id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 21 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100621.7 Rolnummer: C.09.0113.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-23 Raadplegingen: 219 - laatst gezien 2026-07-02 16:57 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100621.7 Fiches 1 - 2 Uit de artikelen 3, §6, 5° en 11, eerste lid van het Delegatiebesluit en de artikelen 70, §2, eerste lid en 196bis van het Stedenbouwdecreet 1999 volgt dat het artikel 70, §2, eerste lid van het Stedenbouwdecreet 1999 juncto het artikel 196bis, eerste lid van dit decreet, voorzien in een uitzondering in de zin van artikel 11 van het Delegatiebesluit op de bevoegdheid van de Vlaamse minister van Binnenlandse aangelegenheden en dat, ingeval het onteigeningsplan tegelijk met het plan van aanleg wordt opgemaakt, de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, bevoegd voor het goedkeuren van het plan van aanleg, ook de bevoegdheid heeft het onteigeningsplan goed te keuren en de daarmee verbonden bevoegdheid tot het verlenen van de onteigeningsmachtiging
(1).
(1)Zie de conclusies van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - RUIMTELIJKE ORDENING. PLAN VAN AANLEG UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Onteigening (verwezenlijking plan) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONTEIGENING - Onteigeningswet - Administratieve fase Vrije woorden: Onteigening ten algemenen nutte - Administratieve fase - Verwezenlijking plan - Onteigeningsplan dat tegelijk met het plan van aanleg wordt opgemaakt - Procedure - Verlenen van onteigeningsmachtiging - Bevoegde minister Wettelijke bepalingen: Besluit Vlaamse Regering - 27-07-2004 - Artt. 3, § 6, 5° en 11, eerste lid Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Artt. 70, § 2, eerste lid en 196bis Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Onteigening (verwezenlijking plan) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONTEIGENING - Onteigeningswet - Administratieve fase Vrije woorden: Administratieve fase - Verwezenlijking plan - Onteigeningsplan dat tegelijk met het plan van aanleg wordt opgemaakt - Procedure - Verlenen van onteigeningsmachtiging - Bevoegde minister Wettelijke bepalingen: Besluit Vlaamse Regering - 27-07-2004 - Artt. 3, § 6, 5° en 11, eerste lid Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Artt. 70, § 2, eerste lid en 196bis Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal MORTIER. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - RUIMTELIJKE ORDENING. PLAN VAN AANLEG UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Onteigening (verwezenlijking plan) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONTEIGENING - Onteigeningswet - Administratieve fase Vrije woorden: Onteigening ten algemenen nutte - Administratieve fase - Verwezenlijking plan - Onteigeningsplan dat tegelijk met het plan van aanleg wordt opgemaakt - Procedure - Verlenen van onteigeningsmachtiging - Bevoegde minister Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Onteigening (verwezenlijking plan) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONTEIGENING - Onteigeningswet - Administratieve fase Vrije woorden: Administratieve fase - Verwezenlijking plan - Onteigeningsplan dat tegelijk met het plan van aanleg wordt opgemaakt - Procedure - Verlenen van onteigeningsmachtiging - Bevoegde minister Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ C.09.0113.N Conclusie van advocaat-generaal R. MORTIER:
- Krachtens artikel 16 GW kan niemand van zijn eigendom ontzet worden dan ten algemene nutte, in de gevallen en op de wijze bij wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling. Het Grondwettelijk Hof oordeelde bij arrest nr.115/2004 van 30 juni 2004 dat de Grondwetgever door het gebruik van de woorden "bij wet bepaald" alleen de bevoegdheid van de uitvoerende macht heeft willen uitsluiten door de bevoegdheid om de gevallen en de nadere regels van onteigening voor te behouden aan democratisch verkozen beraadslagende vergaderingen.
- Krachtens artikel 79 van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980 werd aan de Vlaamse regering de bevoegdheid verleend over te gaan tot onteigeningen ten algemenen nutte in de gevallen en volgens de modaliteiten bepaald bij decreet, met inachtneming van de bij wet vastgestelde gerechtelijke procedures en van het principe van de billijke en voorafgaande schadeloosstelling bepaald bij artikel 11 van de Grondwet. Bij decreet van 13 april 1988 werden de gevallen en de modaliteiten bepaald waarbij de Vlaamse Executieve kan overgaan tot onteigeningen ten algemene nutte inzake de gewestelijke aangelegenheden. Tevens werd in artikel 3 bepaald dat de Executieve andere rechtspersonen, die bevoegd zijn om onroerende goederen ten algemene nutte te onteigenen, kan machtigen tot onteigening in de gevallen waarin zij oordeelt dat de verkrijging ervan noodzakelijk is voor de uitbouw van de infrastructuur of voor het beleid inzake de gewestelijke aangelegenheden, zoals bepaald in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen. Deze machtigingen zullen verleend worden met overeenkomstige toepassing van de regels en procedures voorgeschreven bij de inzake onteigeningen geldende wetgeving. In het advies van de Raad van State bij het ontwerp van bovenvermeld decreet werd erop gewezen dat de machtiging tot onteigening een maatregel is die tot het specifiek toezicht behoort, wat in geregionaliseerde aangelegenheden zaak is van de Executieve en dit standpunt aansluit bij de algemene opzet van de staatshervorming, waarbij Gemeenschappen en Gewesten autonoom exclusieve bevoegdheden uitoefenen. De Executieven moeten over middelen en instrumenten beschikken om in de aangelegenheden waarvoor zij bevoegd zijn een coherent en sluitend beleid te voeren.
