← België

ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101203.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 03 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101203.1 Rolnummer: C.09.0459.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-12-15 Raadplegingen: 378 - laatst gezien 2026-07-02 06:41 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101203.1 Fiche 1 Het beginsel van de gelijkheid van de schuldeisers en de artikelen 7 en 8 van de Hypotheekwet wijken noodzakelijkerwijze af van de artikelen 1165, 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek, zodat een niet bij de wet bepaald zakelijk zekerheidsrecht niet aan de schuldeisers in de samenloop kan worden tegengeworpen

(1).
(1)Zie de (strijdige) concl. van het O.M. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - T.a.v. derden UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Samenloop Vrije woorden: Niet bij de wet bepaald zakelijk zekerheidsrecht - Schuldeisers - Samenloop - Tegenwerping Wettelijke bepalingen: Wet - 16-12-1851 - Artt. 7 en 8 oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1134, 1135 en 1165 Fiche 2 Een overeenkomst waarbij een schuldvordering tot zekerheid wordt overgedragen kan ten aanzien van de schuldeisers in de samenloop nooit meer opleveren dan een pandrecht op deze schuldvordering zodat de overnemer van de schuldvordering niet meer rechten kan uitoefenen dan deze waarover een pandhouder beschikt
(1).
(1)Zie de (strijdige) concl. van het O.M. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - T.a.v. derden UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Samenloop Vrije woorden: Overdracht van schuldvordering - Zekerheid - Schuldeisers - Overnemer Wettelijke bepalingen: Wet - 16-12-1851 - Artt. 7 en 8 oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1134, 1135 en 1165 Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal DUBRULLE. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - T.a.v. derden UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Samenloop Vrije woorden: Niet bij de wet bepaald zakelijk zekerheidsrecht - Schuldeisers - Samenloop - Tegenwerping Overdracht van schuldvordering - Zekerheid - Schuldeisers - Overnemer Annotaties Publicaties: Journal des tribunaux [JT] - GREGOIRE, Michèle; Note "La convention avant la lettre" - 2018, n° 6738, p. 594-
  1. Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ C.09.0459.N Schriftelijke conclusie van de heer Advocaat-generaal Dubrulle
  2. Mevrouw B. thans de vijfde verweerster, was de uitbaatster van een varkensmesterij. Zij verkreeg van de N.V. LANDBOUWKREDIET, thans de eerste verweerster, van 1986 tot en met 2002, kredieten, gedekt door "afstand" van lonen, wedden en vergoedingen die haar toekwamen, doch slechts met uitwerking indien ze in gebreke bleef haar kredietverplichtingen na te komen. In mei 2003 diende Mevrouw B. bij het Vlaamse Gewest, de tweede verweerster, een aanvraag van een stopzettingvergoeding in. Zij had recht op 116.368,40 euro. Op 13 juni 2003 liet de N.V. Vanden Avenne - Ooigem, de eiseres, een bewarend beslag leggen in handen van het Vlaams Gewest, debiteur van de stopzettingvergoeding. Mevrouw B. droeg haar schuldvordering ten aanzien van de Vlaamse overheid over aan de N.V. Vanden Avenne - Ooigem op 4 augustus
  3. Op 11 augustus 2003 gaf de N.V. Landbouwkrediet aan de Vlaamse overheid kennis van de overdracht van de schuldvordering en verzocht deze het bedrag van de stopzettingvergoeding aan haar te betalen. Op 28 augustus 2003 antwoordde de Vlaamse overheid dat zij gehouden was door een afgifteverbod. Kredieten werden beëindigd door de N.V. Landbouwkrediet op 5 september
  4. Mevrouw B. werd failliet verklaard op 10 november
  5. Het bedrag van de stopzettingvergoeding werd geconsigneerd. Gelet op de concurrerende aanspraken op de stopzettingvergoeding, dagvaardde de N.V. Landbouwkrediet de Vlaamse Gemeenschap, de curatoren en de gefailleerde B. voor de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Vlaamse Gewest kwam in deze procedure vrijwillig tussen. Zij vorderde de overdracht van schuldvorderingen aan haar door Mevrouw B. en haar echtgenoot in 1986 rechtsgeldig te horen verklaren en tegenstelbaar aan de partijen in geding en haar de stopzettingvergoeding van 116.368,40 euro integraal toe te kennen. Van haar kant vorderde de eiseres dat dit bedrag volledig aan haar zou worden vrijgegeven, aangezien de overdracht ten voordele van de N.V. Landbouwkrediet ongeldig of minstens haar niet tegenstelbaar was, terwijl de overdracht ten voordele van eiseres dit wel was. De curatoren vorderden te horen zeggen dat de kredietovereenkomst van 1986 nietig was, zodat de stopzettingvergoeding aan hen diende te worden vrijgegeven. Het geschil heeft dus betrekking op deze aanspraken op diezelfde stopzettingvergoeding. Het bestreden arrest beslist dat de conventionele overdracht van schuldvordering tot zekerheid van de nakoming door de overdrager, de gefailleerde B. van haar verplichtingen ten aanzien van de overnemer, de N.V. Landbouwkrediet, geldig is en kan worden tegengeworpen in geval van samenloop.
