id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 23 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101123.5 Rolnummer: P.10.1428.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2010-11-30 Raadplegingen: 501 - laatst gezien 2026-07-02 04:37 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101123.5 Fiches 1 - 2 De artikelen 26bis, 2° en 28 van het koninklijk besluit van 31 december 1930, die een mindere zware straf stellen op de invoer, vervaardiging, vervoer, aanschaf en bezit van slaap- en verdovende middelen die betrekking hebben op cannabis alsmede op de teelt van cannabisplanten voor persoonlijk gebruik, doen geen afbreuk aan de strafbaarheid van andere dan voor persoonlijk gebruik gepleegde misdrijven met betrekking tot cannabis
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - GENEESMIDDELEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Verdovende middelen - Misdrijf - Cannabis - Persoonlijk gebruik - Bestraffing - Gevolg - Andere misdrijven Wettelijke bepalingen: Wet - 24-02-1921 - Artt. 2bis en 2ter - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Koninklijk Besluit - 31-12-1930 - Artt. 26bis, 2°, 3°, 4° en 28 - 30 ELI link Pub nr 1930123150 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Verdovende middelen - Misdrijf - Cannabis - Persoonlijk gebruik - Bestraffing - Gevolg - Andere misdrijven Wettelijke bepalingen: Wet - 24-02-1921 - Artt. 2bis en 2ter - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Koninklijk Besluit - 31-12-1930 - Artt. 26bis, 2°, 3°, 4° en 28 - 30 ELI link Pub nr 1930123150 Fiches 3 - 6 Het telen van planten voor verdovende middelen is strafbaar door het enkele feit dat de teelt plaatsvindt, onverschillig welke de hoeveelheid van die teelt is en of die teelt gebeurt voor eigen dan wel voor andermans gebruik; de vraag naar de hoeveelheid van de verdovende middelen is slechts relevant wanneer deze plaats vindt voor persoonlijk gebruik daar die omstandigheid kan leiden tot een lichtere straf, maar wanneer de teelt bestemd is voor andermans gebruik is de hoeveelheid van die teelt voor de bestraffing irrelevant
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - GENEESMIDDELEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Verdovende middelen - Misdrijf - Cannabis - Teelt van cannabisplanten Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Verdovende middelen - Misdrijf - Cannabis - Teelt van cannabisplanten Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - GENEESMIDDELEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Verdovende middelen - Misdrijf - Cannabis - Teelt van cannabisplanten - Hoeveelheid planten - Relevantie Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Verdovende middelen - Misdrijf - Cannabis - Teelt van cannabisplanten - Hoeveelheid planten - Relevantie Fiches 7 - 10 Het recht op bijstand van een advocaat gewaarborgd bij artikel 6.3 E.V.R.M., zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, houdt in dat er gedurende het volledige vooronderzoek toegang moet zijn tot een advocaat, tenzij is aangetoond dat er wegens de bijzondere omstandigheden van de zaak dwingende redenen zijn om dit recht te beperken; zelfs in dat geval mag een dergelijke beperking, wat ook de rechtvaardiging ervan is, niet onrechtmatig de rechten van de beklaagde zoals beschermd bij artikel 6.1 en 6.3 E.V.R.M. beperken
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Recht van verdediging - Recht op bijstand van een advocaat - Interpretatie Europees Hof voor de Rechten van de Mens Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Recht op bijstand van een advocaat - Interpretatie Europees Hof voor de Rechten van de Mens Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Recht van verdediging - Recht op bijstand van een advocaat - Beperking Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Recht op bijstand van een advocaat - Beperking Fiches 11 - 12 Het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces zijn in de regel geschaad als incriminerende verklaringen die werden afgelegd tijdens een politieverhoor zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat, worden gebruikt voor een veroordeling
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Politieverhoor in de loop van het onderzoek - Geen mogelijkheid van bijstand van een advocaat - Incriminerende verklaring - Gebruik voor de veroordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.3.c Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Politieverhoor in de loop van het onderzoek - Geen mogelijkheid van bijstand van een advocaat - Incriminerende verklaring - Gebruik voor de veroordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.3.c Fiches 13 - 14 De omstandigheid dat incriminerende verklaringen, die werden afgelegd tijdens een politieverhoor zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat, worden gebruikt voor een veroordeling heeft niet automatisch voor gevolg dat het definitief onmogelijk is om de zaak van een verdachte en vervolgens beklaagde op eerlijke wijze te behandelen, want wanneer de rechter de verklaringen niet als doorslaggevend bewijs gebruikt, er kennelijk geen misbruik of dwang is gebruikt en de beklaagde zich op het ogenblik van het verhoor en tijdens het onderzoek niet in een kwetsbare positie bevond, of aan de kwetsbare positie van de beklaagde op een daadwerkelijke en passende wijze is geremedieerd, blijft het eerlijke karakter van het proces gevrijwaard
