id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 24 september 201
Artt. 144 en 145 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 145 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Burgerlijke rechten - Rechterlijke macht - Bevoegdheid Wettelijke bepalingen:
Artt. 144 en 145 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTEN. POLITIEKE RECHTEN UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Rechterlijke macht - Bevoegdheid - Grondwet
(1994)- Artikel 144 Wettelijke bepalingen:
Artt. 144 en 145 Vrije woorden: Rechterlijke macht - Bevoegdheid - Grondwet
(1994)- Artikel 145 Wettelijke bepalingen:
Artt. 144 en 145 Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Bevoegdheid - Burgerlijke rechten. Politieke rechten - Grondwet
(1994)- Artikel 144 Wettelijke bepalingen:
Artt. 144 en 145 Vrije woorden: Bevoegdheid - Burgerlijke rechten. Politieke rechten - Grondwet
(1994)- Artikel 145 Wettelijke bepalingen:
Artt. 144 en 145 Fiches 7 - 9 De rechtbanken nemen kennis van de door een partij ingestelde vorderingen die gegrond zijn op een precieze juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij wier uitvoering hij belang heeft
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 144 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Rechterlijke macht - Bevoegdheid - Burgerlijke rechten Wettelijke bepalingen:
Art. 144
Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Bevoegdheid - Burgerlijke rechten - Grondwet
(1994)- Artikel 144 Wettelijke bepalingen:
Art. 144Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTEN.
POLITIEKE RECHTEN UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Rechterlijke macht - Bevoegdheid - Grondwet
(1994)- Artikel 144 - Burgerlijke rechten Wettelijke bepalingen:
Art. 144
Fiches 10 - 12 De rechterlijke macht is bevoegd om de door het bestuur bij de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid begane onrechtmatigheid vast te stellen, of, in kort geding, hierover een voorlopige appreciatie te doen en de gepaste maatregelen te nemen om schade te voorkomen
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 144 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Rechterlijke macht - Bevoegdheid - Omvang - Bestuur - Discretionaire bevoegdheid - Onrechtmatigheid Wettelijke bepalingen:
Art. 144
Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Bevoegdheid - Omvang - Bestuur - Discretionaire bevoegdheid - Onrechtmatigheid Wettelijke bepalingen:
Art. 144
Thesaurus CAS: KORT GEDING UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Bevoegdheid - Omvang - Bestuur - Discretionaire bevoegdheid - Onrechtmatigheid Wettelijke bepalingen:
Art. 144
Fiches 13 - 15 Opdat een partij zich ten aanzien van de bestuurlijke overheid op een subjectief recht zou kunnen beroepen, is het vereist dat de bevoegdheid van die overheid gebonden is
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 144 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Rechterlijke macht - Bevoegdheid - Subjectief recht t.a.v. de bestuurlijke overheid Wettelijke bepalingen:
Art. 144
Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Bevoegdheid - Subjectief recht t.a.v. de bestuurlijke overheid Wettelijke bepalingen:
Art. 144Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTEN.
POLITIEKE RECHTEN UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Rechterlijke macht - Bevoegdheid - Subjectief recht t.a.v. de bestuurlijke overheid Wettelijke bepalingen:
Art. 144Fiches 16 - 17 De overheid is ertoe gebonden eenieder gelijk en op niet-discriminatoire wijze te behandelen
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Gelijkheid - Overheid - Gebondenheid Wettelijke bepalingen:
Artt. 10 en 11 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Non-discriminatie - Overheid - Gebondenheid Wettelijke bepalingen:
Artt. 10 en 11 Fiches 18 - 20 De administratieve overheid die op grond van haar discretionaire bevoegdheid een beslissing neemt, beschikt over een beoordelingsvrijheid die haar de mogelijkheid biedt zelf te oordelen over de wijze waarop zij haar bevoegdheid uitoefent en de haar meest geschikt lijkende oplossing te kiezen binnen de door de wet gestelde grenzen; de wijze waarop het bestuur de gelijkheid van de burgers moet waarborgen wordt concreet ingevuld door het bestuur dat daarvoor over een zekere mate van beoordelingsvrijheid beschikt
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: MACHTEN - UITVOERENDE MACHT UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Administratieve overheid - Discretionaire bevoegdheid - Begrip - Grenzen - Gelijkheid en non-discriminatie - Beoordelingsvrijheid Wettelijke bepalingen:
Artt. 10 en 11 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Gelijkheid - Administratieve overheid - Discretionaire bevoegdheid - Begrip - Grenzen - Beoordelingsvrijheid Wettelijke bepalingen:
