id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101112.1 Rolnummer: F.09.0067.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Belastingrecht - Overige Invoerdatum: 2010-11-24 Raadplegingen: 503 - laatst gezien 2026-07-02 04:48 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101112.1 Fiche 1 Het gezag van gewijsde in strafzaken geldt alleen voor hetgeen zeker en noodzakelijk door de strafrechter is beslist, met betrekking tot het bestaan van de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten, en rekening houdend met de motieven die de noodzakelijke grondslag van de beslissing in strafzaken uitmaken
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Strafzaken UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Strafrechtelijk gewijsde FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Voldoening (B.T.W.) - Schuldenaar van de belasting Fiche 2 Het gezag van strafrechtelijk gewijsde ten aanzien van de burgerlijke rechter strekt zich enkel uit tot de vaststellingen inzake de omvang van de schade of die omvang, in zoverre de schade of de fiscale schuld een bestanddeel uitmaakt van het misdrijf waarover de strafrechter diende te oordelen en de kwalificatie en de straf kon veranderen naargelang van de omvang van het nadeel
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Strafzaken UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Strafrechtelijk gewijsde FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Voldoening (B.T.W.) - Schuldenaar van de belasting Vrije woorden: Draagwijdte - Ten aanzien van de burgerlijke rechter Fiches 3 - 5 Om de regel "non bis in idem" toe te passen is niet alleen vereist dat de nieuwe vervolging dezelfde feiten tot voorwerp heeft als de vorige definitief beslechte zaak, maar bovendien dat de eerste definitief beslechte vervolging en de tweede vervolging dezelfde persoon betreffen
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Strafrechtelijk gewijsde FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Voldoening (B.T.W.) - Schuldenaar van de belasting Vrije woorden: "Non bis in idem" - Strafzaken Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Strafrechtelijk gewijsde FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Voldoening (B.T.W.) - Schuldenaar van de belasting Vrije woorden: Wettigheid - Algemeen rechtsbeginsel "non bis in idem" Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Strafrechtelijk gewijsde FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Voldoening (B.T.W.) - Schuldenaar van de belasting Vrije woorden: Sancties - Administratieve sancties - Strafsancties - Samenloop - Algemeen rechtsbeginsel "non bis in idem" Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel Fiches 6 - 10 Conclusie van advocaat-generaal Thijs. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Strafzaken UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Strafrechtelijk gewijsde FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Voldoening (B.T.W.) - Schuldenaar van de belasting Vrije woorden: Draagwijdte - Ten aanzien van de burgerlijke rechter Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Strafrechtelijk gewijsde FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Voldoening (B.T.W.) - Schuldenaar van de belasting Vrije woorden: "Non bis in idem" - Strafzaken Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Strafrechtelijk gewijsde FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Voldoening (B.T.W.) - Schuldenaar van de belasting Vrije woorden: Wettigheid - Algemeen rechtsbeginsel "non bis in idem" Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Strafrechtelijk gewijsde FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Voldoening (B.T.W.) - Schuldenaar van de belasting Vrije woorden: Sancties - Administratieve sancties - Strafsancties - Samenloop - Algemeen rechtsbeginsel "non bis in idem" Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ F.09.0067.