id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 januari 2011 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110107.5 Rolnummer: C.09.0275.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal privaatrecht - Handelsrecht Invoerdatum: 2011-02-02 Raadplegingen: 261 - laatst gezien 2026-06-30 05:37 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110107.5 Fiche 1 Artikel 17, eerste lid, c, E.E.X.-verdrag richt zich tot de partijen die oorspronkelijk een bij uitsluiting bevoegd gerecht bij overeenkomst hebben aangewezen en bepaalt de toegelaten vormen bij het sluiten van deze overeenkomst; de toepasselijkheid van deze bepaling betreffende een exclusieve rechterlijke bevoegdheid dient derhalve ook te worden getoetst door de rechter die van het geschil kennisneemt in het licht van de verhouding tussen de bij dit geschil betrokken partijen
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - INTERNATIONALE BEVOEGDHEID UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Algemeen (vervoer) Vrije woorden: E.E.X.-Verdrag - Artikel 17 - Exclusief bevoegdheidsbeding - Overeenkomst - Partijen - Vormen - Toepasselijkheid - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 27-09-1968 - Art. 17, eerste lid, c Fiches 2 - 3 De regels van artikel 91 Zeewet zijn van dwingend recht en van toepassing ongeacht het op het cognossement toepasselijke recht
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Rivier- en zeevervoer UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Algemeen (vervoer) Vrije woorden: Zeevervoer - Cognossement - Artikel 91, Zeewet - Aard - Toepasselijk recht Wettelijke bepalingen: Wet - 21-08-1879 - Art. 91 - 30 ELI link Pub nr 1879082150 Thesaurus CAS: SCHIP. SCHEEPVAART UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Algemeen (vervoer) Vrije woorden: Goederenvervoer - Zeevervoer - Cognossement - Artikel 91, Zeewet - Aard - Toepasselijk recht Wettelijke bepalingen: Wet - 21-08-1879 - Art. 91 - 30 ELI link Pub nr 1879082150 Fiches 4 - 6 Conclusie van advocaat-generaal Dubrulle. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - INTERNATIONALE BEVOEGDHEID UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Algemeen (vervoer) Vrije woorden: E.E.X.-Verdrag - Artikel 17 - Exclusief bevoegdheidsbeding - Overeenkomst - Partijen - Vormen - Toepasselijkheid - Taak van de rechter Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Rivier- en zeevervoer UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Algemeen (vervoer) Vrije woorden: Zeevervoer - Cognossement - Artikel 91, Zeewet - Aard - Toepasselijk recht Thesaurus CAS: SCHIP. SCHEEPVAART UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Algemeen (vervoer) Vrije woorden: Goederenvervoer - Zeevervoer - Cognossement - Artikel 91, Zeewet - Aard - Toepasselijk recht Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ C.09.0275.N Conclusie van advocaat-generaal Dubrulle: 1. De eiseres werd belast met het vervoer, per zeeschip, van Antwerpen naar Puerto Rico, van een industriële machine voor de farmaceutische nijverheid. Tijdens de zeereis liep de lading, ingevolge zware weersomstandigheden, schade op. Op vordering van de derde-cognossementhouder, Lederele Piperacillin Inc. en de verzekeraars van de ladingbelanghebbende, huidige verweersters sub 1 t.e.m. 10, verklaarde de rechtbank van koophandel te Antwerpen zich "bevoegd" om kennis te nemen van de schadevordering. Ten gronde verklaarde zij de hoofdvordering gegrond tot beloop van 91.569.53 euro , meer interesten en kosten. De vordering in tussenkomst en vrijwaring van de eiseres tegen de derde verweerster werd ongegrond verklaard. Het bestreden arrest bevestigt de "bevoegdheid/rechtsmacht" van de Belgische rechtbank, de veroordeling tot een (verminderd) bedrag en de afwijzing van de tussenvordering. 2. Het eerste cassatiemiddel komt op tegen de afwijzing van de door de eiseres opgeworpen exceptie van onbevoegdheid van de Belgische rechtbank. De eiseres hield voor dat de derde-cognossementhouder gebonden was door het in het cognossement opgenomen bevoegdheidsbeding, overeengekomen tussen de vervoerder en de inlader, houdende de forumkeuze, met name de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam. 3. Het eerste onderdeel voert de schending aan van artikel 17, eerste lid,
- c)van het EEX-Verdrag van 27 september 1968, van het analoog artikel van het Verdrag van Lugano van 16 september 1988 en van artikel 149 van de Grondwet. Artikel 17, eerste lid, van het EEX-Verdrag bepaalt: "Wanneer de partijen, van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, een gerecht of de gerechten van een Verdragsluitende Staat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen welke naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die Staat bij uitsluiting bevoegd. Deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter dient te worden gesloten
