← België

ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101123.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 23 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101123.6 Rolnummer: P.10.1643.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2010-11-30 Raadplegingen: 474 - laatst gezien 2026-07-02 05:22 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101123.6 Fiches 1 - 3 Artikel 127, § 3, Wetboek van Strafvordering geeft aan de partijen die vóór hun verschijning voor het onderzoeksgerecht een verzoek overeenkomstig artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering tot het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen hebben ingediend of die, alhoewel zij hiertoe de mogelijkheid hadden, dit in tegenstelling tot andere partijen hebben nagelaten, niet het recht de regeling van de rechtspleging een tweede maal te laten schorsen door de onderzoeksrechter opnieuw om bijkomende onderzoeksverrichtingen te verzoeken, ook al zijn het andere; afgezien van het geval waarin het openbaar ministerie op grond van de uitslag van de eerder gevraagde bijkomende onderzoeksverrichtingen zijn vordering tot regeling van de rechtspleging wijzigt, is het recht om bijkomende onderzoeksverrichtingen te verzoeken gedurende de termijn die aan de rechtszitting voor de regeling van de rechtspleging voorafgaat, een recht dat maar eenmaal kan worden uitgeoefend

(1).
(1)Zie conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoek - Bijkomende onderzoeksdaden STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Raadkamer - Regeling van de rechtspleging - Inverdenkinggestelde en burgerlijke partij - Verzoek aan de onderzoeksrechter om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten - Vervollediging van het onderzoek - Nieuw verzoek om bijkomende onderzoekshandelingen - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoek - Bijkomende onderzoeksdaden STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Voltooing van het onderzoek - Vordering tot regeling van de rechtspleging - Inverdenkinggestelde en burgerlijke partij - Verzoek aan de onderzoeksrechter om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten - Vervollediging van het onderzoek - Nieuw verzoek om bijkomende onderzoekshandelingen - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: ONDERZOEKSRECHTER UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoek - Bijkomende onderzoeksdaden STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Voltooing van het onderzoek - Vordering tot regeling van de rechtspleging - Inverdenkinggestelde en burgerlijke partij - Verzoek aan de onderzoeksrechter om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten - Vervollediging van het onderzoek - Nieuw verzoek om bijkomende onderzoekshandelingen - Ontvankelijkheid Fiche 4 De controle door de kamer van inbeschuldigingstelling over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie van artikel 235ter, § 1, Wetboek van Strafvordering betreft enkel een controle ten einde na te gaan of naar de gegevens van het vertrouwelijk dossier de voorschriften betreffende deze bijzondere opsporingsmethoden, bepaald in de artikelen 47sexies, 47septies, 47octies en 47novies Wetboek van Strafvordering werden nageleefd en of de bij het strafdossier gevoegde processen-verbaal betreffende de toepassing van die bijzondere opsporingsmethoden de vermeldingen bevatten die ze moeten bevatten en of deze overeenkomen met de gegevens van het vertrouwelijk dossier, maar heeft verder niets uitstaande met het onderzoek van de regelmatigheid of volledigheid van het eigenlijke strafonderzoek
(1).
(1)Zie conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoek - Bijkomende onderzoeksdaden STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie Fiches 5 - 6 De controle van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, uitgevoerd met toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering, houdt in dat de regeling van de rechtspleging niet kan plaatsvinden zolang die controle, daarin begrepen het cassatieberoep tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling waarbij die controle wordt uitgevoerd, niet afgehandeld is; daarentegen volgt evenwel noch uit deze wetsbepaling noch uit artikel 127 van hetzelfde wetboek dat de procedure van regeling van de rechtspleging niet kan opgestart worden door de partijen reeds op te roepen voor de rechtszitting voor de raadkamer, met als gevolg dat de partijen op dat ogenblik toepassing kunnen maken van de in artikel 127, § 3, bepaalde mogelijkheid een verzoek in te dienen bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten en het feit dat cassatieberoep werd aangetekend tegen het arrest waarbij de controle overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering werd uitgevoerd en hierover nog geen definitieve uitspraak is gedaan, doet hieraan geen afbreuk
(1).