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk Thijs: (...) II. De voorziening in cassatie. 2.- Eiseres voert twee middelen aan. Het eerste middel spitst zich toe op de draagwijdte van het gezag van het strafrechtelijk gewijsde ten aanzien van de burgerlijk rechter, het is samengesteld uit vier onderdelen, en voert de schending aan van volgende wetsbepalingen: - het algemeen beginsel van het gezag van het strafrechtelijk gewijsde ten aanzien van de burgerlijke rechter; - artikel 4 van de Wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering; - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 59, §1, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde. Het tweede middel huldigt het standpunt dat het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem en artikel 14.7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten, goedgekeurd door de Wet van 15 mei 1981 (B.S. 6 ju1i 1983) zich ertegen verzetten dat een cumulatie wordt toegestaan tussen een strafsanctie en een fiscale administratieve sanctie die een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van het verdrag. 3.1.- Alvorens de verschillende onderdelen van het eerste middel te bespreken, komt het nuttig voor enkele principes in verband met het door eiseres ingeroepen gezag van het strafrechtelijk gewijsde in herinnering te brengen. De beslissing van de strafrechter over de strafvordering raakt de openbare orde. Hieruit werd afgeleid dat deze beslissing gezag van gewijsde erga omnes heeft
(1). Het principe dat het strafrechtelijk gewijsde de burgerlijke rechter bindt wordt evenwel als dusdanig niet op expliciete wijze in enige wetsbepaling geformuleerd. De openbare orde zou worden geschonden indien een burgerlijke rechter zou oordelen dat een strafrechtelijke beslissing onjuist is, terwijl de burgerlijke belangen waarover hij dient te oordelen minder belangrijk zijn dan de belangen die het voorwerp uitmaken van de strafvordering. Men kan niettemin aannemen dat het principe voortvloeit uit de regel vervat in artikel 4, Voorafgaande Titel Sv., waarin bepaald wordt dat de burgerlijke vordering geschorst wordt zolang niet definitief beslist is over de strafvordering. De bedoeling bestaat er ongetwijfeld in tegenstrijdige beslissingen op burgerlijk en op strafrechtelijk vlak te voorkomen
(2). Algemeen wordt voortaan aanvaard dat het gezag erga omnes een algemeen rechtsbeginsel is
(3). Beslissingen op de strafvordering mogen bijgevolg niet opnieuw ter sprake worden gebracht ter gelegenheid van een burgerlijk proces. Daarentegen hebben de beslissingen van de strafrechter op de burgerlijke rechtsvordering, die met toepassing van artikel 4 van de Wet van 17 april 1878 terzelfder tijd als de strafvordering voor hem werd vervolgd, slechts gezag van gewijsde binnen de perken van artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek
(4). Door het fiscaal bestuur ingestelde vorderingen strekkende tot de betaling van btw en administratieve geldboeten zijn echter niet te beschouwen als burgerlijke rechtsvorderingen in de zin van artikel 4 V.T.Sv.
(5). Volgens de rechtsleer kan deze rechtspraak, die betrekking heeft op geschillen inzake btw, ook worden doorgetrokken naar andere fiscale betwistingen die met een strafrechtelijke procedure samenlopen
(6). De rechter die uitspraak moet doen over het fiscaal geschil, is aldus niet verplicht de behandeling van de zaak op te schorten, maar mag die behandeling opschorten, ook al is hij ingevolge het gezag van het strafrechtelijk gewijsde door de beslissing van de strafrechter gebonden
(7). Ten overstaan van de fiscale rechter zal derhalve ook het beginsel gelden dat het gezag van het rechterlijk gewijsde beperkt is tot wat de rechter heeft beslist over een punt dat in betwisting was en tot wat, om reden van het geschil dat voor de rechter was gebracht en waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, de noodzakelijke grondslag, al weze het impliciet, van de beslissing uitmaakt (artikel 23 Ger. W.)