Artt. 10 en 11 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Non-discriminatie - Administratieve overheid - Discretionaire bevoegdheid - Begrip - Grenzen - Beoordelingsvrijheid Wettelijke bepalingen:
Artt. 10 en 11 Fiches 21 - 23 Uit het recht op gelijke behandeling alleen, terwijl geen andere wettelijke bepaling dit oplegt, kan niet noodzakelijk worden afgeleid dat publieke kabelmaatschappijen, die hun activiteiten overdragen, bij die overdracht de plicht hebben een marktbevraging te organiseren
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: RADIO- EN TELEVISIEOMROEP UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Publieke kabelmaatschappij - Overdracht van activiteiten - Gelijke behandeling - Gevolg - Marktbevraging Wettelijke bepalingen:
Artt. 10 en 11 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Gelijkheid - Publieke kabelmaatschappij - Overdracht van activiteiten - Gelijke behandeling - Gevolg - Marktbevraging Wettelijke bepalingen:
Artt. 10 en 11 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Non-discriminatie - Publieke kabelmaatschappij - Overdracht van activiteiten - Gelijke behandeling - Gevolg - Marktbevraging Wettelijke bepalingen:
Artt. 10 en 11 Fiches 24 - 46 Conclusie van advocaat-generaal VANDEWAL. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 144 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Burgerlijke rechten - Rechterlijke macht - Bevoegdheid Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 145 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Burgerlijke rechten - Rechterlijke macht - Bevoegdheid Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTEN. POLITIEKE RECHTEN UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Rechterlijke macht - Bevoegdheid - Grondwet
(1994)- Artikel 144 Rechterlijke macht - Bevoegdheid - Grondwet
(1994)- Artikel 145 Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Bevoegdheid - Burgerlijke rechten. Politieke rechten - Grondwet
(1994)- Artikel 144 Bevoegdheid - Burgerlijke rechten. Politieke rechten - Grondwet
(1994)- Artikel 145 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 144 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Rechterlijke macht - Bevoegdheid - Burgerlijke rechten Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Bevoegdheid - Burgerlijke rechten - Grondwet
(1994)- Artikel 144 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTEN. POLITIEKE RECHTEN UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Rechterlijke macht - Bevoegdheid - Grondwet
(1994)- Artikel 144 - Burgerlijke rechten Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 144 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Rechterlijke macht - Bevoegdheid - Omvang - Bestuur - Discretionaire bevoegdheid - Onrechtmatigheid Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Bevoegdheid - Omvang - Bestuur - Discretionaire bevoegdheid - Onrechtmatigheid Thesaurus CAS: KORT GEDING UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Bevoegdheid - Omvang - Bestuur - Discretionaire bevoegdheid - Onrechtmatigheid Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 144 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Rechterlijke macht - Bevoegdheid - Subjectief recht t.a.v. de bestuurlijke overheid Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Bevoegdheid - Subjectief recht t.a.v. de bestuurlijke overheid Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTEN. POLITIEKE RECHTEN UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Rechterlijke macht - Bevoegdheid - Subjectief recht t.a.v. de bestuurlijke overheid Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Gelijkheid - Overheid - Gebondenheid Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Non-discriminatie - Overheid - Gebondenheid Thesaurus CAS: MACHTEN - UITVOERENDE MACHT UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Administratieve overheid - Discretionaire bevoegdheid - Begrip - Grenzen - Gelijkheid en non-discriminatie - Beoordelingsvrijheid Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Gelijkheid - Administratieve overheid - Discretionaire bevoegdheid - Begrip - Grenzen - Beoordelingsvrijheid Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Non-discriminatie - Administratieve overheid - Discretionaire bevoegdheid - Begrip - Grenzen - Beoordelingsvrijheid Thesaurus CAS: RADIO- EN TELEVISIEOMROEP UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Publieke kabelmaatschappij - Overdracht van activiteiten - Gelijke behandeling - Gevolg - Marktbevraging Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Gelijkheid - Publieke kabelmaatschappij - Overdracht van activiteiten - Gelijke behandeling - Gevolg - Marktbevraging Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Non-discriminatie - Publieke kabelmaatschappij - Overdracht van activiteiten - Gelijke behandeling - Gevolg - Marktbevraging Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ C.08.0429.N Conclusie van Advocaat-generaal