(1)Zie conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoek - Bijkomende onderzoeksdaden STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie - Invloed op de regeling van de rechtspleging Kamer van inbeschuldigingstelling - Controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie - Arrest waarbij de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden wordt vastgesteld - Cassatieberoep - Oproeping voor de raadkamer voor de regeling van de rechtspleging - Oproeping vóór de uitspraak over het cassatieberoep - Invloed op de mogelijkheid om bijkomende onderzoekshandelingen te vragen Fiches 7 - 12 Conclusie van advocaat-generaal DUINSLAEGER. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoek - Bijkomende onderzoeksdaden STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Raadkamer - Regeling van de rechtspleging - Inverdenkinggestelde en burgerlijke partij - Verzoek aan de onderzoeksrechter om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten - Vervollediging van het onderzoek - Nieuw verzoek om bijkomende onderzoekshandelingen - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoek - Bijkomende onderzoeksdaden STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Voltooiing van het onderzoek - Vordering tot regeling van de rechtspleging - Inverdenkinggestelde en burgerlijke partij - Verzoek aan de onderzoeksrechter om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten - Vervollediging van het onderzoek - Nieuw verzoek om bijkomende onderzoekshandelingen - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: ONDERZOEKSRECHTER UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoek - Bijkomende onderzoeksdaden STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Voltooiing van het onderzoek - Vordering tot regeling van de rechtspleging - Inverdenkinggestelde en burgerlijke partij - Verzoek aan de onderzoeksrechter om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten - Vervollediging van het onderzoek - Nieuw verzoek om bijkomende onderzoekshandelingen - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoek - Bijkomende onderzoeksdaden STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie Kamer van inbeschuldigingstelling - Controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie - Invloed op de regeling van de rechtspleging Kamer van inbeschuldigingstelling - Controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie - Arrest waarbij de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden wordt vastgesteld - Cassatieberoep - Oproeping voor de raadkamer voor de regeling van de rechtspleging - Oproeping vóór de uitspraak over het cassatieberoep - Invloed op de mogelijkheid om bijkomende onderzoekshandelingen te vragen Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ P.10.1643.N Conclusie van Advocaat-generaal P. Duinslaeger:
  1. De eiser wordt vervolgd voor inbreuken op de Drugswet, criminele organisatie en witwassen. In het kader van het gerechtelijk onderzoek werden de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie aangewend. Deze bijzondere opsporingsmethoden werden in toepassing van artikel 235ter, §1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering op vordering van de federale procureur, ter controle voorgelegd aan de kamer van inbeschuldigingstelling op het ogenblik dat de onderzoeksrechter zijn dossier aan het openbaar ministerie had overgemaakt krachtens artikel 127, §1, eerste lid, van hetzelfde wetboek. Bij arrest van 26 juni 2010 stelde de kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen vast dat de observatie en de infiltratie regelmatig waren verlopen. De eiser tekende tegen dit arrest cassatieberoep aan dat door het Hof bij arrest van 27 oktober 2010, AR P.10.1226.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100727.2, werd verworpen. Een tweede cassatieberoep van een andere inverdenkinggestelde werd verworpen bij arrest van het Hof van 21 september