(1)- Het Besluit van de Vlaamse executieve van 19 december 1991 inzake onteigeningen ten algemene nutte ten behoeve van gemeenten, de provincies, de intercommunale verenigingen en de gewestelijke ontwikkelingsmaatschappijen bepaalt in artikel 1 dat de Vlaamse Minister, bevoegd voor binnenlandse aangelegenheden, behoudens in de gevallen bepaald in de wet, bevoegd is om de gemeenten, provincies, intercommunale verenigingen en de gewestelijke ontwikkelingsmaatschappijen te machtigen over te gaan tot onteigeningen ten algemene nutte, met instemming van de functioneel bevoegde Vlaamse Minister. Dit betekent bij voorbeeld dat de Vlaamse minister die bevoegd is voor cultuur moet instemmen met een onteigening voor de oprichting of uitbreiding van een bibliotheek, en onder andere de Vlaamse minister die bevoegd is voor economie moet instemmen met een onteigening voor de aanleg en uitrusting van een bedrijventerrein. In de omzendbrief B.A. 93/08 van 14 juli 1993 betreffende onteigeningen ten algemene nutte - procedurevoorschriften meldt de minister van binnenlandse aangelegenheden dat hij ingevolge het bepaalde in artikel 1 de instemming zal vragen aan de functioneel bevoegde minister en de onteigenende instanties er goed aan doen vooraf het standpunt van de functioneel bevoegde minister te vragen en die instemming aan het dossier toe te voegen waardoor de machtiging sneller zal kunnen verleend worden 4.Het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juli 2004 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering gaf in artikel 3, §3 aan viceminister- president Dirk Van Mechelen onder andere de bevoegdheid inzake stedenbouw en ruimtelijke ordening. Hij oefent tevens, overeenkomstig artikel 4, het bestuur van en het toezicht op de diensten, instellingen en rechtspersonen uit vermeld onder 3°. Artikel 5, 8° bepaalt dat inzake de aangelegenheden die hen krachtens artikel 3 zijn toegewezen, de leden van de Vlaamse regering, elk wat hem of haar betreft bevoegd zijn voor het verlenen van onteigeningsmachtigingen, onverminderd de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 19 december 1991 inzake onteigeningen ten algemene nutte ten behoeve van de gemeenten, de provincies, de intercommunale verenigingen en de gewestelijke ontwikkelingsmaatschappijen. Artikel 6 bepaalt dat elk lid van de Vlaamse Regering de in dit Hoofdstuk gedelegeerde beslissingsbevoegdheid uitoefent in de aangelegenheden die hem zijn toegewezen. Deze delegaties gelden ook voor beslissingen die betrekking hebben op aangelegenheden die tot de bevoegdheid behoren van meerdere leden van de Vlaamse Regering. De gedelegeerde beslissingsbevoegdheden worden uitgeoefend binnen de perken en met inachtneming van de voorwaarden en modaliteiten die zijn vastgelegd in wetten, decreten, besluiten en omzendbrieven. Zo bepaalt artikel 11 dat de Vlaamse Minister, bevoegd voor binnenlandse aangelegenheden, de delegatie heeft om onteigeningsmachtigingen te verlenen ten algemene nutte, behoudens in de gevallen bepaald in de wet, aan de gemeenten, de provincies, de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en de erkende provinciale ontwikkelingsmaatschappijen overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 inzake onteigeningen ten algemene nutte ten behoeve van gemeenten, de provincies, de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en de erkende provinciale ontwikkelingsmaatschappijen. De leden van de Vlaamse regering hebben delegatie om onteigeningsmachtigingen te verlenen aan instellingen of rechtspersonen die onder hun bevoegdheid vallen. Wanneer de aangelegenheid waarvoor de onteigening zich opdringt behoort tot de bevoegdheid van een ander lid van de Vlaamse Regering, wordt de machtiging verleend met instemming van dit lid.
