id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 december 2010
Art. 92
Fiche 2 Indien het hoger beroep niet dilatoir is, kan de aangevoerde omstandigheid dat de rechten van de schatkist in gevaar zijn of kunnen zijn, het opgelegde verzoek tot consignatie niet verantwoorden
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Vervolging en gedingen - voorrechten Schatkist (B.T.W.) Vrije woorden: Dwangbevel - Verzet - Afgewezen - Hoger beroep - Niet dilatoir - Verzoek tot consignatie - Verantwoording Wettelijke bepalingen: Wetboek van de belasting over de
Art. 92
Fiche 3 Artikel 92 van het BTW-Wetboek legt aan het bevoegde bestuur de verplichting op rekening te houden met de concrete gegevens van elke zaak, met inbegrip van de financiële toestand van de belastingplichtige die een voldoende draagkracht moet hebben om het bedrag te kunnen consigneren
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Vervolging en gedingen - voorrechten Schatkist (B.T.W.) Vrije woorden: Dwangbevel - Verzet - Afgewezen - Hoger beroep - Geldigheidsvoorwaarden - Belastingplichtige - Verplichting tot consignatie - Verplichting opgelegd aan het bestuur Wettelijke bepalingen: Wetboek van de belasting over de
Art. 92Fiches 4 - 6 Conclusie van advocaat-generaal Thijs.
Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Vervolging en gedingen - voorrechten Schatkist (B.T.W.) Vrije woorden: Dwangbevel - Verzet - Afgewezen - Hoger beroep - Geldigheidsvoorwaarden - Verplichting tot consignatie - Finaliteit Dwangbevel - Verzet - Afgewezen - Hoger beroep - Niet dilatoir - Verzoek tot consignatie - Verantwoording Dwangbevel - Verzet - Afgewezen - Hoger beroep - Geldigheidsvoorwaarden - Belastingplichtige - Verplichting tot consignatie - Verplichting opgelegd aan het bestuur Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ F.09.0100.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: I. De feiten en procedurevoorgaanden
- De eiseres is BTW-plichtige voor haar economische activiteit van fabricage en verkoop van machines voor hout- en plasticbewerking. Op 9 mei en 2 oktober 1996 controleerden ambtenaren van de B.T.W.-administratie de boekhouding van de eiseres voor de jaren 1993 tot en met
- Op 1 december 1997 werd door de BTW-administratie (thans verweerster) proces-verbaal opgemaakt. Vermits de eiseres de verkoopcontracten met betrekking tot de voornoemde jaren niet kon voorleggen, legde de verweerster op grond van artikel 70, §4 BTW-wetboek de eiseres een boete op van 100.000 BEF. De Gewestelijke Directeur van de B.B.I. te Gent legde vervolgens een ambtelijke aanslag op voor het vermoedelijk bedrag van de handelingen die door de eiseres gedurende de jaren 1993 tot 1996 werden verricht. De voorafgaande kennisgeving van de ambtelijke aanslag gebeurde bij aangetekend schrijven van 1 december
- In deze kennisgeving werd gemeld dat het bedrag van de verschuldigde belasting 22.406.948 BEF bedroeg en dat een boete werd opgelegd van tweemaal het bedrag van de verschuldigde belasting (afgerond 44.813.000 BEF). Op 27 december 1997 deelde de gevolmachtigde accountant mee dat de eiseres onmogelijk akkoord kon gaan met de voorgestelde ambtelijke aanslag. Dit schrijven bevatte evenwel geen elementen die het standpunt van de verweerster konden doen wijzigen. De beslissing tot vestiging van de ambtelijke aanslag werd aan de eiseres betekend op 21 januari