Chr. Vandewal: Feitelijke gegevens en procedurevoorgaanden Volgens het feitenrelaas in het bestreden arrest situeren de feiten zich in het kader van een principeakkoord dat eind november 2007 werd gesloten tussen Telenet en Interkabel, waarbij deze laatste 800.000 abonnees analoge televisie en 60.000 abonnees digitale televisie, en de daarbij gepaard gaande eigendomsrechten op kabelnetwerk, overdroeg aan Telenet, "zonder enige vorm van marktbevraging of mededinging". Interkabel was opgericht door een aantal intercommunales die thans eveneens partij in het geding zijn. Eiseres, die in 2005 haar intrede had gedaan op de televisiemarkt met een aanbod van uitsluitend digitale televisie via haar telefonienetwerk, achtte zich door dit handelen geschaad door het feit dat het akkoord tot stand kwam zonder dat aan marktbevraging werd gedaan en derhalve zonder dat aan eiseres de mogelijkheid werd geboden om, zoals Telenet, een bieding te doen voor wat betreft de overname van de televisieactiviteiten, abonnees en bepaalde zakelijke rechten op kabelnetwerk. Eiseres is van oordeel dat de betrokken publiekrechtelijke rechtspersonen, door aldus te handelen, haar hebben gediscrimineerd, terwijl zij en ook andere operatoren in de betrokken markt recht hadden op een behandeling die gelijk was aan deze waarvan Telenet heeft genoten. Zij had er bezwaar tegen dat Telenet alleen en op exclusieve wijze beroep zou kunnen doen op het kabelnetwerk voor het leveren van alle diensten, zijnde telefonie, televisie en internet. Op deze wijze wordt volgens haar de toegang of de mogelijkheid van andere marktpartijen om op de kabel analoge of digitale televisiediensten aan te bieden, uitgesloten, zonder dat enige vorm van marktbevraging of mededinging is voorafgegaan. Aldus verkreeg Telenet het monopolie in Vlaanderen voor analoge televisiediensten. Op 30 november 2007 richtte eiseres aan de vierde tot en met negende verweersters een schrijven waarin zij stelde een volwaardig alternatief te kunnen bieden voor de voorgestelde overeenkomst onder voorbehoud van goedkeuring door de hun geëigende beslissingsorganen, hun verzocht een alternatieve bieding te mogen doen en tevens inzage vroeg in de relevante operationele, financiële en juridische stukken. Hierop werd negatief geantwoord. Eiseres stelde op 26 december 2007 voor de burgerlijke rechter een procedure in kort geding in tegen de vierde tot en met negende verweersters teneinde hen, onder verbeurte van een dwangsom van 1 miljoen euro per gedaagde en per inbreuk, verbod te horen opleggen uitvoering te geven aan dit voormelde principeakkoord, totdat ofwel 1) de bodemrechter zich zal uitspreken over de vordering tot nietigverklaring van het voornoemde principeakkoord, vordering die binnen de 15 dagen na de tussen te komen beschikking zal worden ingesteld, ofwel 2) gedaagden een einde hebben gesteld aan de aan de gang zijnde procedure tot overdracht van bijkomende exploitatierechten op het kabelnetwerk en abonnees aan Telenet doordat zij aan een overdracht verzaken dan wel de aan de gang zijnde procedure beëindigen en, na openbaarmaking van alle relevante operationele, financiële en technische informatie, de potentiële geïnteresseerden, met inbegrip van (eiseres), de mogelijkheid geven om binnen een redelijke termijn van drie maanden een bieding in te dienen. Eiseres riep hierbij in dat het akkoord haar subjectieve rechten op gelijke behandeling en op integraal schadeherstel aantastte. De eerste drie verweerders kwamen vrijwillig tussen in die procedure. Bij beschikking van 11 maart 2008 willigde de Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, zetelend in kort geding, deze vordering in. Hij stelde o.m. dat eiseres over subjectieve rechten beschikt, met name het recht op een eerlijke kans en een gelijke behandeling. Het verlangen van eisende partij om conform het gelijkheids-, niet-discriminatie- en transparantiebeginsel een kans te krijgen een bieding te doen en om haar kansen op rechtsherstel in natura te vrijwaren is volgens deze kortgedingrechter rechtmatig. Op het hoger beroep van de eerste drie verweersters hervormde het bestreden arrest de beroepen beschikking; het hof van beroep zegde zonder rechtsmacht te zijn. Eiseres werd in de kosten van beide aanleggen verwezen. Eiseres tekende cassatieberoep aan tegen dit arrest, welk cassatieberoep het voorwerp uitmaakt van de huidige procedure. Het cassatiemiddel Het enig cassatiemiddel wordt ontwikkeld in drie onderdelen. In het eerste onderdeel voert eiseres aan dat geschillen over burgerlijke subjectieve rechten overeenkomstig artikel 144 van de Grondwet bij uitsluiting behoren tot de bevoegdheid van de rechtbanken. De wettelijke regels die de bevoegdheid van de afdeling administratie van de Raad van State bepalen doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van de rechtbank van de rechterlijke macht om, ook in kort geding, uitspraak te doen over geschillen betreffende subjectieve rechten. Het onderdeel viseert in wezen de overweging in randnr. 