← België

ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100910.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100910.2 Rolnummer: F.09.0061.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Belastingrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2010-09-27 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-02 04:47 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100910.2 Fiche 1 Er bestaat geen regel van internationaal gewoonterecht volgens dewelke bilaterale verdragen, andere dan verdragen die objectieve situaties creëren, bij statenopvolging niet automatisch overgaan op de opvolgende staat. Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INTERNATIONAAL BELASTINGSRECHT - Dubbelbelastingverdragen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Bekendmaking GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - VOLKENRECHT - Algemene rechtsbeginselen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - VOLKENRECHT - Verdragsrecht - Naleving, toepassing, uitlegging Vrije woorden: Bilaterale verdragen - Statenopvolging - Internationaal gewoonterecht Fiche 2 Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk een internationale overeenkomst in het intern recht geen werking heeft die deze overeenkomst in de internationale rechtsorde ontbeert. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INTERNATIONAAL BELASTINGSRECHT - Dubbelbelastingverdragen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Bekendmaking GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - VOLKENRECHT - Algemene rechtsbeginselen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - VOLKENRECHT - Verdragsrecht - Naleving, toepassing, uitlegging Vrije woorden: Internationale Verdragen - Werking in het intern recht Fiche 3 Uit de samenlezing van artikel 3.1 van het dubbelbelastingsverdrag met de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken van 17 december 1987 en het Protocol op 10 maart 1992 afgesloten met de Republiek Oezbekistan, volgt dat de overeenkomst van 17 december 1987 gelding bleef hebben tussen België en Oezbekistan tot zolang daarvan niet was afgeweken door het sluiten van een nieuw akkoord, wat meteen inhoudt dat de staatssoevereiniteit van Oezbekistan niet werd miskend. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - INTERNATIONALE VERDRAGEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INTERNATIONAAL BELASTINGSRECHT - Dubbelbelastingverdragen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Bekendmaking GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - VOLKENRECHT - Algemene rechtsbeginselen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - VOLKENRECHT - Verdragsrecht - Naleving, toepassing, uitlegging Vrije woorden: Dubbelbelastingverdragen - Verdrag met de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken - Toepasselijkheid tussen België en Oezbekistan Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 17-12-1987 - Art. 3.1 Fiches 4 - 5 Artikel 8 van de Wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen, vereist niet dat ieder internationaal verdrag dient te worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad om aan de rechtsonderhorigen tegenstelbaar te zijn. Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INTERNATIONAAL BELASTINGSRECHT - Dubbelbelastingverdragen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Bekendmaking GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - VOLKENRECHT - Algemene rechtsbeginselen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - VOLKENRECHT - Verdragsrecht - Naleving, toepassing, uitlegging Vrije woorden: Tegenstelbaarheid aan de rechtsonderhorigen - Verplichting tot publicatie in het Belgisch Staatsblad Wettelijke bepalingen: Wet - 31-05-1961 - Art. 8 Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - ALLERLEI UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INTERNATIONAAL BELASTINGSRECHT - Dubbelbelastingverdragen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Bekendmaking GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - VOLKENRECHT - Algemene rechtsbeginselen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - VOLKENRECHT - Verdragsrecht - Naleving, toepassing, uitlegging Vrije woorden: Wetgevingszaken - Bekendmaking van een verdrag - Toepasselijke regels Wettelijke bepalingen: Wet - 31-05-1961 - Art. 8 Fiches 6 - 10 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INTERNATIONAAL BELASTINGSRECHT - Dubbelbelastingverdragen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Bekendmaking GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - VOLKENRECHT - Algemene rechtsbeginselen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - VOLKENRECHT - Verdragsrecht - Naleving, toepassing, uitlegging Vrije woorden: Bilaterale verdragen - Statenopvolging - Internationaal gewoonterecht Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INTERNATIONAAL BELASTINGSRECHT - Dubbelbelastingverdragen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Bekendmaking GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - VOLKENRECHT - Algemene rechtsbeginselen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - VOLKENRECHT - Verdragsrecht - Naleving, toepassing, uitlegging Vrije woorden: Internationale Verdragen - Werking in het intern recht Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - INTERNATIONALE VERDRAGEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INTERNATIONAAL BELASTINGSRECHT - Dubbelbelastingverdragen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Bekendmaking GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - VOLKENRECHT - Algemene rechtsbeginselen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - VOLKENRECHT - Verdragsrecht - Naleving, toepassing, uitlegging Vrije woorden: Dubbelbelastingverdragen - Verdrag met de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken - Toepasselijkheid tussen België en Oezbekistan Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INTERNATIONAAL BELASTINGSRECHT - Dubbelbelastingverdragen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Bekendmaking GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - VOLKENRECHT - Algemene rechtsbeginselen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - VOLKENRECHT - Verdragsrecht - Naleving, toepassing, uitlegging Vrije woorden: Tegenstelbaarheid aan de rechtsonderhorigen - Verplichting tot publicatie in het Belgisch Staatsblad Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - ALLERLEI UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INTERNATIONAAL BELASTINGSRECHT - Dubbelbelastingverdragen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Bekendmaking GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - VOLKENRECHT - Algemene rechtsbeginselen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - VOLKENRECHT - Verdragsrecht - Naleving, toepassing, uitlegging Vrije woorden: Wetgevingszaken - Bekendmaking van een verdrag - Toepasselijke regels Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ F.09.0061.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: 1. In het eerste onderdeel van het eerste middel voert eiseres aan dat de appelrechters niet wettig konden beslissen dat het dubbelbelasting- verdrag van 17 december 1987 gesloten tussen België en de USSR ingevolge van het Protocol van 10 maart 1992 tussen België en Oezbekistan van toepassing bleef tussen beide landen. 2. Ter beoordeling van dit onderdeel en voor een goed begrip ervan is het wenselijk de chronologie van één en ander op een rij te zetten. De Overeenkomst van 17 december 1987 tussen de USSR en België (BS 23 maart 1991; err. BS 7 januari 1992) trad in werking op 8 januari 1991. Op 1 september 1991 werd Oezbekistan onafhankelijk van de Sovjet-Unie. Op 21 december 1991 vond de verklaring van Alma Ata plaats waarbij, onder meer, Oezbekistan tot het GOS toetrad. Op 31 december 1991 werd Oezbeskistan door België erkend. Op 10 maart 1992 knoopten België en Oezbekistan diplomatieke betrekkingen aan en werd een Protocol ondertekend waarin werd bepaald dat de akkoorden gesloten tussen België en de ex-USSR van toepassing bleven tussen België en Oezbekistan - voor zover deze akkoorden niet in strijd waren met de wetgeving en de belangen van de beide landen - totdat zij zouden worden vervangen door bilaterale akkoorden. 3. Ongeacht het voorbehoud dat werd geformuleerd - met name voor zover deze akkoorden tussen België en de ex-USSR niet in strijd waren met de wetgeving en de belangen van België en Oezbekistan - volgt uit dit Protocol van 10 maart 1992 ontegensprekelijk dat beide landen de wil hebben geuit om nog blijvend te zijn gebonden door de verdragen die België met de USSR had gesloten. Er kan dan ook worden besloten dat het akkoord tussen België en de USSR van 17 december 1987 principieel toepasselijk was tussen Oezbekistan en België. Anders dan het onderdeel stelt, is het protocol van 10 maart 1992 een duidelijke wilsuiting van beide landen zodat er sprake is van statenopvolging. Ook met andere voormalige Sovjetrepublieken werd dergelijke overeenkomsten afgesloten (zie in dit verband E. DE BRABANDERE, "Opvolging van staten inzake bilaterale (dubbelbelasting)verdragen", TFR 2007,

(1019)1024; waar deze auteur schrijft dat dergelijk verdrag lijkt te onderbreken met Oezbekistan is zulks kennelijk niet correct en wellicht te wijten aan het feit dat dit protocol van 10 maart 1992 niet werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad). De opwerping van eiseres dat dit protocol slechts een "kaderverdrag" of "intentieverklaring" zou zijn, blijkt nergens uit.