(8). Het gezag van gewijsde in strafzaken geldt m.a.w. alleen voor hetgeen zeker en noodzakelijk door de strafrechter is beslist, met betrekking tot het al dan niet bestaan van de aan beklaagde ten laste gelegde feiten en rekening houdend met de motieven die de noodzakelijke grondslag van de beslissing in strafzaken uitmaken
(9). Het gezag van het strafrechtelijk gewijsde ten aanzien van de burgerlijke rechter c.q. de fiscale rechter zal zich bijgevolg enkel kunnen uitstrekken tot de vaststellingen inzake de omvang van de schade c.q. de omvang van de fiscale schuld in zoverre de schade c.q. de fiscale schuld een bestanddeel uitmaakte van het misdrijf waarover de strafrechter diende te oordelen en de kwalificatie en de straf konden veranderen naar gelang van de omvang van het nadeel
(10). Het beginsel van het gezag van het strafrechtelijk gewijsde erga omnes werd tenslotte in de rechtspraak van het Hof vanaf het arrest van 15 februari 1991
(11)in aanzienlijke mate ingeperkt ingevolge de rechtstreekse werking van artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden. Artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden -hierna te noemen het Verdrag- geeft, inderdaad, een ieder het recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak, bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen. Zulks houdt onder meer in dat de partijen in een burgerlijk geding gelijke kansen moeten hebben om de door de andere partijen aangedragen bewijzen te weerleggen. Anderzijds, volgt uit het internrechtelijk algemeen rechtsbeginsel van het gezag erga omnes van het strafrechterlijk gewijsde onder meer dat de feiten waarvan de strafrechter, in het kader van zijn beslissing op de strafvordering, ten aanzien van de beklaagde het bestaan zeker en noodzakelijk heeft aangenomen, door derden in een later civiel geding in beginsel niet meer zouden kunnen worden betwist. Thans wordt aldus aangenomen dat, indien die toepassing van het bedoelde algemeen rechtsbeginsel in strijd komt met de toepassing van artikel 6.1 van het Verdrag, het voorschrift van het Verdrag, dat rechtstreekse werking bezit, voorrang heeft
(12). Er dient hierbij wel te worden vermeld dat artikel 6 EVRM niet als een regel van openbare orde wordt beschouwd en dat de rechter bijgevolg een schending hiervan niet ambtshalve mag opwerpen, bij gebrek aan inroeping ervan door de betrokken partij. Deze partij zal bovendien het bewijs moeten leveren dat de burgerlijke rechter zich niet kan aansluiten bij hetgeen door de strafrechter werd beslist
(13). Samengevat kan voortaan worden gesteld dat het gezag van gewijsde in strafzaken er niet aan in de weg staat dat een partij, in een later burgerlijk proces, de mogelijkheid krijgt om elementen te betwisten, in zoverre zij niet bij het strafgeding was betrokken of er niet vrij haar belagen heeft kunnen doen gelden
(14). Voortgaande op de voormelde beschreven beginselen kan worden besloten dat het arrest van de correctionele kamer van het Hof van beroep te Gent van 26 juni 1997 met betrekking tot de boordeling van de fiscale schuld van eiseres geen gezag van strafrechtelijke gewijsde had ten aanzien van verweerder en de fiscale rechter, die er naderhand over diende te oordelen, en wel om verschillende redenen: - vooreerst was verweerder geen partij in het strafgeding en heeft hij er zijn belangen met betrekking tot de begroting van de fiscale vordering niet kunnen doen gelden; - verweerder dient bijgevolg in de gelegenheid te worden gesteld te bewijzen dat de beoordeling van de omvang van de fiscale schuld door de strafrechter niet dient te worden gevolgd door de burgerlijke rechter; - door te oordelen dat de uitspraak over de te betalen BTW aan de fiscale rechter werd overgelaten en door vast te stellen dat de ambtenaren op een grondige wijze een analyse hebben gemaakt van de agenda's die in beslag werden genomen en die de omzet van de diverse verkooppunten weergeven, en door vast te stellen dat de berekening van de ontdoken BTW in het proces-verbaal van 4 februari 1992 het bewijs oplevert tot bewijs van het tegendeel, dat door eiseres niet wordt geleverd, hebben de appelrechters hun beslissing met betrekking tot de begroting van de omvang van de fiscale schuld naar recht verantwoord; - de omvang van de fiscale schuld was geen bestanddeel van het ten laste van de heer Jacques GILSON gelegd misdrijf, dat enige invloed kon hebben op de kwalificatie van dit misdrijf en/of de op te leggen straf; - de correctionele kamer van het Hof van beroep te Gent heeft in het arrest van 26 juni 1997 noch zeker, noch hoofdzakelijk noch noodzakelijk geoordeeld dat de verschuldigde bedragen niet konden worden bepaald aan de hand van de stukken waarop het proces-verbaal van 4 februari 1992 zich baseert om het bedrag van de ontdoken BTW te berekenen. 