, zelfs indien de belastingplichtige een tijdige

regelmatige aangifte heeft ingediend overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 307 tot 311 W.I.B.

(1992)

de verschuldigde belasting hoger is als gevolg van het feit dat in het aangifteformulier geen rubriek is voorzien voor de aangifte van een bepaald soort inkomen. Volgens eisers in deze opvatting strijdig met de artikelen 353, 354, eerste lid,

359 van het W.I.B.

(1992), alsook met de artikelen 10

11 van de G.W., zodat zij voorstellen terzake een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. 14. Wanneer de verschuldigde belasting, ongeacht het bedrag, hoger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten

de andere gegevens die vermeld staan in de daartoe bestemde rubrieken van een aangifteformulier dat naar vorm

termijn regelmatig is, mag de taxatieambtenaar binnen de bij artikel 354, eerste lid, W.I.B.

(1992)bepaalde buitengewone aanslagtermijn, niet alleen de aanvullende belasting heffen, d.w.z. de belasting die hoger is dan die met betrekking tot de inkomsten

de andere in de aangifte vermelde gegevens, maar ook de gehele door de belastingplichtige verschuldigde belasting (Cass. 29 okt. 1999, A.C. 1999, nr. 578). Voor de toepassing van de buitengewone aanslagtermijn van artikel 354, eerste lid, W.I.B.

(1992), is volgens Uw Hof niet vereist dat de hogere belasting voortvloeit uit een handeling of nalatigheid van de belastingplichtige bij het invullen van het aangifteformulier (Cass. 7 maart 1997, A.C, 1997, nr. 130). De taxatieambtenaar is krachtens de wet immers verplicht om de juiste aanslag te vestigen

kan daartoe rekening houden met alle gegevens die wettelijk beschikbaar zijn, waarbij hij een vroeger begane vergissing mag verbeteren (Cass. 3 okt. 2003, A.C. 2003, nr. 477). Uit deze rechtspraak van Uw Hof volgt dat voor de toepassing van de buitengewone aanslagtermijn van artikel 354, eerste lid, W.I.B.

(1992), geen andere vereiste wordt gesteld dan dat de verschuldigde belasting hoger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten

de andere gegevens waarvan aangifte was gedaan. Ook wanneer de hogere belasting het gevolg is van het feit dat in het aangifteformulier geen rubriek zou zijn voorzien voor de aangifte van een bepaald soort inkomen, kan de taxatieambtenaar binnen de buitengewone aanslagtermijn van artikel 354, eerste lid, W.I.B.

(1992), de aanvullende belasting vestigen op het inkomen waarvan geen aangifte was gedaan. De taxatieambtenaar moet binnen de buitengewone aanslagtermijn van artikel 354, eerste lid, WIB92, de gehele verschuldigde belasting vestigen, met inbegrip van de belastingen verschuldigd op inkomsten waarvan geen aangifte was gedaan als gevolg van een formeel gebrek van het aangifteformulier, zoals in casu het ontbreken van een rubriek voor de aangifte van liquidatieboni. Zoals verweerder stelt in zijn memorie van antwoord, spreekt het voor zich dat het de fiscale wet is die bepaalt welke inkomsten belastbaar zijn

niet de rubrieken in het aangifteformulier. Verweerder heeft derhalve wettig, met toepassing van de buitengewone aanslagtermijn van artikel 354, eerste lid, WIB92, belastingen kunnen heffen op de niet-aangegeven liquidatieboni, ook al zou er in het aangifteformulier geen specifieke rubriek zijn voorzien om aangifte te doen van deze inkomsten. Nu het onderdeel uitgaat van een verkeerde rechtsopvatting faalt het naar recht

kan er geen aanleiding bestaan tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. 15. In het tweede onderdeel voeren eisers aan dat verweerder

kel van de aangifte kan afwijken indien deze "onjuist" is, met andere woorden indien deze door toedoen van de belastingplichtige niet correct werd ingevuld. Het bestreden arrest miskent volgens eisers derhalve artikel 354, eerste lid, W.I.B.

(1992), in samenhang gelezen met de artikelen 305, 307 tot 311

339 W.I.B.

(1992), door te oordelen dat de buitengewone aanslagtermijn van artikel 354, eerste lid, W.I.B.
(1992), ook kan worden toegepast wanneer de belastingplichtige zich nauwgezet van zijn aangifteverplichting heeft gekweten

met toepassing van artikel 305 WIB92 een aangifte heeft overgelegd in de vormen

binnen de termijnen omschreven in de artikelen 307 tot 311 W.I.B.