- Op 27 januari 1998 vaardigt de verweerster ten laste van de eiseres een dwangbevel uit wegens niet-betaling. De eiseres tekent bij de rechtbank van eerste aanleg verzet aan tegen dit dwangbevel. Bij vonnis van 19 mei 2003 wordt het verzet grotendeels ongegrond verklaard. Enkel de proportionele geldboete wordt herleid naar 50 procent (11.203.474 BEF). De eiseres tekent op 2 juli 2003 hoger beroep aan tegen dit vonnis door de neerlegging van een verzoekschrift op tegenspraak. Bij aangetekend schrijven van 11 mei 2004 wordt de eiseres door de bevoegde rekenplichtige verzocht om, bij toepassing van artikel 92, tweede lid, BTW-wetboek in de versie voor de vervanging bij artikel 61 van de wet van 15 maart 1999, over te gaan tot de consignatie van de sommen verschuldigd ingevolge het vonnis van 19 mei
- Aan de eiseres wordt gevraagd om een totaal bedrag van 1.349.430,20 EUR te consigneren. Het verzoekschrift tot consignatie wordt als volgt gemotiveerd: "Het verzoekschrift tot hoger beroep brengt geen enkel argument naar voor waarover de eerste rechter niet reeds heeft beschikt. Ook de vraag tot uitstel van de zaak tot er een uitspraak in de strafzaak zou zijn gebeurd, werd voldoende weerlegd door de eerste rechter. In deze strafzaak heeft de correctionele rechtbank van Kortrijk trouwens op 28 oktober 2003 een uitspraak gedaan. De feiten ten overstaan van alle betichten werden grotendeels bewezen verklaard. Het door u ingestelde hoger beroep in het algemeen heeft dan ook een dilatoir karakter. Gezien de rechten van de Schatkist in gevaar kunnen komen ingevolge uw handelswijze, gelet op de grootte van de globale schuld van BTW en daar u geen onroerende goederen bezit als waarborg, en gelet op het voorgaande zie ik mij genoodzaakt de belangen van de Schatkist te vrijwaren. Deze rechten van de Schatkist kunnen aldus op geen enkele andere manier en in dezelfde mate veilig gesteld worden dan door de toepassing van artikel 92 van het BTW-wetboek." De eiseres tekent verzet aan tegen dit verzoek bij aangetekend schrijven van 25 mei
- II. Het bestreden arrest
- De appelrechters onderzoeken in toepassing van artikel 159 van de Grondwet de wettigheid van de beslissing van de ontvanger waarbij de voorafgaande consignatie wordt opgelegd. Zij oordelen dat artikel 92, tweede lid, van het BTW-wetboek er niet alleen toe strekt de rechten van de Schatkist veilig te stellen tegen dilatoire beroepen, maar ook beoogt deze rechten veilig te stellen wanneer de rechten van de Schatkist in gevaar zijn of kunnen zijn. Volgens de appelrechters kon de administratie noch uit de vaststelling dat in hoger beroep geen nieuwe argumenten werden aangevoerd, noch uit het resultaat van de strafzaak, wettig afleiden dat het hoger beroep een dilatoir karakter had. De appelrechters laten het consignatieverzoek echter niet buiten toepassing. Zij merken op dat in het verzoek om consignatie ook wordt gesteld dat de rechten van de Schatkist in gevaar zijn omwille van de grootte van de BTW-schuld en het feit dat de eiseres geen onroerende goederen bezit. Vermits de eiseres bevestigt dat zij geen onroerende goederen bezit, wordt door het bestreden arrest aangenomen dat deze omstandigheden inderdaad van aard zijn te doen vrezen dat de rechten van de Schatkist in gevaar zijn. Daarenboven wordt opgemerkt dat de eiseres door haar handelswijze aan de administratie geen enkele waarborg verschaft die toelaat dat laatstgenoemde de schuld zal kunnen innen indien het verhaal geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, terwijl het niet uitgesloten is dat de eiseres over de middelen beschikt om de schuld te voldoen. Vermits er reden was om te vrezen voor de rechten van de Schatkist werd het verzoek tot consignatie volgens de appelrechters afdoende gemotiveerd.