  6. Met het eerste cassatiemiddel betwist de eiseres deze beslissing, op grond dat ze het beginsel van de gelijkheid van de schuldeisers, ingeval van samenloop, waarvan de artikelen 7, 8 en 9 van de Hypotheekwet een toepassing zijn, schendt daar ze een overeenkomst, die een zakelijke zekerheid stelt buiten de wettelijke regels om of die niet bij wet bepaald is, aanvaardt. Dit is het geval bij samenloop zoals in dezen, tussen enerzijds de beslaglegger op en overnemer van deze schuldvordering en de curatoren van het latere faillissement van de overdrager en, anderzijds, een andere overnemer van deze schuldvordering, die deze vordering overnam tot zekerheid van de nakoming van de kredietverbintenis door de gefailleerde.
  7. De derde verweerster, de Vlaamse Gemeenschap, werpt de niet-ontvankelijkheid op van dit middel (en herhaalt deze grond wat het tweede middel betreft). Deze grond moet, m.i., aangenomen worden, zodat de beide middelen, t.a.v. de derde verweerster, niet ontvankelijk moeten verklaard worden. De derde verweerster werpt inderdaad terecht op dat de eiseres geen kritiek heeft op de beslissing dat de vorderingen, in zoverre gericht tegen haar (d.i. dus de Vlaamse Gemeenschap), ongegrond zijn. De eiseres voert geen enkele grief aan tegen de Vlaamse Gemeenschap.
  8. Wat de andere partijen betreft faalt het eerste cassatiemiddel naar recht (in zoverre het, zoals door het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap in hun memorie van antwoord gesteld, niet onontvankelijk is, bij gebrek aan precisering in welk opzicht elke van het groot aantal aangewezen bepalingen geschonden werd en welke mate ze voor de gevoerde kritiek relevant zijn). Artikel 1690 (§ 1 ingevolge art. 26/1° van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen), eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, bepaalt dat de overdracht van schuldvordering kan worden ingeroepen tegen andere derden dan de gecedeerde schuldenaar door het sluiten van de overeenkomst van overdracht. Het bestreden arrest verwerpt de stelling van de eiseres dat de conventionele overdracht van schuldvordering haar toch niet kon tegengeworpen worden. De eiseres verwees hiervoor naar het cassatiearrest van 17 oktober 1996
(1), in de zaak Sart-Tilman., waarin het Hof onder meer overwoog dat het beginsel van de gelijkheid van de schuldeisers en de artikelen 7, 8 en 9 van de Hypotheekwet voorrang hebben op de artikelen 1165, 1134 en 1135 B.W. betreffende het contractenrecht, in geval van samenloop. De appelrechters geven hiervoor de door het middel aangevochten redenen dat het cassatiearrest van 17 oktober 1996 evenwel niet meer actueel is voor de oplossing van het huidig geschil, nu de wetgever met de faillissementswet van 7 augustus 1997 twee belangrijke vernieuwingen heeft ingevoerd met name: - de tegenwerpelijkheid aan de massa van de overeenkomsten afgesloten door de gefailleerde voor het faillissement (artikel 46 Faill. W.); - de tegenwerpelijkheid aan de massa van het eigendomsvoorbehoud (artikel 101 Faill. W.). Alzo aanvaardt de wetgever met deze wijzigingen op ondubbelzinnige wijze dat conventionele waarborgmechanismen kunnen worden tegengeworpen ingeval van samenloop. Dit oordeel is naar recht verantwoord. 5. Reeds in het zgn. Socol-arrest van 28 februari 1985
(2)heeft het Hof zeer duidelijk het beginsel herbevestigd dat iedere zonder bedrog voor het faillissement door de gefailleerde gesloten overeenkomst zich in zijn externe gevolgen opdringt aan zijn schuldeisers. De wettelijke uitzonderingen op deze tegenwerpelijkheid, die particuliere belangen boven deze van de schuldeisers stelt, moeten op beperkende wijze worden uitgelegd
(3). Er was geen reden om de rechtspraak van het Hof van 1996, die aanleiding gaf tot talrijke commentaren, meer bepaald omtrent zijn juiste draagwijdte
(4), te bevestigen. Hij is inderdaad, sedert de voormelde wijziging van de Faillissementswet, achterhaald. Het arrest van 9 maart 2000 stelt dat het beginsel van de gelijkheid van de schuldeisers enkel van dwingend recht is (en niet van openbare orde)
(5). Anderzijds hebben de waarborgmechanismen precies als doel te ontsnappen aan de paritas-regel en werd het principe "pas de sûreté sans texte" te ruim uitgelegd
(6). Zulke mechanismen creëren immers geen voorrecht. Het arrest van 4 april 2003
(7)stelt dat de overdracht in eigendom van een som geld door een schuldenaar ten bate van zijn schuldeiser geen inpandgeving uitmaakt, ook al geschiedt die overdracht tot zekerheid van de schuldeiser. Het arrest van 2 februari 2007
(8), tenslotte, stelt dat gelden die minnelijk gekantonneerd worden, uiteindelijk toekomen hetzij aan de debiteur-solvens, hetzij aan de schuldeiser, naargelang de uitspraak over de rechten van de ene of andere partij en dat samenloop hieraan geen afbreuk doet.
