id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 24 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100624.2 Rolnummer: C.09.0365.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Insolventierecht - Burgerlijk recht - Belastingrecht Invoerdatum: 2010-07-02 Raadplegingen: 337 - laatst gezien 2026-07-02 16:51 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100624.2 Fiche 1 Schuldvergelijking na faillissement is in beginsel uitgesloten; in de gevallen waar er een nauwe samenhang bestaat tussen de schuldvorderingen, is de schuldvergelijking mogelijk ook al zijn de voorwaarden voor schuldvergelijking eerst na het faillissement in vervulling gegaan; schuldvergelijking blijft dus in beginsel uitgesloten tussen schulden en schuldvorderingen ontstaan vóór het faillissement en schuldvorderingen en schulden ontstaan na het faillissement, ook al is er samenhang
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M; Op 24 juni 2010 heeft het Hof een analoog arrest uitgesproken in de zaak F.O9.OO85.N. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - ALLERLEI UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Tenietgaan verbintenis - Schuldvergelijking Vrije woorden: Schulden en schuldvorderingen ontstaan vóór en na het faillissement - Mogelijkheden tot schuldvergelijking Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1298 Wet - 08-08-1997 - Art. 17.2 Fiches 2 - 3 Artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, dat de schuldvergelijking na samenloop ook mogelijk maakt tussen niet-samenhangende vorderingen, geldt alleen voor vorderingen die ontstaan zijn vóór de samenloop, te dezen, vóór de faillietverklaring; die bepaling laat derhalve geen schuldvergelijking toe tussen een fiscale schuldvordering ontstaan vóór de faillietverklaring van de belastingschuldige en fiscale tegoeden die aan de curator dienen te worden terugbetaald ingevolge de handelsverrichtingen voortgezet door hem na de faillietverklaring van de betrokken belastingplichtige
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M.; Op 24 juni 2010 heeft het Hof een analoog arrest uitgesproken in de zaak F.09.0058.N. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - ALLERLEI UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Tenietgaan verbintenis - Schuldvergelijking Vrije woorden: Faillissement - Fiscale schuldvordering ontstaan vóór het faillissement - Fiscaal tegoed ontstaan na het faillissement - Mogelijkheden tot schuldvergelijking Wettelijke bepalingen: Wet - 27-12-2004 - Art. 334 Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Tenietgaan verbintenis - Schuldvergelijking Vrije woorden: Faillissement - Fiscale schuldvordering ontstaan vóór het faillissement - Fiscaal tegoed ontstaan na het faillissement - Mogelijkheden tot schuldvergelijking Wettelijke bepalingen: Wet - 27-12-2004 - Art. 334 Fiches 4 - 6 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - ALLERLEI UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Tenietgaan verbintenis - Schuldvergelijking Vrije woorden: Schulden en schuldvorderingen ontstaan vóór en na het faillissement - Mogelijkheden tot schuldvergelijking Faillissement - Fiscale schuldvordering ontstaan vóór het faillissement - Fiscaal tegoed ontstaan na het faillissement - Mogelijkheden tot schuldvergelijking Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Tenietgaan verbintenis - Schuldvergelijking Vrije woorden: Faillissement - Fiscale schuldvordering ontstaan vóór het faillissement - Fiscaal tegoed ontstaan na het faillissement - Mogelijkheden tot schuldvergelijking Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ C.09.0365.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: I. De feiten en procedurevoorgaanden.