  1. Overigens is de problematiek van de statenopvolging met betrekking tot verdragen in het internationaal publiekrecht alles behalve eenduidig. Integendeel, het blijkt dat er in het internationaal recht twee theorieën bestaan over de statenopvolging met betrekking tot verdragen: de leer van de continuïteit en het tabula rasa-principe. Deze twee theorieën staan enigszins tegenover elkaar; bovendien blijkt de praktijk van statenopvolging geenszins eenduidig en zijn er verschillen naar gelang de vorm van statenontbinding (dekolonisatie, secessie, ontbinding, ...). Men kan dan ook stellen dat er eigenlijk nauwelijks sprake is van enig internationaal gewoonterecht in verband met statenopvolging.
  2. Er is weliswaar het op 6 november 1996 in werking getreden Weense verdrag van 23 augustus 1978 inzake statenopvolging met betrekking tot verdragen dat echter niet in België van toepassing is en dat, mede gelet op het feit dat weinig landen daarbij partij zijn, niet als internationaal gewoonterecht kan worden beschouwd. Overigens hadden de opstellers van het verdrag (de International Law Commission) ook niet de intentie om met dit verdrag het internationale gewoonterecht te codificeren. Auteur E. DE BRABANDERE wees er in dit verband op dat het belang van dit verdrag als bron van toepasselijk algemeen internationaal recht verwaarloosbaar is voor staten die geen partij zijn bij dit verdrag (E. DE BRABANDERE, o.c., 1021). Slechts twee bepalingen uit dit verdrag, met name artikel 11 en 12, worden doorgaans wél beschouwd als regels van internationaal gewoonterecht, doch deze bepalingen betreffen verdragen inzake grenzen en "localised treaties" of "traités réels" waartoe dubbelbelasting- niet behoren (E. DE BRABANDERE, o.c., 1021). Aan deze beide verdragsartikelen dient dan ook geen verdere aandacht te worden besteed. Wat er ook van zij, in artikel 34 van het Verdrag wordt in geval van ontbinding (zoals in het geval van de USSR) en secessie uitgegaan van het principe van de continuïteit van de verdragsrelaties tussen de opvolgersstaten en de derde staten, met de mogelijkheid om bij overeenkomst tussen partijen hiervan af te wijken; maar die regel heeft dus niet de status van internationaal gewoonterecht (E. DE BRABANDERE, o.c., 1021-1022 die er evenwel op wijst dat sommige auteurs wél de opinie verdedigen dat artikel 34 een regel van internationaal gewoonterecht zou zijn in geval van ontbinding terwijl anderen dan weer - precies omwille van het feit dat artikel 34 géén regel van internationaal gewoonterecht zou zijn - voorhouden dat de niet-continuïteit zowel bij ontbinding als secessie de regel zou zijn of nog, dat er een vermoeden van niet-continuïteit zou bestaan: "Het internationaalrechtelijk principe dat aan de grondslag ligt van het argument tegen de continuïteit van verdragsrelaties is dat de uitdrukkelijke wilsuiting van twee staten nodig is om een verdrag te sluiten, terwijl deze uitdrukkelijke wilsuiting onmiskenbaar ontbreekt bij het ontstaan van een nieuwe staat."; zie ook: P. DUMBERRY en D. TURP, "La succession d'États en matière de traités et le cas de la sécession: du principe de la table rase à l'émergence d'une présomption de continuité des traités", BTIR 2003,
(377)398 en 408 die ook bevestigen dat artikel 34 géén gewoonterecht is en die stellen: "nous nous devons de constater qu'il n'y a donc aucune règle coutumière existante, et qu'en principe les nouveaux États sécessionnistes sont libres d'adopter la règle de la tabula rasa ou celle de la continuité des traités.").