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Politieverhoor in de loop van het onderzoek - Geen mogelijkheid van bijstand van een advocaat - Incriminerende verklaring - Gebruik voor de veroordeling - Gevolg - Invloed op de eerlijke behandeling van de zaak Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Politieverhoor in de loop van het onderzoek - Geen mogelijkheid van bijstand van een advocaat - Incriminerende verklaring - Gebruik voor de veroordeling - Gevolg - Invloed op de eerlijke behandeling van de zaak Fiches 15 - 16 De vormvereisten die bij artikel 47bis Wetboek van Strafvordering voor het verhoor van de beklaagde zijn opgelegd, de korte duur van de grondwettelijke termijn van de vrijheidsberoving, de onmiddellijke overhandiging aan de verdachte, op het ogenblik van de betekening van het bevel tot aanhouding, van alle in de artikelen 16, § 7, en 18, § 2, Voorlopige Hechteniswet bedoelde stukken, het recht van de verdachte onmiddellijk vrij verkeer te hebben met zijn advocaat overeenkomstig artikel 20, §§ 1 en 5, van de voormelde wet, de inzage van het dossier alvorens voor het onderzoeksgerecht te verschijnen, zoals dat in artikel 21, § 3, van die wet is geregeld, alsook de rechten die met name in de artikelen 61ter, 61quater, 61quinquies, 127, 135, 136 en 235bis Wetboek van Strafvordering zijn bedoeld, de inzage van het dossier en het vrij verkeer van de beklaagde met zijn advocaat tijdens de procedure voor de feitenrechter, kunnen in hun geheel daadwerkelijke en passende remedies zijn op de afwezigheid van bijstand van een advocaat tijdens het politieverhoor; zij laten de beklaagde immers toe zijn recht van verdediging ten volle uit te oefenen en waarborgen zijn recht op een eerlijk proces
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Politieverhoor in de loop van het onderzoek - Geen mogelijkheid van bijstand van een advocaat - Andere wettelijke waarborgen voor de verdachte en beklaagde - Daadwerkelijk en passende remedies voor het gebrek aan bijstand Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Politieverhoor in de loop van het onderzoek - Geen mogelijkheid van bijstand van een advocaat - Andere wettelijke waarborgen voor de verdachte en beklaagde - Daadwerkelijk en passende remedies voor het gebrek aan bijstand Fiches 17 - 18 Het staat de rechter aan de hand van de concrete gegevens van de zaak na te gaan of de afwezigheid van bijstand van een advocaat bij een verhoor door de politie of de onderzoeksrechter het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de verdachte en latere beklaagde of beschuldigde onherstelbaar heeft aangetast en of de verklaringen die door hem werden afgelegd zonder de bijstand van een advocaat een zodanige impact hebben gehad op het verloop van het strafproces dat dit geen eerlijk karakter meer zou vertonen
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Mogelijke aantasting - Verhoor zonder bijstand van een advocaat - Taak van de rechter Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Mogelijke aantasting - Verhoor zonder bijstand van een advocaat - Taak van de rechter Fiches 19 - 36 Conclusie van advocaat-generaal DUINSLAEGER. Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - GENEESMIDDELEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Verdovende middelen - Misdrijf - Cannabis - Persoonlijk gebruik - Bestraffing - Gevolg - Andere misdrijven Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Verdovende middelen - Misdrijf - Cannabis - Persoonlijk gebruik - Bestraffing - Gevolg - Andere misdrijven Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - GENEESMIDDELEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Verdovende middelen - Misdrijf - Cannabis - Teelt van cannabisplanten Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Verdovende middelen - Misdrijf - Cannabis - Teelt van cannabisplanten Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - GENEESMIDDELEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Verdovende middelen - Misdrijf - Cannabis - Teelt van cannabisplanten - Hoeveelheid planten - Relevantie Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Verdovende middelen - Misdrijf - Cannabis - Teelt van cannabisplanten - Hoeveelheid planten - Relevantie Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Recht van verdediging - Recht op bijstand van een advocaat - Interpretatie Europees Hof voor de Rechten van de Mens Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Recht op bijstand van een advocaat - Interpretatie Europees Hof voor de Rechten van de Mens Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Recht van verdediging - Recht op bijstand van een advocaat - Beperking Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Recht op bijstand van een advocaat - Beperking Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Politieverhoor in de loop van het onderzoek - Geen mogelijkheid van bijstand van een advocaat - Incriminerende verklaring - Gebruik voor de veroordeling Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Politieverhoor in de loop van het onderzoek - Geen mogelijkheid van bijstand van een advocaat - Incriminerende verklaring - Gebruik voor de veroordeling Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Politieverhoor in de loop van het onderzoek - Geen mogelijkheid van bijstand van een advocaat - Incriminerende verklaring - Gebruik voor de veroordeling - Gevolg - Invloed op de eerlijke behandeling van de zaak Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Politieverhoor in de loop van het onderzoek - Geen mogelijkheid van bijstand van een advocaat - Incriminerende verklaring - Gebruik voor de veroordeling - Gevolg - Invloed op de eerlijke behandeling van de zaak Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Politieverhoor in de loop van het onderzoek - Geen mogelijkheid van bijstand van een advocaat - Andere wettelijke waarborgen voor de verdachte en beklaagde - Daadwerkelijk en passende remedies voor het gebrek aan bijstand Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Politieverhoor in de loop van het onderzoek - Geen mogelijkheid van bijstand van een advocaat - Andere wettelijke waarborgen voor de verdachte en beklaagde - Daadwerkelijk en passende remedies voor het gebrek aan bijstand Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Mogelijke aantasting - Verhoor zonder bijstand van een advocaat - Taak van de rechter Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen - Misdrijven GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Mogelijke