id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 26 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101026.2 Rolnummer: P.10.0629.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-11-04 Raadplegingen: 665 - laatst gezien 2026-07-02 06:43 Versie(s): Vertaling FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101026.2 Fiches 1 - 2 Het beroep in cassatie van de veroordeelde tot betaling van een dwangsom, tegen een beslissing van de strafrechter zetelend in hoger beroep die uitspraak doet over zijn vordering strekkende tot opheffing of vermindering van de dwangsom, of tot opschorting van de looptijd ervan, moet worden betekend aan de partij tegen wie het gericht is
(1).
(1)Cass., 4 sept. 2007, AR P.07.0383.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070904.7, A.C., 2007, nr. 382 met conclusie O.M.; Cass., 9 juni 2009, AR P.09.0140.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090609.6, A.C., 2009, nr. 386; Cass., 30 maart 2010, AR P.09.1698.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100330.8, A.C., 2010, nr. 230; Cass., 25 mei 2010, AR P.09.1761.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100525.3, A.C., 2010, nr.
- Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Allerlei UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Algemeen (dwangsom) Vrije woorden: Strafrechter zetelend in hoger beroep - Dwangsom - Vordering tot opheffing of vermindering - Vordering tot opschorting van de looptijd - Cassatieberoep - Betekening Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385quinquies Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 418 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: DWANGSOM UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Algemeen (dwangsom) Vrije woorden: Strafzaken - Strafrechter zetelend in hoger beroep - Dwangsom - Vordering tot opheffing of vermindering - Vordering tot opschorting van de looptijd - Cassatieberoep - Betekening Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385quinquies Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 418 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal TIMPERMAN. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Allerlei UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Algemeen (dwangsom) Vrije woorden: Strafrechter zetelend in hoger beroep - Dwangsom - Vordering tot opheffing of vermindering - Vordering tot opschorting van de looptijd - Cassatieberoep - Betekening Thesaurus CAS: DWANGSOM UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Algemeen (dwangsom) Vrije woorden: Strafzaken - Strafrechter zetelend in hoger beroep - Dwangsom - Vordering tot opheffing of vermindering - Vordering tot opschorting van de looptijd - Cassatieberoep - Betekening Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ P.10.0629.N Advocaat-generaal Timperman heeft in substantie gezegd:
- Bij vonnis van 17 november 1999 werd eiser in cassatie door de Correctionele Rechtbank te Mechelen veroordeeld wegens inbreuken op de wetgeving inzake stedenbouw. Hij werd daarbij op vordering van de gemachtigde ambtenaar veroordeeld tot het herstel van de betrokken percelen in hun oorspronkelijke staat, onder verbeurte van een dwangsom. Op 2 juli 2007 dagvaardde eiser, bij toepassing van artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek, de Stedenbouwkundig Inspecteur voor de Correctionele Rechtbank te Mechelen. Eiser vorderde de opheffing van de hem opgelegde dwangsom, minstens de vermindering van de gecumuleerde dwangsommen of de opschorting van de looptijd van de dwangsom. Bij vonnis van 7 januari 2009 werd deze vordering ontvankelijk, doch ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing tekende eiser hoger beroep aan. Afgezien van enkele aanvullingen en wijzigingen, bevestigde het thans bestreden arrest van 3 maart 2010 het vonnis waartegen hoger beroep. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt niet dat het beroep in cassatie van de eiser aan de verweerder werd betekend. Het Hof moet zich dan ook buigen over de vraag of het beroep in cassatie wel ontvankelijk is.