  2. Nog voor het Hof dit cassatieberoep behandelde werd de eiser opgeroepen om op 9 juli 2010 te verschijnen voor de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt om de rechtspleging te regelen. Verschillende andere inverdenkinggestelden verzochten evenwel om bijkomende onderzoekshandelingen in toepassing van de artikelen 61quinquies en 127, §3, Wetboek van Strafvordering, zodat beslist werd de regeling van de rechtspleging te schorsen. De eiser zelf verzocht op dat ogenblik de onderzoeksrechter niet om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten, maar zond op 6 juli 2010, na het ontvangen van de oproeping, een faxbericht toe aan de voorzitter van de raadkamer, waarin hij zijn verwondering uitte over de gang van zaken, met name over het feit dat de raadkamer de rechtspleging zou regelen terwijl het Hof zich nog niet had uitgesproken over het cassatieberoep tegen het arrest waarbij tot de BOM-controle werd overgegaan en waarbij hij vroeg om de regeling van de rechtspleging uit te stellen "met behoud van alle rechten voor de verdediging om desgevallend nog om bijkomend onderzoek te vragen". Op de zitting van de raadkamer van 9 juli 2010 tekende hij opnieuw voorbehoud aan omdat het Hof zich nog niet had uitgesproken over het cassatieberoep en de BOM-controle bijgevolg nog niet was afgerond. Op de zitting van 9 juli 2010 werd de regeling van de rechtspleging geschorst in afwachting van de definitieve behandeling van de verzoeken om bijkomende onderzoekshandelingen. Na uitvoering van het door de andere inverdenkinggestelden ingediende verzoek tot bijkomende onderzoekshandelingen, volgde een nieuwe oproeping voor de regeling van de rechtspleging door de raadkamer op 24 september
  3. Op 23 september 2010 legde de eiser zelf een verzoekschrift neer waarbij aan de onderzoeksrechter gevraagd werd bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten. Op de zitting van 24 september 2010 legde hij een conclusie neer waarbij hij om de schorsing verzocht in toepassing van artikel 127, §3, Wetboek van Strafvordering, gelet op het door hem neergelegde verzoekschrift. Bij beschikking van 29 september 2010 besliste de raadkamer de procedure niet te schorsen, omdat de eiser geen verzoekschrift had neergelegd voor de eerste zitting van 9 juli 2010 en werd de eiser naar de correctionele rechtbank verwezen. De eiser tekende tegen deze beschikking hoger beroep aan, beperkt tot (dat deel van) de beschikking waarbij de raadkamer oordeelde dat de procedure niet moest worden geschorst. Bij arrest van 12 oktober 2010 verklaarde de kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen het hoger beroep deels ontvankelijk, maar ongegrond en werd de beroepen beschikking bevestigd. Dit is het bestreden arrest waartegen de eiser op 13 oktober 2010 cassatieberoep aantekende. Dit cassatieberoep is gericht tegen alle beschikkingen van het bestreden arrest.
  4. De kamer van inbeschuldigingstelling buigt zich in het bestreden arrest eerst over de ontvankelijkheid van het hoger beroep tegen de verwijzingsbeschikking van de raadkamer. Dit hoger beroep was beperkt tot de beslissing van de raadkamer in zoverre zij weigerde de procedure van de regeling van de rechtspleging te schorsen. De kamer van inbeschuldigingstelling verklaart het hoger beroep van de eiser slechts ontvankelijk in de mate dat de eiser de verwijzingsbeschikking onregelmatig achtte wegens de niet-schorsing van de regeling van de rechtspleging in toepassing van artikel 127, §3 Wetboek van Strafvordering, verweer dat de eiser ook had aangevoerd in de schriftelijke conclusie die hij had neergelegd op de zitting van de raadkamer van 24 september 2010 (zie randnummer 1 hiervoor). Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eiser voor het overige niet ontvankelijk. Zoals hiervoor uiteengezet is het cassatieberoep van de eiser een onbeperkt cassatieberoep, dat gericht is tegen alle beschikkingen van het bestreden arrest. In de mate dat de kamer van inbeschuldigingstelling terecht het hoger beroep deels niet ontvankelijk verklaart, is het cassatieberoep evenmin ontvankelijk.