aantasting - Verhoor zonder bijstand van een advocaat - Taak van de rechter Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ P.10.1428.N Conclusie van advocaat-generaal P. Duinslaeger: Beide eisers en een medebeklaagde werden vervolgd voor het telen van cannabisplanten (telastleggingen A en B) en diefstal van elektriciteit ten nadele van de verweerster (telastlegging C). Zij worden bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 25 juli 2010 wegens de vermengde feiten A, B en C veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van drie jaar en tot een geldboete van 11.000 euro of drie maanden vervangende gevangenisstraf en tot de verbeurdverklaring van een aantal voorwerpen, gelden en voertuigen. Dit is het bestreden arrest. Tot staving van zijn voorziening voert de eiser I twee middelen aan. De eiser II voert drie middelen aan. In zijn eerste middel voert eiser I schending aan van artikel 149 Grondwet en van de artikelen 90quater, §1, 1° tot 5°, 90quinquies en 211 Wetboek van Strafvordering: volgens eiser I hebben de appelrechters onterecht geoordeeld dat de machtiging van de onderzoeksrechter waarbij een tapmaatregel werd bevolen en de beschikkingen tot verlenging ervan regelmatig zijn, hoewel zij, - steeds volgens eiser I -, niet voldoen aan de vereiste van de subsidiariteit. Eiser I verwijt de appelrechters ook niet te hebben gemotiveerd welke de concrete gronden zijn waaruit de onderzoeksrechter kon afleiden dat voldaan was aan de subsidiariteitsvereiste. Dit eerste middel lijkt vooreerst al niet ontvankelijk in de mate dat het niet gericht is tegen het bestreden arrest, maar tegen de machtiging waarbij de onderzoeksrechter de tapmaatregel heeft bevolen en tegen de beschikkingen waarbij deze maatregel werd verlengd. Het middel mist bovendien ook feitelijke grondslag omdat het op een onjuiste of onvolledige lezing van het bestreden arrest berust, aangezien de appelrechters wel degelijk, op p. 7 van het bestreden arrest, melding maken van de motivering van de machtiging tot de tapmaatregel, waarbij de onderzoeksrechter een aantal concrete gegevens opsomt waaruit hij heeft afgeleid dat aan de vereiste van subsidiariteit was voldaan, om hieruit te besluiten dat aan alle vereisten van artikelen 90quater, §1, 1° tot 5°, Wetboek van Strafvordering, is voldaan. In zijn tweede middel voert eiser I schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 211 Wetboek van Strafvordering en artikel 2bis Drugwet: eiser I verwijt de appelrechters dat zij onterecht oordelen dat het logisch is dat de ter plaatse in beslag genomen cannabisplanten nooit aan enige expertise werden onderworpen, omdat nooit betwist werd dat het om cannabisplanten ging. Volgens eiser I moet het bewijs van schuld boven iedere redelijke twijfel blijken en kan dit niet opgevangen worden door de logica of door de afwezigheid van enige betwisting. Dit tweede middel lijkt allereerst al niet ontvankelijk wegens gebrek aan nauwkeurigheid: het preciseert immers niet hoe en waarom de appelrechters artikel 211 Wetboek van Strafvordering schenden. Voorts mist dit tweede middel opnieuw feitelijke grondslag omdat het op een onvolledige lezing van het bestreden arrest berust: de appelrechters verklaren de eiser immers niet schuldig op grond van de loutere vaststelling dat hij en zijn medebeklaagden niet betwistten dat het om cannabisplanten ging, maar ook, - met de eigen redenen die zij opgeven en met overname van de redenen van de eerste rechter -, op basis van de observaties die werden verricht, de vaststellingen tijdens de huiszoeking en de resultaten van het deskundigenonderzoek met betrekking tot de analyse van de sporen die werden teruggevonden in de voertuigen van beide eisers, waarbij bestanddelen van de "cannabis sativa"-plant werden aangetroffen. 5. Eiser II voert in zijn eerste middel, dat uiteenvalt in twee onderdelen, schending aan van artikel 7 EVRM, artikel 15 IVBPR, de artikelen 12 en 14 Grondwet, artikel 2bis Drugwet en de artikelen 26bis en 28 van het Koninklijk Besluit van 31 december 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende de risicobeperking en therapeutisch advies. In het eerste onderdeel verwijt eiser II de appelrechters dat zij onterecht oordelen dat het telen van cannabisplanten ook strafbaar is wanneer deze teelt gebeurt voor andermans gebruik. Volgens eiser II volgt uit de samenlezing van artikel 2bis Drugwet en de artikelen 26bis, 2° en 28, §2 van het Koninklijk Besluit van 31 december 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende de risicobeperking en therapeutisch advies, dat de teelt van cannabisplanten slechts strafbaar is wanneer deze teelt enkel bestemd is voor persoonlijk gebruik. Het Hof heeft zich over het door eiser II ingeroepen interpretatieprobleem reeds uitgesproken in een arrest van 10 januari 2006
(1). In deze zaak diende het Hof te antwoorden op een volledig gelijkluidend middel, met dezelfde twee onderdelen (met inbegrip van een gelijkluidend voorstel tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof), waarbij de schending van dezelfde verdrags- en wetsbepalingen werd aangevoerd als in de huidige zaak. Er zijn geen redenen om af te wijken van het eerder standpunt dat het Hof innam in zijn arrest van 10 januari 2006, waarbij als volgt beslist werd (r.o. 4 en 5): "
- De bestraffingschaal van de artikelen 26bis, 2°, 3° en 4°, en 28 van het koninklijk besluit van 31 december 1930 doet geen afbreuk aan de strafbaarheid van misdrijven met betrekking tot cannabis. Alleen stelt artikel 26bis, 2° en artikel 28, §2, een minder zware straf op de invoer, vervaardiging, vervoer, aanschaf en bezit van slaap- en verdovende middelen die betrekking hebben op cannabis alsmede op de teelt van cannabisplanten voor persoonlijk gebruik. Dit sluit elk ander feit dan dit voor persoonlijk gebruik uit. De desbetreffende wetsbepalingen zijn zo uitdrukkelijk, nauwkeurig en duidelijk dat desomtrent niet de minste twijfel kan bestaan.
