id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 01 oktober 2010
Art. 49oud Burgerlijk Wetboek - Art.
2244 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Criteria materiële bevoegdheid - Aanleg FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Verjaring (fiscaal recht) - Stuiting Vrije woorden: Verjaring - Stuiting - Dwangbevel - Verjaringsstuitende akte - Terugwerkende kracht Wettelijke bepalingen:
Art. 49oud Burgerlijk Wetboek - Art.
2244 Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Criteria materiële bevoegdheid - Aanleg FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Verjaring (fiscaal recht) - Stuiting Vrije woorden: Verjaring - Stuiting - Dwangbevel - Verjaringsstuitende akte - Terugwerkende kracht Wettelijke bepalingen:
Art. 49oud Burgerlijk Wetboek - Art.
2244 Fiches 5 - 8 Conclusie van advocaat-generaal m.o. Van Ingelgem. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Aanleg UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Criteria materiële bevoegdheid - Aanleg FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Verjaring (fiscaal recht) - Stuiting Vrije woorden: Bepaling van de waarde van het geschil - Fiscale aanslag - Nietigverklaring Thesaurus CAS: VERJARING - BELASTINGZAKEN - Stuiting UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Criteria materiële bevoegdheid - Aanleg FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Verjaring (fiscaal recht) - Stuiting Vrije woorden: Dwangbevel - Verjaringsstuitende akte - Terugwerkende kracht Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Criteria materiële bevoegdheid - Aanleg FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Verjaring (fiscaal recht) - Stuiting Vrije woorden: Verjaring - Stuiting - Dwangbevel - Verjaringsstuitende akte - Terugwerkende kracht Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Criteria materiële bevoegdheid - Aanleg FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Verjaring (fiscaal recht) - Stuiting Vrije woorden: Verjaring - Stuiting - Dwangbevel - Verjaringsstuitende akte - Terugwerkende kracht Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ C.09.0512.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht A. Van Ingelgem: I. SITUERING 1. Het geschil betreft de milieuheffing op waterverontreiniging voor het heffingsjaar 1993 van eiseres t.l.v. verweerster. Verweerster dagvaardt eiseres in nietigverklaring van de heffing. 2. Het bestreden vonnis (vrederechter Aalst, 13 mei 2009) verklaart de milieuheffing van eiseres t.o.v. verweerster verjaard. 3. Tegen deze beslissing voert eiseres een enig middel tot cassatie aan. II. BESPREKING VAN HET MIDDEL A. De ontvankelijkheid 1. In haar memorie van antwoord betwist verweerster de ontvankelijkheid van de voorziening in cassatie door eiseres in de mate dat het bestreden vonnis niet in laatste aanleg werd afgewezen. 2. Cassatieberoep staat niet open tegen een proceshandeling die geen beslissing is in de zin van de artikelen 608 en 609 van het Ger.W.
(1). 3. Overeenkomstig art. 616 van het Ger.W. kan tegen ieder vonnis hoger beroep worden ingesteld, tenzij de wet anders bepaalt. Waar volgens Koninklijk Commissaris voor de gerechtelijke hervorming CH. Van Reepinghen voormeld artikel onder de vorm van een algemeen beginsel de dubbele graad van rechtsmacht bevestigt
(2), bestaat op deze regel slechts uitzondering indien de wet het bepaalt. Deze uitzonderingen moeten strikt worden uitgelegd
(3), waarbij uw Hof meerdere malen heeft beslist dat de regel van de dubbele aanleg geen algemeen rechtsbeginsel is
(4). 4. Artikel 617 van het Ger.W. bevat een belangrijke uitzondering op het beginsel dat in principe tegen ieder vonnis en in alle zaken hoger beroep kan worden ingesteld, tenzij de wet anders bepaalt
(5). Tegen vonnissen betreffende vorderingen waarvan het bedrag een bepaalde grens niet overschrijdt, kan geen hoger beroep worden ingesteld