  5. In zijn memorie voert de eiser als enig middel de schending aan van de artikelen 127 en 235ter Wetboek van Strafvordering. De eiser verwijt de kamer van inbeschuldigingstelling onterecht het (gedeeltelijk ontvankelijk) hoger beroep ongegrond te hebben verklaard en de beslissing van de raadkamer te hebben bevestigd om de procedure niet te schorsen in afwachting van de afhandeling van het door hem neergelegd verzoek van 23 september 2010 waarbij de onderzoeksrechter gevraagd werd (alsnog) bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten. De kritiek betreft met name het feit dat over de regeling van de rechtspleging, althans volgens de eiser, niet kon beslist worden vooraleer (definitief) beslist werd over de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, wat in casu niet het geval was bij de eerste zitting van de raadkamer op 9 juli 2010, aangezien het Hof op dat ogenblik nog geen uitspraak had gedaan over de cassatieberoepen van de eiser en van een andere inverdenkinggestelde tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 26 juni 2010, waarbij de aangewende bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie regelmatig werden bevonden. De eiser wijst daarbij in zijn toelichting op het schorsend effect van het niet manifest onontvankelijk cassatieberoep. De eiser besluit dan ook "dat de beslissing waarbij wordt geoordeeld dat een verzoek tot bijkomend onderzoek niet kan leiden tot schorsing van de regeling van de rechtspleging, op grond van de vaststelling dat het verzoek niet was neergelegd voorafgaand aan een eerdere zitting van de raadkamer die had plaatsgevonden vooraleer (definitief) was beslist over de controle van de bijzondere opsporingsmethoden, niet naar recht verantwoord is". In de toelichting preciseert de eiser dat de overweging van het bestreden arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat de raadkamer terecht oordeelde dat aan de vereiste van de controle van de bijzondere opsporingsmethoden door de kamer van inbeschuldigingstelling definitief werd voldaan en dat uit de tekst van de wet niet volgt dat de procedure tot regeling van de rechtspleging niet kan worden opgestart vooraleer een cassatieberoep tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling inzake de BOM-controle werd beëindigd, eveneens niet naar recht verantwoord is.
  6. Het aangevoerde middel leidt tot een tweevoudige vraag: - wat is de precieze draagwijdte van de procedure van artikel 127, §3, Wetboek van Strafvordering, die aan de inverdenkinggestelde en aan de burgerlijke partij de mogelijkheid biedt om binnen de in artikel 127, §2 van het zelfde wetboek bepaalde termijn, de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 61quinquies, Wetboek van Strafvordering, te verzoeken bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten en op welk ogenblik dienen deze partijen van deze mogelijkheid gebruik te maken? - wat is het effect van een hangend cassatieberoep tegen het arrest waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie onderzoekt op de in artikel 127, §3, Wetboek van Strafvordering, bedoelde mogelijkheid om de onderzoeksrechter te verzoeken bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten?
  7. Het antwoord op de eerste vraag lijkt eenvoudig: het volstaat inderdaad te verwijzen naar de vroegere rechtspraak van het Hof. In zijn arrest van 26 september 2007
(1)besliste het Hof immers dat artikel 127, §3, van het Wetboek van Strafvordering aan de partijen die vóór hun verschijning een op artikel 61quinquies van dat wetboek gegrond verzoek hebben ingediend, niet het recht geeft om de regeling van de rechtspleging een tweede maal te schorsen door de onderzoeksrechter opnieuw om bijkomende onderzoeksopdrachten te verzoeken, ook al zijn het andere. Het Hof preciseert dat, afgezien van het geval waarin het openbaar ministerie op grond van de uitslag van die onderzoeksopdrachten zijn vordering wijzigt, het recht om aanvullende onderzoekshandelingen te vragen gedurende de termijn van ten minste vijftien dagen die aan de terechtzitting voor de regeling van de rechtspleging voorafgaat, een recht is dat maar éénmaal mag worden uitgeoefend. Ook vóór de wijziging van artikel 127 Wetboek van Strafvordering door de wet van 31 mei 2005
(2), was de rechtspraak
(3)in die zin gevestigd. Door deze wetswijziging sloot de wetgever zich bij deze rechtspraak aan
(4). Ook in de rechtsleer
(5)is er omtrent dit standpunt van het Hof thans nog weinig
