id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100910.1 Rolnummer: F.08.0086.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-09-27 Raadplegingen: 268 - laatst gezien 2026-07-01 13:35 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100910.1 Fiche 1 Een inbreng in een vennootschap kan een verrichting uitmaken in de zin van artikel 90, 1°, van het W.I.B.
(1992), ook al bestaat het ingebrachte uit een onstoffelijk goed, zoals de knowhow
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Diverse inkomsten UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Belang FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Diverse inkomsten - Bepaling PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Toevallige winsten en baten - Inbreng in een vennootschap - Vereisten - Onstoffelijk goed Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 90, 1° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 2 Om te beoordelen of een inbreng in een vennootschap al dan niet een winst of baat oplevert in de zin van artikel 90, 1°, van het W.I.B.
(1992), volstaat het dat de winst volledig voortspruit uit de inbrengverrichting zelf, zonder dat vereist is dat de inbrengwaarde volledig abnormaal is, dit is meer bedraagt dan de eigenlijke waarde op het ogenblik van de inbreng
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Diverse inkomsten UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Belang FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Diverse inkomsten - Bepaling PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Toevallige winsten en baten - Inbreng in een vennootschap - Vereisten - Abnormale inbrengwaarde Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 90, 1° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 3 Voor het verkrijgen van de vrijstelling van belastbaarheid waarin artikel 90, 1°, van het W.I.B.
(1992)voorziet voor normale verrichtingen van beheer van het privé-vermogen, moet dat vermogen bestaan uit onroerende goederen, portefeuillewaarden of roerende voorwerpen zodat onlichamelijke goederen terzake uitgesloten zijn
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Diverse inkomsten UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Belang FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Diverse inkomsten - Bepaling PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Toevallige winsten en baten - Vrijstelling van belastbaarheid - Normale verrichtingen van beheer van het privé-vermogen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 90, 1° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiches 4 - 6 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Diverse inkomsten UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Belang FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Diverse inkomsten - Bepaling PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Toevallige winsten en baten - Inbreng in een vennootschap - Vereisten - Onstoffelijk goed Toevallige winsten en baten - Inbreng in een vennootschap - Vereisten - Abnormale inbrengwaarde Toevallige winsten en baten - Vrijstelling van belastbaarheid - Normale verrichtingen van beheer van het privé-vermogen Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ F.08.0086.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: 1. In onderhavige zaak had eiser in de NV NOORDZEE HELIKOPTERS VLAANDEREN, samen met de heer V., een inbreng in natura verricht, betiteld als "know-how", opgesplitst in, enerzijds, de waarde van de door hen reeds geleverde prestaties en betaalde kosten tijdens de voorbereidingsfase van de oprichting van de vennootschap, anderzijds, de waarde van de eigenlijke knowhow. Deze inbreng was door voormelde vennootschap vergoed onder de vorm van aandelen, waarbij elk van hen een pakket aandelen verkreeg ter waarde van 246.654,06 euro (9.950.000 BEF). De volledige inbrengwaarde van deze inbreng in natura werd door de fiscus belast als divers inkomen op grond van artikel 90, 1°, van het W.I.B.
(1992). Deze bepaling stelt de diverse inkomsten belastbaar die bestaan uit "winst of baten, hoe ook genaamd, die zelfs occasioneel of toevallig, buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, voortkomen uit enige prestatie, verrichting of speculatie of uit diensten bewezen aan derden, daaronder niet begrepen normale verrichtingen van beheer van een privé-vermogen bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen". 2. Volgens het eerste middel, dat schending aanvoert van artikel 90, 1°, W.I.B.