(1992). 16. Zoals in het antwoord op het eerste onderdeel reeds werd aangegeven, is voor de toepassing van de buitengewone aanslagtermijn van artikel 354, eerste lid, W.I.B.
(1992), niet vereist dat de hogere belasting voortvloeit uit een handeling of nalatigheid van de belastingplichtige bij het invullen van het aangifteformulier (Cass. 7 maart 1997, A.C. 1997, nr. 130). Een aangifte kan overeenkomstig artikel 339 W.I.B.
(1992)bijgevolg ook "onjuist" worden bevonden zonder dat daaraan een "actieve handeling van de belastingplichtige" ten grondslag ligt, zoals het geval is wanneer door toedoen van het bestuur geen aangifte kon worden gedaan van een bepaald soort inkomen omdat daarvoor in het aangifteformulier geen specifieke rubriek was voorzien. Het onderdeel dat uitgaat van een verkeerde rechtsopvatting, faalt naar recht. Vierde middel 17. In het vierde middel voeren eisers aan dat uit artikel 313 W.I.B.
(1992)

uit de Wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen

tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken, zoals vernietigd door het Grondwettelijk Hof, volgt dat liquidatieboni, uitgekeerd vóór 1 januari 2003, vrijgesteld zijn van belastingen. Bij arrest van 23 juni 2004 (nr. 109/2004) vernietigde het Grondwettelijk Hof artikel 32, §1, eerste lid, van de Wet van 24 december 2002 in zoverre het de vereffenings-

verkrijgingsuitkeringen (liquidatieboni), die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vóór 1 januari 2003, aan de roerende voorheffing onderwerpt. Het Grondwettelijk Hof laakte aldus de terugwerkende kracht die werd verleend aan de nieuwe bepalingen met betrekking tot de roerende voorheffing. Het Grondwettelijk Hof liet evenwel de bepalingen van de Wet van 24 december 2004, die de liquidatieboni voortaan als een uitgekeerd dividend uitdrukkelijk belastbaar stellen, alsook de inwerkingtreding van deze bepalingen, ongemoeid. Het Grondwettelijk Hof benadrukte dat "inzake de bepalingen omtrent de inkomstenbelastingen" de Wet van 24 december 2002 niet op retroactieve wijze een belasting op liquidatieboni heeft ingevoerd vermits er vanuit fiscaalrechtelijk oogpunt, overeenkomstig artikel 360 W.I.B.

(1992), nog geen onherroepelijk vastgelegde toestand bestond vóór het afsluiten op 31 december 2002 van het belastbaar tijdperk: "Een wet die vóór dat tijdstip nieuwe belastbare feiten of grondslagen invoert, heeft geen terugwerkende kracht" (B.11). "Nu de wet van 24 december 2002 werd bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2002

de bepalingen inzake de inkomstenbelasting in werking treden op 1 januari 2002, verleent het bestreden artikel 32, §1, eerste lid, geen terugwerkende kracht aan de artikelen 2 tot 5 van de wet van 24 december 2002, aangezien deze laatste de fiscale situatie betreffen van inkomsten waarvan de voorwaarden voor belastingheffing niet kunnen worden beschouwd als zijnde definitief vastgelegd" (B.14.2.). Het arrest van het Grondwettelijk Hof bevestigt aldus het belastbaar karakter vanaf 1 januari 2002 van de liquidatieboni zodat het middel, dat onder verwijzing naar dat arrest, voorhoudt dat liquidatieboni, uitgekeerd vóór 1 januari 2003, volledig zijn vrijgesteld van belastingen, berust op een verkeerde lezing van dat arrest. 18. Anders dan eisers voorhouden, kan uit artikel 313 W.I.B.

(1992)niet worden afgeleid dat de roerende inkomsten waarop geen roerende voorheffing werd ingehouden

waarvan geen aangifte moet worden gedaan, definitief zijn vrijgesteld van belastingen. Artikel 313 WIB92 heeft immers niet tot doel om een belastingvrijstelling in te voeren, maar voorziet

kel in een facultatieve vrijstelling van de verplichting om bepaalde inkomsten van roerende goederen

kapitalen aan te geven in de personenbelasting. Zoals de vrijstelling van de verplichting om aangifte te doen van bepaalde belastbare inkomsten kan ook de afwezigheid van een specifieke rubriek op het aangifteformulier, bestemd voor het vermelden van een welbepaald belastbaar inkomen, er niet toe leiden dat die inkomsten, die elders in de wet uitdrukkelijk als belastbaar worden aangemerkt, van belastingen worden vrijgesteld. De vrijstelling om aangifte te doen van de roerende inkomsten geldt

kel wanneer het gaat om inkomsten waarop de roerende voorheffing is ingehouden. Wanneer geen roerende voorheffing werd ingehouden, blijven deze inkomsten bijgevolg belastbaar (Cass. 3 sept. 2004, A.C. 2004, nr. 380). Het feit dat geen aangifte was gedaan van de liquidatieboni omdat een specifieke rubriek in het aangifteformulier ontbrak, terwijl op deze inkomsten geen roerende voorheffing was verschuldigd, gelet op het arrest van het Grondwettelijk Hof dat deze inhouding ongrondwettelijk had verklaard, kon bijgevolg niet tot gevolg hebben dat die liquidatieboni, die op grond van de artikelen 18, eerste lid, 2° ter

171, 2°, f) W.I.B.

(1992), uitdrukkelijk belastbaar zijn, vrijgesteld zijn van belastingen. Ook op dit punt kan verweerders memorie van antwoord worden gevolgd (p. 18-20). Het vierde middel faalt bijgevolg integraal naar recht. Besluit: VERWERPING. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100610.8 citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080616.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090529.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.