(6)discussie. Deze regel, die wil dat slechts eenmaal toepassing kan gemaakt worden van de procedure van artikel 127, §3, Wetboek van Strafvordering, geldt niet enkel voor de inverdenkinggestelde of de burgerlijke partij die reeds bij de eerste oproeping voor de raadkamer van dit recht om bijkomende onderzoekshandelingen te laten verrichten gebruik heeft gemaakt, maar ook voor een inverdenkinggestelde of burgerlijke partij die, om welke reden ook, behoudens overmacht, verzuimd had van dit recht gebruik te maken bij de eerste oproeping: zij hebben dan niet meer de mogelijkheid om bij de tweede oproeping, na de uitvoering of definitieve weigering van uitvoering van de door een andere partij gevraagde bijkomende onderzoekshandelingen, alsnog een nieuw verzoek tot de onderzoeksrechter te richten. Dat is precies wat in de thans voorliggende de zaak is gebeurd: de eiser heeft bij de eerste oproeping voor de raadkamer met het oog op de regeling van de rechtspleging, in tegenstelling tot andere inverdenkinggestelden, onterecht geoordeeld geen verzoek te kunnen of te moeten richten tot de onderzoeksrechter. Hij kon dit recht niet meer claimen bij de tweede oproeping voor de zitting van 24 september 2010. Het feit dat hij bij de eerste oproeping en op de zitting van de raadkamer een voorbehoud maakte ten aanzien van de mogelijke uitoefening (in een later stadium) van "alle rechten voor de verdediging om desgevallend nog om bijkomend onderzoek te vragen", doet daaraan niet af. Van enige overmacht, die overigens door de eiser niet wordt aangevoerd, kan hier hoegenaamd geen sprake zijn: overmacht kan volgens het Hof alleen voortvloeien uit een gebeurtenis buiten de wil van de mens die hij niet kon voorzien of vermijden
(7). Wat in de thans voorliggende zaak is gebeurd, is net het tegenovergestelde: uit het hiervoor besproken "voorbehoud" van de eiser blijkt zonder enige twijfel dat hij de duidelijke wil had om bij de eerste oproeping geen gebruik te maken van de mogelijkheid voorzien in artikel 127, §3 Wetboek van Strafvordering. Men mag bij dit alles bovendien niet uit het oog verliezen dat de partijen tijdens de (uiteindelijke) procedure van de regeling van de rechtspleging voor de raadkamer nog steeds hun standpunt kunnen uiteenzetten
(8)en om bijkomende onderzoekshandelingen kunnen verzoeken, wat de eiser overigens heeft gedaan, en dat het de raadkamer zal toekomen te oordelen over de daarbij aangeklaagde onvolledigheid van het onderzoek
(9). In de mate dat het middel ervan uitgaat dat de eiser, in de gegeven omstandigheden, de mogelijkheid behield om alsnog zijn recht om de onderzoeksrechter te verzoeken om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten, uit te oefenen, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting en faalt het naar recht. Indien ervan zou worden uitgegaan dat de aangevoerde schending van de door de eiser aangehaalde wetsbepalingen enkel erop gericht is om hem toch nog in staat te stellen om bijkomende onderzoeksverrichtingen te vragen, zou bovenstaand antwoord kunnen volstaan om tot de verwerping van het cassatieberoep te besluiten. 6. Ik wil evenwel ook de tweede vraag, naar de impact van een hangend cassatieberoep tegen het arrest, waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie onderzoekt, op de in artikel 127, §3, Wetboek van Strafvordering, bedoelde mogelijkheid om de onderzoeksrechter te verzoeken bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten, niet uit de weg gaan. Het artikel 235ter Wetboek van Strafvordering voert een afzonderlijke, inquisitoire en niet-tegensprekelijke rechtspleging in waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling enkel de regelmatigheid beoordeelt van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie voor zover ze daartoe het vertrouwelijk dossier, bedoeld in de artikelen 47septies en 47nonies Wetboek van Strafvordering, moet controleren
(10). De bomcontrole in toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering, heeft dus enkel als voorwerp het nazicht door de kamer van inbeschuldigingstelling van het door de wet bedoelde vertrouwelijk dossier om na te gaan of uit de inhoud van dit dossier blijkt dat alle wettelijke voorschriften betreffende de observatie (artt. 47sexies en 47septies Wetboek van Strafvordering) of de infiltratie (artt. 47octies en 47novies Wetboek van Strafvordering) werden gerespecteerd en, bij vergelijking tussen het vertrouwelijk dossier en het strafdossier, of het strafdossier de vereiste vermeldingen inhoudt en, ten slotte, of er geen verschillen merkbaar zijn tussen de gegevens vermeld in het vertrouwelijk dossier en deze die werden opgenomen in het strafdossier. De