← België

ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101210.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101210.2 Rolnummer: F.09.0027.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2011-01-18 Raadplegingen: 215 - laatst gezien 2026-07-01 14:17 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101210.2 Fiche 1 De belastingplichtige heeft recht op de niet-navordering van het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer mits cumulatieve vervulling van volgende drie voorwaarden:

  1. de niet-heffing van de rechten moet te wijten zijn aan een vergissing die aan een actieve gedraging van de bevoegde autoriteiten zelf is toe te schrijven;
  2. de belastingschuldige moet te goeder trouw hebben gehandeld en met name, ondanks zijn beroepservaring en de door hem te betrachten zorgvuldigheid, de vergissing redelijkerwijze niet heeft kunnen ontdekken, mede gelet op de aard van de vergissing; de aard van de vergissing is ervan afhankelijk hoe ingewikkeld de betrokken regeling is of, andersom, of die regeling voldoende eenvoudig is, en hoelang de autoriteiten aan hun onjuiste zienswijze zijn blijven vasthouden;
  3. de belastingplichtige moet voor zijn douaneaangifte aan alle voorschriften van de geldende regelgeving hebben voldaan, hetgeen impliceert dat hij verplicht is de bevoegde douaneautoriteiten alle in de gemeenschapsregeling en in de in voorkomend geval ter aanvulling of omzetting daarvan vastgestelde nationale regeling bepaalde noodzakelijke inlichtingen te verschaffen voor de gewenste douanebehandeling van de betrokken goederen

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Communautair douanewetboek Vrije woorden: Douane - Recht van niet-navordering Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - Art. 220.2, eerste lid, b Fiche 2 De rechter die moet oordelen over de regelmatigheid en de gegrondheid van een boeking achteraf, moet nagaan of aan de drie door artikel 220.2, eerste lid, b, van het CDW is voldaan
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Communautair douanewetboek Vrije woorden: Douane - Recht van niet-navordering - Boeking achteraf - Regelmatigheid - Toetsing door de rechter - Beoordelingscriteria Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - Art. 220.2, eerste lid, b Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal Thijs. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Communautair douanewetboek Vrije woorden: Douane - Recht van niet-navordering Douane - Recht van niet-navordering - Boeking achteraf - Regelmatigheid - Toetsing door de rechter - Beoordelingscriteria Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ F.09.0027.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS:
  1. In het eerste onderdeel van het eerste middel wordt het bestreden arrest verweten impliciet doch zeker te hebben beslist dat verweerder, gelet op het legaliteitsbeginsel, de wettelijke verplichting heeft in alle omstandigheden over te gaan tot invordering van de niet geheven rechten, ongeacht de concrete omstandigheden die overeenkomstig artikel 220.2, eerste lid, b CDW aanleiding kunnen geven tot niet-heffing van rechten (schending van deze bepaling). Volgens het eerste onderdeel kon het bestreden arrest niet wettig beslissen dat het feit dat de ambtenaren zich aanvankelijk en bij herhaling hadden vergist nopens de toepasselijke tariefcode, niet kon beletten dat verweerder de mogelijkheid en zelf de plicht heeft om de rechten te innen die krachtens de fiscale wet zijn verschuldigd. Het bestreden arrest wordt in dat verband het verwijt gemaakt niet te hebben onderzocht of de voorwaarden waren vervuld opdat eerste eiseres, overeenkomstig artikel 220.2, eerste lid, b CDW, een recht op niet-navordering kon laten gelden (schending van deze bepaling). Door na te laten de concrete draagwijdte van de gedragslijn van de administratie te onderzoeken, zouden de appelrechters tenslotte ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het algemeen rechtsbeginsel betreffende het recht op rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel, geschonden hebben.
