← België

ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101210.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101210.4 Rolnummer: F.09.0129.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2011-01-18 Raadplegingen: 270 - laatst gezien 2026-07-02 04:49 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101210.4 Fiche 1 Uit de omstandigheid dat een handelsvennootschap een rechtspersoon is die opgericht is met het oog op een winstgevende activiteit, kan niet worden afgeleid dat al zijn uitgaven mogen worden afgetrokken; uitgaven van een rechtspersoon kunnen slechts beschouwd worden als aftrekbare beroepskosten wanneer ze noodzakelijkerwijs betrekking hebben op zijn maatschappelijke activiteit

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: BELASTING UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VENNOOTSCHAPPEN - Grondslag - Vaststelling netto-inkomen Vrije woorden: Vennootschapsbelasting - Beroepskosten - Aftrekbaarheid Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Artt. 49, eerste lid, en 183 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 2 Conclusie van advocaat-generaal Thijs. Thesaurus CAS: BELASTING UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VENNOOTSCHAPPEN - Grondslag - Vaststelling netto-inkomen Vrije woorden: Vennootschapsbelasting - Beroepskosten - Aftrekbaarheid Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ F.09.0129.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS:
  1. De betwisting betreft de verwerping van de door eiseres als aan de vennootschapsbelasting onderworpen CVA gemaakte kosten als bedrijfslast.
  2. Het eerste onderdeel van het enig middel tot cassatie komt op tegen de vaststelling van het bestreden arrest dat eiseres geen economische activiteit heeft. In het eerste subonderdeel wordt aangevoerd dat uit de gegevens van het dossier, met name de ingediende aangiften, de erbij gevoegde jaarrekening, de berichten van wijziging en de directoriale beslissing, blijkt dat eiseres, naast inkomsten uit adviesprestaties (waarvan de echtheid volgens het bestreden arrest niet was bewezen), ook inkomsten uit dividenden heeft, wat volgens het subonderdeel inhoudt dat eiseres een exploitatie van een onderneming heeft, of minstens een winstgevende bezigheid, zodat het bestreden arrest, niet zonder schending van de bewijskracht van deze stukken, heeft beslist dat eiseres geen economische activiteit heeft
(1), mitsdien niet wettig op deze grond de aftrek heeft geweigerd van de beroepskosten van eiseres
(2). 3. Het eerste subonderdeel berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest in zoverre het aanneemt dat door de appelrechters werd beslist dat eiseres "geen economische activiteit heeft". Het bestreden arrest oordeelde slechts dat "op geen enkele wijze (wordt) aangetoond in welke mate door de vennootschap economische activiteiten werden ontplooid"
(3), wat niet impliceert dat de appelrechters de mening zijn toegedaan dat er door eiseres helemaal geen economische activiteit werd uitgeoefend. Het bestreden arrest sluit aldus evenmin uit dat het feit inkomsten te hebben uit dividenden, kan wijzen op het ontplooien van een economische activiteit, alleen wordt door eiseres niet duidelijk gemaakt welke economische activiteiten precies werden ontplooid, waardoor niet kan worden bepaald of haar uitgaven in verband staan met de beroepsactiviteiten, hetgeen vereist is voor de aftrekbaarheid als beroepskosten van deze uitgaven
(4). Het eerste subonderdeel mist bijgevolg feitelijke grondslag. 4. Het eerste subonderdeel berust bovendien op een verkeerde rechtsopvatting waar het stelt dat kosten die voortvloeien uit het bestaan van de onderneming steeds aftrekbaar zijn als beroepskosten. De beginselen dat alle inkomsten van een vennootschap bedrijfsinkomsten zijn en dat al haar activa een bedrijfskarakter hebben, hebben niet tot gevolg dat al haar uitgaven of lasten tevens aftrekbare bedrijfsuitgaven of bedrijfslasten zijn die van de brutowinst mogen worden afgetrokken
(5). Zo bepaalt artikel 49, eerste lid, WIB92 dat als beroepskosten slechts aftrekbaar zijn de kosten die de belastingplichtige in het belastbaar tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, uitgezonderd de eed. Deze bepaling is overeenkomstig artikel 183 WIB92 ook van toepassing op de vennootschapsbelasting. Volgens de conclusies van Adv.-gen. HENKES omvat de voorwaarde dat de kosten werden gedaan of gedragen "om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden" twee samenlopende vereisten die één geheel vormen: "door de aard ervan, het verkrijgen of behouden van de beroepsinkomsten als oogmerk hebben, en een noodzakelijk causaal verband vertonen met de uitoefening van de beroepsbezigheid"