3.2.1.- In het eerste onderdeel van het eerste middel voert eiseres dat zij tot betaling van het volledige bedrag van de door de administratie opgevorderde BTW veroordeeld werd op grond van bewijsmateriaal dat door de strafrechter reeds als onvoldoende bewijskrachtig werd bestempeld. De appelrechters hebben hierdoor hun beslissing niet naar recht verantwoord en het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het gezag van het strafrechtelijk gewijsde ten aanzien van de burgerlijke rechter en artikel 4 van de Wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering geschonden. Volgens eiseres zou de strafrechter immers noodzakelijk en ondubbelzinnig hebben beslist dat het bedrag van de ontdoken BTW niet bepaalbaar is op grond van de bewijselementen die aan de strafrechter werden voorgelegd. Zoals reeds onderstreept maakt de omvang van de belastingontduiking evenwel geen bestanddeel uit van het misdrijf dat ter beoordeling van de strafrechter voorlag en had de omvang van de belastingontduiking geen invloed op de kwalificatie van het misdrijf en de beoordeling van de straf. De burgerlijke rechter is bijgevolg niet gebonden door de heromschrijving van het misdrijf als een belastingontduiking voor "een niet nader te bepalen bedrag" en vermocht dan ook te oordelen dat de motieven van de beslissing van de strafrechter in dat opzicht geen gezag van gewijsde hebben. Deze motieven waren noch hoofdzakelijk noch noodzakelijk vereist voor de beoordeling van de ten laste gelegde feiten door de strafrechter. Gezien verweerder bovendien geen partij is geweest in de procedure voor de strafrechter, stond het de appelrechters bovendien vrij om, op grond van exact dezelfde bewijselementen als deze die aan de strafrechter waren voorgelegd, eiseres te veroordelen tot betaling van het volledig bedrag van de door verweerder gevorderde BTW, zelfs ook al was dit bedrag oorspronkelijk opgenomen in de tenlasteleggingen A.I en B. Het eerste onderdeel kan dan ook niet worden aangenomen. (...) 3.3.- In het tweede middel wordt het bestreden arrest verweten het algemeen rechtsbeginsel "non bis in idem" en artikel 14.7 IVBPR te hebben miskend nu de appelrechters eiseres hebben veroordeeld tot een fiscale administratieve geldboete van 250.000,00 EUR, terwijl de heer Jacques GILSON, afgevaardigd bestuurder van eiseres, op strafrechtelijk gebied, bij definitief geworden arrest van 26 juni 1997, tot een strafsanctie is veroordeeld wegens dezelfde feiten. Artikel 14.7 van het Internationaal Verdrag van 19/12/1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, goedgekeurd bij Wet van 15 mei 1981 (B.S., 6 juli 1983), bepaalt dat niemand voor een tweede keer mag worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken. Om de regel "non bis in idem" toe te passen is het evenwel niet alleen vereist dat de nieuwe vervolging dezelfde feiten tot voorwerp heeft als de vorige definitief beslechte zaak, maar bovendien dat de eerste definitief beslechte vervolging en de tweede vervolging dezelfde persoon betreffen
(15). In casu werd de heer Jacques GILSON, afgevaardigd bestuurder van eiseres, tot een strafsanctie veroordeeld, terwijl de administratieve geldboete aan eiseres werd opgelegd, die weliswaar op grond van artikel 73sexies, tweede lid, W.BTW en artikel 458, tweede lid, WIB '92 burgerrechtelijk aansprakelijk werd verklaard voor de geldboeten waartoe de heer Jacques GILSON werd veroordeeld. Uit het voorgaande dient te worden besloten dat eiseres zelf nog niet voor de kwestieuze inbreuken werd veroordeeld. Bij gebrek aan identiteit van vervolgde persoon, kan niet worden besloten tot de schending van de door eiseres ter staving van het tweede middel aangevoerde wetsbepalingen. Het tweede middel kan dienvolgens niet worden aangenomen. Besluit: VERWERPING. ________________
(1)M. FRANCHIMONT, A. JACOBS, A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Brussel, Larcier, 2009, p. 1001; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2007, nr. 2834 p. 1222; R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Antwerpen-Apeldoorn, Maklu, 2007, nr. 2209 p. 1042.