(1992), wordt in deze bepaling niet de eigenlijke meerwaarde, gerealiseerd in het kader van de geviseerde verrichtingen, belastbaar gesteld, maar enkel de winst of de baten die het gevolg zijn van dergelijke verrichtingen. Ingeval van een verrichting van inbreng in een vennootschap is volgens eiser bijgevolg enkel "het abnormale gedeelte van de tegenprestatie, d.i. het deel van de vergoeding dat verkregen wordt n.a.v. de verrichting en dat de eigenlijke waarde van de ingebrachte bestanddelen op het ogenblik van de inbreng overstijgt" belastbaar. Waar het bestreden arrest oordeelde dat deze vergoeding onder de vorm van aandelen volledig als winst belastbaar was onder artikel 90,1° W.I.B.
(1992), zonder evenwel te hebben vastgesteld dat deze volledige vergoeding "abnormaal" is, d.w.z. meer bedraagt dan de eigenlijke waarde van de verrichtingen op het ogenblik van de inbreng, zou het bestreden arrest zodoende deze bepaling hebben miskend, aldus het eerste middel. Bijkomend zou het bestreden arrest ook de bewijskracht hebben miskend van het revisorenverslag van 12 mei 1997, dat de basis vormde voor de waardering van de genoemde prestaties, kosten en knowhow, door daaruit een gevolgtrekking af te leiden die niet verenigbaar is met de bewoordingen en de draagwijdte van dat verslag (schending van de artikelen 1317 t.e.m. 1322 B.W.). 3. De tekst van artikel 90,1° van het W.I.B.
(1992)viseert twee soorten van verrichtingen die buiten een beroepswerkzaamheid worden uitgeoefend: enerzijds, de prestatie, verrichting of speculatie waarbij een meerwaarde wordt gerealiseerd op goederen, anderzijds, de diensten bewezen aan derden
(1). 4. Met betrekking tot de eerstgenoemde categorie van verrichtingen, oordeelde Uw Hof bij arrest van 30 november 2006 dat artikel 90, 1°, W.I.B.
(1992)niet de meerwaarde belast die tot stand komt bij de verkoop buiten de grenzen van het beheer van het privé-vermogen, maar enkel de winst of baten uit een dergelijke verrichting
(2). Waar de zaak die aanleiding gaf tot voormeld cassatiearrest, betrekking had op een verkoop van aandelen, moet de draagwijdte ervan worden beperkt tot de verrichtingen, uitgeoefend buiten een beroeps- werkzaamheid, waarbij lichamelijke goederen worden verkocht, ingebracht, geruild of overgedragen. Enkel in dat geval is niet de meerwaarde, maar de winst of baten die voortkomen uit die verrichting op grond van artikel 90,1° W.I.B.
(1992)belastbaar. 5. Wanneer daarentegen diensten bewezen aan derden het voorwerp uitmaken van een verrichting bedoeld in artikel 90,1° W.I.B.
(1992), heeft voormeld onderscheid tussen de meerwaarde enerzijds, en de winst en baten anderzijds, geen betekenis vermits de winst of baat die via een dergelijke verrichting zal worden verkregen volledig overeenstemt met het "abnormale" gedeelte van de tegenprestatie. Binnen die context kan er van een "meerwaarde" als zodanig geen sprake zijn. Het voorbeeld van een "dienst bewezen aan derden", dat in de hoger geciteerde bijdrage van KIRKPATRICK wordt aangehaald, kan dit illustreren: "Les `services rendus à des tiers': par exemple, un professeur d'université donne occasionnellement une consultation juridique ou accepte occasionnellement une mission d'arbitre. Les honoraires qu'il percevra pour cette `prestation' seront imposables au titre de revenus divers, bien qu'il ne soit évidemment pas question ici de 'speculation'"
(3). Het is inderdaad het volledige honorarium dat wordt ontvangen dat op grond van artikel 90,1° W.I.B.
(1992)belastbaar is als winst of baat zonder dat hier sprake kan zijn van een meerwaarde. Verrichtingen die bestaan uit "diensten bewezen aan derden" kunnen niet zoals goederen worden opgevat als elementen van het vermogen die na het uitvoeren van die verrichtingen uit het vermogen verdwijnen en vervangen worden door een ander element van identieke waarde
(4). De intrinsieke waarde van het vermogen van diegene die de diensten verricht, ondergaat immers geen waardevermindering naar aanleiding van het verrichten van die diensten zodat de volledige vergoeding die aan de dienstverrichter als tegenprestatie wordt toegekend, voor hem een winst of baat uitmaakt in de zin van artikel 90,1° W.I.B.