- In een arrest van 4 september 2007 oordeelde het Hof dat het beroep in cassatie van de veroordeelde tot betaling van een dwangsom, tegen een beslissing van de strafrechter zetelend in hoger beroep die uitspraak doet over zijn vordering strekkende tot opheffing of vermindering van de dwangsom, of tot opschorting van de looptijd ervan, niet moet worden betekend aan de partij tegen wie het gericht is
(1). Het Hof liet zich daarbij klaarblijkelijk inspireren door de arresten van het Grondwettelijk Hof van 30 juni 2004 en 13 september 2005, gewezen in antwoord op prejudiciële vragen. Bij arrest van 30 juni 2004 antwoordde het Grondwettelijk Hof bevestigend op de vraag of artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het aan de burgerlijke partij de verplichting oplegt om op straffe van niet-ontvankelijkheid over te gaan tot betekening van de voorziening in cassatie aan de partij tegen wie ze gericht is, terwijl voor de inverdenkinggestelde of de beklaagde die een voorziening in cassatie tegen de burgerlijke partij instelt geen gelijkaardige verplichting bestaat
(2). In de conclusie van het openbaar ministerie bij het arrest van 4 september 2007 werd er op gewezen dat de beklaagde die zijn positie van verweerder verlaat en zelf als vragende partij optreedt kan worden gelijkgesteld met de burgerlijke partij, die de vragende partij is tot het bekomen van schadevergoeding. Er werd geconcludeerd dat in de mate waarin het voormelde arrest van het Grondwettelijk Hof verhindert dat de burgerlijke partij tot betekening wordt verplicht, het moeilijk verdedigbaar is om de verplichting tot betekening te handhaven in de uitzonderlijke omstandigheden waarin de beklaagde zelf vragende partij wordt. Er anders over oordelen hield het risico in dat een nieuwe discriminatie in het leven werd geroepen
(3). Die zienswijze vond ook steun in een eerder arrest van het Grondwettelijk Hof van 13 september 2005. Daarin antwoordde het Hof ontkennend op de vraag of artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het het openbaar ministerie ertoe verplicht het beroep in cassatie te betekenen aan de partij tegen wie het gericht is, terwijl de door die partij ingestelde voorziening niet aan een dergelijke vormvereiste onderworpen is. Het Grondwettelijk Hof herinnerde er aan dat het bij arrest van 30 juni 2004 had geoordeeld dat er geen reden was om, enerzijds de burgerlijke partij en, anderzijds de inverdenkinggestelde, de beklaagde of de beschuldigde, verschillend te behandelen ten aanzien van hun recht om in kennis te worden gesteld van de hen betreffende voorzieningen, en dat tussen beide categorieën van partijen in een strafproces geen verschillen bestaan die voldoende groot zijn opdat hun rechten van verdediging verschillend worden behandeld wat die kennisgeving betreft. Volgens het Grondwettelijk Hof kon een dergelijke redenering echter niet worden toegepast op de door het openbaar ministerie ingestelde voorziening
(4). Rekening houdend met dit arrest concludeerde het openbaar ministerie in de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van 4 september 2007, dat waar het ingevolge de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof niet mogelijk is om op het vlak van de kennisgeving van het cassatieberoep een onderscheid te maken tussen de beklaagde enerzijds en de burgerlijke partij anderzijds, het logisch leek om geen betekeningverplichting meer op te leggen in de mate waarin een beklaagde uitzonderlijk vragende partij wordt, zoals in het geval waarin een beklaagde verzoekt tot opheffing van een dwangsom
(5). 3. De vaststelling dringt zich evenwel op dat het Hof naderhand zonder meer van de rechtspraak van 4 september 2007 is afgeweken. Sindsdien werd immers bij herhaling geoordeeld dat het cassatieberoep van de eiser, rechtstreeks dagende partij tot opheffing van een hem bij vonnis of arrest opgelegde dwangsom, dat niet aan de verweerders betekend werd, niet ontvankelijk was
(6).
- De vraag rijst aan welke rechtspraak thans de verdere voorkeur moet worden gegeven. Is de veroordeelde tot betaling van een dwangsom die in toepassing van artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek voor de strafrechter de opheffing, opschorting of vermindering van de dwangsom vordert al dan niet gehouden tot betekening van het cassatieberoep dat hij instelt tegen de beslissing die op zijn vordering werd genomen?