26 van het bestreden arrest dat "het verwijt van (eiseres) enkel de publieke rechtspersonen (treft) die aan een dergelijke vorm van marktbevraging of mededinging kunnen onderworpen zijn", dat "de gehele argumentatie van (eiseres) derhalve in wezen de beweerde onwettigheid van bestuurshandelingen (betreft)" en dat "haar vordering (aldus handelt) over de geldigheid en wettigheid van bestuursdaden". Eiseres stelt dan ook dat indien die overwegingen zo zouden moeten begrepen dat het onderwerp van de vordering in kort geding van eiseres voor de burgerlijke rechter in elk geval een objectief geschil is ongeacht de vraag of eiseres de bescherming nastreeft van de subjectieve rechten waarop ze zich beroept, het bestreden arrest de artikelen 144, 145 en 160 van de Grondwet en de artikelen 14, 17 en 18 van de bij Koninklijk Besluit van 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State schendt. In het tweede onderdeel voert eiseres aan dat eenieder uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, die een algemene draagwijdte hebben, een subjectief recht put om door de overheid op gelijke en niet-discriminatoire wijze te worden behandeld en dat dit subjectief recht ingevolge artikel 144 van de Grondwet voor de justitiële rechter kan worden afgedwongen. Wanneer de overheid handelt, moet zij op niet-discriminatoire wijze handelen; dit is een gebonden bevoegdheid. Enkel voor wat de concrete wijze betreft waarop zij die verplichting naleeft, beschikt zij over een beoordelingsbevoegdheid, indien de wet die wijze niet heeft bepaald. Nu eiseres niet een bepaalde wijze bekritiseerde waarop de overheid in onderhavige zaak de verplichting tot gelijke behandeling zou hebben nageleefd, maar wel het feit dat de overheid op geen enkele wijze die verplichting heeft nageleegd, terwijl zij gebonden was door de verplichting van gelijke behandeling, en het arrest tevens vaststelde dat het principeakkoord tot stand kwam zonder enige vorm van marktbevraging of mededinging, acht zij dat de appelrechters door hun oordeel dat "het recht op naleving van het gelijkheidsbeginsel immers steeds een appreciatiebevoegdheid van de overheid (inhoudt)" en dat "de wijze van invulling de regelmatigheid van de administratieve beslissing zelf (raakt), maar geen impact (heeft) op subjectieve rechten van de gedingpartijen", de artikelen 10, 11 en 144 van de Grondwet hebben geschonden. In het derde onderdeel tenslotte voert eiseres aan dat, wanneer de overheid door foutief optreden, bijvoorbeeld een onwettige beslissing of handeling, ongeacht of dit optreden gebonden dan wel discretionair is, aan een derde schade berokkent, of zal berokkenen, deze derde uit de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek het subjectief recht op vergoeding van de door deze fout veroorzaakte schade put, of, in voorkomend geval, op maatregelen teneinde materiële schade te voorkomen. Het bestreden arrest schendt volgens eiseres dan ook de artikelen 1382-1383 van het Burgerlijk Wetboek en 144 van de Grondwet. Bespreking van het tweede onderdeel In het Belgisch recht ligt het fundament van de verdeling van de bevoegdheden tussen de rechtscolleges van de rechterlijke orde en de andere rechtscolleges in het algemeen in het door de Grondwet gemaakte onderscheid tussen twee categorieën subjectieve rechten, met name de burgerlijke rechten en de politieke rechten. Krachtens artikel 144 van de Grondwet behoren geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken. Krachtens artikel 145 van de Grondwet behoren geschillen over politieke rechten in beginsel ook tot de bevoegdheid van de rechtbanken. Uit die artikelen volgt dat de gewone hoven en rechtbanken geroepen zijn om geschillen met betrekking tot subjectieve burgerlijke en (in beginsel ook) subjectieve politieke rechten te beoordelen. Het arrest van Uw Hof van 21 december 1956 verduidelijkte dat de geschillen over subjectieve rechten tor de bevoegdheid van de rechtbanken behoren en niet tot die van de actieve administratie, hetgeen wil zeggen dat er geen burgerlijke of politieke subjectieve rechten bestaan zonder jurisdictionele bescherming
(1). Aldus behoort het "subjectief contentieux" tot de bevoegdheid van de rechtscolleges van de rechterlijke orde. De hoven en rechtbanken nemen kennis van de vordering wanneer zij gegrond is op een subjectief recht
(2). Het beroep dat overeenkomstig de artikelen 14, 17 en 18 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan worden ingesteld tegen een handeling of reglement van de administratieve overheid, is daarentegen een objectief beroep. Nu verweersters de rechtsmacht van de gewone hoven en rechtbanken betwistten, diende het hof van beroep na te gaan of het voorwerp van de door eiseres geformuleerde vordering tot het imperium van de rechterlijke macht behoorde. Ter afbakening van de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde, respectievelijk de Raad van State, zal dan ook moeten nagegaan worden wat het werkelijk en rechtstreeks voorwerp is van hetgeen door een gedingvoerende partij wordt nagestreefd, m.a.w. of de vordering er werkelijk toe strekt het bestaan van een subjectief recht te doen vastleggen of de eerbiediging van een subjectief recht te doen naleven