(1992). 6. Ook wanneer immateriële of onlichamelijke goederen worden overgedragen geldt dezelfde regel. Wanneer de vermogenswaarde van onlichamelijke goederen, zoals knowhow, wordt overgedragen in ruil voor een vergoeding, blijft die knowhow immers eigen aan de inbrenger
(5). Ook hier is het derhalve duidelijk dat de volledige vergoeding die voor deze overdracht zal worden toegekend een winst of baat uitmaakt in de zin van artikel 90,1° W.I.B.
(1992), zonder dat dit zou betekenen, zoals eiser meent, dat de werkelijke waarde van die immateriële vermogensgoederen "nihil" is
(6). Bij arrest van 17 februari 1989 bevestigde Uw Hof dat de occasionele verrichting die erin bestaat met immateriële vermogensgoederen verband houdende rechten niet uit te oefenen, zoals de verbintenis om zich te onthouden van een bepaalde handelsactiviteit, belastbaar is onder de diverse inkomsten
(7). Indien de belastingplichtige onlichamelijke roerende goederen inbrengt of overdraagt en hiervoor een vergoeding bekomt dan zal hij zich onder de toepassingsvoorwaarden van artikel 90, 1° W.I.B.
(1992)bevinden en zal de ontvangen vergoeding voor dat onlichamelijk roerend goed afzonderlijk belast worden. Het is de vermogenswaarde van een onlichamelijk goed dat wordt overgedragen in ruil voor een vergoeding die als divers inkomen kan worden gekwalificeerd (DIERICKX, G., "Vormen de vergoedingen voor de inbreng van onlichamelijke goederen, waaronder knowhow, steeds diverse inkomsten?", T.F.R. 2006,
(99), 103; ROSELETH, J., o.c., 4). 7. Waar in onderhavige zaak door eiser diensten waren bewezen aan derden, met name aan de NV NOORDZEE HELIKOPTERS VLAANDEREN, waarbij eiser prestaties heeft geleverd in de voorbereidingsfase van de oprichting van de vennootschap, terwijl hij ook zijn knowhow ter beschikking had gesteld van die vennootschap, vormde de volledige vergoeding die eiser hiervoor onder de vorm van aandelen had ontvangen, de grondslag voor de berekening van de belasting op grond van artikel 90, 1° W.I.B.
(1992). De vergoeding voor die inbreng is volledig belastbaar omdat het vermogen van eisers, spijts die inbreng, volledig intact is gebleven. Men kan niet stellen dat die inbreng als dusdanig niet belastbaar is, enkel omdat de aandelen de tegenwaarde zijn van de ingebrachte diensten en knowhow
(8). Terecht oordeelde het bestreden arrest derhalve dat de waarde van de aandelen, die voortspruiten uit de inbrengverrichting van eiser, volledig als winst belastbaar is. Het eerste middel, dat uitgaat van een verkeerde rechtsopvatting, faalt naar recht. 8. In zoverre het middel de schending aanvoert van de bewijskracht van het revisorenverslag van 12 mei 1997, op grond dat het bestreden arrest daaruit een gevolgtrekking heeft afgeleid die niet verenigbaar is met de bewoordingen en de draagwijdte van dat verslag, is het m.i. onontvankelijk. De aangevoerde schending van de bewijskracht van het revisorenverslag is immers geheel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 90,1° W.I.B.
(1992). 9. Indien de rechter uit een akte een verkeerde gevolgtrekking afleidt, levert zulks bovendien op zichzelf nog geen schending op van de artikelen 1319, 1320 en 1322 B.W.