(6). Alle vorderingen beneden deze grens worden in eerste en laatste aanleg beoordeeld. Aldus worden overeenkomstig art. 617, eerste lid, van het Ger.W. vonnissen waarbij de vrederechter uitspraak doet over een vordering waarvan het bedrag 1240 EUR niet overschrijdt, gewezen in laatste aanleg. De aanleg wordt bepaald op grond van de regels die gelden voor de vaststelling van de waarde van de vordering bij de bepaling van de volstrekte bevoegdheid
(7)en van de specifieke bepalingen inzake de aanleg (Art. 616 tot 621 Ger.W.). 5. Bij gebreke van grondslagen voor de bepaling van de waarde van het geschil, zoals zij omschreven zijn in de artikelen 557 tot 562, wordt het geschil in eerste aanleg berecht
(8). Vonnissen betreffende vorderingen die geen betrekking hebben op geldsommen of in geld waardeerbare zaken, zijn aldus steeds vatbaar voor hoger beroep
(9). Zoals reeds hoger vermeld
(10), houdt de bepaling van artikel 619 van het Ger. W. een impliciete bevestiging in van het beginsel van de dubbele aanleg, waarbij de wetgever niet wenste dat de macht van de rechter om in eerste of laatste aanleg te vonnissen afhankelijk zou zijn van de subjectieve waardering van partijen van de waarde van het geschil, zoals dat het geval was voor de invoering van het Gerechtelijk Wetboek
(11). Op basis van de hierboven toegelichte principes mag m.i. echter niet uit het oog worden verloren dat de geldelijke waardering van het nadeel (en de objectieve mogelijkheid tot vaststelling daartoe) de grondslag biedt voor het bepalen van de aanleg, en dat derhalve - juist in het belang van de bekommernis om te voorkomen dat de regels van de aanleg worden omzeild
(12)- de waarde van het geschil kan worden gemeten aan het nadeel (in casu het bedrag van de aanslag/heffing) dat een partij beweert te hebben geleden ingevolge de bestreden beslissing
(13). Waar het voorschrift van artikel 619 van het Ger.W., zoals hierboven toegelicht
(14), traditioneel zo wordt uitgelegd dat hoger beroep mogelijk is telkenmale de vordering geen betrekking heeft op een bepaalde geldsom of op een representatieve titel in verband daarmee
(15), beoogt het voorwerp van de voorliggende vordering in nietigverklaring van de lastens verweerster gevestigde heffing evenwel juist het tenietdoen van een uitvoerbare titel die wel degelijk een bepaalde geldsom vertegenwoordigt, zodat de waarde van de betwisting bepaald wordt door dit bedrag
(16), dat te dezen 940,46 EUR bedraagt
(17)en derhalve lager ligt dan het door artikel 617 van het Ger.W. (eerste lid, tweede zin) bepaalde bedrag, zodat het mij voorkomt dat de bestreden beslissing aldus gewezen is in laatste aanleg, waartegen overeenkomstig de artikelen 608 en 609 van het Ger.W. cassatieberoep open staat. 7. Hieraan wordt m.i. geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat artikel 617, derde lid, van het Ger.W.
(18)bepaalt dat de door de rechtbank van eerste aanleg uitgesproken vonnissen over geschillen m.b.t. de toepassing van een belastingwet, steeds vatbaar zijn voor hoger beroep. Waar dit nieuwe voorschrift o.m. tot gevolg heeft dat inzake geschillen over lokale en provinciale belastingen, die vaak het bedrag vermeld in artikel 617 van het Ger.W. niet overschrijden, niettemin steeds hoger beroep mogelijk zal zijn, ligt in deze evenwel geen beslissing van de rechtbank van eerste aanleg voor, en bepaalt artikel 11 van voormelde wet als overgangsbepaling, dat de gedingen die hangende zijn bij de hoven, de rechtbanken en andere instanties, met inbegrip van de rechtsmiddelen die tegen hun beslissingen kunnen worden aangevoerd, worden vervolgd en afgehandeld met toepassing van de vóór 1 maart 1999 geldende regels. Voor de zaken die aldus vóór de wetswijziging door de wet van 23 maart 1999 worden ingeleid voor de rechtbanken van eerste aanleg c.q. de vrederechters, is de vroeger bestaande regeling dan ook bewaard gebleven en blijft in die gevallen het gemeen recht toepasselijk
(19), waarin vóór de hervorming van de fiscale procedure in 1999 geen uitzondering was voorzien op de regels van de aanleg inzake geschillen over de toepassing van een belastingwet.
