← België

ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101015.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 15 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101015.4 Rolnummer: F.09.0080.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Burgerlijk recht - Financieel recht Invoerdatum: 2010-11-04 Raadplegingen: 229 - laatst gezien 2026-07-02 07:31 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101015.4 Fiche 1 Een geldlening in de zin van artikel 18, tweede lid, W.I.B.

(1992)kan worden vastgesteld door een boeking op de rekening-courant van de aandeelhouder of van de persoon die een opdracht of functies als vermeld in artikel 32, eerste lid, 1° van dat wetboek, uitoefent, maar een dergelijke boeking impliceert niet noodzakelijk het bestaan van een leningcontract in de zin van die bepaling; de overhandiging van geld in het kader van een geldlening kan gebeuren door schuldvernieuwing waardoor de vennootschap als koper van verkochte aandelen de beschikking krijgt over een bedrag gelijk aan de prijs van de aandelen
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Algemeen UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Tenietgaan verbintenis - Schuldvernieuwing HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - BANK - EN KREDIETWEZEN - Bankverrichtingen - Lopende rekening Vrije woorden: Dividenden - Interest van voorschotten - Aandeelhouder of bedrijfsleider - Geldlening aan de vennootschap - Inschrijving op rekening-courant - Fiscale implicaties Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Artt. 18, eerste lid, 4° en tweede lid, en 32,eerste lid, 1° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 2 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Algemeen UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Tenietgaan verbintenis - Schuldvernieuwing HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - BANK - EN KREDIETWEZEN - Bankverrichtingen - Lopende rekening Vrije woorden: Dividenden - Interest van voorschotten - Geldlening Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ F.09.0080.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS:
  1. Onderhavige betwisting betreft de lastens eiseres over het aanslagjaar 2003 gevestigde aanslag in de vennootschapsbelasting waarbij de taxatieambtenaar intresten op rekening-courant herkwalificeerde in intresten op voorschotten die als dividenden op grond van artikel 18, eerste lid, 4°, WIB92, belastbaar zijn. Als voorschot in de zin van voormelde bepaling wordt onder meer beschouwd, een geldlening verstrekt door een natuurlijk persoon aan een vennootschap waarin hij aandelen bezit of een opdracht als bestuurder of zaakvoerder uitoefent. De intresten waren verschuldigd naar aanleiding van de aankoop door eiseres van aandelen van de heer S., bestuurder bij eiseres, waarbij artikel 3 van de verkoopovereenkomst stipuleerde dat het saldo van de koopprijs geheel zal worden geboekt via de rekening-courant van de heer S. bij eiseres, en dat die rekening-courant intrest zal opbrengen aan het fiscaal aanvaarde tarief. De taxatieambtenaar hield voor dat de vordering van de heer S. tot betaling van de koopprijs, overeenkomstig de werkelijke bedoeling der partijen, was omgezet in een geldlening aangezien eiseres, tegen vergoeding van een intrest, vrij kon beschikken over deze koopsom. Het bestreden arrest volgde het standpunt van verweerder dat er effectief een geldlening tot stand was gekomen waarbij de rekening-courant het vehikel vormde door middel waarvan de lener een geldsom ter beschikking stelde van de ontlener. Volgens de appelrechters waren de intresten op rekening-courant derhalve als belastbare dividenden te beschouwen op grond van artikel 18, eerste lid, 4°, WIB
  2. Het eerste middel vecht deze beslissing aan op grond dat een leningscontract niet wettelijk tot stand kan komen via de inschrijving door de koper van de koopsom op diens rekening-courant vermits een verbruiklening een zakelijk en eenzijdig contract betreft, dat slechts tot stand kan komen door de afgifte/overhandiging van de zaak.
  3. Verweerder merkt in zijn memorie van antwoord terzake terecht op dat de verbruiklening van geld tegen intrest wordt in de huidige stand van het Belgisch recht beschouwd als een overeenkomst die slechts verbintenissen in hoofde van de ontlener doet ontstaan (eenzijdige overeenkomst) en slechts bestaat op het ogenblik van de afgifte door de uitlener van het geleende aan de ontlener (zakelijke overeenkomst) (B. DU LAING, "(Geld)lening en krediet(opening)", R.W. 2004-05, 961, waarin deze auteur pleit voor de kwalificatie van een verbruiklening van geld als een consensuele en synallagmatische overeenkomst). De vereiste dat de verbruiklening slechts tot stand kan komen door het ter beschikking stellen van het geleende geld vereist evenwel een soepele toepassing. Zo wordt aanvaard dat de afgifte kan gebeuren door novatie van een voorheen bestaande schuld, door compensatie en langs girale weg (Ibid., 961). Het is derhalve niet noodzakelijk dat het geleende geld persoonlijk door de uitlener materieel ter beschikking wordt gesteld van de ontlener, rechtstreeks in zijn handen. Van zodra iemand gelden ter beschikking stelt van iemand anders is er sprake van een verbruiklening, ongeacht langs welke weg deze gelden ter beschikking worden gesteld (conclusies van adv.-gen. A. HENKES bij Cass. 16 november 2006, F.05.0068.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061116.8, Pas. 2006, nr. 569). Net als in onze buurlanden bestaat in België overigens een duidelijke tendens om de verbruiklening niet langer als een reële overeenkomst, maar wel als een louter consensuele overeenkomst te aanzien (R. DEKKERS, A. VERBEKE, N. CARETTE en K. VANHOVE, Handboek Burgerlijk Recht, Deel III, Intersentia, 2007, nr. 1288).