(2)M. FRANCHIMONT, A. JACOBS, A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Brussel, Larcier, 2009, p. 1001; H.-D. BOSLY, D. VANDERMEERSCH, M.-A. BEERNAERT, Droit de la procédure pénale, Bruges, La Charte, 2008, p. 337; J. D'HAENENS, Belgisch strafprocesrecht, Gent, E. Story-Scientia, 1985, nr. 215 p. 165-166.
(3)Zie o.a.: Cass. AR 9264, 19 november 1985, Arr.Cass. 1985-86, 386, Bull. 1986, 332, Pas. 1986, I, 332.
(4)Cass. AR 4591, 10 mei 1985, Arr.Cass. 1984-85, 1245, Bull. 1985, 1131, T.Verz. 1987, 709, Pas. 1985, I, 1131.
(5)Cass. (1e K.) AR F.06.0111.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.8, 12 december 2008, Fisc.Koer. 2009 (weergave W. DEFOOR), afl. 9, 483, noot W. DEFOOR, 'Moet de fiscale rechter zijn beslissing uitstellen totdat de strafrechter zich heeft uitgesproken over het gerechtelijk onderzoek dat in de zaak rond de beweerde fiscale valsheid in geschrifte wordt gevoerd?', FJF 2009, afl. 6, 615, TBP 2009 (weergave F. MEERSCHAUT), afl. 8, 497, TFR 2009 (samenvatting), afl. 370, 910.
(6)W. DEFOOR, 'Moet de fiscale rechter zijn beslissing uitstellen totdat de strafrechter zich heeft uitgesproken over het gerechtelijk onderzoek dat in de zaak rond de beweerde fiscale valsheid in geschrifte wordt gevoerd?', (noot onder Cass. (1e K.) AR F.06.0111.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.8, 12 december 2008), Fisc.Koer. 2009, afl. 9, 486.
(7)Cass. (1e K.) AR F.06.0111.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.8, 12 december 2008, Fisc.Koer. 2009 (weergave W. DEFOOR), afl. 9, 483, noot W. DEFOOR, 'Moet de fiscale rechter zijn beslissing uitstellen totdat de strafrechter zich heeft uitgesproken over het gerechtelijk onderzoek dat in de zaak rond de beweerde fiscale valsheid in geschrifte wordt gevoerd?', FJF 2009, afl. 6, 615, TBP 2009 (weergave F. MEERSCHAUT), afl. 8, 497, TFR 2009 (samenvatting), afl. 370, 910.
(8)Cass. (3e K.) AR C.04.0600.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070129.2, 29 januari 2007, Pas. 2007, afl. 2, 195; Cass. (1e K.) AR C.99.0405, 13 juni 2002, Arr.Cass. 2002, afl. 6-8, 1498, Pas. 2002, afl. 5-6, 1349, RABG 2003, afl. 7, 343, RW 2005-06, afl. 10, 384, Verkeersrecht 2002, afl. 9, 369.
(9)Cass. (1e K.) AR C.03.0451.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040923.7, 23 september 2004, Arr.Cass. 2004, afl. 9, 1461, Juristenkrant 2004 (weergave E. BREWAEYS), afl. 98, 11, Pas. 2004, afl. 9-10, 1396, RCJB 2005, afl. 4, 647, noot A. JACOBS, 'Que reste-t-il de l'autorité de chose jugée du pénal sur le civil?', (RCJB 2005, 654-679), VAV 2005, 245; zie ook: R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2007, nr. 2838 p. 1224, nr. 2846-2847 p. 1227-1228.
(10)Vgl.: Cass. AR 9417, 12 oktober 1992, Arr.Cass. 1991-92, 1192, Bull. 1992, 1148, conclusie advocaat-generaal J.F. LECLERCQ, JTT 1992, 477, Pas. 1992, I, 1148, conclusie advocaat-generaal J.F. LECLERCQ, RRD 1993 (verkort), 51, RW 1992-93, 957, Rev.dr.pén. 1993, 222, TSR 1992, 371.