  2. Wanneer het wettelijk verschuldigd bedrag aan rechten niet was geboekt ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangiften heeft voldaan, heeft de belastingschuldige, op grond van artikel 220.2, eerste lid, b CDW, in beginsel, een recht op niet-heffing van de verschuldigde rechten. Of die voorwaarden zijn vervuld, moet worden beoordeeld in het licht van het doel van deze bepaling, die de bescherming beoogt van het gewettigd vertrouwen van de belastingschuldige in de juistheid van alle factoren die een rol spelen bij het besluit om al dan niet tot navordering van douanerechten over te gaan (zie HvJ, 18 oktober 2007, Agrover, C-173/06, punt 31; HvJ, 14 november 2002, zaak C-251/00, punt 39; HvJ, 14 mei 1996, Faroe Seafood e.a., C-153/94 en C-204/94, punt 87; HvJ, 27 juni 1991, Mecanarte, C-348/89, punt 19). De vereiste van het "gewettigd vertrouwen" houdt in dat "de burger in redelijkheid moest kunnen aannemen dat het bestuurlijk optreden tot het door de verwachtingen gewekte resultaat zou leiden. Indien de normaal voorzichtige en oplettende burger had moeten weten dat de gewekte verwachtingen niet zouden kunnen of mogen worden gehonoreerd, zal hij zich niet op het vertrouwensbeginsel kunnen beroepen" (D'HOOGHE, D., "Bestuurlijke vrijheid geklemd tussen de beginselen inzake rechtszekerheid, wettigheid en veranderlijkheid", R.W., 1993-94, 1095, nr. 95).
  3. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie
(1)heeft de belastingplichtige recht op de niet-navordering van het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer mits cumulatieve vervulling van navolgende drie voorwaarden: - de niet-heffing van de rechten moet te wijten zijn aan een vergissing van de bevoegde autoriteiten; - de belastingschuldige moet te goeder trouw hebben gehandeld en met name, ondanks zijn beroepservaring en de door hem te betrachten zorgvuldigheid, de vergissing redelijkerwijze niet hebben kunnen ontdekken; - de belastingschuldige moet voor zijn douaneaangifte aan alle voorschriften van de geldende regelgeving hebben voldaan. Het Hof van Justitie van de E.G. heeft verscheidene malen geoordeeld dat het gewettigd vertrouwen van de belastingschuldige de in artikel 5, lid 2, van Verordening nr. 169/79 (of in artikel artikel 220.2, eerste lid, b CDW) voorziene bescherming slechts kan genieten, indien het de bevoegde autoriteiten "zelf" zijn die de grondslag hebben gecreëerd waarop het gewettigd vertrouwen van de belastingschuldige berustte. Hieruit volgt dat enkel de vergissingen die aan een actieve gedraging van de bevoegde autoriteiten zijn toe te schrijven, in aanmerking kunnen komen voor niet-navordering omdat in dergelijke gevallen de bevoegde overheden een rechtmatig vertrouwen hebben gewekt (Cass. 12 november 2009, AR F.07.0098.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091112.11, www.cass.be). Ik kan voorts verwijzen naar mijn gepubliceerde conclusie bij dit arrest van Uw Hof van 12 november 2009 waarin ik de gelegenheid kreeg nader te concluderen over de omstandigheden waarin vergissingen die aan een actieve gedraging van de bevoegde douaneautoriteiten zelf te wijten zijn, recht kunnen geven op niet-navordering in de zin van artikel 220.2, eerste lid, b), van het CDW.
