id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 15 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100615.6 Rolnummer: P.10.0653.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2010-06-18 Raadplegingen: 198 - laatst gezien 2026-07-02 17:02 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100615.6 Fiche 1 Uit artikel 7 van de overeenkomst tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko betreffende uitlevering, ondertekend te Brussel op 7 juli 1997 en goedgekeurd bij wet van 24 februari 2005, volgt dat in de bedoelde overeenkomst het beginsel "non bis in idem" aldus moet worden uitgelegd dat, behoudens definitieve berechting door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Staat, geen verbod tot uitlevering aan de verzoekende Staat geldt; wel kunnen redenen voorhanden zijn die een weigering tot uitlevering rechtvaardigen, zoals daar zijn een beslissing van de aangezochte Staat om niet te vervolgen of een einde te stellen aan de ingestelde vervolgingen; ook een berechting door een derde Staat van hetzelfde feit of dezelfde feiten, zij weze voorlopig of definitief, staat een uitlevering aan de verzoekende Staat niet in de weg, zonder dat evenwel een verplichting tot uitlevering bestaat, maar in die gevallen van facultatieve weigering moet de rechter nauwkeurig de redenen en omstandigheden eigen aan de zaak vermelden die naar zijn oordeel de weigering van de uitlevering rechtvaardigen
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M., A.C., 2010, nr. ... Thesaurus CAS: UITLEVERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - UITLEVERING - Verdragen Vrije woorden: Uitleveringsovereenkomst tussen België en Marokko - Beginsel "non bis in idem" - Toepassing Fiche 2 Conclusie van eerste advocaat-generaal DE SWAEF. Thesaurus CAS: UITLEVERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - UITLEVERING - Verdragen Vrije woorden: Uitleveringsovereenkomst tussen België en Marokko - Beginsel "non bis in idem" - Toepassing Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ P.10.0653.N Conclusie van de Heer Eerste Advocaat-generaal M. De Swaef:
- Het cassatieberoep ingesteld door de eiser tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Gent is ontvankelijk.
- Lastens D.A. werd een aanhoudingsbevel uitgevaardigd door de procureur-generaal bij het hof van beroep te Rabat wegens: A) terroristische groepering; B) voorbereiding tot het plegen van daden van terrorisme met het oog op een aanslag op de openbare veiligheid; C) inzameling van fondsen voor de financiering van daden van terrorisme, feiten te Fez, in de periode van augustus 2004 tot einde maart 2005 gepleegd. Op grond hiervan dienden de Marokkaanse overheden een verzoek tot uitlevering in. Het bestreden arrest weigert de uitvoerbaarverklaring van het internationaal aanhoudingsbevel op grond van artikel 7 van de Overeenkomst van 7 juli 1997 gesloten tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko betreffende de uitlevering. De appelrechters komen tot dit besluit omdat "uit onderzoek blijkt dat de feiten A, B en C die thans het voorwerp uitmaken van het aanhoudingsbevel waarvoor een exequatur wordt gevraagd dezelfde feiten zijn als deze die het voorwerp hebben uitgemaakt van een onderzoek in Frankrijk dat er kwam op aangifte van de Marokkaanse autoriteiten en dat uiteindelijk resulteerde in een gerechtelijke beschikking tot buitenvervolgingstelling. Deze gerechtelijke beslissing van een derde Staat met betrekking tot dezelfde feiten als deze waarvoor thans aan België de uitlevering wordt gevraagd, levert terzake naar het oordeel van het hof, kamer van inbeschuldigingstelling, overeenkomstig artikel 7, derde lid van de Overeenkomst van 7 juli 1997 gesloten tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko betreffende de uitlevering, een afdoende wettelijke reden om de uitlevering, en a fortiori de uitvoerbaarverklaring van het hierop gesteunde aanhoudingsbevel te weigeren. De voormelde beschikking tot buitenvervolgingstelling, waartegen thans geen hoger beroep meer openstaat, moet te dezen beschouwd worden als een beslissing waarmee dezelfde feiten door een derde Staat werden berecht in de zin van het derde lid van artikel 7 van de bovengemelde overeenkomst. Wie reeds middels een uitspraak, zoals de gerechtelijke beslissing van de derde Staat Frankrijk voor dezelfde feiten werd berecht en buiten vervolging is gesteld, kan overeenkomstig de Overeenkomst van 7 juli 1997 gesloten tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko betreffende de uitlevering, niet meer voor deze zelfde feiten worden vervolgd in Marokko". Tegen deze beslissing wordt door de eiser in cassatie met een middel opgekomen. Er wordt met name aangevoerd dat het "ne bis in idem" beginsel, zoals omschreven in voornoemd art. 7, laatste lid alleen de berechting door de vonnisgerechten die ten gronde uitspraak deden en niet, zoals in casu, de beslissingen van onderzoeksgerechten die oordelen over de al dan niet vervolging, viseert.