(3). Het is aldus belangrijk te verduidelijken wat onder een subjectief recht wordt verstaan. Procureur-generaal baron VELU beantwoordde deze vraag, na een zeer diepgaande studie van de rechtsleer m.b.t. de algemene theorie van het recht en van de rechtspraak zowel van de Raad van State als van het Hof van Cassatie, in zijn conclusie bij het in verenigde kamers van Uw Hof uitgesproken arrest van 10 april 1987. Hij wijst erop dat een subjectief recht niet denkbaar is zonder een belang, d.w.z. zonder de noodzaak of het verlangen een bepaald voordeel te verkrijgen. Maar, stelt hij, hoewel er steeds een belang aanwezig is bij een subjectief recht, toch gaat het belang vanzelfsprekend niet altijd gepaard met een subjectief recht. Hij die een zeker belang heeft, kan van een subjectief recht slechts houder zijn indien hij onder zekere voorwaarden de bekwaamheid heeft om van een derde een bepaald gedrag te eisen, in voorkomend geval door het instellen van een vordering van jurisdictionele aard. De essentie van een subjectief recht bestaat eerst en vooral in de bekwaamheid om iets van een derde te eisen. Die bekwaamheid om te eisen moet overigens worden beschermd door een rechtsmiddel van jurisdictionele aard. Procureur-generaal baron VELU wijst er verder op dat het subjectief recht, dat aldus is opgevat als de bekwaamheid om iets te eisen door het aanwenden van een rechtsmiddel, enkel en alleen bestaat indien althans aan twee vereisten is voldaan: het eerste vereiste betreft de juridische verplichting van het passieve rechtssubject; het tweede, het belang van het actieve subject. "Het eerste vereiste is dat een welbepaalde juridische verplichting rust op andere personen: het of de passieve rechtssubject(en). Vereist is dat het gedrag - een handeling of een onthouding - dat door het actief subject is gevorderd ingevolge een regel van het objectief recht, het voorwerp zij van een welbepaalde aan (het) passieve subject(en) opgelegde juridische verplichting. Die bepaalde verplichting moet dus vooraf door een norm van het objectief recht gedefinieerd zijn."
(4)Het bestaan van een subjectief recht veronderstelt dus dat de eiser zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die door een regel van het objectief recht rechtstreeks aan een derde wordt opgelegd en bij wiens uitvoering de eiser belang heeft
(5). De rechterlijke macht is bevoegd om een door het bestuur bij de uitoefening van zijn niet-gebonden bevoegdheid begane onrechtmatige aantasting van een subjectief recht zowel te voorkomen als te vergoeden, maar vermag daarbij aan het bestuur zijn beleidsvrijheid niet te ontnemen en vermag niet zich in de plaats van het bestuur te stellen; de rechter in kort geding mag dit evenmin doen
(6). Opdat een partij zich ten aanzien van de bestuurlijke overheid op een dergelijk subjectief recht zou kunnen beroepen, is het dus vereist dat de bevoegdheid van die overheid gebonden is
(7). In de reeds geciteerde conclusie van procureur-generaal baron VELU wordt op verhelderende wijze uiteengezet wanneer een overheid een gebonden bevoegdheid heeft: "Dientengevolge zal men, om vast te stellen wanneer in de rechtsbetrekkingen tussen de administratieve overheid en de burgers, dezen ten opzichte van de overheid over subjectieve rechten beschikken, dienen na te gaan of er een rechtsregel bestaat waarbij aan de burger rechtstreeks het recht wordt verleend om van de overheid een bepaald gedrag te eisen. Alles zal afhangen van de vraag of de overheid, door een beslissing te nemen, zich al dan niet in een toestand bevindt waarbij haar bevoegdheid honderd ten honderd gebonden is. Men zegt van een overheid dat zij zich in een toestand bevindt waarbij haar bevoegdheid gebonden is, wanneer zij krachtens een rechtsregel verplicht is om in een bepaalde richting te handelen en zij over geen keuzemogelijkheden beschikt. Het begrip "gebonden bevoegdheid" staat tegenover het begrip "discretionaire macht". Men zegt van een overheid dat zij een discretionaire macht uitoefent wanneer zij over een beoordelingsruimte beschikt voor de beslissing die zij ten opzichte van bepaalde feitelijke omstandigheden moet nemen; zij kan uit meerdere juridisch gefundeerde oplossingen die kiezen welke haar het meest geschikt lijkt te zijn; die rechtsregel laat haar vrij oordelen over de opportuniteitsvereisten van het algemeen belang. De administratieve rechtsleer en rechtspraak van de laatste jaren hebben erop gewezen dat, voor eenzelfde handeling, de overheid van wie ze uitgaat, in talrijke gevallen, kan verkeren in een toestand waarbij zij enerzijds, gebonden is ten aanzien van bepaalde elementen van die handeling en, anderzijds, over een discretionaire macht beschikt ten aanzien van andere elementen van die handeling. Opdat de burger zich ten aanzien van de administratieve overheid op een subjectief recht kan beroepen, moet de bevoegdheid van de administratieve overheid volledig honderd ten honderd gebonden