- Het arrest oordeelt dat "teelt van cannabis voor verkoop" en "teelt van cannabis voor andermans gebruik" strafbaar is op grond van artikel 2bis Drugwet en artikel 26bis, 4°, van het koninklijk besluit van 31 december
- Het schendt niet de artikelen 7.1 EVRM, 15.1 IVBPR, 12, tweede lid, en 14 Grondwet, noch de artikelen 1 en 2bis Drugwet en artikel 26bis van het koninklijk besluit van 31 december 1930." Uit dit antwoord van het Hof moet afgeleid worden dat de teelt van cannabis voor verkoop en de teelt van cannabis voor andermans gebruik wel degelijk strafbaar is op grond van de artikelen 2bis Drugwet en 26bis, 4° van het koninklijk besluit van 31 december 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende de risicobeperking en therapeutisch advies. Dit eerste onderdeel faalt bijgevolg naar recht. In het tweede onderdeel van zijn eerste middel verwijt eiser II de appelrechters hem onterecht te hebben schuldig verklaard aan de teelt van cannabis anders dan voor eigen gebruik, hoewel noch de Drugwet, noch het koninklijk besluit van 31 december 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende de risicobeperking en therapeutisch advies, enig criterium geeft dat toelaat het onderscheid te maken tussen teelt voor eigen en anders dan voor eigen gebruik, dan wanneer dit onderscheid volgens eiser II noodzakelijk is om de strafmaat binnen het kader van artikel 28 van voornoemd koninklijk besluit rechtsgeldig te kunnen verantwoorden. Eiser II vraagt het Hof ook om desgevallend prejudicieel aan het Grondwettelijk Hof te vragen in hoeverre de artikelen 1 en 2bis Drugwet, al dan niet samengelezen, voor zover deze bepalingen geïnterpreteerd zouden worden als een delegatie van de wetgever aan de uitvoerende macht om te bepalen vanaf wanneer een teelt van cannabisplanten als anders dan voor persoonlijk gebruik moet worden beschouwd zonder dat daarbij de verplichting wordt opgelegd om daarbij een welomschreven hoeveelheid te definiëren, verenigbaar is met de artikel 7 EVRM, 15 IVBPR of met de artikelen 12 en 14 Grondwet. Zoals hiervoor uiteengezet is ook dit onderdeel volledig gelijkluidend met het tweede onderdeel van het middel dat aangevoerd werd in de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van 10 januari
- Het antwoord kan dus opnieuw hetzelfde zijn want het onderdeel lijkt ook hier weer te vertrekken van een zelfde verwarring tussen, enerzijds, de strafbaarheid van de feiten en, anderzijds, de bepaling van de strafmaat van de bewezen verklaarde feiten: de teelt zelf van cannabisplanten is strafbaar, ongeacht de hoeveelheid planten en ongeacht of het voor eigen gebruik of voor andermans gebruik is. De hoeveelheid cannabisplanten is dus enkel van belang wanneer het een schuldigverklaring aan teelt van cannabisplanten voor eigen gebruik betreft, omdat de wettelijk bepaalde straf in dat geval lichter is. Wanneer de vervolging, zoals hier, evenwel betrekking heeft op de teelt voor andermans gebruik, dient geen rekening te worden gehouden met de hoeveelheid cannabisplanten. Dat is overigens ook wat de appelrechters zelf vaststellen waar zij oordelen op p. 10 van het bestreden arrest, na te hebben vastgesteld dat er bij de huiszoeking 429 planten en 3815 stekken werden ontdekt, zodat "er geen enkele discussie kan bestaan dat de aangetroffen hoeveelheid niet bestemd was voor persoonlijk gebruik": "De stelling van de beklaagde is: -volgens de huidige wetgeving is teelt van cannabis voor verkoop of andermans gebruik niet strafbaar; -indien deze stelling niet gevolgd wordt, dan moet worden vastgesteld dat de wetgever nagelaten heeft (te bepalen) wat dient te worden verstaan onder 'persoonlijk gebruik'. Het (h)of stelt vast dat de stelling van de beklaagde hoegenaamd niet relevant is, nu hij geenszins vervolgd wordt voor cannabisteelt voor persoonlijk gebruik." Het tweede onderdeel faalt bijgevolg eveneens naar recht, zodat de voorgestelde prejudiciële vraag, die vertrekt van een verkeerde rechtsopvatting, niet moet worden gesteld. Men kan zich overigens ook afvragen of het eerste middel in zijn twee onderdelen wel inhoudelijk consistent is: in het eerste onderdeel verdedigt eiser II voluit de stelling dat hij cannabisplanten teelde voor andersmans gebruik of voor verkoop, waaromtrent hij oordeelt dat deze feiten niet strafbaar zijn, terwijl hij in het tweede onderdeel lijkt ervan uit te gaan dat, wanneer de teelt voor andermans gebruik toch strafbaar zou zijn, hij zou moeten kunnen toepassing maken van een concreet criterium dat het onderscheid maakt tussen teelt voor persoonlijk gebruik en teelt voor andermans gebruik, waarbij dan mag aangenomen worden dat hij zou trachten aan te tonen dat het een teelt voor persoonlijk gebruik betrof, waarop lichtere straffen zijn gesteld. Eiser II lijkt bijgevolg in de twee onderdelen van hetzelfde middel, onder aanvoering van een schending van dezelfde verdrags- en wetsbepalingen, twee tegenstrijdige stellingen aan te voeren, zodat het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid omtrent de precieze draagwijdte van zijn verweer, desgevallend ook als niet ontvankelijk zou kunnen worden afgewezen.
- In zijn tweede middel voert eiser II schending aan van de artikelen 6.3.a en 7 EVRM, de artikelen 14.3.a en 15 IVBPR en artikel 149 Grondwet: het bestreden arrest beslist dat het bezit van de bij de eiser in beslag genomen planten zonder meer strafbaar is en beantwoordt zijn verweer niet, hoewel hij in conclusie had geargumenteerd dat de stof, waarvan de verbouwing, of alleszins het bezit tegen hem wordt vervolgd, niet eens op een verstaanbare manier door de wetgever is gedefinieerd. Eiser II preciseert dat artikel 1.15 van het koninklijk besluit van 31 december 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende de risicobeperking en therapeutisch advies, enkel bestaat uit vier Latijnse benamingen, waaronder "cannabis", die een modale rechtsonderhorige niet geacht kan worden te begrijpen, zodat de norm waarvan de overtreding wordt vervolgd voor de verdachte niet verstaanbaar is en dat de Drugwet geen precisering bevat omtrent welke bestanddelen van de cannabisplant in voornoemd artikel 1.15 bedoeld worden. Dit middel kan allereerst niet worden aangenomen, aangezien het begrip "cannabis" zodanig in het gewone taalgebruik ingeburgerd is en op dergelijke grote schaal gekend en verspreid is, dat het voor een modale rechtsonderhorige perfect verstaanbaar is. Voor het overige mist het middel feitelijke grondslag, aangezien het arrest het verweer beantwoordt met de redenen die het bevat op pp. 12 en