- Artikel 7 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko betreffende uitlevering, ondertekend te Brussel op 7 juli 1997 bepaalt: "Uitlevering wordt niet toegestaan wanneer de opgeëiste persoon door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij definitief is berecht wegens het feit of de feiten op grond waarvan uitlevering wordt gevraagd. De uitlevering kan geweigerd worden wanneer de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij beslist hebben geen vervolgingen in te stellen of een einde te maken aan de vervolgingen die zij hadden ingesteld wegens hetzelfde feit of dezelfde feiten. De uitlevering kan eveneens worden geweigerd wanneer de gezochte persoon door de autoriteiten van een derde Staat is berecht wegens het feit of de feiten op grond waarvan uitlevering wordt gevraagd." (B.S., 29 april 2005, Ed. 4, 20316). Naar het voorbeeld van andere verdragen - zoals het Benelux-Uitleveringsverdrag (art. 8) en het Europees Uitleveringsverdrag (art. 9) - bevat de eerste regel van artikel 7 van de Overeenkomst een verplichte weigeringgrond in geval van definitieve berechting wegens hetzelfde feit als datgene waarvoor de uitlevering wordt gevraagd. De weigering tot uitlevering is in dat geval verplicht (G. STESSENS en T. ONGENA, "Extraterritorialiteit en het ne bis in idem-beginsel", in BELGISCH-LUXEMBURGSE UNIE VOOR STRAFRECHT (ed.), Strafprocesrecht en extraterritorialiteit, Brugge, die Keure, 2002,
(91)108-109). Met definitieve berechting is bedoeld de gerechtelijke beslissing waardoor de strafvordering vervalt (Cfr. P.E. TROUSSE en J. VANHALEWIJN, Uitlevering en internationale rechtshulp in strafzaken, in APR, Brussel, Larcier, 1970, nr. 421). Deze auteurs voegen daaraan toe dat ook de door de onderzoeksgerechten gewezen beslissingen de strafvordering doen vervallen, doch enkel tot wanneer er zich nieuwe telastleggingen voordoen; daaruit volgt dat een beschikking tot buitenvervolgingstelling geen definitieve berechting kan uitmaken. In het kader van het Europees Uitleveringsverdrag wordt met ‘definitief' bedoeld dat alle verhaalmiddelen uitgeput moeten zijn (F. THOMAS, De Europese rechtshulpverdragen in strafzaken, Gent, Story-Scientia, 1980, nr. 243). De verplichting om de uitlevering te weigeren houdt in dit geval verband met het feit "qu'il n'est plus possible de revenir sur les faits, le jugement en question ayant acquis l'autorité de la chose jugée." (Toelichtend rapport). Verstekvonnissen en vonnissen waarbij de rechtbank zich onbevoegd verklaart kunnen niet als definitief worden beschouwd.