(8)zijn, d.w.z. dat alle voorwaarden waaraan de uitoefening van de bevoegdheid onderworpen is, objectief door de rechtsregel zijn vastgelegd, zodat de overheid over geen enkele beoordelingsbevoegdheid beschikt; de Grondwet, de wet of het reglement hebben al de voorwaarden vastgelegd op grond waarvan, voor degenen die bedoelde voorwaarden vervullen, een subjectief recht ontstaat om een welbepaald voordeel te verkrijgen. In zodanig geval kan de administratieve overheid enkel vaststellen, verklaren, erkennen dat die voorwaarden bestaan, zonder te hunnen opzichte een beoordelingsmacht te kunnen uitoefenen. Die beslissing is dan een beslissing tot aanwijzing van subjectieve rechten ('une décision déclarative de droits'). Wanneer daarentegen de bevoegdheid van de administratieve overheid geen gebonden bevoegdheid is, is het ontstaan van het subjectief recht afhankelijk van de uitoefening van de discretionaire macht van die overheid: de beslissing van die overheid is derhalve geen beslissing tot aanwijzing van subjectieve rechten, maar wel tot vestiging ervan ('une décision constitutive de droits'). (...) Maar de Raad van State blijft bevoegd wanneer het ontstaan van het subjectief recht eigenlijk afhangt van een voorafgaande beslissing van de administratieve overheid, die wat die beslissing betreft over een discretionaire bevoegdheid beschikt, ook al is haar bevoegdheid op bepaalde vlakken gebonden."
(9)Wanneer er in hoofde van de overheid een juridische verplichting bestaat die voortspruit uit een norm van het objectief recht die de overheid geen keuze laat om over de toepassing van die norm in het concrete geval te beslissen, beschikt de overheid aldus over een gebonden bevoegdheid. De norm van het objectief recht bepaalt dan de inhoud of het voorwerp van een beslissing die de overheid moet nemen van zodra de gestelde voorwaarden vervuld zijn. In dat geval zal de overheid geen speelruimte hebben en louter toepassing moeten maken van de norm van het objectief recht
(10). Uw Hof bevestigde uitdrukkelijk in een arrest van 16 januari 2006 dat opdat een partij zich t.a.v. de administratieve overheid kan beroepen op een subjectief recht, de bevoegdheid van die overheid volledig gebonden moet zijn
(11). Zodra de gevorderde prestatie als een absolute verplichting naar voren komt, waarmee wordt bedoeld een verplichting die als onmiddellijk rechtsgevolg voortspruit uit direct werkende wettelijke of reglementaire voorschriften, doordat de inhoud en de bestaansvoorwaarden van de verplichting volledig, in alle onderdelen, door die voorschriften zijn bepaald en de toepassing van die regels het derhalve niet mogelijk maakt of zelfs toelaat dat door de overheid op één of ander punt nog een discretionaire appreciatie zou worden aangebracht, beschikt de rechtszoekende over een subjectief recht. Thans kan worden nagegaan hoe de hierboven uiteengezette principes in de onderhavige zaak dienen te worden toegepast. Krachtens artikel 10 van de Grondwet is er in de Staat geen onderscheid van standen; de Belgen zijn gelijk voor de wet. Artikel 11 van de Grondwet bepaalt dat het genot van rechten en vrijheden aan de Belgen toegekend, zonder discriminatie verzekerd moet worden. Uw Hof besliste reeds meermaals dat de administratieve overheid die op grond van haar discretionaire bevoegdheid een beslissing neemt, over een beoordelingsbevoegdheid beschikt die haar de mogelijkheid biedt zelf te oordelen over de wijze waarop zij haar bevoegdheid uitoefent en de haar meest geschikt lijkende oplossing te kiezen binnen de door de wet gestelde grenzen
(12). De wijze waarop het bestuur de gelijkheid en de niet-discriminatie van haar burgers moet waarborgen wordt in casu concreet ingevuld door het bestuur dat daarvoor over een zekere mate van beoordelingsvrijheid beschikt. De in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geformuleerde verplichting tot naleving van het gelijkheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel bepalen geenszins volledig de inhoud en de bestaansvoorwaarden van die verplichting. Daarenboven is die verplichting een "open systeem", daar de mogelijke uitzonderingen op deze verplichting niet uitdrukkelijk en limitatief door de wetgever zijn opgesomd, doch "open" gelaten worden. In een dergelijk systeem bestaat de mogelijkheid tot het inroepen van een algemene rechtvaardigingsgrond: een verschil in behandeling zal immers slechts ongeoorloofd zijn wanneer het niet objectief en redelijkerwijs kan worden verantwoord.