- Het antwoord op deze vraag laat zich alvast niet zonder meer afleiden uit de tekst van de wet, die deze materie slechts zeer fragmentair regelt. Artikel 417 van het Wetboek van Strafvordering betreft het beroep in cassatie dat door de veroordeelde partij wordt ingesteld. De verklaring van beroep in cassatie die door de veroordeelde partij op de griffie wordt gedaan, wordt luidens deze bepaling ingeschreven in het daartoe bestemde, openbare register. Artikel 418 van het Wetboek van Strafvordering betreft het beroep in cassatie dat door het openbaar ministerie of de burgerlijke partij wordt ingesteld. Wordt het beroep in cassatie door het openbaar ministerie of door de burgerlijke partij ingesteld tegen een arrest of vonnis dat in laatste aanleg in criminele, correctionele of politiezaken werd gewezen, dan wordt dit beroep volgens deze bepaling niet alleen ingeschreven in het daartoe bestemde register, maar bovendien binnen een termijn van drie dagen betekend aan de partij tegen wie het gericht is. Naar de letter van de wet zijn derhalve slechts het openbaar ministerie en de burgerlijke partij tot betekening van hun beroep in cassatie gehouden; de veroordeelde partij is daartoe niet verplicht. Uit het voorgaande mocht reeds blijken dat het verschil in behandeling dat als dusdanig tussen de burgerlijke partij en de veroordeelde partij bestaat volgens het Grondwettelijk Hof strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Wat echter vooral opvalt is dat het Wetboek van Strafvordering niets bepaalt omtrent de betekening van het beroep in cassatie dat door een andere dan de voornoemde, bij het strafproces betrokken partij zou worden ingesteld, noch over de betekening van het cassatieberoep buiten de context van een klassiek strafproces.
- Het Hof zag zich in het verleden dan ook meermaals genoodzaakt de draagwijdte van de voormelde bepalingen te preciseren en het liet zich daarbij door een aantal principes leiden. Zo stelde het Hof bij arrest van 27 maart 1922 'que la mention, dans l'article 418, du ministère public et de la partie civile n'est point limitative; que cette disposition renferme une règle générale qui étend son empire à toutes les parties autres que celle visée par l'article précédent, à savoir le prévenu ou l'accusé condamné.' Het Hof overwoog daarbij dat die algemene regel gerechtvaardigd was 'par le principe en vertu duquel quiconque introduit une instance nouvelle, telle que l'instance en cassation, est obligé d'en aviser la personne contre qui cette instance est dirigée, sauf les cas dans lesquels la loi dispense formellement d'observer cette formalité.'
(7)Geheel in die lijn heeft het Hof de verplichting tot betekening die door artikel 418 van het Wetboek van Strafvordering aan het openbaar ministerie en de burgerlijke partij wordt opgelegd mettertijd uitgebreid tot alle andere, in een strafproces betrokken partijen, met uitzondering van de in artikel 417 vermelde 'veroordeelde partij'. Vóór het arrest van het Grondwettelijk Hof van 30 juni 2004 was het Hof van oordeel dat de verplichting tot betekening van het cassatieberoep ook gold voor de vrijwillig tussengekomen partij
(8)en de derdenverzet doende partij
(9). Ook het cassatieberoep van de civielrechtelijk aansprakelijke partij dat niet betekend werd, was volgens de rechtspraak van het Hof onontvankelijk
(10). Het is slechts onder invloed van de hoger vernoemde arresten van het Grondwettelijk Hof dat Uw Hof, bij extensieve interpretatie van die arresten alle partijen die geen 'vervolgende' partijen zijn heeft vrijgesteld van betekening
(11). Als een 'veroordeelde partij' in de zin van artikel 417 van het Wetboek van Strafvordering gold volgens de rechtspraak van het Hof slechts de beklaagde die een beroep in cassatie instelde tegen de beslissing waarbij hij veroordeeld werd op de tegen hem ingestelde strafvordering of burgerlijke vordering. Slechts in die hoedanigheid was er geen verplichting tot betekening van het cassatieberoep
(12). Stelt de beklaagde cassatieberoep in tegen een beslissing die niet gewezen werd op de tegen hem ingestelde strafvordering of burgerlijke vordering, dan is hij vooralsnog verplicht dit cassatieberoep te betekenen.