(11)Cass. AR 6764, 15 februari 1991, Arr.Cass. 1990-91, 641, conclusie advocaat-generaal G. D'HOORE, Bull. 1991, 572, T.Verz. 1991, 473, noot J.R., [Het gezag van strafrechterlijk gewijsde], (T.Verz. 1991, 477), JLMB 1991, 1159, noot F. PIEDBOEUF, 'Quelle est encore l'étendue de l'autorité de la chose jugée au pénal sur le procès civil ultérieur', (JLMB 1991, 1163-1164), JLMB 1991, 1159, noot G. SCHAMPS, 'Unité des fautes civile et pénale: une brèche', (JLMB 1991, 1165-1167), JT 1991, 741, noot R. DALCQ, [L'autorité de la chose jugée après l'arrêt STAPPERS], (JT 1991, 741-742), Pas. 1991, I, 572, RCJB 1992, 5, noot F. RIGAUX, 'L'érosion de l'autorité 'erga omnes' de la chose jugée au pénal par la primauté du droit au procès équitable', (RCJB 1992, 10-17), RGAR 1991, nr. 11.878, noot P. DELVAUX, 'La fin de l'autorité absolue de la chose jugée au pénal sur le civil', (RGAR 1991, nr. 11.878), RW 1991-92, 15, conclusie advocaat-generaal G. D'HOORE, Rev.trim.DH 1992 (verkort), 227, noot M. FRANCHIMONT, Autorité de la chose jugée au pénal et procès civil équitable, (Rev.trim.DH 1992, 230-236), Verkeersrecht 1991, 144, conclusie advocaat-generaal G. D'HOORE.
(12)H.-D. BOSLY, D. VANDERMEERSCH, M.-A. BEERNAERT, Droit de la procédure pénale, Bruges, La Charte, 2008, p. 338-339.
(13)M. FRANCHIMONT, A. JACOBS, A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Brussel, Larcier, 2009, p. 1008-1009.
(14)Cass. (1e k.) AR C.04.0488.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060914.8, 14 september 2006, conclusie advocaat-general A. HENKES, JLMB 2007, afl. 30, 1248, noot O. MICHIELS, 'Le désistement d'une partie civile et ses incidences sur l'autorité de la chose jugée du pénal sur le civil', (JLMB 2007, afl. 30, 1251-1255), Pas. 2006, afl. 9-10, 1741, conclusie advocaat-generaal A. HENKES, T.Strafr. 2007, afl. 3, 184, VAV 2007, afl. 4, 291, conclusie advocaat-generaal A. HENKES; Cass. (2e k.) AR P.06.0073.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060614.14, 14 juni 2006, conclusie advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, Pas. 2006, afl. 7-8, 1403, conclusie advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, RGCF 2008, afl. 3, 210; Cass. (1e k.) AR C.00.0046.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011102.4, 2 november 2001, Arr.Cass. 2001, afl. 9, 1840, JLMB 2002, afl. 16, 683, noot B. CEULEMANS, 'Vers la suppression du caractère absolu de l'autorité de la chose jugée au pénal sur le procès civil ultérieur?',(JLMB 2002, afl. 16, 685-689), Pas. 2001, afl. 11, 1774, Verkeersrecht 2002, afl. 6, 225; Cass. (1e k.) (voltallige zitting) AR C.94.0030.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971002.4, 2 oktober 1997, Arr.Cass. 1997, 889, conclusie advocaat-generaal G. DUBRULLE, Bull. 1997, 936, T.Verz. 1998, 212, noot J. MUYLDERMANS, P&B 1998, 152, Pas. 1997, I, 936, RW 1997-98, 814, conclusie advocaat-generaal G. DUBRULLE, noot, T.A.V.W. 1997, 263.
(15)Cass. (2e k.) AR P.02.0494.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030204.5, 4 februari 2003, Arr.Cass. 2003, afl. 2, 319, Pas. 2003, afl. 2, 265. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101112.1 citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971002.4 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011102.4 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030204.5 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040923.7 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060614.14 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060914.8 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070129.2 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div