- De grief van de eiseres dat het verzoek tot consignatie strijdig is met artikel 6 EVRM wordt verworpen om reden dat niet vaststaat dat dit verzoek de eiseres verhinderde om het door haar gewenste proces in hoger beroep te voeren. De appelrechters oordelen dat niet blijkt dat de eiseres niet over de financiële middelen beschikte om aan de administratie de nodige waarborgen van betaling van de schuld te verschaffen en dat zij hierdoor het recht op een eerlijk proces werd ontzegd. De enkele bewering van de eiseres omtrent haar gebrek aan financiële middelen is volgens het bestreden arrest ontoereikend om zulks aan te nemen. III. De voorziening in cassatie.
- In het eerste onderdeel van het enig middel tot cassatie voert de eiseres aan dat artikel 92, tweede lid, BTW-wetboek werd ingesteld teneinde de rechten van de Schatkist tegen dilatoire beroepen veilig te stellen. Een dergelijk verzoek tot consignatie, dat een belemmering vormt voor de vrije toegang tot het gerecht, moet gedragen worden door de concrete gegevens van de zaak, met inbegrip van de financiële toestand van de belastingplichtige. Uit de gedane vaststellingen van de appelrechters (het feit dat de eiseres geen onroerende goederen bezit en het feit dat de eiseres niet aantoont over onvoldoende financiële middelen te beschikken) blijkt volgens de eiser geenszins dat haar financiële toestand van dien aard was dat zij wel degelijk aan de consignatieverplichting kon voldoen. Op grond van de gedane vaststellingen konden de appelrechters niet wettig besluiten tot de rechtmatigheid van het verzoek tot consignatie en tot afwezigheid van machtsafwending of machtsoverschrijding (schending van artikel 92, tweede lid BTW-wetboek, zoals van toepassing voor de wijziging bij wet van 15 maart 1999 en van de artikelen 20,21, 602, 1050, 1057, 7° en 1072bis van het Gerechtelijk Wetboek). In ieder geval konden de appelrechters volgens eiseres niet wettig oordelen dat het verzoek tot consignatie wettig was gemotiveerd (schending van artikel 3 Wet Motivering Bestuurshandelingen), deze individuele rechtshandeling toepassen (schending van artikel 159 Grondwet) en derhalve het hoger beroep onontvankelijk verklaren (schending van artikel 92, tweede lid BTW-wetboek).
- Artikel 92, tweede lid, BTW-wetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging bij de wet van 15 maart 1999
(1), luidt als volgt: "Wanneer het verzet tegen het dwangbevel is afgewezen, kan tegen de rechterlijke beslissing niet op geldige wijze enig rechtsmiddel worden aangewend indien het bedrag van de verschuldigde sommen niet in consignatie is gegeven binnen twee maanden na het verzoek dat de bevoegde ambtenaar bij aangetekende brief tot de belastingschuldige richt". De termijn van twee maanden is een vervaltermijn, die op straffe van nietigheid is voorgeschreven. Bij gebrek aan consignatie of in geval van laattijdige consignatie is het hoger beroep van de belastingschuldige derhalve niet-ontvankelijk.
(2)Door de invoering van artikel 92 BTW-wetboek wilde de wetgever vermijden dat de betaling van de verschuldigde belasting wordt verdaagd of uitgesteld door vertragingspogingen van de belastingplichtige.
(3)Deze wetsbepaling biedt de mogelijkheid om een dam op te werpen tegen manifest ongegronde of dilatoire hogere beroepen die enkel de bedoeling hebben de betaling van de verschuldigde sommen uit te stellen.
(4)Ook in het arrest van uw Hof van 3 januari 2003 wordt de ratio legis van artikel 92, tweede lid, BTW-wetboek op die manier omschreven: "deze beperking van het recht op hoger beroep strekt ertoe het instellen van dilatoire rechtsmiddelen tegen te gaan". In hetzelfde arrest oordeelde uw Hof dat de bevoegdheid van de BTW-ontvanger om consignatie te vragen een discretionaire bevoegdheid is. De bevoegde ontvanger is derhalve niet in elk geval verplicht om de consignatie te vragen maar moet rekening houden met de concrete situatie van de belastingplichtige. De beslissing waarmee de ontvanger de consignatie vraagt, dient volgens een arrest van het Grondwettelijk Hof gesteund te zijn op objectieve en noodzakelijkerwijs controleerbare gegevens van een administratief dossier waaruit kan worden opgemaakt dat de genomen maatregel redelijkerwijze verantwoord is, rekening houdend met de doelstelling van de wetgever.