- Bij vonnis van 14 januari 2003 werd de NV Sofinal Cotesa door de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk failliet verklaard en werden eerste, tweede en derde eisers aangesteld als curatoren. Op 5 februari 2003 diende het Ontvangkantoor van de BTW te Zottegem een provisionele aangifte van schuldvordering in voor een bedrag van euro 2,
- Naar aanleiding van de vereffening van het faillissement dienden de curatoren bij de BTW twee verzamelaangiftes in m.b.t. de periode na het faillissement. Uit deze aangifte bleek dat de curatoren euro 174.545,01 meer BTW hadden betaald dan ontvangen tijdens de voortzetting der handelsactiviteiten. Bij aangetekend schrijven van 13 maart 2006 deed de BTW afstand van haar aangifte van schuldvordering in het faillissement. Op 15 maart 2006 liet de BTW weten dat het bedrag van euro 174.545,01 niet aan de curatoren zou worden terugbetaald maar zou worden aangewend ter gedeeltelijke compensatie met de schuld van de gefailleerde bij de administratie der directe belastingen uit de periode van vóór het faillissement. Deze schuld bedroeg euro 498.149,
- De curatoren betwistten de doorgevoerde schuldvergelijking en vorderden lastens de BTW betaling van de som van euro 174.545,
- De Rechtbank van Koophandel te Kortrijk sprak vonnis uit op 7 november 2006 waarbij de vordering van de curatoren ontvankelijk doch ongegrond werd verklaard. De rechtbank was van oordeel dat de schuldvergelijking wettig werd doorgevoerd overeenkomstig het artikel 334 van de Programmawet van 27 december
- De curatoren tekenden hoger beroep aan tegen deze beslissing. Bij arrest van 14 januari 2008 verklaarde het Hof van Beroep te Gent het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Het vonnis a quo werd volledig bevestigd. II. De voorziening in cassatie.
- In het eerste onderdeel van het enig middel tot cassatie voeren eisers aan dat de appelrechters, door te beslissen dat het artikel 334 van de Programmawet van 27 december 2004 de fiscale schuldvergelijking ook toelaat tussen een BTW-tegoed, ontstaan nà het faillissement, en directe belastingen die reeds vóór het faillissement door de gefailleerde verschuldigd waren, aan voormeld artikel 334 van de Programmawet van 27 december 2004 een draagwijdte geven die het niet heeft en ze deze wetsbepaling schenden in haar versie, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 22 december
- De appelrechters konden, volgens eisers, op die gronden, wat betreft de schuldvergelijking tussen een tegoed van de boedel en een schuldvordering in de boedel, dan ook niet wettig beslissen om af te wijken van het gelijkheidsbeginsel van de schuldeisers in geval van faillissement nu het artikel 334 van de Programmawet van 27 december 2004 op dit punt niet afwijkt van de gemeenrechtelijke regels.
- Overeenkomstig artikel 1298 B.W. mag compensatie geen nadeel toebrengen aan de verworven rechten van derden. Zulks impliceert dat na samenloop schuldvergelijking in beginsel uitgesloten is omdat hierdoor afbreuk wordt gedaan aan de gelijkheid tussen schuldeisers (E. DIRIX, "Zekerheden-Overzicht van rechtspraak (1998-2003)", T.P.R. 2004, 1209-1210, nr. 62). Zo is na het vonnis dat het faillissement uitspreekt in beginsel geen compensatie meer mogelijk. Zijn de voorwaarden voor de wettelijke compensatie eerst vervuld na het faillissement of door het faillissement (bijv. door het opeisbaar worden van de vordering), dan is de schuldvergelijking niet tegenwerpelijk aan de boedel. Waren de voorwaarden reeds voorhanden voor het faillissement - zij het zelfs in de verdachte periode - dan blijft de compensatie verworven. Dat het bestaan van deze voorwaarden eerst komt vast te staan in een later gewezen vonnis doet hieraan geen afbreuk. Dit zal het geval zijn wanneer het bestaan van de schuldvordering door de wederpartij niet op ernstige wijze werd betwist of wanneer het bedrag van de schuldvordering zonder veel omhaal kon worden vastgesteld (E. DIRIX en R. DE CORTE, Zekerheidsrechten, Kluwer, 2006, nr. 555, p. 382-383). Op het verbod van compensatie na faillissement en andere gevallen van samenloop wordt echter traditioneel een uitzondering gemaakt voor de zgn. verknochte of samenhangende vorderingen. Beide schuldvorderingen moeten evenwel zijn ontstaan voor de samenloop. Aldus kan geen compensatie plaatsvinden tussen een schuldvordering op de gefailleerde en een tegenvordering van de boedel van na het faillissement. De faillissementsboedel vormt immers een doelvermogen (E. DIRIX en S.C.J.J. KORTMANN, "Compensatie en concursus creditorum", T.P.R. 1989, 1666-1667, nr. 7). Aldus kan een verzekeringsmaatschappij een schuldvordering voor premies vervallen voor de samenloop niet verrekenen met een tegenvordering van de vereffenaar voor terugbetaling van teveel betaalde premies die de periode van de vereffening betreffen (Cass. 2 september 1982, A.C. 1982-83, 3; R.W. 1983-84, 523; E. DIRIX en R. DE CORTE, o.c., nr. 556, p. 383-384).