  1. Onderhavige casus vertoont veel gelijkenis met de zaak F.07.0059.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090226.2 waarin Uw Hof bij arrest van 26 februari 2009 uitspraak heeft gedaan. Uw Hof verwierp in die het cassatieberoep gericht tegen een beslissing die afwijzend beschikte op de rechtsvordering van de Belgische Staat, die ertoe strekte de verweersters te doen veroordelen tot betaling achteraf van invoerrechten, op grond van artikel 220.1 van het Communautair Douanewetboek. Het bestreden arrest oordeelde dat de voorwaarden van artikel 220.2 CDW waren vervuld en dat er dus geen navordering kon gebeuren. Het ging in die zaak meer bepaald over volgende feiten: het voedingsproduct, rijstpapier genaamd, was ingevoerd onder GN-postonderverdeling 1902 3010 en op basis hiervan werden de rechten geïnd. Reeds bij de aanvang van de importen op 13 december 1993 had de Belgische douane stalen genomen. Het PV waarin staat dat het rijstpapier onder de post 1905 9020 had moeten worden aangegeven en op grond waarvan het litigieuze bedrag voor de importen van september 1994 tot januari 1995 werd ingevorderd, dagtekent pas van 27 maart
  2. Discussie bestond omtrent de betekenis van de term "vergissing van de douaneautoriteiten" in de zin van art. 220 CDW. Uw Hof verwijst in het arrest van 26 februari 2009 naar het arrest van 1 april 1993 van het Hof van Justitie (C-250/91, Societe Hewlett Packard France) volgens hetwelk "er sprake is van een vergissing van de bevoegde autoriteiten" in de zin van artikel 5.2 van verordening nr. 1697/79 van 24 juli 1979', wanneer die autoriteiten, ondanks het aantal en de omvang van de door de belastingschuldige verrichte importen, geen bezwaar hebben gemaakt tegen de tariefindeling van de betrokken goederen, ofschoon een vergelijking van de aangegeven tariefpost met de uitdrukkelijke omschrijving van de goederen volgens de specificaties van de nomenclatuur de verkeerde tariefindeling aan het licht zou hebben gebracht. Het Hof oordeelt op grond daarvan dat het onderdeel dat betoogt dat van een vergissing van de bevoegde autoriteiten enkel sprake kan zijn wanneer de autoriteiten actief de belastingschuldige misleiden omtrent de op de goederen toepasselijke tariefpost, faalt naar recht. De beslissing van de appelrechters dat terzake aan de drie voorwaarden van art. 220.2, eerste lid, b, CDW, is voldaan en dat de invoerders dus recht hebben op niet navordering van de rechten, blijft aldus overeind.
  3. Het arrest van Uw Hof van 26 februari 2009 impliceert dat de systematische vergissingen van de ambtenaren betreffende de toepasselijke tariefcode, zouden kunnen worden aangezien als een `vergissing van de douaneautoriteiten' in de zin van art. 220.2, eerste lid, b) CDW. Er zou dan echter ook nog dienen te worden onderzocht of ook aan de tweede en derde voorwaarde van art. 220.2, eerste lid, b) CDW is voldaan om van de niet navordering van de invoerrechten te kunnen genieten. Een herhaalde vergissing van de douaneautoriteiten werd door het Hof van Justitie in het arrest "Deutsche Fernsprecher"
(2)aangemerkt als een aanwijzing dat het op te lossen probleem ingewikkeld was. In dat geval kreeg de ondernemer twee keer een bevestiging van de douaneautoriteiten dat de in feite onjuiste opvatting, de juiste was. In het arrest "Belovo"
(3)kwam de herhaalde vergissing ook aan de orde. Het Hof van Justitie oordeelde dat "in een geval als het onderhavige waarin de ondernemer gespreid over een lange periode [bijna 10 maanden] negen maal een certificaat ontving, dat telkens de juistheid bevestigde van een opvatting die naderhand verkeerd bleek en die ten grondslag lag aan de betwiste betalingen, vormt de herhaalde vergissing van de bevoegde instanties een aanwijzing dat het op te lossen probleem ingewikkeld was [...] en dat de ondernemer niet onzorgvuldig is geweest." Zie ook r.o. 33 van de conclusie van AG V. Trstenjak in de zaak C-173/06
(4)en r.o 36 van het arrest van het Hof van Justitie van 19.10.2000, Sommer, C-15/99.