(13)De overheid beschikt aldus over beoordelingsvrijheid met betrekking tot de wijze waarop zij die verplichting in een concreet geval naleeft, tenzij wettelijke of reglementaire bepalingen deze wijze verplichtend zouden concretiseren. Geen enkele wettelijke bepaling of norm van het objectief recht legt de publieke kabelmaatschappijen op bij de overdracht van hun activiteiten een marktbevraging te doen. De kabelmaatschappijen behielden aldus een voldoende mate van beoordelingsvrijheid over de meest geschikte wijze om de gelijkheid en de non-discriminatie te waarborgen. Hun bevoegdheid was dus niet volledig gebonden. Uit het recht op gelijke behandeling alleen kan dus niet worden afgeleid dat de kabelmaatschappijen, door het niet organiseren van een marktbevraging, een subjectief recht van eiseres hebben geschonden. Weliswaar gaan een bepaald deel van de rechtsleer ervan uit dat het gelijkheidsbeginsel een onvoorwaardelijk subjectief recht inhoudt om gelijk behandeld te worden, dat de toepassing van het gelijkheidsbeginsel onvoorwaardelijk is en geen enkele beoordelingsmarge toelaat. In het kader van het overheidsopdrachtencontentieux zijn die auteurs de mening toegedaan dat de aanbestedende overheid niet beschikt over een discretionaire macht die haar zou toelaten om de gelijkheid van de gegadigden op een bepaald ogenblik al dan niet te respecteren. In hun visie is elk handelen van de overheid honderd ten honderd gebonden door het gelijkheidsbeginsel, hetgeen niet belet dat de resultante van dit handelen, conform het gelijkheidsbeginsel, verschillend kan zijn ingevolge de discretionaire beoordeling
(14). Ik meen dat die stelling, die ook door eiseres in haar cassatieberoep wordt gehuldigd, om hogervermelde redenen niet kan gevolgd worden. Zij splitst immers ten onrechte de bevoegdheid van de overheid op in diverse deelcomponenten en maakt ten onrechte een onderscheid tussen enerzijds de bevoegdheid die de overheid heeft bij het kiezen van de wijze waarop zij het gelijkheidsbeginsel en het niet-discriminatiebeginsel in een concreet geval naleeft, en anderzijds de bevoegdheid waarover diezelfde overheid beschikt bij het maken van de keuze die bestaat in het al dan niet naleven van die beginselen. Die bevoegdheid dient naar mijn oordeel in haar geheel te worden bekeken; ofwel beschikt de overheid over geen enkele discretionaire beoordelingsbevoegdheid en is haar bevoegdheid volledig gebonden (de "gebondenheid honderd procent"), ofwel beschikt ze wel over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Een discretionaire appreciatiebevoegdheid houdt in dat de overheid kan oordelen welke maatregelen haar als het meest geschikt voorkomen om het door de norm van het objectief recht gestelde doel (meestal bestaande in de bevordering van het algemeen welzijn) te bereiken. De verplichting die bestaat in de naleving van die norm, impliceert uiteraard niet dat sprake is van een gebonden bevoegdheid. Er anders over oordelen zou betekenen dat de overheid altijd en overal slechts over een gebonden bevoegdheid beschikt. Beschikt ze over een discretionaire bevoegdheid, dan bepaalt de wijze waarop de overheid haar verplichting tot naleving van het gelijkheidsbeginsel invult, de regelmatigheid van de beslissing zelf. Haar beslissing dient uiteraard binnen de grenzen van de wettigheid en de redelijkheid te worden genomen
(15). Het arrest kon dus wettig beslissen, zonder de als geschonden aangewezen wetsbepalingen te schenden, dat "het recht op naleving van het gelijkheidsbeginsel immers steeds een appreciatiebevoegdheid van de overheid (inhoudt)", dat "de wijze van invulling de regelmatigheid (raakt) van de administratieve beslissing zelf, maar geen impact (heeft) op subjectieve rechten van de gedingpartijen", en dat er derhalve besloten moet worden "dat de burgerlijke rechter in kort geding geen rechtsmacht heeft". Het onderdeel lijkt mij niet aangenomen te kunnen worden. Bespreking van het eerste onderdeel Uit het antwoord op het tweede onderdeel lijkt mij te volgen dat ook het eerste onderdeel niet aangenomen kan worden. Bespreking van het derde onderdeel De beweerde subjectieve rechten waarop eiseres haar vordering steunt, zijn enerzijds het recht op gelijke behandeling en anderzijds het recht op vergoeding of het doen voorkomen van de schade die het gevolg is van de schending van dat beweerd subjectief recht. Eiseres houdt voor dat het arrest haar subjectief recht miskent om bij foutief overheidsoptreden voor de gewone rechter maatregelen te vorderen teneinde schade te voorkomen of te herstellen. Eiseres voerde in haar tweede beroepsconclusie, tevens syntheseconclusie, van 5 mei 2008, onder randnr. 86 aan dat "de Kabelmaatschappijen wel degelijk een concrete rechtsplicht tot gelijke behandeling (hebben). (De eiseres) beschikt, in geval van miskenning van die rechtsplicht, wel degelijk over een subjectief recht op gelijke behandeling en integraal schadeherstel". Anders dan het middel voorhoudt, steunde de eiseres de bevoegdheid van de burgerlijke rechter in kort geding niet, voor het geval het hof van beroep zou oordelen dat er geen subjectief recht op gelijke behandeling bestaat, op een van dat subjectief recht onafhankelijk bestaand subjectief recht op maatregelen om schade ingevolge een beweerd onwettelijk overheidsoptreden te voorkomen, maar was haar vordering gesteund op het bestaan van een beweerd subjectief recht op de naleving van het gelijkheidsbeginsel en op het beweerd subjectief recht op herstel of voorkoming van de schade, dat het gevolg is van de beweerde miskenning van die rechtsplicht tot gelijke behandeling. Gezien het antwoord op het tweede onderdeel en het oordeel van de appelrechters dat eiseres zich in deze niet kunnen beroepen op een subjectief recht op gelijke behandeling, lijkt ook het derde onderdeel mij niet aangenomen te kunnen worden. Conclusie: Verwerping _________________
(1)Cass. 21 dec. 1956, A.C., 1957, 279, met concl. van procureur-generaal Ganshof van der Meersch, toen advocaat-generaal, in Bull. en Pas., 1957, I, 430.