(13)Het principe dat de beklaagde die zijn positie van verwerende partij verlaat om zelf als vragende partij op te treden er toe gehouden is zijn beroep in cassatie te betekenen
(14), ligt in het verlengde van die zienswijze. Vanuit dit perspectief oordeelde het Hof: dat de voorziening van een beklaagde tegen het beschikkende gedeelte van een arrest waarbij een tegenvordering om het openbaar ministerie te doen veroordelen tot teruggave van het in de loop van de vervolgingen in beslag genomen rijbewijs onontvankelijk wordt verklaard, niet ontvankelijk is indien zij niet betekend is aan het openbaar ministerie waartegen zij gericht is
(15); dat de voorziening van een beklaagde tegen het beschikkende gedeelte van een arrest waarbij zijn vordering tot terugbetaling van een door hem als voorschot teveel betaald bedrag wordt afgewezen, niet ontvankelijk is indien zij niet is betekend aan de partij waartegen zij is gericht
(16); dat het cassatieberoep van de beklaagde tegen de beslissing over de door hem tegen de verzekeraar ingestelde vordering tot tussenkomst en bindendverklaring van het vonnis niet ontvankelijk is als het niet is betekend aan de partij tegen wie het is gericht
(17); dat het cassatieberoep dat de beklaagde in een strafproces instelt tegen de beslissing over zijn vraag tot teruggave van in beslag genomen zaken, niet ontvankelijk is bij ontstentenis van betekening aan de partij tegen wie het is gericht
(18); dat het cassatieberoep dat betrekking heeft op de vordering tot teruggave van de borgsom aan het openbaar ministerie moet worden betekend.
(19)7. Alles bij elkaar beschouwd blijkt dus dat volgens de regels van het strafprocesrecht de verplichting tot betekening van het beroep in cassatie een algemene regel is, dat op deze regel slechts een uitzondering geldt ten aanzien van de 'veroordeelde partij' in de zin van artikel 417 van het Wetboek van Strafvordering en dat die uitzondering restrictief op te vatten is. Naast het door het Hof anno 1922 geformuleerde principe
(20), wordt die benadering gerechtvaardigd door het feit dat de betekening van het beroep in cassatie, zoals het Grondwettelijk Hof stelde, er toe strekt het cassatieberoep ter kennis te brengen van de partij tegen wie het gericht is, teneinde die partij toe te staan haar verdediging voor te bereiden
(21). De verplichting tot betekening van het cassatieberoep draagt bij tot het recht van verdediging van de tegenpartij. 8. Ter beoordeling van de ontvankelijkheid van het voorliggend cassatieberoep, moet dus worden uitgemaakt of de veroordeelde tot betaling van een dwangsom die in toepassing van artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek voor de strafrechter een vordering tot opheffing, opschorting of vermindering van de dwangsom instelt al dan niet kan worden beschouwd als een 'veroordeelde partij' in de zin van artikel 417 van het Wetboek van Strafvordering. In het verleden heeft het Hof geoordeeld dat de voorziening die de verzoeker tot herstel in eer en rechten heeft ingesteld tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling waarbij zijn aanvraag wordt verworpen, ontvankelijk is hoewel ze niet aan het openbaar ministerie werd betekend
(22). Dat de verzoeker tot herstel in eer en rechten niet tot betekening van zijn beroep in cassatie gehouden was, steunde op de gelijkstelling van de beslissing over het verzoek tot herstel in eer en rechten met de eerdere beslissing over de strafvordering. Die gelijkstelling werd verantwoord vanuit de vaststelling dat de beslissing over het verzoek tot herstel in eer en rechten, hoewel ze wordt genomen nadat de strafvordering tegen de beklaagde door diens veroordeling is uitgedoofd, niettemin raakt aan de gevolgen die de veroordeling op de strafvordering voor de toekomst ressorteert