  1. Gelet op het voorgaande kan eiseres niet gevolgd worden waar ze voorhoudt dat er sprake is van een regel van internationale gewoonte betreffende de statenopvolging die inhoudt dat bilaterale verdragen in beginsel niet automatisch overgaan op de opvolgende staat. De auteurs zijn het er daarentegen eens over dat de materie van de statenopvolging in het internationaal publiekrecht precies getuigt van een gebrek aan homogeniteit in vergelijking met de rest van het internationaal publiekrecht (E. DAVID, Droit des gens, Presses Universitaires de Bruxelles, 2004, t. II, nr. 9.5.4; J. VERHOEVEN, Droit international public, Brussel, Larcier, 2000, 167-168) en dat de internationale praktijk met betrekking tot het al dan niet overnemen van verdragen regelloosheid vertoont en er geen algemene regel kan worden vastgesteld (E.R.C. VAN BOGAERT, Volkenrecht, Antwerpen, Kluwer, 1982,
  2. Vergelijk: M. COGEN, Handboek internationaal recht, Mechelen, Kluwer, 2003, nr. 85, die nochtans verder (nr. 86) als algemene regel vooropstelt dat verdragen, gesloten door de voorganger, niet automatisch worden overgedragen op de opvolgerstaat, doch verder wel wijst op het principe van artikel 34 van het Weense Verdrag van 1978 in geval van het vormen van één of meerdere Staten uit één Staat). Het lijkt veeleer dat er noch in de ene zin (continuïteit) noch in de andere zin (tabula rasa) een regel van internationaal gewoonterecht bestaat.
  3. Anders dan eiseres voorhoudt, en los van de vraag naar het al dan niet bestaan van een regel van internationaal gewoonterecht in verband met statenopvolging, kan het protocol van 10 maart 1992 ongetwijfeld wél als een wilsuiting worden beschouwd van België en Oezbekistan die met zich meebrengt dat het verdrag van 17 december 1987 tussen de USSR en België ook in de verhouding tussen België en Oezbekistan principieel toepasselijk bleef.
  4. Nu werd tussen België en Oezbekistan op 14 november 1996 een dubbelbelastingverdrag afgesloten dat in werking moest treden op 8 juli 1999; evenwel werd bij protocol tussen beide landen afgesloten op 17 april 1998 bepaald dat - wat de bronheffing betreft - het dubbelbelastingverdrag van 14 november 1996 van kracht zou worden op 1 januari
  5. Door het protocol van 17 april 1998 werd op dat ogenblik dus beslist dat het verdrag van 14 november 1996 met terugwerkende kracht toepasselijk werd op 1 januari
  6. Toch lijkt het niet zo dat - zoals eiseres voorhoudt - het verlenen van terugwerkende kracht tot 1 januari 1997 onbestaanbaar is met het feit dat het dubbelbelastingverdrag van 17 december 1987 tussen België en de USSR door statenopvolging is overgegaan op Oezbekistan. Waarom zulks het geval zou zijn, is niet duidelijk en wordt door eiseres eigenlijk zelf ook niet gepreciseerd.
  7. Het lijkt mij nuttig in dit verband te verwijzen naar de Memorie van Toelichting bij het Wetsontwerp houdende instemming met de volgende internationale akten: 1° de Overeenkomst tussen de Republiek Oezbekistan en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, en Protocol, ondertekend te Brussel op 14 november 1996; 2° het Aanvullend Protocol tot wijziging van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Oezbekistan, tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, ondertekend te Brussel op 14 november 1996, gedaan te Tashkent op 17 april 1998 (Parl. St. Senaat, GZ 1998-99, nr. 1-1377/1, p. 8-9) waarin over de inwerkingtreding van het verdrag van 14 november 1996 het volgende werd gesteld: "Het was oorspronkelijk de bedoeling dat de Overeenkomst tussen België en Oezbekistan de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken tot het vermijden van de dubbele belasting van het inkomen en van het vermogen, ondertekend te Brussel op 17 december 1987, zou vervangen. Op 10 maart 1992 werd namelijk een Protocol ondertekend ter gelegenheid van het aanknopen van diplomatieke betrekkingen tussen België en Oezbekistan. Dat Protocol bepaalde dat de akkoorden gesloten tussen België en de ex-USSR verder van toepassing bleven tussen België en Oezbekistan voor zover deze akkoorden niet in strijd waren met de wetgeving en de belangen van de beide landen totdat zij zouden worden vervangen door bilaterale akkoorden. Op 26 augustus 1997, hebben de Oezbeekse autoriteiten echter officieel laten weten dat zij de Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting tussen België en de ex-USSR niet toepasten, daar deze in strijd was met de wetgeving en de economische belangen van Oezbekistan. Men bevond zich dus in een juridisch vacuüm vermits de Overeenkomst tussen België en de ex-USSR niet meer van toepassing was, terwijl de nieuwe Overeenkomst tussen België en Oezbekistan nog niet in werking getreden was. De Belgische belastingplichtigen die in dat land