- De vraag stelt zich ten deze in welke mate artikel 334 van de Programmawet van 27 december 2004 afwijkt van hoger vermelde beginselen van het gemeen burgerlijk recht aangaande de schuldvergelijking (artt. 1289 tot 1299 B.W.). Dit artikel 334 maakt deel uit van hoofdstuk III "Aanwending van terug te geven of te betalen sommen" van de Programmawet en bepaalt het volgende: "Elke som die aan een belastingplichtige moet worden teruggegeven of betaald in het kader van de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de inkomstenbelastingen en de ermee gelijkgestelde belastingen, de belasting over de toegevoegde waarde of krachtens de bepalingen van burgerlijk recht met betrekking tot de onverschuldigde betaling, kan door de bevoegde ambtenaar zonder formaliteit worden aangewend ter betaling van de door deze belastingschuldige verschuldigde voorheffingen, inkomstenbelastingen en ermee gelijkgestelde belastingen, de belasting over de toegevoegde waarde, in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen, fiscale of administratieve geldboeten, interesten en kosten, wanneer deze laatste niet of niet meer wordt betwist. Het voorgaande lid blijft van toepassing in geval van beslag, overdracht, samenloop of een insolvabiliteitsprocedure ".
- Het staat vast dat de wetgever met het invoeren van voorgaande bepaling tot doel had in fiscale zaken een van het gemeen recht afwijkende schuldvergelijking in te stellen. Gezien het een afwijkende regeling betreft, moet worden nagegaan waarvan de wetgever precies heeft willen afwijken (M. DE THEIJE, "Fiscale schuldvergelijking", noot bij Beslagr. Brussel, 13 mei 2005, R.W. 2005-06, 1071). Dit geldt in het bijzonder voor de laatste zin van artikel 334 dat door in de aangegeven omstandigheden af te wijken van het principe van de gelijkheid tussen schuldeisers, een bevoorrechte positie toekent aan de fiscus terwijl de gewijzigde faillissementswetgeving voor de fiscus precies niet langer meer een voorkeurbehandeling voorziet (B. VANERMEN, "Onbeperkt uitstel van de invordering van directe belastingen en aanrekening van terug te betalen bedragen op belastingschulden", R.W. 2005-06, nr. 43, 291). Uit de voorbereidende werken van de Programmawet blijkt dat de wetgever bij afwijking van het principe van de gelijkheid tussen schuldeisers een correctie beoogde in te voeren op artikel 17, 2°, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 (zie het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 107/2006 d.d. 21 juni 2006). Die bepaling van de Faillissementswet concretiseert de gelijkheid van de schuldeisers voor wat schulden aangaat in de massa of met andere woorden schulden ontstaan uit verrichtingen van voor het faillissement. Ze heeft aldus geen betrekking op verrichtingen van na het faillissement, zoals het door de curator verder zetten van de activiteiten van de gefailleerde. De schuldvorderingen die daaruit ontstaan, maken schulden uit van de boedel. De rechtsleer wijst er in dit verband op dat de curator bij de verrichtingen van voortzetting van de activiteiten optreedt als boedelvertegenwoordiger en het in die hoedanigheid is dat hij contracteert (J. MEERTS, "II. Het faillissement - H. Het passief van het faillissement -