- In zijn derde en laatste middel voert eiser II schending aan van artikel 6 EVRM: de appelrechters gebruiken de verklaring die hij op 23 mei 2007 aflegde buiten de aanwezigheid van zijn raadsman als bewijs tegen hem, hoewel hij in conclusie had aangevoerd dat hij tijdens die ondervraging door de verbalisanten was verschalkt, zodat zijn recht van verdediging en recht op een eerlijk proces onherstelbaar is aangetast. Dit middel brengt ons opnieuw bij de problematiek van de wijze waarop de SALDUZ-rechtspraak moet worden toegepast. Vooreerst kan er worden op gewezen dat de betwiste verklaring van 23 mei 2007 niet een verklaring betreft tijdens een politieverhoor vóór de voorleiding voor de onderzoeksrechter, noch om een verklaring afgelegd bij de onderzoeksrechter. Het betrof een verklaring, die later afgelegd werd in de loop van het gerechtelijk onderzoek, tijdens een navolgend verhoor door de onderzoekers en waarbij eiser II ondervraagd werd over de (positieve) resultaten van het deskundigenonderzoek op de sporen die teruggevonden werden in de voertuigen van eiser I en eiser II. De appelrechters citeren letterlijk een aantal passages uit deze verklaring, onder meer: "Ik word door uw diensten geconfronteerd met het sporenonderzoek (...) en het bijhorende positief resultaat (...). Ik kan uw diensten hierover enkel zeggen dat ik reeds in mijn eerdere verklaringen heb toegegeven dat ik cannabisstekken vervoerde met mijn wagen (...). Het lijkt mij vrij logisch dat er dan bestanddelen worden aangetroffen na een sporenonderzoek die wijzen op de aanwezigheid van het bestanddeel THC." Terloops weze opgemerkt dat het alvast opmerkelijk is dat eiser II zijn verweer, geput uit de SALDUZ-rechtspraak, in zijn beroepsconclusie voor de appelrechters en in zijn derde cassatiemiddel, beperkt tot de verklaring van 23 mei 2007 en geen gewag maakt van enig probleem omwille van de afwezigheid van bijstand van een raadsman bij zijn vorige politieverhoren of bij zijn voorleiding voor de onderzoeksrechter. De appelrechters beantwoorden en verwerpen het verweer van eiser II in verband met de SALDUZ-rechtspraak door de volgende vaststellingen: "De (eiser II) beroept zich vervolgens op de rechtspraak gebaseerd op het arrest van het Europees Hof inzake SALDUZ. Het (h)of stelt echter vast dat: -de (eiser II) reeds naar aanleiding van zijn voorleiding voor de onderzoeksrechter op 24 april 2007 keuze van raadsman heeft gedaan; -deze advocaat hem bijgestaan heeft in het verder verloop van de procedure, bij voorbeeld bij de verschijningen voor de raadkamer en voor de kamer van inbeschuldigingstelling in het kader van de voorlopige hechtenis; -op 23 mei 2007 de (eiser II) reeds bijstand van een advocaat had en dat hij en zijn advocaat de gelegenheid hadden inzage te nemen van het dossier. Het feit dat tijdens het verhoor zelf door de politiediensten de (eiser II) niet werd bijgestaan door een advocaat, kan dan ook geenszins een krenking van het recht van verdediging uitmaken."
- Sinds 27 november 2008 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in tal van arresten
(2)het standpunt herhaald, dat het reeds eerder had ingenomen in het arrest SALDUZ
(3): het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces zijn in de regel geschaad als incriminerende verklaringen, die werden afgelegd tijdens een politieverhoor zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat, worden gebruikt voor een veroordeling. Dit recht op bijstand geldt niet alleen tijdens de rechtspleging voor de feitenrechter, maar ook in de daaraan voorafgaande fase van onderzoek of vooronderzoek. Dat de waarborgen van artikel 6.3.c EVRM ook spelen in deze aan het proces voorafgaande fase blijkt immers al uit het arrest van 24 november 1993
(4)van Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waar gesteld werd dat artikel 6 EVRM, en meer bepaald artikel 6.3 EVRM, een rol kan spelen nog vóór de zaak voor de feitenrechter wordt gebracht, indien en in de mate dat de aanvankelijke niet-inachtname ervan op ernstige wijze het eerlijk karakter van het proces in het gedrang dreigen te brengen. Dit principe behoort inmiddels tot de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en werd nogmaals herbevestigd in het arrest SALDUZ, waar het Hof het belang van deze fase van het onderzoek benadrukt in het licht van de voorbereiding van het eigenlijke proces, in de mate dat de bewijzen die tijdens deze fase van de strafvervolging werden verzameld, het kader bepalen waarbinnen de telastlegging tijdens het strafproces zal worden onderzocht
(5). Het principe zelf van de vereiste van bijstand door een raadsman is overigens ook niet geheel nieuw: reeds in een arrest van 8 februari 1996
(6)besliste het Europees Hof in een zaak van terrorisme, waar de beklaagde slechts na de in het Verenigd Koninkrijk bepaalde wettelijke termijn van 48 uur overleg kon plegen met zijn raadsman, dat in dergelijk geval, artikel 6 EVRM normalerwijze vereist dat de beklaagde kan genieten van de bijstand van een advocaat vanaf de eerste fase van de politieverhoren. Het Hof voegt er evenwel aan toe dat dit recht, dat niet expressis verbis ingeschreven is in het EVRM, aan bepaalde beperkingen kan worden onderworpen, wanneer daar "geldige" redenen voor voorhanden zijn. Volgens het Europees Hof moet, geval per geval, nagegaan worden of deze beperking, in het licht van het geheel van de procedure, het recht op een eerlijk proces van de beklaagde heeft aangetast. In het arrest SALDUZ