geïnvesteerd hebben, werden vanaf dan geconfronteerd met problemen van dubbele belasting. Daarom werd op 17 april 1998 een Aanvullend Protocol aan de Overeenkomst tussen België en Oezbekistan gesloten, om dat juridische vacuüm op te vullen en de problemen van dubbele belasting, waarmee de Belgische belastingplichtigen in Oezbekistan geconfronteerd werden, op te lossen. Dit Aanvullend Protocol voorziet voornamelijk in een retroactieve uitwerking van de Overeenkomst: op de inkomsten behaald op of na 1 januari 1997, voor de bij de bron verschuldigde belastingen; op de inkomsten van belastbare tijdperken die aanvangen op of na 1 januari 1997 of op de bestanddelen van het vermogen die bestaan op 1 januari 1997, voor de belastingen naar het inkomen geïnd langs het kohier en de belastingen naar het vermogen." Uit deze passage uit de memorie van toelichting kan derhalve afgeleid worden: - dat de overeenkomst tussen de USSR en België is overgegaan op Oezbeskistan en derhalve verbindend was in de verhouding tussen België en Oezbekistan (minstens tot 26 augustus 1997); - dat het niet meer toepassen van deze overeenkomst van 17 december 1987 door Oezbekistan werd meegedeeld op 26 augustus 1997 (zijnde na de feiten in dit dossier); - dat het niet meer toepassen van die overeenkomst van 17 december 1987 gesteund was op de strijdigheid ervan met de wetgeving en de economische belangen van dat land en dus steun vond in het voorbehoud dat in het protocol van 10 maart 1992 was geformuleerd; én - dat, anders dan eiseres voorhoudt, de retroactiviteit die werd verleend aan het verdrag van 14 november 1996 dat tussen België en Oezbekistan was afgesloten niet onverstaanbaar was met het feit dat het verdrag van 17 december 1987 tussen de USSR en België door statenopvolging was overgegaan op Oezbekistan. Ook uit het Verslag Lizin bij dit wetsontwerp blijkt dat Oezbekistan op 26 augustus 1997 meedeelde dat het akkoord van 17 december 1987 tussen de USSR en België niet langer van toepassing was in Oezbekistan (Parl. St. Senaat, GZ 1998-99, nr. 1-1377/2, p. 2-3). Uit het bovenstaande volgt dan ook dat het eerste onderdeel van het eerste middel niet kan worden aangenomen.
  8. In het tweede onderdeel wordt het bestreden arrest verweten de toepasselijkheid van het dubbelbelastingverdrag van 17 december 1987 tussen verweerder en Oezbekistan slechts te hebben beoordeeld vanuit Belgisch standpunt, ongeacht zijn toepasselijkheid in de internationale rechtsorde. Volgens het tweede onderdeel kan de rechter aan een internationale overeenkomst geen werking verlenen in de Belgische rechtsorde die deze overeenkomst in de internationale rechtsorde ontbeert.
  9. De cassatiekritiek afgeleid uit de schending van het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk een internationale overeenkomst in het interne recht geen werking heeft die deze overeenkomst in de internationale rechtsorde ontbeert is niet ontvankelijk in zoverre een dergelijk algemeen rechtsbeginsel niet bestaat. Het bestreden arrest beoordeelde vanuit Belgisch oogpunt niet zozeer de toepasselijkheid van het dubbelbelastingverdrag van 17 december 1987 zelf, maar wel de toepassing van het voorbehoud dat in het Protocol van 10 maart 1992 was geformuleerd, hetwelk aan de Staten toelaat om een verdrag terzijde te schuiven in zoverre de toepassing ervan strijdig zou zijn met de wetgeving en de belangen van de Staat. Terecht oordeelde het bestreden arrest dat het niet aan verweerder stond om de toepassing van dit voorbehoud aan de zijde van Oezbekistan te beoordelen en enkel naar Belgisch standpunt de toepassing van het dubbelbelastingverdrag van 17 december 1987 kon toetsen aan de exceptie van strijdigheid met de wetten en belangen van de Belgische Staat. Zodoende verleende het bestreden arrest geen werking aan het dubbelbelastingverdrag van 17 december 1987, die het ontbeerde in de internationale rechtsorde, noch miskende het de draagwijdte van dit verdrag, maar verklaarde het zich enkel bevoegd om uitspraak te doen over de toepassing van dit voorbehoud aan de zijde van verweerder. Zoals het bestreden arrest aangaf, kon het, gelet op het territoriaal karakter van de belastingwet, enkel nagaan of verweerder, met inachtname van het internationaal belastingrecht en het Belgisch belastingrecht, eiseres correct had geïnformeerd over de toepassing van het dubbelbelastingverdrag van 17 december 1987 tussen verweerder en Oezbekistan, en beschikte het over geen rechtsmacht om het Oezbeeks recht en de toepassing van het voorbehoud door de Oezbeekse overheid te beoordelen (arrest, p.11, laatste alinea). In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van de artikelen 3, 4 en 6 van het dubbelbelastingverdrag van 17 december 1987 kan het bijgevolg niet worden aangenomen.