(6). Volgens Professor VAN CROMBRUGGE vereist artikel 49 WIB92 niet zozeer een intentioneel element en is het noodzakelijk, maar voldoende, dat de kosten hun oorzaak vinden in aan het bedrijf eigen omstandigheden
(7). Uit de omstandigheid dat een handelsvennootschap een rechtspersoon is die opgericht is met het oog op een winstgevende bezigheid kan niet worden afgeleid dat al haar uitgaven als beroepskost aftrekbaar zijn. De uitgaven van een handelsvennootschap kunnen slechts beschouwd worden als aftrekbare beroepskosten als ze inherent zijn aan de uitoefening van het beroep, d.w.z. dat ze noodzakelijkerwijs moeten betrekking hebben op haar maatschappelijke activiteit
(8). Het eerste subonderdeel faalt op dit punt naar recht. 5. Indien er geen duidelijkheid bestaat over welke activiteiten de vennootschap ontplooit, kan niet worden achterhaald of bepaalde uitgaven van de vennootschap een beroepsmatig karakter hebben, m.a.w. een noodzakelijk causaal verband vertonen met de uitoefening van de vennootschapsactiviteiten. Het bestreden arrest heeft derhalve wettig kunnen oordelen dat op geen enkele wijze werd aangetoond dat de litigieuze uitgaven van eiseres een noodzakelijk verband vertonen met enige belastbare activiteit die door de vennootschap zou worden ontplooid
(9)nu niet werd aangetoond welke activiteiten door de eiseres precies werden ontplooid. Het eerste subonderdeel kan dan ook niet worden aangenomen
(10). 6. In het tweede subonderdeel voert eiseres aan dat het bestreden arrest niet wettig, zonder tegenstrijdigheid in zijn motivering, heeft beslist dat eiseres, enerzijds, geen economische activiteit heeft, anderzijds, toch onderworpen is aan de vennootschapsbelasting
(11). Zoals het eerste subonderdeel berust ook dit subonderdeel op een verkeerde lezing van het bestreden arrest in de mate dat het onderdeel aanneemt dat door de appelrechters was beslist dat eiseres "geen economische activiteit heeft". Het bestreden arrest oordeelde slechts, naar aanleiding van het onderzoek naar het verband tussen de uitgaven van eiseres en haar economische activiteiten, dat "op geen enkele wijze (wordt) aangetoond in welke mate door de vennootschap economische activiteiten werden ontplooid"
(12). Hierdoor kan niet worden bepaald of de uitgaven van eiseres als beroepskosten in aanmerking komen en blijven de inkomsten van eiseres integraal, zonder enige aftrek, belastbaar onder de vennootschapsbelasting. Het is bijgevolg niet tegenstrijdig om te oordelen dat eiseres aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, ofschoon niet werd aangetoond welke economische activiteiten precies werden uitgeoefend. Het middel, afgeleid uit de schending van artikel 149 G.W., mist dan ook feitelijke grondslag
(13). 7. In het tweede onderdeel voert eiseres aan dat alle kosten die voortvloeien uit het bestaan van de onderneming steeds aftrekbaar zijn als beroepskosten. Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat dit standpunt van eiseres faalt naar recht. Besluit: VERWERPING. _______________
(1)Schending van de artikelen 1319 tot en met 1322 B.W.
(2)Schending van de artikelen 183 juncto 49 WIB92.
(3)Arrest, p.9, laatste alinea, en p. 10, derde alinea.
(4)Cfr. infra.
(5)Cass. 29 februari 1965, Pas. 1965, I, 582; Cass. 18 januari 2001, A.C. 2001, nr. 34; Cass. 3 mei 2001, A.C. 2001, nr. 253; Cass. 19 juni 2003, A.C. 2003, nr. 367, 1447.
(6)Conclusies bij Cass. 19 juni 2003, A.C. 2003, nr. 367, 1447, nr. 14.
(7)S. VAN CROMBRUGGE, "Bemerkingen nopens het begrip bedrijfswinst in het fiscaal recht", R.W. 1983-84, 2232.
(8)Cass. 21 november 1997, A.C 1997, nr. 497, met conclusies van toenmalig adv.-gen, LECLERCQ, Pas 1997, I, nr. 497; Cass. 13 februari 1998, A.C. 1998, nr. 87; Cass. 18 januari 2001, A.C. 2001, nr. 34; Cass. 3 mei 2001, A.C. 2001, nr. 253; Cass. 19 juni 2003, A.C. 2003, nr. 367; Cass. 9 november 2007, AR C.06.0251.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071109.1, www.cass.be.
(9)P. 11, bovenaan.
(10)Cfr. memorie van antwoord, p. 2 t.e.m. 4, 6 en 7.
(11)Schending van artikel 149 G.W.
(12)Bestreden arrest, p. 9, laatste alinea, en p. 10, derde alinea.
(13)Cfr. memorie van antwoord, p. 5. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101210.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071109.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.