  4. Uit de rechtspraak van Uw Hof blijkt alleszins dat de overeenkomst van geldlening de plaats kan innemen van een andere verbintenis en dus ten gevolge van schuldhernieuwing kan ontstaan (Cass. 21 december 1971, AC 1971, 407; Cass. 3 maart 1972, AC 1972, 618; In die zin V. VERCAMMEN-VAN DEN VONDER, Commentaar bij artikel 1905 BW, in Bijzondere overeenkomsten. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer, BW. ART. 1905-1). Ook in dat geval is er geen traditio door de lener aan de ontlener in het kader van de leningsovereenkomst. De lener had immers reeds de beschikking over de ontleende som in het kader van een andere overeenkomst. In onderhavig geval staan we voor een vergelijkbare situatie. De eiseres moest de prijs van de aandelen ingevolge de verkoop aan de bedrijfsleider betalen. De verbintenis om de prijs te betalen is volgens de appelrechters omgezet in een verbintenis om een bedrag gelijk aan het saldo van de verkoopprijs terug te betalen met interest in het kader van een geldlening.
  5. Artikel 1271, 3° BW bepaalt dat schuldvernieuwing tot stand komt wanneer de schuldenaar tegenover zijn schuldeiser een nieuwe schuld aangaat, welke gesteld wordt in de plaats van de oude, die teniet gaat. De overeenkomst tussen de eiseres en haar bedrijfsleider om de verkoopprijs van de aandelen in het kader van een geldlening ter beschikking te stellen van de vennootschap heeft schuldvernieuwing tot gevolg. De verbintenis om de verkoopprijs van de aandelen te betalen gaat teniet en wordt vervangen door een verbintenis om het geleende bedrag terug te betalen met interest. Indien de overeenkomst noverend werkt is de boeking in rekening-courant van de eiser niet langer het gevolg van de verkoop van de aandelen, maar wel van de geldlening. De appelrechters hebben dan ook naar recht kunnen oordelen dat de bedrijfsleider de koopsom vrijwillig ter beschikking stelde van de vennootschap, om daar, tegen interesten, gebruik van te maken. Eiseres betwist overigens niet dat zij de beschikking had over het geleende geld, maar enkel dat dit geleende geld haar door de lener werd overhandigd in het kader van de leningsovereenkomst.
  6. Uw Hof oordeelde in het hoger geciteerd arrest van 16 november 2006 (AR F.05.0068.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061116.8) uitdrukkelijk dat een geldlening de vorm kan aannemen van een inschrijving op de rekening-courant van de aandeelhouder of bedrijfsleider. Dit arrest werd door auteur FORESTINI sterk bekritiseerd. De auteur stelt dat het loutere feit voor de overeengekomen en bepaalde prijs een interest voort te brengen en bovendien, het loutere feit van zijn boeking in de rekening-courant crediteren van de aandeelhouder of van de bedrijfsleider, de administratie niet toelaten de tot stand gebrachte verrichting te herkwalificeren in een geldlening in de zin van artikel 18 WIB 92 zonder dat de juridische gevolgen worden aangetast (R. FORESTINI, "Artikel 18, 4° van het WIB 1992 en de problematiek van de interesten als dividenden of wanneer Napoleon en Portalis zich in hun graf omkeren ...", TFR 2007, 488). De auteur verzet zich daarmee tegen het administratieve standpunt om in iedere boeking op rekening-courant waarbij interest wordt verbeurd een geldlening te zien.
  7. Een recent arrest van Uw Hof van 4 september 2009 (AR F.08.0055.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090904.1, www.cass.be.) komt ten dele tegemoet aan die kritiek. Het Hof bevestigt weliswaar dat een geldlening kan blijken uit een boeking in rekening-courant, maar preciseert daarbij dat een dergelijke boeking niet noodzakelijk het bestaan van een contract van geldlening impliceert. Het komt dus aan de feitenrechter toe om na te gaan wat de werkelijke bedoeling van de partijen is geweest.
  8. Het bestreden arrest lijkt mij volledig in overeenstemming met de rechtspraak van Uw Hof. De appelrechters stellen uitdrukkelijk dat de geldlening niet wordt aangetoond door de enkele clausule die voorziet in de inschrijving van de verkoopprijs in de rekening-courant van de bedrijfsleider, maar oordelen dat uit die clausule in combinatie met een aantal andere factoren blijkt dat de partijen een geldlening hebben tot stand gebracht naast de verkoop van de aandelen. Het eerste middel faalt dan ook naar recht in zoverre het ervan uitgaat dat een geldlening niet kan blijken uit een boeking in rekening-courant die het gevolg is van de verkoop van aandelen van de aandeelhouder of bedrijfsleider aan de vennootschap.
  9. Volledigheidshalve kan in dit kader nog verwezen worden naar auteur GUSTIN die de mening is toegedaan dat het arrest van Uw Hof van 4 september 2009 het reële karakter van de geldlening bevestigt, en dat de materiële overhandiging van het geld vereist is voor de kwalificatie als geldlening. Toch lijkt de auteur niet te betwisten dat de "overhandiging" de vorm kan aannemen van een schuldhernieuwing (M. GUSTIN, "Requalification en dividendes des intérêts sur compte courant: fin de la partie?", JLMB 2009, 1722-1723). Indien ons Hof het reële karakter van de geldlening bevestigt door de overweging: "A défaut de définition particulière dans la loi fiscale, il y a lieu d'entendre par prêt d'argent, conformément au droit commun, le contrat par lequel le prêteur remet de l'argent à l'emprunteur en vue de lui permettre de s'en servir et à charge pour ce dernier de le lui restituer au terme convenu", houdt deze bevestiging alleszins niet in dat voor de kwalificatie als geldlening vereist is dat de lener het geld materieel overhandigt aan de ontlener in het kader van de leningsovereenkomst zelf, zoals de eiseres in cassatie onder het eerste middel voorhoudt. (...) Besluit: VERWERPING. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101015.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061116.8 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090904.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.