(9). De bewijskracht van een akte wordt slechts door de rechter miskend wanneer de rechter aan die akte een uitlegging geeft die onverzoenbaar is met de bewoordingen, de zin en draagwijdte ervan
(10). De grief kan zodoende, hoe dan ook, niet tot cassatie leiden. 10. In het tweede middel wordt het bestreden arrest verweten niet wettig te hebben beslist dat de ganse inbrengverrichting van eiser niet kadert binnen het normaal beheer van een privé-vermogen (schending van artikel 90, 1° W.I.B.
(1992). Volgens het middel volstaan, noch het loutere feit dat eiser buiten zijn beroepswerkzaamheid een knowhow heeft opgebouwd en overgedragen, noch het loutere feit dat de waarde ervan 9.950.000 BEF bedraagt, om deze inbreng uit te sluiten van het begrip "normaal beheer". Tevens verwijt het middel aan het bestreden arrest geen prejudiciële vraag te hebben gesteld in verband met de schending door artikel 90,1° WIB92 van het gelijkheidsbeginsel in zoverre deze bepaling een onderscheid maakt tussen, enerzijds, verrichtingen die het normaal beheer betreffen van een lichamelijk roerend goed, waarvan de inkomsten vrijgesteld zijn van belastingen, en, anderzijds, verrichtingen die verband houden met het normaal beheer van een onlichamelijk roerend goed, waarvan de inkomsten wel belastbaar zijn (schending van de artikelen 10, 11 en 172 G.W. en 26, §2, 2°, tweede lid, van de Wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof).
- De beslissing dat de inbrengverrichting van eiser niet kon worden opgevat als een normale verrichting van beheer van een privé-vermogen werd door de appelrechters gegrond op de volgende vaststelling: "Te dezen overstijgt de vervaardiging en overdracht van een knowhow t.b.v. 9.
- 000 BEF (246.654,06 euro ) de grenzen van het normaal beheer van een privaat vermogen" (folio 855, laatste alinea). Zoals het bestreden arrest correct aangeeft, moet onder "normale" verrichtingen van beheer van een privaat vermogen worden verstaan: "de daden die een goed huisvader verricht voor het dagelijkse beheer, maar tevens met het oog op het winstgevend maken, de tegeldemaking en de wederbelegging van bestanddelen van een vermogen, dit is van goederen die hij heeft verkregen door erfopvolging, schenking of door eigen sparen of nog als wederbelegging van vervreemde goederen". Het oordeel dat een verrichting niet valt binnen het "normale beheer" van een privé-vermogen, betreft een feitelijke beoordeling welke Uw Hof slechts marginaal kan toetsen: Uw Hof vermag slechts na te gaan of de feitenrechter uit de feitelijke vaststellingen die hij heeft gedaan geen gevolgtrekkingen heeft gemaakt die op die grond onmogelijk kunnen worden verantwoord, en of de feitenrechter zodoende het rechtsbegrip "normaal beheer van een privé-vermogen" niet heeft miskend of gedenatureerd. In casu hebben de appelrechters, zonder het begrip "normaal beheer" te schenden, wettig kunnen beslissen dat een inbrengverrichting van knowhow voor een bedrag van 9.950.000 BEF (246.654,06 euro ) de grenzen van het normale beheer heeft overschreden. Deze inbrengverrichting kan inderdaad, gelet op de omvang ervan, bezwaarlijk worden opgevat als een daad die betrekking heeft op het "dagelijkse beheer" van een privé-vermogen, terwijl de inbrengverrichting evenmin beantwoordt aan een goed dat werd verkregen "door erfopvolging, schenking, of door eigen sparen of nog als wederbelegging van vervreemde goederen".
- Zodoende oordeelt het bestreden arrest geenszins dat de overdracht van knowhow op zichzelf nooit het voorwerp zou kunnen uitmaken van een verrichting die kadert binnen het normale beheer van een privé-vermogen, maar stelt het enkel in feite vast dat, gelet op de omvang van de operatie, die op een bedrag van 9.950.000 BEF (246.654,06 euro ) was gewaardeerd, die inbreng niet binnen de krijtlijnen valt van wat als een normaal beheer van een privé-vermogen kan worden aangezien. In zoverre het middel voorhoudt dat het bestreden arrest de inbrengverrichting heeft uitgesloten van het begrip "normaal beheer" op grond van het loutere feit dat eiser buiten zijn beroepswerkzaamheid een knowhow heeft opgebouwd en overgedragen, berust het middel derhalve op een verkeerde lezing van het arrest, en mist het op dit punt feitelijke grondslag.