- Ik ben dan ook van oordeel dat het cassatieberoep ontvankelijk is. B. Het middel zelf
- Wat de verjaring van de heffing op de waterverontreiniging betreft
(20), bedraagt de termijn daartoe vijf jaar vanaf de datum waarop ze dient betaald te zijn, d.w.z. binnen twee maanden na de toezending van het aanslagbiljet
(21). Deze verjaringstermijn kan worden gestuit op de wijze bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het B.W. of door afstand te doen van de op de verjaring verlopen termijn. In geval van stuiting van de verjaring treedt een nieuwe verjaring in, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, door verloop van vijf jaren na de laatste akte of handeling waardoor de vorige verjaring is gestuit, indien geen geding voor het gerecht aanhangig is
(22). 2. Waar uw Hof in zijn arresten van 1 oktober 2002 en 21 februari 2003
(23)in toepassing van de toenmalige ter zake wettelijke bepalingen heeft afgeleid dat een bevel betekend voor een aldus (niet onbetwistbaar verschuldigde) betwiste belastingschuld niet geldig kan zijn en geen stuitende werking heeft, bepaalt artikel 49 van de Programmawet van 9 juli 2004
(24)dat "niettegenstaande het dwangbevel de eerste akte van de rechtstreekse vervolgingen is in de zin van de artikelen 148 en 149 van het Koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), het dwangbevel ook moet geïnterpreteerd worden als een verjaringstuitende akte in de zin van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien de belastingschuld geen zeker en vaststaand karakter heeft". Dit voorschrift van artikel 49, waarbij aan het begrip bevel tot betaling in artikel 2244 van het B.W. een verschillende betekenis wordt gegeven door het inzake inkomstenbelastingen zo uit te leggen dat ook betwiste belastingschulden die geen zeker en vaststaand karakter hebben, het voorwerp kunnen uitmaken van een bevel dat verjaringstuitende werking heeft, heeft - blijkens de bedoeling van de wetgever - terugwerkende kracht
(25), die onontbeerlijk is voor de goede werking of de continuïteit van de openbare dienst, waarbij uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang een verantwoording bieden voor het optreden van de wetgever
(26). Krachtens artikel 2 van het B.W. beschikt de wet weliswaar alleen voor het toekomende en heeft zij geen terugwerkende kracht, zodat een wet die een nieuwe oorzaak van de stuiting van de verjaring doet ontstaan, aan een handeling die onder vigeur van de oude wet is gesteld, in de regel niet de uitwerking kan verlenen de lopende verjaring te stuiten, terwijl de oude wet daaraan niet die uitwerking hechtte
(27). De wetgever mag evenwel uitdrukkelijk of stilzwijgend van dit beginsel afwijken
(28). Hoewel artikel 49 van de Programmawet van 9 juli 2004 geen interpretatieve wetsbepaling is, moet deze nieuwe bepaling echter wel met terugwerkende kracht worden toegepast overeenkomstig de bedoeling van de wetgever. Uit de parlementaire voorbereiding van deze wetsbepaling blijkt immers duidelijk dat bij de wetgever de zekere bedoeling voorzat om door middel van een maatregel met terugwerkende kracht de rechten van de Schatkist te vrijwaren in de nog hangende procedures waarin de betwiste belasting op grond van het door het Hof ingenomen standpunt
(29), dreigde te verjaren of waarin de verjaring reeds was ingetreden
(30). Waar het bestreden vonnis de toepassing van het door eiseres ingeroepen artikel 49 van de Programmawet van 9 juli 2004 verwerpt, omdat deze bepaling enkel beperkt retro-actief zou gelden in de zin dat "enkel als de verjaring nog niet vaststond op het ogenblik van de inwerkingtreding van de nieuwe wet, de nieuwe bepalingen van toepassing zijn op hangende gedingen", en dat te dezen de verjaring reeds was ingetreden op het ogenblik van de inwerkingtreding van de Programmawet
(31), miskent het de terugwerkende kracht van dit artikel dat een stuitende werking, in de zin van artikel 2244 van het B.W., toekent om het dwangbevel, in die zin dat ze van toepassing is op alle lopende rechtsgedingen die nog niet zijn afgesloten door een in kracht van gewijsde gegane beslissing
(32). 7. Ik ben dan ook van oordeel dat het middel gegrond is. III. CONCLUSIE: VERNIETIGING _______________
(1)Cass. 25 juni 1991, AR 5287, A.C., 1990-91, 1062.
(2)CH. VAN REEPINGHEN, Verslag over de gerechtelijke hervorming, Brussel, Belgisch Staatsblad, 1964, 257.