  10. In het derde onderdeel wordt aangevoerd dat het bestreden arrest niet wettig het dubbelbelastingverdrag van 17 december 1987 van toepassing heeft kunnen verklaren tussen verweerder en Oezbekistan op basis van het Protocol van 10 maart 1992 in zoverre dit Protocol niet bij wet was goedgekeurd, noch in het Belgisch Staatsblad was bekendgemaakt (schending van artikel 167 G.W. en artikel 8 van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken).
  11. Op het moment van het afsluiten van het Protocol van 10 maart 1992 tussen België en Oezbekistan was echter nog artikel 68 van de Grondwet van 1830 terzake van toepassing; overeenkomstig die bepaling dienden slechts de handelsverdragen en de verdragen die de Staat zouden kunnen bezwaren of Belgen persoonlijk zouden kunnen binden, goedgekeurd te worden door het Parlement (Cfr. K. RIMANQUE, De Grondwet. Toegelicht, gewikt en gewogen, Antwerpen, Intersentia, 1999, 337; M. UYTTENDAELE, Précis de droit constitutionnel belge, Brussel, Bruylant, 2005, nr. 907; J. VELAERS, De Grondwet en de Raad van State, afdeling Wetgeving, Antwerpen, Maklu, 1999, 547). Er lijkt geen twijfel over te bestaan dat het Protocol van 10 maart 1992 niet als een dergelijk verdrag, dat instemming der Kamers behoefde, moet worden beschouwd. Dit is anders onder gelding van artikel 167 van de Grondwet van 1994 dat inhoudt dat alle verdragen moeten worden goedgekeurd. Deze nieuwe bepaling geldt slechts sinds 18 mei 1993 zodat pas sindsdien elk verdrag goedgekeurd dient te worden bij wet. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 167 van de Grondwet zoals het nog niet bestond op het ogenblik waarop het protocol van 10 maart 1992 werd afgesloten, lijkt het mij dan ook niet ontvankelijk.
  12. Vervolgens wordt nog schending aangevoerd van artikel 8 van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen, dat luidt als volgt: "Is er aanleiding tot bekendmaking van een verdrag waarbij België partij is, dan wordt dat verdrag in een oorspronkelijke tekst in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt met de Nederlandse of de Franse vertaling. Bestaat er geen oorspronkelijke tekst in het Nederlands of in het Frans, dan wordt de vertaling in beide talen insgelijks in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt." Alleen al uit de aanhef ervan, volgt dat de stelling van eiseres dat ieder verdrag dient te worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad om verbindend te zijn, juridisch niet opgaat.