- De boedelschulden" in Gerechtelijk akkoord & Faillissement, nr. 5.3.2, 28). Wat in het bijzonder de BTW aangaat, moet in deze context worden opgemerkt dat de rekening van de gefailleerde ten gevolge van de faillietverklaring ambtshalve wordt afgesloten waarop vervolgens, in geval van het bestaan van een saldo ten voordele van de administratie, de aangifte van schuldvordering in het faillissement volgt. Wanneer de curator na faillissement de verrichtingen van de gefailleerde voortzet, dan gebeurt verrekening alleen tussen de verschuldigde BTW en de eventuele voorbelasting waarvan het recht op aftrek is ontstaan na het faillissement en heeft de administratie gebeurlijk recht op betaling van het haar toekomende verschuldigde saldo zonder de procedure van het faillissement te moeten volgen (aanschrijving 78/026, nrs. 3 en 35). Aan het voorgaande wordt geen afbreuk gedaan door het door artikel 2, 2de lid, van het BTW-wetboek ingestelde vermoeden naar luid waarvan de door de curator in uitvoering van zijn opdracht gestelde handelingen worden geacht te zijn verricht door de gefailleerde. Dat vermoeden heeft immers alleen tot doel de handelingen van de curator tot de werkingsfeer van de BTW te laten behoren (aanschrijving 78/026, nr. 2) en hem te onderwerpen aan de hieruit voortvloeiende BTW-verplichtingen. Uit niets blijkt dat artikel 334 van de Programmawet in een afwijking zou voorzien van het beginsel dat schuldvergelijking tussen een vordering in het passief van het faillissement en een vordering van de boedel uitgesloten is (M. DE THEIJE, o.c., 1072).
- Eisers' standpunt blijkt bovendien in overeenstemming te zijn met het gelijkheidsbeginsel neergelegd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In een arrest van 19 maart 2009 (nr. 55/2009) werd door het Grondwettelijk Hof immers het volgende voor recht gezegd: "In zoverre artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004 in het geval van een faillissement de compensatie toelaat tussen een fiscale schuld voorafgaand aan de faillietverklaring en een fiscale schuldvordering die is ontstaan uit de bekendmakingen die aan de curator van een faillissement worden opgelegd bij de artikelen 38 en 40 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, schendt het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet." Zo het in die zaak weliswaar gaat om een fiscale schuldvordering ontstaan in hoofde van de curator ingevolge uitvoering van verplichtingen hem opgelegd door de artikelen 38 en 40 van de Faillissementswet, dan onderstreept het Grondwettelijk Hof toch "dat een vordering uit de boedel (...) van een andere aard is dan de schuldvorderingen die zijn ontstaan uit de verrichtingen van voor het faillissement" (overweging B.5.4). Het hoeft geen verder betoog dat een door de curator na het faillissement opgebouwd B.T.W.-tegoed in het kader van het verder zetten van de activiteiten van de gefailleerde belastingplichtige eveneens kan gekwalificeerd worden als een vordering uit de boedel die van een andere aard is dan de schuldvorderingen die zijn ontstaan uit de verrichtingen van vóór het faillissement.
- De appelrechters die in casu oordelen dat ingevolge artikel 334 van de Programmawet van 27 december 2004 "compensatie van toepassing blijft in geval van beslag, overdracht, samenloop of een insolvabiliteitsprocedure o.a. in geval van faillissement" en dat "de schuldvergelijking kan plaatsvinden op het ogenblik dat de aan te zuiveren schuldvordering en de schuld over en weer eisbaar zijn, in casu op het ogenblik dat het BTW-tegoed vaststaand en opeisbaar was", verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel komt mij dan ook gegrond voor. Besluit: VERNIETIGING. ARREST Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100624.2 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240606.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div