- Uit deze wettelijke bepalingen volgt dat de Vlaamse regering de bevoegdheid om onteigeningsmachtigingen te verlenen aan gemeenten principieel delegeert aan de Minister bevoegd voor binnenlandse aangelegenheden. De delegatie van de bevoegdheid tot het geven van onteigeningsmachtigingen aan elke Minister wat betreft de instellingen en rechtspersonen die onder zijn of haar bevoegdheid vallen, betreft niet de gemeenten, provincies, de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en de erkende provinciale ontwikkelingsmaatschappijen, maar enkel de instellingen en rechtspersonen opgesomd onder artikel
- Voor de Minister van ruimtelijke ordening betreft dit dus enkel onteigeningsmachtigingen die verleend worden aan de instellingen en rechtspersonen vermeld onder artikel 4, 3°. Het tweede lid van artikel 11 doet dus geen afbreuk aan de principiële bevoegdheid van de Minister van binnenlandse aangelegenheden om aan gemeenten onteigeningsmachtigingen te geven.
- In voorliggende zaak wordt niet betwist dat de Vlaamse Regering machtiging kan verlenen aan gedecentraliseerde besturen om tot onteigening over te gaan. Evenmin werd betwist dat de Vlaamse Regering haar bevoegdheden kan delegeren aan haar individuele leden. De discussie betreft evenwel de vraag welke Minister binnen de Vlaamse regering bevoegd is de onteigeningsmachtiging te verlenen aan een gemeente indien toepassing moet gemaakt worden van artikel 70, §2 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. Met andere woorden, moet dit artikel al dan niet beschouwd worden als een wetsbepaling, die overeenkomstig artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 december 1991 en artikel 11 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 juli 2004 een afwijking vormt op de principiële bevoegdheid van de Minister van binnenlandse aangelegenheden?
- De regels in verband met onteigening zoals voorzien in het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening zijn in grote mate gelijk gebleven aan de bepalingen van de stedenbouwwet van 29 maart 1962 en nadien het coördinatiedecreet van 22 oktober
- Artikel 69 DRO bepaalt dat elke verwerving van onroerend goed, vereist voor de verwezenlijking van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, door onteigening ten algemene nutte kan totstand gebracht worden. Eenzelfde bepaling was reeds voorzien in artikel 25 van de stedenbouwwet en nadien in artikel 23 van het coördinatiedecreet. Artikel 26 van de stedenbouwwet en nadien artikel 24 van het coördinatiedecreet bepaalden dat om de nodige onteigeningen voor de uitvoering van een plan van aanleg te verrichten, de onteigenende instantie in het bezit moet zijn van een door de (Koning) Vlaamse regering goedgekeurd onteigeningsplan dat geheel of gedeeltelijk toepasselijk is op het in het plan van aanleg afgebeelde grondgebied. Het (koninklijk besluit) besluit van de Vlaamse regering kan tegelijk op het plan van aanleg en op het desbetreffende onteigeningsplan betrekking hebben. De administratieve fase van een onteigeningsprocedure verloopt verschillend naar gelang het onteigeningsplan al dan niet samen met het ruimtelijk uitvoeringsplan, resp. plan van aanleg waarvan het de uitvoering moet verzekeren, wordt opgemaakt. Artikel 28 van de stedenbouwwet en nadien in artikel 26 van het coördinatiedecreet bepaalden reeds: Wanneer het onteigeningsplan en het plan van aanleg terzelfder tijd worden opgemaakt, worden beide samen onderworpen aan de formaliteiten bepaald voor het opmaken van het plan van aanleg. Ook het DRO bepaalt in artikel 70 dat het onteigeningsplan dat ter uitvoering van dit decreet tegelijkertijd met het ruimtelijk uitvoeringsplan wordt opgemaakt, tegelijk met het ruimtelijk uitvoeringsplan onderworpen wordt aan de procedureregels bepaald voor het opmaken van dat ruimtelijk uitvoeringsplan. Evenwel wordt een uitvoeringsplan dat gekoppeld is aan een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan dat ter goedkeuring aan de bestendige deputatie wordt voorgelegd, niet aan die bestendige deputatie maar aan de Vlaamse regering ter goedkeuring voorgelegd, na de goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan door de bestendige deputatie. De vlaamse regering beslist over het onteigeningsplan en verleent een onteigeningsmachtiging conform de wetgeving inzake onteigeningen. Krachtens artikel 196bis zijn deze regels ook van toepassing bij de verwerving van onroerende goederen, vereist voor de verwezenlijking van de plannen van aanleg bedoeld in het coördinatiedecreet van 22 oktober
- De plannen van aanleg werden overeenkomstig het bepaalde in de stedenbouwwet en het coördinatiedecreet finaal goedgekeurd door de Vlaamse regering in de persoon van de Minister die de ruimtelijke ordening onder zijn bevoegdheid heeft. De goedkeuring door de Vlaamse regering slaat op de conformiteit met de wet en het algemeen belang, maar ook op de inhoudelijke opportuniteit. De goedkeuring is noodzakelijk om uitvoerende kracht te verlenen aan de onteigeningsplannen.