(2)Cass. 20 dec. 2007 (2 arresten), A.R. C.06.0574.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 en C.06.0596.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11, Pas., 2007, nrs. 655 en 656, beide met concl. van advocaat-generaal Werquin.
(3)Zie de concl. van advocaat-generaal Bresseleers bij Cass. 13 juni 2003, A.R. C.02.0557.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030613.8, A.C., 2003, nr. 350; zie ook de concl. van advocaat-generaal Dubrulle bij Cass. 25 april 1996, A.R. C.94.0013.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960425.13, A.C., 1996, nr. 137.
(4)Concl. van procureur-generaal baron Velu, toen advocaat-generaal, bij Cass. (verenigde kamers), 10 april 1987, A.R. 5590-5619, A.C., 1986-87, nr. 477; zie ook de concl. van advocaat-generaal Dubrulle bij Cass. 25 april 1996, A.R. C.94.0013.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960425.13, A.C., 1996, nr. 137.
(5)Cass. 20 dec. 2007 (2 arresten), A.R. C.06.0574.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 en C.06.0596.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11, Pas., 2007, nrs. 655 en 656, beide met concl. van advocaat-generaal Werquin.
(6)Cass. 4 maart 2004, A.R. C.03.0346.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040304.8-C.03.0448.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040304.8-C.03.0449.N, A.C., 2004, nr., 124, met concl. van advocaat-generaal Dubrulle; Cass. 3 jan. 2008, A.R. C.06.0322.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080103.1, A.C., 2008, nr. 4.
(7)Cass. 20 dec. 2007 (2 arresten), A.R. C.06.0574.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 en C.06.0596.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11, Pas., 2007, nrs. 655 en 656, beide met concl. van advocaat-generaal Werquin.
(8)Eigen onderlijning.
(9)Concl. van procureur-generaal baron Velu, toen advocaat-generaal, bij Cass. (verenigde kamers), 10 april 1987, A.R. 5590-5619, A.C., 1986-87, nr. 477.
(10)A. MAST, J. DUJARDIN, M. VAN DAMME en J. VANDE LANOTTE, Overzicht van het Belgisch administratief recht, Mechelen, Kluwer, 2006, p. 796, nr. 856.
(11)Cass. 16 jan. 2006, A.R. C.05.0057.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060116.9, A.C., 2006, nr. 37.
(12)Cass. 24 nov. 2005, A.R. C.04.0317.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051124.3, A.C., 2005, nr. 625; Cass. 24 nov. 2006, A.R. C.05.0436.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061124.2, A.C., 2006, nr. 599; Cass. 3 jan. 2008, A.R. C.06.0322.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080103.1, A.C., 2008, nr. 4.
(13)E. ALOFS en A. DE BECKER, "De Antidiscriminatiewet en het bestuursrecht", NjW, 2004,
(578)582.
(14)C. DE KONINCK, P. FLAMEY en K. RONSE, Schade en schadeloosstelling bij de gunningen en de uitvoering van overheidsopdrachten, Antwerpen, Maklu, 2007, 44-45.
(15)A. MAST, J. DUJARDIN, M. VAN DAMME en J. VANDE LANOTTE, Overzicht van het Belgisch administratief recht, Mechelen, Kluwer, 2006, p. 797, nr. 856. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100924.1 citeert: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960425.13 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030613.8 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040304.8 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051124.3 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060116.9 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061124.2 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080103.1 geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.670 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div