- Ten overvloede ("Daarenboven") geven de appelrechters tevens te kennen dat winsten die met onlichamelijke goederen, zoals knowhow, te maken hebben en die voortkomen uit verrichtingen bedoeld in artikel 90,1°, W.I.B.
(1992), steeds belastbaar zijn, zelfs wanneer zij binnen de grenzen van het normaal beheer van een privé-vermogen zouden kaderen, zoals volgt uit een cassatiearrest van 24 oktober 1975 (A.C. 1976, 244, met conclusies van voormalig Proc.-gen. KRINGS). In zoverre de prejudiciële vraag die eisers aan het Grondwettelijk Hof wensten voor te leggen, slechts betrekking heeft op deze overtollige motivering van het bestreden arrest, vermochten de appelrechters derhalve wettig te beslissen dat het antwoord op deze vraag niet onontbeerlijk was om tot een uitspraak te komen (folio 856, vierde alinea). De appelrechters oordeelden immers reeds in hoofdorde dat de inbrengverrichting om andere redenen, met name omwille van de omvang van de operatie, niet binnen het normale beheer van een privé-vermogen kon vallen. De weigering om dienaangaande een prejudiciële vraag te stellen, was derhalve wel degelijk naar recht verantwoord. De aangevoerde schending van de artikelen 10, 11, 172 G.W. en 26, §2, 2°, tweede lid, van de Wet van 6 januari 1989, kan dan ook niet worden aangenomen. Besluit: VERWERPING. _____________________
(1)KIRKPATRICK, J., "La portée de l'article 90,1°, du code des impôts sur les revenus en matière de plus-values réalisées sur l'aliénation d'actions, spécialement en cas de `cession interne'", J.D.F. 2004, 193.
(2)Cass. 30 november 2006, AR F.05.0066.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061130.2, www.cass.be, met concl. adv.-gen. HENKES; T.F.R. 2007, nr. 317, p.189 met noot KELL, L.
(3)KIRKPATRICK, J., o.c., 193.
(4)BALTUS, M., "La base imposable des cotisations établies sur le résultat d'opérations non spéculatives mais sortant du cadre de la gestion normale du patrimoine privé", J.D.F. 2004, 203.
(5)cf. ROSELETH, J., "Vergoeding voor inbreng knowhow vormt diverse inkomsten", Fisc. Act. 2007, nr. 27, 3.
(6)cfr. toelichting, p.5, punt 1, derde alinea.
(7)Cass. 17 februari 1989, A.C. 1988-89, nr. 343; zie ook Cass. 17 mei 1973, A.C. 1973, 908: overdracht van beroepskennis en zakenrelaties; Cass. 24 oktober 1975, A.C. 1976, 244; zie ook de rechtspraak geciteerd in ROSELETH, J., o.c., 3.
(8)Cnclusies van voormalig Proc.-gen. KRINGS, bij Cass. 24 oktober 1975, A.C. 1976, 250.
(9)Cass. 14 november 1986, A.C. 1987-87, nr. 160; Cass. 23 maart 1988, A.C. 1987-88, nr. 463; MAES, B., "Bewijskracht en bewijswaarde: kanttekeningen bij de rechtspraak van het Hof van Cassatie", P&B 1995, 147.
(10)Cass. 10 januari 1990, A.C. 1989-90, 620; Cass. 15 maart 1999, A.C. 1999, nr. 156; Cass. 25 september 2000, A.C. 2000, nr. 490; Cass. 19 november 2000, A.C. 2000, nr. 611. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100910.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061130.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div