procedure van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering, die betrekking heeft op een zeer specifieke controle met een eigen voorwerp, houdt geen enkel verband met de opdracht van de raadkamer bij de regeling van de rechtspleging. Deze laatste opdracht houdt onder meer in dat dit onderzoeksgerecht nazicht doet omtrent de regelmatigheid en de volledigheid van het gerechtelijk onderzoek en omtrent het al dan niet bestaan van voldoende bezwaren om de zaak bij het vonnisgerecht aanhangig te maken. De controle door de kamer van inbeschuldigingstelling van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie kan dus geen obstakel zijn voor een inverdenkinggestelde of een burgerlijke partij om gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 127, §3 Wetboek van Strafvordering biedt om, bij de oproeping voor de raadkamer met het oog op de regeling van de rechtspleging, de onderzoeksrechter te verzoeken over te gaan tot het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen. De omstandigheid dat er cassatieberoep werd aangetekend tegen het arrest dat tot de BOM-controle overging is ter zake niet relevant. In de mate dat het middel ervan uitgaat dat het feit dat in het kader van het cassatieberoep tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, waarbij tot de controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie werd overgegaan, nog geen uitspraak werd gedaan door het Hof, de eiser belet om in toepassing van de artikelen 61quinquies en 127, §3, Wetboek van Strafvordering de onderzoeksrechter te verzoeken om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten faalt het eveneens naar recht. Het argument van het schorsend karakter van het cassatieberoep tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 24 juni 2010 snijdt naar mijn oordeel geen hout. Nog afgezien van de vraag welke vorm van tenuitvoerlegging er zou kunnen gegeven worden aan een arrest dat bij de BOM-controle vaststelt dat de observatie en de infiltratie regelmatig zijn verlopen, heeft het Hof in een arrest van 19 april 1994
(11)beslist dat een ontvankelijk cassatieberoep tegen een arrest van het hof van beroep, kamer van inbeschuldigingstelling, tot verwijzing naar de correctionele rechtbank, weliswaar de tenuitvoerlegging van dat arrest schorst tot de ontvangst van het arrest van het Hof van Cassatie, maar dat het (toenmalig) artikel 373 Wetboek van Strafvordering (thans artikel 359, laatste lid van hetzelfde wetboek) niet belet dat het openbaar ministerie binnen de in dit artikel bedoelde schorsingstermijn de rechtsdag bepaalt, noch dat een beslissing tot verwijzing naar een meervoudige kamer wordt genomen. Hier is de situatie de facto dezelfde: de zaak werd wel opgeroepen voor de regeling van de rechtspleging op de zitting van de raadkamer van 9 juli 2010, maar de behandeling werd onmiddellijk geschorst in toepassing van artikel 127, §3, Wetboek van Strafvordering, tot het verzoek om bijkomende onderzoekshandelingen, dat werd ingediend door een aantal andere inverdenkinggestelden, definitief was behandeld. Deze schorsing gold ook ten aanzien van de eiser. Het effect van het eventueel schorsend karakter van het cassatieberoep zou overigens minder ruim geweest zijn dan het schorsend effect van artikel 127, §3 Wetboek van Strafvordering, want het zou enkel gespeeld hebben ten aanzien van de eiser. Het lijkt mij overigens niet relevant te weten welke schorsingsgrond uiteindelijk ertoe geleid heeft dat de zaak pas opnieuw werd opgeroepen op de zitting van de raadkamer van 24 september 2010, op een ogenblik waarop niet alleen de verzoeken tot bijkomende onderzoekshandelingen definitief waren behandeld, maar waarop ook het Hof uitspraak had gedaan over de cassatieberoepen tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 24 juni 2010. Het is deze laatste vaststelling die de kamer van inbeschuldigingstelling ertoe bracht te oordelen dat de raadkamer terecht oordeelde dat aan de vereiste van de controle van de bijzondere opsporingsmethoden door de kamer van inbeschuldigingstelling definitief werd voldaan en dat uit de tekst van de wet niet volgt dat de procedure tot regeling van de rechtspleging niet kan worden opgestart vooraleer een cassatieberoep tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling inzake de BOM-controle werd beëindigd. 7. Het ambtshalve onderzoek levert geen onregelmatigheden op. Conclusie: verwerping van het cassatieberoep _________________
(1)Cass. 26 sept. 2007, AR P.07.0487.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070926.4, A.C., 2007, nr. 436.