- De tweede mogelijkheid van toepassing van het beginsel ne bis in idem betreft de staking van vervolgingen, zoals die ook voorkomt in artikel 7 van de bilaterale Overeenkomst tussen Marokko en België. Ten aanzien van de overeenkomstige bepaling van artikel 9.2 van het Europees Uitleveringsverdrag werd in het Toelichtend rapport geschreven: "La deuxième phrase qui a un caractère facultatif vise le cas d'un individu qui a fait l'objet d'une décision mettant obstacle aux poursuites ou y mettant fin. Ce cas vise notamment l'ordonnance de non-lieu. Dans une telle hypothèse, l'extradition pourra être refusée. Toutefois, si des faits nouveaux ou d'autres éléments de preuve devaient se présenter, la présente disposition ne pourrait être invoquée et l'individu devrait pouvoir faire l'objet d'une extradition, à moins que la Partie requise le poursuive elle-même en se basant sur les dispositions de l'article 8." Ten aanzien van derde Staten bevat artikel 9 van het Europees Uitleveringsverdrag een bepaling die werd ingevoerd door het Protocol van 15 oktober 1975 dat in dat artikel 9 een tweede lid invoerde. Artikel 9.2 van het Europees Uitleveringsverdrag vereist onherroepelijke vonnissen gewezen in derde Staten die partij zijn bij het verdrag in welk geval de uitlevering moet worden geweigerd als zekere condities zijn vervuld doch waarbij de uitlevering, mits zekere andere condities zijn vervuld, wél kan worden toegestaan. In het toelichtend rapport bij het protocol van 15 oktober 1975 wordt verduidelijkt: "Les décisions rendues dans un Etat tiers qui ne revêtent pas la forme d'un jugement et qui ont pour effet d'empêcher les poursuites ou d'y mettre fin (e.g. ordonnance de non-lieu) n'excluent pas et ne limitent pas l'extradition. Ces décisions sont souvent inspirées par des motifs de procédure ou influencées par le principe de l'opportunité d'exercer des poursuites. C'est pour cette raison que les Conventions sur la valeur internationale des jugements répressifs et sur la transmission des procédures répressives, dont ce paragraphe s'inspire, n'attribuent l'effet ne bis in idem qu'aux "jugements"". Met betrekking tot artikel 54 van de Schengen-Uitvoeringsovereenkomst waar eveneens sprake is van een onherroepelijk vonnis werd geoordeeld, dat die bepaling ook toepasselijk is op procedures tot beëindiging van de strafvervolging waarbij het openbaar ministerie van een lidstaat zonder rechterlijke tussenkomst een einde maakt aan een in die lidstaat ingeleide strafprocedure, nadat de verdachte heeft voldaan aan bepaalde voorwaarden en met name een door het openbaar ministerie vastgestelde geldsom heeft betaald (HvJ 11 februari 2003, nr. C-187/03 en C-358/01, Jur. 2003, I-1345). Men vergelijke dit met de mogelijkheden, bepaald in de artikelen 216bis en ter, Wetboek van Strafvordering.
- Indien men deze principes transponeert naar de bilaterale Overeenkomst tussen Marokko en België en meer bepaald naar de derde hypothese van artikel 7 van die overeenkomst ("De uitlevering kan eveneens worden geweigerd wanneer de gezochte persoon door de autoriteiten van een derde Staat is berecht wegens het feit of de feiten op grond waarvan uitlevering wordt gevraagd") kan men besluiten dat, ten eerste, deze weigeringsgrond tot de uitlevering uiteraard facultatief is, dat er, ten tweede, géén sprake dient te zijn van een onherroepelijk of definitief beëindigd zijn van de strafvordering en dat, ten derde, ‘berechting' (er is géén sprake van vonnis) niet noodgedwongen een rechterlijke tussenkomst zou vereisen. Dit laatste moet betekenen dat er toepassing kan zijn van deze facultatieve weigeringsgrond in geval van minnelijke schikking én, a fortiori, van een beschikking van buitenvervolgingstelling uitgesproken door een onderzoeksgerecht. Dit sluit meteen ook in dat - anders dan de memorie van de eiser voorhoudt - de bepaling van artikel 7 van de Overeenkomst tussen Marokko en België niet enkel berechting door vonnisgerechten viseert. Het middel kan aldus geen doel treffen, doch het bestreden arrest geeft evenmin blijk van een juiste rechtsopvatting waar het op ongenuanceerde wijze oordeelt dat in geval van beschikking van buitenvervolgingstelling in een derde staat, de uitlevering moet worden geweigerd, dan wanneer er slechts sprake is van een facultatieve weigeringsgrond. Nu de appelrechters geen redenen aanduiden, eigen aan de zaak, die de facultatieve weigering van de uitlevering te dezen rechtvaardigen, is hun beslissing niet naar behoren onderbouwd en mitsdien niet cassatiebestendig. Op grond van een door het Hof aan te voeren ambtshalve middel is er derhalve toch aanleiding tot cassatie met verwijzing. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100615.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div