(7)gaat het Europees Hof evenwel nog een stap verder: anders dan in het hiervoor geciteerde arrest MURRAY, waar het hof gewag maakt van "beperkingen waarvoor 'geldige' redenen aanwezig zijn", preciseert het Hof in zijn arrest van 27 november 2008 dat er slechts restricties kunnen worden opgelegd aan het recht op bijstand van een advocaat wanneer daarvoor "dwingende" redenen ("compelling reasons" - "raisons impérieuses") voorhanden zijn. Bovendien mag deze uitzonderlijke en door dwingende redenen verantwoorde beperking geen onrechtmatig nadeel berokkenen aan de door artikel 6 EVRM gewaarborgde rechten van de beklaagde. Het recht op bijstand van een raadsman tijdens het (politie)verhoor wordt door het Europees Hof zonder de minste twijfel als "fundamenteel" beschouwd
(8). Anderzijds volgt uit het feit dat het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces (slechts) in de regel onherroepelijk zijn geschaad als incriminerende verklaringen, die werden afgelegd tijdens een politieverhoor zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat, worden gebruikt voor een veroordeling en uit het feit dat het Europees Hof aanneemt dat, weliswaar onder de zeer stringente voorwaarde dat er "dwingende" redenen moeten zijn, "uitzonderlijk" een beperking kan worden opgelegd aan het recht op bijstand van een raadsman, dat dit (fundamentele) recht (toch) niet "absoluut" is. Het Europees Hof zegt dit overigens zelf in zoveel woorden in het arrest SALDUZ
(9), onder verwijzing naar zijn arrest van 23 november 1993
(10). Ook het feit dat onder zekere voorwaarden (geen vermoeden van afstand, maar afstand die in expliciete en onmiskenbare bewoordingen is gedaan en afstand slechts mogelijk wanneer de beklaagde op afdoende wijze werd gewezen op zijn rechten) afstand
(11)kan worden gedaan van het recht op bijstand, wijst erop dat het recht op bijstand toch nog van een andere orde is dan bijvoorbeeld het recht op een onafhankelijke en onpartijdige bij wet ingestelde rechterlijke instantie, waarvan zonder twijfel kan aangenomen worden dat het Europees Hof, dat steevast wijst op de precaire situatie van de beklaagde, nooit zal aanvaarden dat, in strafzaken, van dit recht afstand zou kunnen worden gedaan. In de zaak SALDUZ en in tal van navolgende arresten schetst het Europees Hof voor de Rechten van de Mens eerst het kader van de toepasselijke principes en toetst het nadien dit kader aan de concrete gegevens van de individuele zaak. Het Europees Hof heeft inderdaad, zoals hiervoor uiteengezet, in tal van arresten gesteld dat in elk concreet geval moet worden nagegaan of een vastgestelde beperking aan het recht op bijstand van een advocaat gerechtvaardigd kan worden en, in bevestigend geval, of deze beperking, in het licht van het geheel van de rechtspleging, de beklaagde al dan niet het recht op een eerlijk proces heeft ontnomen
(12). Uit het SALDUZ-arrest blijkt dus dat het enkele feit dat een beklaagde vanaf zijn eerste ondervraging door de politie niet van de bijstand van een raadsman kon genieten, van aard kan zijn om een miskenning van het recht op verdediging en van het recht op een eerlijk proces op te leveren, tenzij, in het licht van de specifieke omstandigheden van de individuele zaak, uitzonderlijk, om "dwingende" redenen, een restrictie aan het recht op bijstand kan worden verantwoord en deze beperking geen onrechtmatig nadeel heeft berokkend aan de door artikel 6 EVRM gewaarborgde rechten van de beklaagde. Vraag is evenwel of de enkele omstandigheid dat een beklaagde werd verhoord zonder de bijstand van een raadsman steeds per se onherroepelijk tot de vaststelling moet leiden dat het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces hierdoor "automatisch" op onherstelbare wijze werden geschonden, zeker wanneer zou blijken dat de in die omstandigheden afgelegde verklaringen niet of niet op doorslaggevende wijze werden gebruikt voor een veroordeling. Vooraleer hierop verder in te gaan, kan er eerst nog gewezen worden op een niet onbelangrijke nuance tussen de Engelse en de Franse versie van het SALDUZ-arrest: waar de Engelse versie luidt dat "(t)he rights of the defence will in principle be irretrievably prejudiced when incriminating statements made during police interrogation without access to a lawyer are used for a conviction", lijkt de Franse versie enigszins restrictiever waar gesteld wordt "il est en principe porté une atteinte irrémédiable aux droits de la défense lorsque des déclarations incriminantes faites lors d'un interrogatoire de police subi sans l'assistance possible d'un avocat sont utilisées pour fonder une condamnation". In de Franse versie gaat het dus niet om het louter "gebruik" van de verklaring voor een veroordeling, maar om het "gebruik ervan om een veroordeling op te steunen": in de Franse versie moet het "gebruik" bijgevolg een strengere toets doorstaan. De vraag of het gebrek aan bijstand van een advocaat tijdens het verhoor op zich volstaat om een miskenning van het recht van verdediging en van het recht op een eerlijk proces op te leveren, roept onmiddellijk de vraag op of dit fundamenteel recht op bijstand van een raadsman bij het verhoor niet moet worden ingebed in het veel ruimere en bredere kader van het recht op verdediging en het recht op een eerlijk proces, waarvan het recht op bijstand slechts één, - zij het belangrijk -, element of onderdeel is. Het Europees Hof lijkt deze vraag bevestigend te beantwoorden aangezien het arrest SALDUZ besluit tot de schending van artikel 6.3.c EVRM "in combinatie met artikel 6.1 EVRM". Er werd hiervoor reeds gewezen op het feit dat volgens het Europees Hof, bij een vastgestelde tekortkoming aan het recht op bijstand van een advocaat bij het verhoor, geval per geval, moet worden nagegaan of deze beperking, in het licht van het geheel van de procedure, het recht op een eerlijk proces van de beklaagde heeft aangetast