(2)B.S., 26 juni 2005.
(3)Cass. 14 nov. 2000, AR P.00.1382.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001114.11, A.C., 2000, nr. 621; 12 feb. 2002, AR p.01.1448.N, A.C., 2002, nr. 98; 13 okt. 2004, AR P.04.1120.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041013.5, A.C., 2004, nr. 480.
(4)Parl. St. Kamer, Memorie van Toelichting, St. 51-1317/005, p. 24; Parl. St. Senaat, 2004-2005, St. 3-1100/2, p. 20).
(5)DECLERCQ, R. "Beginselen van Strafrechtspleging", 2° Editie 2007, p. 311, nr. 587; VANDROMME, S., "Regeling van de rechtspleging - bijkomende problemen met het verzoek tot bijkomende onderzoekshandelingen", NjW, 2002, 161: HUYBRECHTS, L. "Vragen over de werking van artikel 127 Wetboek van Strafvordering", R.W., 1999-2000, p. 1281, nr. 45; HUYBRECHTS, L., "Twee jaar Franchimont", CBR Jaarboek, 2000-2001, p. 147; MASSET, A. "Le nouveau règlement de la procédure (articles 127 et 135 nouveaux C.I.C.): un an après l'application de la réforme Franchimont", P&B/RDJP, 2000, p. 19-21.
(6)Aanvankelijk waren een aantal auteurs een andere mening toegedaan: KLEES, O. en VANDERMEERSCH, D., "La réforme ‘Franchimont' - Commentaire de la loi du 12 mars 1998 relative à l'amélioration de la procédure pénale au stade de l'information et de l'instruction", J.T., 1998, p. 438; BOSLY, H.-D. en VANDERMEERSCH, D., "Droit de la procédure pénale", 1999, p. 456; VERSTRAETEN, R., "Handboek Strafvordering", 1999, p. 430, nr. 1000; DE MEESTER, T. en TRAEST, Ph., "De regeling van de rechtspleging door de onderzoeksgerechten en de zuivering van de nietigheden tijdens het vooronderzoek" in "Het nieuwe strafprocesrecht", 1998, p. 239. Thans lijken zij zich evenwel aan te sluiten bij de zienswijze van het Hof: VERSTRAETEN, R., Handboek Strafvordering, 4de uitgave, 2005, p. 569; BOSLY, H.-D., VANDERMEERSCH, D. en BEERNAERT, M.-A., "Droit de la procédure pénale", 2008, p. 907.
(7)Zie onder meer Cass. 22 maart 2002, AR C.00.0401.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020322.11, A.C., 2002, nr. 193.
(8)DECLERCQ, R. "Beginselen van Strafrechtspleging", 2° Editie 2007, p. 311, nr. 587.
(9)DECLERCQ, R. "Beginselen van Strafrechtspleging", 2° Editie 2007, p. 355, nr. 679.
(10)Cass. 31 okt. 2006, AR P.06.0841.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.2, A.C., 2006, nr. 534; 31 okt. 2006, AR P.06.1016.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.5, A.C., 2006, nr. 535.
(11)Cass. 19 april 1994, AR 6902, A.C., 1994, nr. 186. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101123.6 citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001114.11 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020322.11 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041013.5 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.2 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.5 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070926.4 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100727.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.