  13. MAST stelde weliswaar met betrekking tot de bekendmaking van verdragen (zoals van toepassing onder gelding van artikel 68 van de Grondwet van 1830) dat, ondanks artikel 8 van de wet van 31 mei 1961 en mede in het licht van het cassatiearrest van 11 december 1953, het "vanzelfsprekend" is dat de rechtsonderhorigen "eerst dan door de rechtsnormen van een verdrag kunnen worden gebonden, wanneer zij in de mogelijkheid werden gesteld er kennis van te nemen." (A. MAST en J. DUJARDIN, Overzicht van het Belgisch Grondwettelijk Recht, Gent, Story-Scientia, 1983, nr. 289 die dan ook de toepassing naar analogie van artikel 129 van de Grondwet van 1830 betreffende de bekendmaking van wetten, voorstond). Toch moet gewezen worden op het feit dat het cassatiearrest van 11 december 1953 dateert van vóór de wet van 31 mei
  14. Uit dat cassatiearrest volgt niet alleen dat, opdat een verdrag, dat van aard is de Belgen individueel te binden, voor hen individueel bindend weze, het dient te zijn goedgekeurd door de Kamers en ter kennis van de Belgen te worden gebracht (zie ook de termen van het vroegere artikel 68 van de Grondwet van 1830 waar ook sprake is van verdragen die Belgen persoonlijk zouden kunnen binden) doch ook dat, "bij ontstentenis van bijzondere wetsbepaling" de vorm van bekendmaking slechts die kan zijn van de bekendmaking van de toestemming der Kamers, "dit wil zeggen het verschijnen van de tekst in het Staatsblad." Gelet op het feit dat enerzijds de latere wet van 1961 als een bijzondere wet bedoeld in dit cassatiearrest kan worden beschouwd en anderzijds de regel van het arrest slechts slaat op verdragen die de Belgen persoonlijk kunnen binden (in de zin van artikel 68 van de Grondwet van 1830), volgt daaruit dat verdragen die niet bedoeld zijn in artikel 68 van de Grondwet van 1830 - waaronder ook het Protocol van 10 maart 1992 dat immers op zich de Belgen niet persoonlijk bindt - niet aldus dienen te worden bekendgemaakt.
  15. Aan die laatste conclusie wordt ook geen afbreuk gedaan door het cassatiearrest van 25 november 1993 (A C. 1993, nr. 485) waar eiseres naar verwijst, omdat ook in dat arrest sprake is van verdragen die de Belgen persoonlijk kunnen binden: "Dat dit verdrag dat alle Belgen persoonlijk kan binden te dezen echter niet aan hen kan worden tegengeworpen, daar het in België niet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt" (zie ook in dezelfde zin: Cass. 19 maart 1981, A.C. 1980-81, nr. 417). Er werd inderdaad ook opgemerkt dat, gelet op de aanhef van artikel 8 van de wet van 31 mei 1961, de uitvoerende macht een ruime beoordelingsbevoegdheid heeft om te bepalen welke verdragen bekendgemaakt moeten worden (J. DE JONGHE, De staatsrechtelijke verplichting tot bekendmaking van normen, Antwerpen, Kluwer, 1985, 115) en dat, wanneer men de bekendmaking van verdragen begrijpt vanuit het verkrijgen van verbindende kracht, "wanneer het dus gaat om de relatie tussen de burger en een normgevende overheid of om de relatie tussen burgers onderling die zich op die normen willen beroepen, (...) de strikte noodzaak (...) om ook de verdragen met louter intergouvernementele betekenis bekend te maken" wegvalt. "Wat overblijft zijn dan de verdragen die de burgers rechten verschaffen of hen verplichtingen opleggen" (ibid.).
  16. Wanneer men derhalve de bepaling van artikel 8 van de wet van 31 mei 1961 samenleest met de aangehaalde cassatierechtspraak, volgt dat - ten minste tot het van kracht worden van artikel 167 van de Grondwet van 1994 - verdragen die Belgen persoonlijk zouden kunnen binden, om verbindend te worden en hen tegenstelbaar te zijn, dienen te worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Dit geldt echter niet voor verdragen die de Belgen persoonlijk niet kunnen verbinden of die de Belgen persoonlijk geen rechten verschaffen of verplichtingen opleggen. Het Protocol van 10 maart 1992 betreft een dergelijk verdrag zodat toen geen publicatie noodzakelijk was van dit protocol. Het onderdeel faalt dan ook naar recht in zoverre het aanvoert dat krachtens voormeld artikel 8 van de wet van 31 mei 1961 internationale verdragen niet aan de rechtsonderhorigen tegenstelbaar zijn indien zij niet in het Staatsblad zijn bekendgemaakt, nu zulks enkel geldt voor verdragen die de Belgen persoonlijk kunnen binden, met andere woorden die de Belgen persoonlijk rechten verschaffen of verplichtingen opleggen. Besluit: VERWERPING Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100910.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.