(5)Indien de beslissing genomen zou zijn zonder te zijn gedragen door de gegevens van de zaak, zou die beslissing na onderzoek door de rechter overeenkomstig artikel 107 (thans artikel 159) van de Grondwet als niet toepasbaar moeten worden beschouwd. In dat geval vormt zij niet langer een beletsel voor de behandeling voor de beroepsrechter.
(6)In het arrest van uw Hof van 3 januari 2003 wordt dit kernachtig als volgt verwoord: artikel 92, tweede lid, van het BTW-wetboek legt aan het bevoegde bestuur op rekening te houden met de concrete gegevens van elke zaak, met inbegrip van de financiële toestand van de belastingplichtige. In mijn conclusie bij dit arrest benadrukte ik dat de ontvanger precies omwille van de discretionaire aard van zijn bevoegdheid slechts om consignatie mag verzoeken wanneer hij redenen heeft om aan te nemen dat de belastingplichtige door middel van een dilatoir hoger beroep probeert de zaak te rekken om de betaling van de gevorderde bedragen uit te stellen.
(7)7. Sinds de inwerkingtreding van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen volstaat het niet langer dat de motieven van de vraag tot consignatie blijken uit het administratief dossier. De ontvanger moet er zorg voor dragen dat de beslissing om de consignatie te vragen op grond van de Wet Motivering Bestuurshandelingen uitdrukkelijk en afdoende gemotiveerd is. De ontvanger kan slechts een procespartij verplichten om te consigneren indien in concreto wordt aangetoond dat de belastingplichtige een dilatoir hoger beroep instelt met de bedoeling om de betaling van de verschuldigde sommen uit te stellen. De redenen die de ontvanger nopen tot het opleggen van de consignatie moeten worden opgenomen in de beslissing waarbij de consignatie wordt gevraagd.
(8)Daarnaast is vereist dat de juridische en feitelijke overwegingen die aan deze bestuurshandeling ten gronde liggen op een afdoende manier worden vermeld (artikel 3 Wet Motivering Bestuurshandelingen). Dit betekent dat de motivering juist, pertinent en voldoende precies moet zijn. De aangehaalde motieven moeten alleszins volstaan om de beslissing te dragen. Indien een beslissing wordt genomen op grond van een discretionaire bevoegdheid moet de motivering uitgebreider zijn.
(9)Een niet of onvoldoende gemotiveerde beslissing is onwettig. In dat geval kan de appelrechter de beslissing waarbij de consignatie wordt opgelegd, niet toepassen en zal het uitblijven van de consignatie geen grond van niet-ontvankelijkheid uitmaken.
(10)8. Zowel de rechtspraak als de rechtsleer hebben specifiek aandacht besteed aan de situatie van de belastingplichtige die niet over de nodige financiële middelen beschikt om het gevraagde bedrag te consigneren.
(11)De beperking om hoger beroep in te stellen die volgt uit de consignatieverplichting is niet kennelijk onevenredig met het nagestreefde doel, namelijk de rechten van de Schatkist vrijwaren, op voorwaarde dat de ontvanger de mogelijkheid heeft om voor elk concreet geval na te gaan of, rekening houdend met de gegevens van de zaak zoals de financiële toestand van de belastingplichtige, de consignatie al dan niet aangewezen is. VAN ORSHOVEN werkte deze redenering verder uit. Hij acht het weinig waarschijnlijk dat een belastingplichtige die niet kan betalen hoger beroep instelt om louter dilatoire redenen d.w.z. om uitstel van betaling af te dwingen of om in afwachting van de uitspraak over zijn beroep zijn insolvabiliteit te organiseren (vermits hij reeds insolvabel is). Indien de belastingplichtige insolvabel is, kan de ontvanger de vraag tot consignatie bijgevolg niet voldoende naar recht motiveren.