(13). In het kader van de SALDUZ-problematiek zelf kan daarbij gewezen worden op het arrest van het Europees Hof van 18 februari 2010
(14). In de eerste plaats herhaalt het Europees Hof in dit arrest opnieuw dat de toepassing van artikel 6.3 EVRM ook al relevant kan zijn in de fase vóór het eigenlijke strafproces. Het Europees Hof preciseert in dit arrest evenwel opnieuw dat, om uit te maken of het doel van artikel 6 EVRM, met name het recht op een eerlijk proces, werd bereikt, het geheel van de nationale procedure dient in aanmerking genomen te worden. Nog volgens het Europees Hof dient ook nagegaan te worden of er relevante waarborgen ("relevant safeguards") ingebouwd zijn in de nationale procedure en dient ten slotte ook onderzocht te worden wat met de bewijzen uiteindelijk is gebeurd. Ook buiten de SALDUZ-problematiek gaat het Europees Hof op dezelfde wijze te werk. In zijn arrest van 1 juni 2010
(15)neemt het Europees Hof aan dat de Duitse politie de verdachte van een ontvoering van een minderjarige, die later vermoord werd teruggevonden, had bedreigd met folteringen en veroordeelt het Duitsland wegens schending van artikel 3 EVRM. De verzoeker riep vervolgens ook een schending van artikel 6 EVRM in omdat de bekentenissen, waarvan het Europees Hof vaststelde dat hij die onder bedreiging van foltering had afgelegd, gebruikt werden voor zijn veroordeling. Het Europees Hof oordeelt evenwel dat er van enige schending van artikel 6 EVRM geen sprake is omdat, gelet op de (specifieke) gegevens van de zaak, de niet-uitsluiting van de betwiste bewijzen, verzameld in strijd met artikel 3 EVRM wegens bedreigingen met folteringen, niet meegespeeld heeft in het verdict van schuldigverklaring en in de strafmaat, die in het bijzonder gesteund waren op nieuwe bekentenissen tijdens het proces. Het Europees Hof oordeelt verder dat het recht op verdediging en het recht om zichzelf niet te beschuldigen geëerbiedigd werden en dat het geheel van het proces als eerlijk kan beschouwd worden. Deze rechtspraak toont aan dat het Europees Hof, zelfs na de vaststelling van het bestaan van een schending van het EVRM, nog verder nagaat in hoeverre de verdachte of beklaagde zich in een kwetsbare positie bevond op het ogenblik van het afleggen van de belastende verklaringen, in welke mate deze verklaringen werden aangewend om de veroordeling op te steunen en of er, in het licht van het geheel van de procedure, geen (nationale) waarborgen bestonden die van aard waren een afdoende compensatie of remedie in te houden om, ondanks de vastgestelde tekortkoming, toch het eerlijk karakter van het proces te vrijwaren. Sommigen zullen wellicht aanvoeren dat het Europees Hof ook beslist heeft dat een systematische beperking van het recht op de bijstand van een advocaat door de nationale wetgeving, op zich volstaat om te besluiten tot een schending van artikel 6 EVRM, zodat een verder onderzoek naar het bestaan van andere waarborgen die zouden kunnen remediëren aan deze beperking, niet langer dienstig kan zijn. Het Europees Hof heeft inderdaad in die zin geoordeeld in zijn arresten van 19 november 2009
(16)en 2 maart 2010
(17), maar in het licht van de thans voorliggende zaak, lijkt het niet zonder belang te preciseren dat beide arresten betrekking hadden op een systematische wettelijke beperking van het recht op de bijstand van een advocaat in de fase van de "garde à vue" of bij het eerste verhoor door de onderzoeksrechter in het kader van de wet op de voorlopige hechtenis. Rekening houdend met het gegeven dat het Europees Hof in de SALDUZ-rechtspraak vooral oog heeft voor het feit dat de verdachte zich op dat ogenblik in een zeer kwetsbare positie bevindt, kan de vraag gesteld worden of dit standpunt van het Europees Hof zomaar kan uitgebreid worden tot de andere stadia van de procedure. Wel wordt in het arrest van 13 oktober 2009
(18)van het Europees Hof gepreciseerd dat de verdachte of beklaagde (die van zijn vrijheid is beroofd) recht heeft op het uitgebreide gamma van tussenkomsten die een advocaat kan bieden, zoals de bespreking van de zaak, de organisatie van de verdediging, het zoeken naar elementen à décharge, de voorbereiding van de ondervragingen, de bijstand aan de verdachte in nood en de controle van de detentievoorwaarden. Het onderzoek naar eventuele andere compenserende of remediërende waarborgen blijft dus wel degelijk relevant. Uw Hof heeft dit reeds gedaan in zijn arresten van 5 mei 2010
(19)en 26 mei 2010
(20). In deze arresten werd onder meer erop gewezen dat de vormvereisten die bij artikel 47bis Wetboek van Strafvordering voor het verhoor van de verdachte zijn opgelegd, de korte duur van de grondwettelijke termijn van de voorlopige hechtenis, de onmiddellijke overhandiging aan de inverdenkinggestelde, op het ogenblik van de betekening van het bevel tot aanhouding, van alle in de artikelen 16, §7, en 18, §2, Voorlopige Hechteniswet bedoelde stukken, het recht van de inverdenkinggestelde om onmiddellijk vrij verkeer te hebben met zijn advocaat overeenkomstig artikel 20, §1 en 5, van de voormelde wet, de inzage van het dossier alvorens voor het onderzoeksgerecht te verschijnen, zoals dat in artikel 21, §3, van die wet is geregeld, alsook de rechten die met name in de artikelen 61ter, 61quater, 61quinquies, 136 en 235bis Wetboek van Strafvordering zijn bedoeld, de inzage van het dossier en het vrij verkeer van de beklaagde met zijn advocaat tijdens de procedure voor de feitenrechter, in hun geheel daadwerkelijke en passende remedies zijn tegen de afwezigheid van bijstand van een advocaat tijdens het politieverhoor, omdat zij de beklaagde toelaten zijn recht van verdediging ten volle uit te oefenen en omdat zij zijn recht op een eerlijk proces waarborgen. Benevens dit onderzoek in abstracto van de compenserende waarborgen die het intern rechtstelsel biedt, meen ik bovendien dat het Hof, in navolging van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, zelf ook tot een onderzoek in concreto van het voorliggende individuele geval moet overgaan. Uw Hof heeft reeds in die zin beslist in zijn arrest van 27 oktober 2010