(23). Men zou kunnen een gelijkenis maken tussen de beslissing over een verzoek tot herstel in eer en rechten enerzijds en de beslissing over een vordering tot opheffing, opschorting of vermindering van een dwangsom anderzijds. Ook de beslissing over een vordering tot opheffing, opschorting of vermindering van de dwangsom wordt genomen nadat de strafvordering door de eerdere veroordeling is uitgedoofd, maar kan geïnterpreteerd worden als rakende aan de gevolgen die de eerdere veroordeling op de strafvordering voor de toekomst genereert. Redenerend in overeenstemming met het voormelde arrest zou de beslissing over een vordering tot opheffing, opschorting of vermindering van de dwangsom dan ook gelijkgesteld kunnen worden met de eerdere beslissing over de strafvordering; alsdan zou het cassatieberoep dat wordt ingesteld door de veroordeelde tot betaling van een dwangsom die in toepassing artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek voor de strafrechter de opheffing, opschorting of vermindering van de dwangsom vordert ontvankelijk zijn, ook als het niet betekend werd. Dat is nochtans niet de redenering die het Hof heeft gevolgd toen het zich bij arrest van 6 maart 1990 voor de eerste keer uitsprak over de vraag of het cassatieberoep dat wordt ingesteld door een dagende partij tot opheffing van een dwangsom aan de verweerder dient te worden betekend. Het Hof oordeelde toen dat de voorziening van de rechtstreeks dagende partij die - na als beklaagde veroordeeld te zijn, op de civielrechtelijke vordering, tot het betalen van een dwangsom voor iedere dag vertraging in de uitvoering van de hoofdveroordeling en na de vroegere burgerlijke partij rechtstreeks te hebben gedagvaard voor de strafrechter tot opheffing van de veroordeling tot het betalen van een dwangsom, wegens de onmogelijkheid om de hoofdveroordeling na te leven - zijn cassatieberoep tegen de beslissing waarbij de rechtstreekse dagvaarding ongegrond wordt verklaard niet heeft doen betekenen aan de rechtstreeks gedaagde partij, niet ontvankelijk is
(24). Het Hof heeft de beslissing over de vordering tot opheffing van de dwangsom toen dus niet gelijkgesteld met de eerdere beslissing over de tegen de beklaagde ingestelde strafvordering of burgerlijke vordering. Het Hof heeft integendeel geoordeeld dat de veroordeelde tot betaling van een dwangsom die in toepassing van artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek voor de strafrechter een vordering tot opheffing van de dwangsom instelt geen 'veroordeelde partij' is in de zin van artikel 417 van het Wetboek van Strafvordering, die van de verplichting tot betekening van het cassatieberoep wordt uitgezonderd en dat de veroordeelde tot betaling van een dwangsom die een dergelijke vordering instelt zijn positie als verweerder heeft verlaten, zelf als vragende partij optreedt en als dusdanig tot betekening van zijn cassatieberoep gehouden is. Die gedachtegang werd verder doorgetrokken toen het Hof op 4 september 2001 oordeelde dat de voorziening van eiser, verweerder op derdenverzet tegen een beslissing op grond van een door hemzelf ingestelde vordering tot opheffing van de met toepassing van artikel 1385bis Gerechtelijke Wetboek bevolen dwangsom, niet ontvankelijk is wegens niet betekening aan de partij waartegen zij is gericht
(25). Ook de hiervoor reeds aangehaalde, recente rechtspraak van het Hof dienaangaande ligt in die lijn. In wezen getuigt slechts het arrest van 4 september 2007 van een andere invalshoek ingevolge een extensieve interpretatie van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 30 juni 2004. In het licht van de hiervoor toegelichte principes die het leerstuk van de betekening van het cassatieberoep in strafzaken beheersen en vooral in het belang van de rechtszekerheid komt het dan ook aangewezen voor dat het Hof verder eenduidig het standpunt zou innemen dat de veroordeelde tot betaling van een dwangsom die in toepassing van artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek voor de strafrechter een vordering tot opheffing, schorsing of vermindering van de dwangsom instelt, er overeenkomstig de algemene, in artikel 418 van het Wetboek van Strafvordering vervatte regel, toe gehouden is om zijn cassatieberoep te betekenen aan de partij tegen wie het gericht is. Indien, zoals in het voorliggend geval, uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan niet blijkt dat het cassatieberoep van de eiser, dagende partij tot opheffing van de dwangsom, werd betekend, lijkt het dan ook aangewezen dat het Hof het cassatieberoep als niet ontvankelijk verwerpt. Conclusie: verwerping. __________________
(1)Cass. 4 september 2007, AR P.07.0383.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070904.7, A.C., 2007, nr. 382 met conclusie O.M.