(5)
  1. Ook in huidige zaak hadden de eisers aangevoerd dat zij recht hebben op niet-navordering van de rechten op grond van artikel 220.2, eerste lid, b), CDW (p. 9 van besluiten van 24.301998 voor de eerste rechter en p. 5 van beroepsconclusies van 9.3.2005). Terzake waren de goederen immers ingevoerd, na overleg met de douaneautoriteiten, onder GN-postonderverdeling 1902
  2. De verificateur te Menen die de goederen controleerde was het eens met de omschrijving van die goederen. De inklaringen gebeurden zonder opmerkingen; de invoerrechten en de BTW werden geïnd overeenkomstig de aangiften van de eerste eiseres. De kwestieuze import verliep over een periode van juni 1994 tot juni
  3. De navordering, omdat de goederen eigenlijk onder de post 1905 9020 dienden te worden ingevoerd (en er dus meer rechten dienden te zijn betaald) dateerde van drie jaar later (boeking op 18.4.1997 en kennisgeving op 5.5.1997).
  4. Het bestreden arrest stelt in casu als principe voorop dat het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel moet wijken voor het legaliteitsbeginsel en beslist vanuit die optiek dat "het feit dat de ambtenaren zich aanvankelijk en bij herhaling vergisten, [door zelfs na visuele controle, de kwalificatie van de aangifte (codenr. 1902) op het moment van de invoer telkens aanvaard te hebben] [niet] belet dat de [verweerder] de mogelijkheid en zelfs de plicht heeft om de rechten te innen die krachtens de fiscale wet (wet van openbare orde) verschuldigd zijn". Door zodoende te oordelen dat de eerste eiseres geen aanspraak kan maken op niet-navordering van de invoerrechten, zonder na te gaan of de voorwaarden van artikel 220.2, eerste lid, b), van het Communautair Douanewetboek, al dan niet vervuld waren, schendt de appelrechter deze bepaling. Het onderdeel komt dan ook gegrond voor terwijl de onder het tweede onderdeel van het eerste middel en de onder het tweede middel aangevoerde grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden. (...) Besluit: VERNIETIGING. _______________
(1)H.v.J. E.G., 27 juni 1991, C-348/89, Mecanarte, Jurispr., 1991, p. I-3299, r.o. 12; H.v.J. E.G., 14 mei 1996, C-153/94 en C-204/94, Faroe Seafood, Jrispr., 1996, p. I-2509, r.o. 83; Ger. E.G., 9 juni 1998,, T-10/97 en T-11/97, Unifrigo Gadus, Jurispr., 1998, p. II-2234, r.o. 65; H.v.J. E.G., 7 september 1999, C-61/98, De Haan Beheer BV, nog niet gepubliceerd in Jurispr., r.o. 39-40; H.v.J. E.G., 19 oktober 2000, C-15/99, Hans Sommer, nog niet gepubliceerd in Jurispr., r.o. 35; H.v.J. E.G., 18 oktober 2007, Agrover, C-173/06, r.o. 30.
(2)H.v.J. 26 juni 1990, Deutsche Fernsprecher, C-64/89, Jur. EG, I-2535, r.o. 20.
(3)H.v.J. 16 juli 1992, Belovo, C-187/91, Jur. EG, I-4937, r.o. 18.
(4)"Artikel 220, lid 2, sub b, CDW heeft uitdrukkelijk betrekking op het geval dat "het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt, ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten", dat wil zeggen dat de autoriteiten een eerste besluit nemen ten aanzien van het bedrag van de douanerechten, maar daarna van gedachte veranderen en menen dat het bedrag aan rechten verkeerd was ingeschat."
(5)"In de eerste plaats moet inning van de rechten achterwege zijn gebleven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten [...]. In dit verband wijst de verwijzende rechter in de derde vraag uitdrukkelijk op de omstandigheid, dat de betrokken autoriteiten bij een controle ter plaatse van importen in een eerder tijdvak voor gelijksoortige transacties geen bezwaar hebben gemaakt tegen de niet-opneming van de forfaitaire kosten in de douanewaarde." Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101210.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090226.2 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091112.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.