(12)9. Uit het arrest van het EHRM d.d. 25 september 2007 in de zaak Loncke tegen België volgt dat een verzoek tot consignatie strijdig kan zijn met artikel 6.1 EVRM.
(13)In de regel kan een belastingplichtige geen beroep doen op deze verdragsbepaling. Indien hij echter gesanctioneerd wordt door een administratieve geldboete met een penaal karakter, is het recht op toegang tot de rechter, dat vervat ligt in artikel 6.1 EVRM, wel van toepassing. In de zaak Loncke werd de belastingplichtige geconfronteerd met een uitzonderlijk hoog bedrag dat moest worden geconsigneerd. Zijn financiële toestand maakte het hem niet mogelijk om hieraan gevolg te geven. In dit arrest stelt het EHRM vast dat zowel de fiscus als de appelrechters op de hoogte waren van de onmogelijkheid voor de belastingplichtige om het gevraagde bedrag te consigneren.
(14)De opgelegde consignatie heeft dan een excessief karakter en kan niet worden verantwoord door de omstandigheid dat de belastingplichtige in gebreke blijft aan te tonen dat hij niet bij machte is om gevolg te geven aan het verzoek tot consignatie. Het EHRM oordeelde, rekening houdend met de concrete omstandigheden, dat de beslissing tot de onontvankelijkheid van het hoger beroep wegens gebrek aan consignatie, een onredelijke en disproportionele maatregel was ten aanzien van de bescherming van de rechten van de Schatkist. Het recht op toegang tot de appelrechter werd bijgevolg geschonden. 10. Mede in het licht van die Straatsburgse jurisprudentie kan niet genoeg benadrukt worden dat de ontvanger de belastingplichtige slechts kan verplichten om te consigneren indien in concreto wordt aangetoond dat de belastingplichtige een dilatoir hoger beroep instelt met de bedoeling om de betaling van de verschuldigde sommen uit te stellen. De ontvanger mag de impact van artikel 6 EVRM niet uit het oog verliezen: indien van de belastingplichtige een bedrag wordt gevraagd dat hij onmogelijk kan consigneren, wordt een kennelijk onredelijke maatregel opgelegd die het recht op toegang tot de appelrechter te verregaand beperkt. De ontvanger moet bijgevolg steeds op zorgvuldige wijze een onderzoek doen naar de financiële mogelijkheden van de belastingplichtige en hij moet het resultaat ervan opnemen in de motieven van het verzoek tot consignatie. Indien de consignatie van de verschuldigde belasting en van de opgelegde boete niet in redelijkheid haalbaar is voor de belastingplichtige, verzet artikel 6 EVRM zich ertegen dat de consignatie wordt opgelegd.
(15)Het lijkt mij dan ook essentieel dat het verzoek tot consignatie moet gemotiveerd worden wat de financiële mogelijkheden van de belastingplichtige betreft.
- In het verzoek tot consignatie steunde de BTW-ontvanger zich in casu op de volgende elementen: - het verzoekschrift tot hoger beroep brengt geen enkel argument naar voor waarover de eerste rechter niet heeft beslist; - de vraag tot uitstel van de zaak tot er een uitspraak is in de strafzaak werd voldoende weerlegd door de eerste rechter; - het feit dat de correctionele rechtbank uitspraak had gedaan op 28 oktober 2003; - de omstandigheid dat de eiseres geen onroerende goederen bezit; Terecht is de eiseres van oordeel dat deze elementen niet van aard zijn om het verzoek tot consignatie te verantwoorden. Het loutere feit dat de eiseres (de belastingplichtige) geen nieuwe argumenten aanvoert, toont op zich niet aan dat zij enkel om dilatoire redenen hoger beroep instelt. Van een dilatoir hoger beroep is immers enkel sprake indien de grieven in hoger beroep niet tot een ernstige betwisting aanleiding kunnen geven. Ook de omstandigheid dat de vraag tot uitstel van de zaak omwille van het bestaan van een gelijklopend strafproces voldoende werd weerlegd door de eerste rechter en de uitspraak van de strafrechter tonen volgens de appelrechters niet aan dat er sprake is van een dilatoir hoger beroep. De appelrechters komen tot dit tussenbesluit, maar trekken hieruit niet de enig juiste eindconclusie nl. dat het verzoek tot consignatie onrechtmatig is omdat het hoger beroep niet dilatoir voorkomt.