(2)Grondwettelijk Hof nr. 120/2004 van 30 juni 2004, B. 9.
(3)Conclusie O.M. bij Cass. 4 september 2007, AR P.07.0383.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070904.7, A.C., 2007, nr. 382, punt 4.
(4)Grondwettelijk Hof nr. 139/2005 van 13 september 2005, B.5.-B.7.
(5)Conclusie O.M. bij Cass. 4 september 2007, AR P.07.0383.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070904.7, A.C., 2007, nr. 382, punt 4.
(6)Cass. 9 juni 2009, AR P.09.0140.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090609.6, A.C., 2009, nr. 386; Cass. 30 maart 2010, P.09.1698.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100330.8, www.cassonline.be; Cass. 25 mei 2010, P.09.1761.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100525.3, www.cassonline.be.
(7)Cass. 27 maart 1922, Pas., 1922, I, p. 219.
(8)Cass. 5 oktober 1999, AR P.98.1531.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991005.11, A.C., 1999, nr. 506, p. 1217; Cass. 17 januari 2001, AR P.00.1697.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010117.14, A.C., 2001, nr. 30, met conclusie van eerste advocaat-generaal Leclercq, punt II.3.
(9)Cass. 8 juni 1993, AR P.93.0170.N ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930608.8, A.C., 1993, nr. 274.
(10)Cass. 4 maart 2003, AR P.02.1249.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030304.14, A.C., 2003, nr. 149 met conclusie van advocaat-generaal De Swaef, punt II.
(11)Volgens de huidige stand van de rechtspraak van het Hof moet het cassatieberoep alleen betekend worden door de administratie van douane en accijnzen, de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur, de woudmeester en het openbaar ministerie (niet-exhaustieve opsomming).
(12)Vgl. Conclusie advocaat-generaal. Liekendael bij Cass. 29 januari 1986, 1986, I, p. 632-634, punt 2.
(13)Zo oordeelde het Hof dat het cassatieberoep van de beklaagde tegen een beslissing tot teruggave aan een derde van een tijdens de vervolging in beslag genomen geldsom niet ontvankelijk is wegens niet-betekening aan het openbaar ministerie, overwegende dat de beslissing waartegen de voorziening gericht is noch op de strafvordering, noch op de civielrechtelijke vordering tegen eiser is gewezen: Cass. 15 januari 1986, AR 4384, A.C., 1985-1986, nr. 312.
(14)noot onder Cass. 4 september 2001, AR P.01.0545.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010904.9, A.C., 2001, nr. 440.
(15)Cass. 23 april 1974, A.C., 1974, p. 913.
(16)Cass. 27 mei 1986, AR 29, A.C., 1985-1986, nr. 592.
(17)Cass. 1 oktober 1991, AR 4657, A.C., 1991-1992, nr. 60.
(18)Cass. 11 februari 1997, AR P.95.1458.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970211.2, A.C., 1997, nr. 76.
(19)Cass. 2 december 2003, AR P.03.1332.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031202.10, A.C., 2003, nr. 612.
(20)Cass. 27 maart 1922, Pas., 1922, I, p. 219.
(21)Gw. H. nr. 120/2004 van 30 juni 2004, B.7.; Gw. H. nr. 139/2005 van 13 september 2005, B.4.
(22)Cass. 29 januari 1986, Pas. 1986, I, nr. 337.
(23)Conclusies advocaat-generaal. Liekendael bij Cass. 29 januari 1986, Pas. 1986, I, p. 632-634, punt 3-5.
(24)Cass. 6 maart 1990, AR 3597, A.C., 1989-90, nr. 410.
(25)Cass. 4 september 2001, AR P.01.0545.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010904.9, A.C., 2001, nr. 440. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101026.2 citeert: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930608.8 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970211.2 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991005.11 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010117.14 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010904.9 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030304.14 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031202.10 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070904.7 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090609.6 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100330.8 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100525.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div