(3)Cass. 16 sept. 1993, A.C., 1993, 702; Cass. 16 mei 1991, A.C., 1990-91, 923.
(4)Cass. 2 nov. 1989, A.C., 1989-90, 282; Cass. 3 okt. 1983, A.C., 1983-84, 103.
(5)Art. 616 juncto 1050 Ger.W.
(6)Wat de historiek, de ratio legis en de wettelijke regeling betreft: zie K. BROECKX, Comm. Ger. Recht, Art. 617 - 2 t.e.m. 6 -, Kluwer, Rechtswetenschapen België.
(7)J. Laenens, Comm. Gen. Recht, Art. 557 tot 562, Antwerpen, Kluwer, Rechtswetenschappen België.
(8)Art. 619 Ger.W.
(9)Zie Cass. 5 okt. 1979, A.C., 1979-80, nr. 85 en Cass. 22 juni 2000, AR C.98.0224.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000622.5, A.C., 2000, nr. 394.
(10)Zie supra
(2).
(11)CH. VAN REEPINGHEN, ibid., 258.
(12)Zie Cass. 8 januari 2004, AR C.01.0453.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040108.5, A.C., 2004, nr. 6.
(13)Zie Cass. 3 april 2006, AR C.04.0079.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060403.1 - C.04.0080.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060403.1, A.C., 2006, nr. 189.
(14)Zie supra voetnoot
(9).
(15)G. CLOSSET - MARCHAL e.a., Examen de jurisprudence (1993-2005), Droit judiciaire privé. Les voies de recours, R.C. J.B., 2006,
(83)180, nrs. 141 en 142.
(16)Zie Cass. 12 jan. 1972, A.C., 1072, 463.
(17)Zie eveneens het bestreden vonnis blz. 3, in fine.
(18)Zoals gewijzigd bij art. 6 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, B.S. 27 maart 1999, 9894:
(19)Cass. 7 april 2000, AR C.99.0486.N, A.C., 2000, nr. 232.
(20)Zie o.m. art. 35septiesdecies, §1, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging Vlaams Gewest, B.S. 1 mei 1971, (zoals gewijzigd bij art. 13 van het decreet van 22 dec. 2000 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2001).
(21)Art. 145, eerste lid, van het K.B. tot uitvoering van het W.I.B. 1992 en art. 413 van het W.I.B. 1992 (zoals ook respectievelijk gewijzigd bij art. 6 van het K.B. van 3 mei 1999, B.S. 4 juni 1999, tot wijziging van het K.B./W.I.B. 1992, en vervangen bij art. 41 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, B.S. 27 maart 1999), evenals art. 443bis, §1, eerste lid, van het W.I.B. 1992, zoals ingevoegd bij art. 297 van de Programmawet van 22 dec. 2003, B.S. 31 dec. 2003, err. 16 jan. 2004).
(22)Art. 145 van het K.B./W.I.B. 1992 en art. 443bis, §2, W.I.B. 1992 (zoals ook gewijzigd en ingevoegd conform het vermelde in voetnoot
(21).
(23)AR C.01.0670.F, A.C., 2002, nr. 526, en AR C.01.0287.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030221.6, A.C., 2003, nr. 124.
(24)B.S. 15 juli 2004.
(25)Cass. 17 jan. 2008, AR F.07.0057.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080117.12, A.C., 2008, nr. 36.
(26)Arbitragehof, 7 dec. 2005, nr. 177/2005,
(2235), en 1 feb. 2006, nr. 20/2006,
(255).
(27)Cass. 12 april 2002, AR C.01.0157.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020412.4, A.C., 2002, nr. 224.
(28)Cass. 17 jan. 2008, AR F.06.0082.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080117.13, A.C., 2008, nr. 34; Cass. 20 april 2007, AR C.04.0178.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070420.1, A.C., 2007, nr. 195.
(29)Zie supra voetnoot
(23).
(30)Cass. 17 jan. 2008, AR F.07.0057.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080117.12, A.C., 2008, nr. 36 (zie eveneens supra voetnoot 25).
(31)25 juli 2004 (d.w.z. 10 dagen na de publicatie in het B.S. van 15 juli 2004).
(32)Cf. art. 28 Ger.W. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101001.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000622.5 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020412.4 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030221.6 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040108.5 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060403.1 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070420.1 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080117.12 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080117.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div