- De appelrechters houden in hun beslissing ook geen rekening met het arrest van het EHRM in de zaak Loncke. De ontvanger die de financiële mogelijkheden van de belastingplichtige onvoldoende heeft onderzocht en ervan uitgaat dat de rechten van de Schatkist in gevaar zijn omwille van de grootte van de BTW-schuld en om reden dat de eiseres geen onroerende goederen bezit, heeft het consignatieverzoek niet afdoende en wettig gemotiveerd. Het bestreden arrest oordeelt nochtans dat "het verzoek tot consignatie afdoende gemotiveerd was". De onder het eerste onderdeel aangevoerde schending van artikel 3 van de Wet Motivering Bestuurshandelingen komt mij dan ook gegrond voor. Zulks is des te pertinenter nu de Belgische Staat in conclusies voor het hof van beroep er zelf van uitging dat "de mogelijkheden van appellante tot effectieve betaling van de openstaande schuld beperkt zijn" en elders stelde dat "de verweerder tevens aanvoert dat de eiseres in haar besluiten zelf toegeeft dat zij het bedrag van de BTW-schuld niet kan betalen". De Belgische Staat gaf aldus zelf aan te maken te hebben met een belastingplichtige die niet over de financiële mogelijkheden beschikte om te voldoen aan het verzoek tot consignatie.
(16)Besluit: VERNIETIGING. ________________
(1)De nieuwe versie van artikel 92 BTW-wetboek vindt slechts toepassing op de BTW, intresten en administratieve geldboeten waarvan de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999. In casu was de BTW opeisbaar vóór die datum zodat de oude tekst van artikel 92 BTW-wetboek van toepassing is.
(2)Cass. 15 september 2000, AR C.98.0326.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000915.2, A.C., 2000, nr. 473.
(3)Memorie van Toelichting, Gedr. St., Kamer, B.Z., 1968, nr. 88, p. 71; Zie ook Verslag namens de Verenigde Commissies voor de Economische Zaken en de Financiën, Gedr. St., Senaat, 1968-69, 20 juni 1968, nr. 445, p. 221 waarin wordt bepaald dat het hoger beroep van de belastingplichtige, zonder voorafgaande consignatie, ontvankelijk is indien de Administratie de consignatie niet zou eisen. Die zinsnede kan inderdaad worden geïnterpreteerd als een bevestiging van het feit dat de ontvanger niet verplicht is om steeds de consignatie te vragen. De bevoegdheid van de ontvanger is m.a.w. discretionair. Artikel 92, tweede lid BTW-wetboek is geïnspireerd door artikel 202.2, derde lid van het Wetboek der met de zegel gelijkgestelde taksen zodat de parlementaire voorbereiding van laatstgenoemde bepaling relevant is voor de uitlegging van artikel 92 BTW-wetboek. Zie hierover nader de conclusie van het O.M. bij Cass. 3 januari 2003, AR C.00.0318.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030103.9, A.C., 2003, nr. 6, rdn. II.3.
(4)S. VERTOMMEN, "B.T.W.-consignatieverplichting: gebonden of discretionaire bevoegdheid?", in Fiscaal praktijkboek '95-'96 - Indirecte belastingen,
(149), 158.