  1. Het bestreden arrest oordeelt dus terecht dat vanaf het sluiten van de overeenkomst van overdracht de schuldvordering verdwenen is uit het vermogen van de cedent. Deze overdracht is derhalve, in het licht van de voormelde rechtspraak, (ook zonder voorafgaande kennisgeving aan de gecedeerde schuldenaar) tegenwerpelijk aan een latere beslaglegger of aan de curator van een later faillissement van de cedent. De omstandigheid dat die overdracht strekt tot zekerheid van een schuldvordering van de cedent wijzigt niets aan de gevolgen van de overdracht. Dit geldt onverminderd de mogelijkheid voor de schuldeisers om de nietigheid te vragen van de overdracht indien de overdracht bedrieglijk is tot stand gekomen. Het beginsel van gelijkheid van de schuldeisers, zoals het toepassing vindt in artikel 8 Hyp.wet, heeft enkel tot doel de toestand van de schuldeisers bij samenloop te beheren en heeft dus enkel betrekking op de verdeling van het gezamenlijk onderpand. Het verbiedt enkel een bijzonder voorrecht te creëren, maar niet een waarborgmechanisme, ander dan een voorrecht, overeen te komen. (...)
  2. Conclusie: verwerping. _______________
(1)Cass. 17 oct. 1996, AR C.94.0421.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961017.7, A.C., 1996, nr. 386, met concl. van advocaat-generaal Piret in Pas., R.W., 1996-1997, 1395, noot M.E. Storme, J.LM.B., 1997, 520, Bank Fin. R., 1997, 117, noot I. Peeters, R.P.S., 1997, 145, noot Th. Bosly.
(2)AR 7188, A.C., 1984-85, 795, R.D.C., 1985, 377, met noot, J. T., 1986, 578, noot Fr. T'Kint, R.W., 1985-1986, 997, noot E.Dirix, "De tegenwerpelijkheid van een tijdelijke handelsvereniging aan derden", R.C.J.B., 1987,571, noot A. Limpens. "Réflexions sur la compensation, l'indivisibilité, la connexité et le privilège dans le cadre de la faillite d'un associé momentané".
(3)A. Zenner & I. Peeters, L'opposabilité des garanties conventionnelles permettant d'échapper au concours, J.T., 2004, 870, nr. 13; E. Drix "Faillissement en lopende overeenkomsten", R.W., 2003-2004, 203, nr. 7.
(4)A. Zenner & I. Peeters, l.c., 882, nr. 21.
(5)AR C.98.0338.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000309.8, A.C., 2000, nr. 164, R.W., 2000-2001, 480, noot A. De Wilde, "De positie van de koper bij faillissement van de verkoper", R.D.C., 2002, 585, noot I. Vervoort, "Ontbinding en faillissement").
(6)A. Zenner & I. Peeters, l.c., 884, nr. 24.
(7)AR C.99.0208.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030404.15, A.C., 2003, nr. 225, met verwijzing naar Cass. 26 juli 1872, Pas. 1872, I, 452.
(8)AR C.05.0367.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070202.1, A.C., 2007, nr. 63, J.T., 2007, noot C. Alter. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101203.1 citeert: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961017.7 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000309.8 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030404.15 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070202.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.