(21)door te oordelen dat er dient nagegaan te worden of de verhoren van de eiser, die gebeurden buiten de aanwezigheid van de advocaat, een dusdanig effect gehad hebben op het verloop van het proces dat dit niet langer meer als eerlijk kan worden beschouwd. Wanneer het Hof tot dit nazicht in concreto overgaat en dit nazicht combineert met de andere criteria die het Europees Hof hanteert, zal het dienen vast te stellen, op grond van de stukken waarop het vermag acht te slaan, dat: -eiser II niet aanvoert dat er sprake was van ongepaste dwang -eiser II zich tijdens het verhoor en tijdens het onderzoek niet in een kwetsbare positie bevond, noch in een positie die vergelijkbaar is met deze van een verdachte op het ogenblik van het eerste politieverhoor of het verhoor door de onderzoeksrechter in het kader van de voorlopige hechtenis -eiser II reeds naar aanleiding van zijn voorleiding voor de onderzoeksrechter op 24 april 2007 keuze van raadsman had gedaan -deze advocaat hem heeft bijgestaan in het verder verloop van de procedure, bij voorbeeld bij de verschijningen voor de raadkamer en voor de kamer van inbeschuldigingstelling in het kader van de voorlopige hechtenis -eiser II op het ogenblik van zijn verklaring op 23 mei 2007 reeds de bijstand van een advocaat had en dat hij en zijn advocaat de gelegenheid hadden inzage te nemen van het dossier, zodat hij kon genieten van "het uitgebreide gamma van tussenkomsten die een advocaat kan bieden, zoals de bespreking van de zaak, de organisatie van de verdediging, het zoeken naar elementen à décharge, de voorbereiding van de ondervragingen, de bijstand aan de verdachte in nood en de controle van de detentievoorwaarden" -de appelrechters de gewraakte verklaring van 23 mei 2007 weliswaar bespreken in het bestreden arrest, maar enkel in het licht van de verweermiddelen die eiser II tegen deze verklaring aanvoerde -de appelrechters weliswaar oordelen dat "er dan ook geen redenen zijn om de verklaring van (eiser II) niet te gebruiken", maar dat zij met eigen redenen en met overname van de redenen van het beroepen vonnis oordelen dat eiser II schuldig is aan de ten laste gelegde feiten op grond van de tijdens het onderzoek uitgevoerde observaties, de resultaten van de huiszoeking en van het uitgevoerde deskundigenonderzoek, zodat de gewraakte verklaring van 23 mei 2007 van eiser II niet doorslaggevend was om de veroordeling op te steunen -dat alle elementen aan de tegenspraak van de partijen werden onderworpen en eiser II zowel in eerste aanleg als in hoger beroep werd bijgestaan door zijn raadslieden. In zoverre het derde middel van eiser II ervan uitgaat dat het loutere feit van de niet-aanwezigheid van zijn advocaat bij zijn verhoor van 23 mei 2007 "automatisch" zijn recht van verdediging en zijn recht op een eerlijk proces onherstelbaar en onherroepelijk heeft aangetast, faalt het naar recht. In zoverre het derde middel ervan uitgaat dat uit het nazicht in concreto van het verloop van de rechtspleging moet blijken dat de appelrechters zijn recht van verdediging en zijn recht op een eerlijk proces hebben miskend, kan het niet worden aangenomen. Conclusie: verwerping van de cassatieberoepen ___________________
(1)Cass. 10 jan. 2006, AR P.05.0812.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060110.10, A.C., 2006, nr. 25 met concl. adv.-gen. Timperman.
(2)Zie onder meer EHRM, 11 dec. 2008, Panovits t. Cyprus; 3 feb. 2009, Çimen t. Turkije; 17 feb. 2009, Ibrahim Öztürk t. Turkije; 19 feb. 2009, Shabelnik t. Oekraïne; 31 maart 2009, Plonka t. Polen; 21 april 2009, Soykan t. Turkije; 30 juni 2009, Artimenco t. Roemenië; 28 juli 2009, Zeki Bayhan t. Turkije; 24 sept. 2009, Pishchalnikov t. Rusland; 13 okt. 2009, Güvenilir t. Turkije; 8 dec. 2009, Savas t. Turkije; 18 feb. 2010, Aleksandr Zaichenko t. Rusland.
(3)EHRM, 27 nov. 2008, Salduz t. Turkije, r.o. 55
(4)EHRM, 24 nov. 1993, Imbrioscia t. Zwitserland
(5)EHRM, 27 nov. 2008, Salduz t. Turkije, r.o. 54.
(6)EHRM, 8 feb. 1996, Murray t. Verenigd Koninkrijk
(7)EHRM, 27 nov. 2008, Salduz t. Turkije, r.o. 55
(8)EHRM, 27 nov. 2008, Salduz t. Turkije, r.o. 51
(9)EHRM, 27 nov. 2008, Salduz t. Turkije, r.o. 51
(10)EHRM, 23 nov. 1993, Poitrimol t. Frankrijk
(11)EHRM, 11 dec. 2008, Panovits t. Cyprus
(12)EHRM, 27 nov. 2008, Salduz t. Turkije, r.o. 52; 2 maart 2010, Bouglame t. België
(13)EHRM, 27 nov. 2008, Salduz t. Turkije, r.o. 52; 2 maart 2010, Bouglame t. België.
(14)EHRM, 18 feb. 2010, Aleksandr Zaichenko t. Rusland.
(15)EHRM, 1 juni 2010, Gäfgen t. Duitsland.
(16)EHRM, 19 nov. 2009, Dayanan t. Turkije.
(17)EHRM, 2 maart 2010, Bouglame t. België
(18)EHRM, 19 nov. 2009, Dayanan t. Turkije.
(19)Cass. 5 mei 2010, AR P.10.0257.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100505.3, A.C., 2010, nr. 314 met concl. adv.-gen. Vandermeersch.
(20)Cass. 26 mei 2010, AR 9.10.0503.F, A.C., nr. 366.
(21)Cass. 27 okt. 2010, AR P.10.1372.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101027.4, A.C., 2010, nr. ... met concl. adv.-gen. Vandermeersch. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101123.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060110.10 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100505.3 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101027.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div