(5)In zijn rechtspraak liet het Grondwettelijk Hof ruimte voor een grondwetsconforme interpretatie van artikel 92, tweede lid BTW-wetboek. Alleen in de interpretatie dat artikel 92, tweede lid BTW-wetboek aan de ontvanger een discretionaire bevoegdheid toekent bij het verzoek tot consignatie, kan de beperking van het recht om hoger beroep in te stellen niet als kennelijk onevenredig worden beschouwd en is die wetsbepaling verenigbaar met het gelijkheidsbeginsel (Zie o.m. Arbitragehof, nr. 73/92, 18 november 1992, A.A., 1992, 785; Arbitragehof, nr. 43/93, 10 juni 1993, A.A., 1993, 451; Arbitragehof, nr. 44/95, 6 juni 1995, A.A., 1995, 681). Indien de bevoegdheid van de ontvanger wordt geïnterpreteerd als een gebonden bevoegdheid, dan heeft dit gevolg dat een rechtzoekende die niet over de noodzakelijke middelen beschikt om te consigneren, geen ontvankelijk hoger beroep zou kunnen instellen. Aldus bemoeilijkt de wetgever, in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de uitoefening van het recht op een eerlijke behandeling van de zaak.
(6)Arbitragehof, nr. 73/92, 18 november 1992, r.o. B.6.2.
(7)Zie de conclusie van het O.M. voor Cass. 3 januari 2003, A.C., 2003 nr. 6, rdn. II. 4, met verwijzing naar L. VANDENBERGHE, "Het consignatieverzoek in BTW-geschillen: geen onoverkomelijke hindernis", A.F.T., 1997,
(417), 418.
(8)Zie ook K. HEYRMAN, "Het consignatieverzoek inzake BTW" (noot onder Antwerpen, 28 oktober 2008), T.F.R., 2009, 782 en de verwijzingen aldaar.
(9)A. MAST, J. DUJARDIN, M. VAN DAMME en J. VANDE LANOTTE, Overzicht van het Belgisch administratief recht, Mechelen, Kluwer, 2002, 694.
(10)Conclusie van het O.M. bij Cass. 3 januari 2003, A.C., 2003, nr. 6, rdn. II. 6.
(11)Zie bv. Antwerpen, 21 april 1998, F.J.F., 1998, nr. 98/207 (De belastingplichtige beschikt niet over de vereiste financiële middelen om te consigneren, bijgevolg is het verzoek onredelijk). Zie tevens Antwerpen, 17 april 2007, F.J.F., 2007/292 (Enkel in geval van fraude, een dilatoir beroep en indien de financiële toestand van de belastingschuldige het toelaat, zal het totaal bedrag aan belasting, interesten en boeten in consignatie worden gevraagd).
(12)P. VAN ORSHOVEN, "Consignatie of geen consignatie? That's the question... Oefeningen in administratief (proces)recht bij B.T.W.-geschillen", T.F.R., 1994,
(51), 54, nr. 7
(13)In de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van het Hof van 3 januari 2003 werd door de heer Loncke klacht ingediend bij het EHRM. Die klacht leidde tot een veroordeling van de Belgische Staat. Zie EHRM, 25 september 2007 (Loncke / België), FJF, 2008/273. Voor een bespreking van dit arrest: E. VAN BRUSTEM, "Taxe sur la valeur ajoutée: consignation et droit d'appel: à la recherche de l'équilibre entre les droits du Trésor et le droit à un procès équitable", R.G.C.F., 2008/2, 119-125.
(14)EHRM, 25 september 2007 (Loncke / België), r.o. 51.
(15)Zie in dezelfde zin: E. VAN BRUSTEM, l.c., R.G.C.F., 2008/2, 123: "Il est évident que l'administration ne peut se retrancher derrière le fait que les droits du Trésor seraient en péril pour priver l'assujetti du droit de faire appel. La consignation doit tenir compte des facultés contributives éventuelles de l'intéressé telles que celles-ci sont connus de l'administration" en J. VANDEN BRANDEN, "Enkel een solvabele belastingplichtige die een dilatoir hoger beroep instelt, kan voorwerp uitmaken van een verzoek tot consignatie", A.F.T., 2008,
(24), 29.
(16)Vergelijk met r.o. 51, EHRM, 25 september 2007 inzake Loncke t. België. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101210.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000915.2 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030103.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div