(2)De bevoegdheid om onteigeningen te machtigen is krachtens artikel 16 GW opgedragen aan de wetgevende macht of de Koning en deze bevoegdheden kunnen in het kader van de gewestvorming enkel uitgeoefend worden door de decreetgever of de gewestregering en niet door de bestendige deputatie.
(3)Hieruit volgt dat, indien het onteigeningsplan, krachtens artikel 70, §2 DRO dezelfde procedure volgt als het plan van aanleg, ook het onteigeningsplan door dezelfde minister goedgekeurd. De bedoeling van deze bepaling is immers het stroomlijnen van de verschillende procedures tot een coherent geheel en beletten dat datgene wat om efficiëntieredenen samen werd opgemaakt (onteigeningsplan en ruimtelijk uitvoeringsplan resp. plan van aanleg) aan twee verschillende procedures zou onderworpen worden. Deze procedureregels werden, in het kader van de stedenbouwwet, bepaald door de wetgever en nadien overgenomen in het kader van het coördinatiedecreet en het DRO overgenomen door de decreetgever. Het gaat hierbij om het veststellen van de te volgen procedure en niet om het toebedelen van een rechtstreekse bevoegdheid van de decreetgever aan een welbepaald Minister binnen de Vlaamse regering. Dit gebeurde immers door de voormelde besluiten van 19 december 1991 en 27 juli 2004 van de Vlaamse Regering. Bij de beoordeling van wat onder "in de gevallen bij de wet bepaald" zoals vermeld in deze besluiten van de Vlaamse regering lijkt het mij niet aangewezen een onderscheid te maken tussen de termen "wet " en "decreet". De term "wet" in de besluiten van de Vlaamse regering wordt mijns inziens in generieke zin gebruikt en betekent in die zin "elke akte die uitgaat van een beraadslagende vergadering". In dit verband kan ook gewezen worden naar het standpunt van het Arbitragehof in arrest nr.65 van 15 juni 1988 met betrekking tot de impliciete wijziging van de wetten met betrekking tot de aangelegenheden die aan de Gemeenschappen of de Gewesten zijn overgedragen en de gevolgen hiervan voor een aantal begrippen
(4).
- Uit wat voorafgaat volgt dat artikel 70, §2 DRO kan beschouwd worden als een bij de wet bepaald geval waarin niet de Minister van binnenlandse aangelegenheden de onteigeningsmachtiging verleent, maar wel de Minister die de ruimtelijke ordening onder zijn bevoegdheid heeft. De tussenkomst van de Minister van binnenlandse aangelegenheden is ingeval van een parallelle procedure, in toepassing van artikel 70, §2 DRO dus niet vereist. Gaat het niet om een gelijklopende procedure blijft deze Minister wel bevoegd.
- De appelrechters oordelen dat ingeval van toepassing van artikel 70, §2 enkel de Vlaams Minister van Binnenlandse aangelegenheden en niet de Vlaamse minister van Ruimtelijke ordening de bevoegdheid heeft om de onteigeningsmachtiging te verlenen. In het enig middel voeren eisers terecht aan dat dit oordeel de artikelen 70, §2 en 196bis DRO, en de artikelen 3, §6, 5° en 11, eerste lid van het besluit van de Vlaamse regering van 27 juli 2004 schendt. Het middel is in zoverre gegrond. Conclusie: VERNIETIGING __________
(1)Ontwerp van Decreet, BZ1988, 59/3.
(2)R. Vekeman, Ruimtelijke ordening en stedenbouw, planologie, verordeningen en vergunningen, Kluwer, 2006, 173-174.
(3)W. Rasschaert, o.c., 399.
(4)Onder rubriek 2.B.3. werd geoordeeld dat de wetten met betrekking tot de aangelegenheden die aan de Gemeenschappen of de Gewesten zijn overgedragen en die van voor de Staatshervorming dateren bij de bijzondere wet van 8 augustus 1980 impliciet gewijzigd zijn.... En een wet aangenomen in een eenheidsstaat thans in het licht van de Staatshervorming moet gelezen worden. Telkens een onteigening een gewestelijke of gemeenschapsaangelegenheid betreft is het vereist de bewoordingen "De Koning" en "koninklijk besluit" te vervangen door "de Executieve" en "besluit van de executieve". Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100621.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div