- a)hetzij bij een schriftelijke overeenkomst, hetzij bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst;
- b)hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen partijen gebruikelijk zijn geworden;
- c)hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen." Het hof van beroep oordeelt dat er geen bewijs voorligt dat de derde-houder heeft ingestemd met het forumkeuzebeding binnen het kader van art. 17, lid 1. Volgens het onderdeel is de derde-houder van een cognossement eveneens gebonden door zulk beding wanneer hij volgens het toepasselijke nationale recht in de rechten en plichten is getreden van de afzender en, ook als hij niet als diens opvolger te beschouwen is, wanneer is voldaan aan de nader in artikel 17 bepaalde vormen waaruit zijn instemming of een vermoeden van zijn instemming blijkt. Het onderdeel verwijt de appelrechters enkel te hebben nagegaan of aan de vereisten van artikel 17, eerste lid,
- a)en
- b)was voldaan, maar niet aan de vereiste van artikel 17, eerste lid,
- c)en niet te hebben geantwoord op het desbetreffend verweer van de eiseres. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Uit het arrest blijkt dat dit onderzoek gedaan en dit verweer beantwoord en verworpen werd met deze, in het middel aangehaalde, overwegingen: "De bijzondere bekendheid in hoofde van de derde-houder LEDERLE PIPERACILLIN met het gebruik om een dergelijk specifieke forumbeding op te nemen in de cognossementen van PARKGRACHT is evenmin bewezen. Langdurige handelsbetrekkingen met de vervoerder die desgevallend op een gewoonte zouden kunnen wijzen en waaruit de bekendheid van het gebruik van het specifieke forumbeding zou kunnen worden aangenomen in hoofde van LEDERLE PIPERACILLIN zijn in casu niet bewezen en/of worden niet aangetoond, zelfs niet eens aannemelijk gemaakt op basis van consistente gegevens." (p. 8 en 9) 4. Het tweede onderdeel voert - voor het geval het Hof mocht oordelen dat bedoeld onderzoek werd gedaan en dat het verweer wel beantwoord werd (d.i. dus bij verwerping van het eerste onderdeel) - de schending aan van dezelfde verdragbepaling. Het verwijt de appelrechters de voorwaarden van dat artikel 17, eerste lid,
- c)te beoordelen in het licht van de verhouding tussen de concrete partijen in het geschil, namelijk de eiseres als vervoerder en de eerste verweerster als cognossementhouder, terwijl die voorwaarden moeten worden getoetst aan de hand van wat, in het algemeen, door de actoren in de maritieme transportsector in acht wordt genomen en van wat, in het bijzonder, bekend is aan de oorspronkelijke partijen bij de overeenkomst, namelijk de inlader en eiseres als vervoerder. De eiseres verzoekt het Hof desgevallend, voor de interpretatie van de verdragsbepaling, een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (thans Europese Unie) te Luxemburg te willen stellen. Het onderdeel faalt, m.i., naar recht. Minstens kan het niet worden aangenomen. Deze verdragbepaling heeft betrekking op de totstandkoming van de overeenkomst over de aanwijzing van de bevoegde rechter, tussen de oorspronkelijke partijen, d.z. de inlader en de vervoerder, terwijl het geschil (over de bevoegdheid) in wezen betrekking heeft op de tegenstelbaarheid van het bevoegdheidbeding aan de latere houder van het cognossement en de betwisting inzonderheid de vraag betreft of deze wel een partij bij de overeenkomst (geworden) is of, zoals het bestreden arrest het preciseert, of de houder heeft ingestemd met het forumbeding in de overeenkomst. De sub a),
- b)en
- c)beschreven mogelijkheden betreffen de vorm van de overeenkomst. De appelrechters wijzen terecht op de strikte uitlegging van de verdragbepaling door het Hof van Justitie, o.m. in het MSG- arrest van 20 februari 1997
(1), volgens hetwelk, ter bescherming van de zwakste partij, de daadwerkelijke instemming van de belanghebbende de doelstelling is van de bepaling. De appelrechters stellen vast dat de eerste verweerster geen partij was aan de oorspronkelijke overeenkomst en ze oordelen dat ze als cognossementhouder niet kan geacht worden te zijn toegetreden tot deze overeenkomst. Zij oordelen vervolgens dat het bestaan van de gewoonte en het gebruikelijk karakter om dergelijke bedingen te maken, dient te worden beoordeeld in de verhouding tussen de eiseres en de eerste verweerster en beslissen dat in die verhouding een dergelijke bekendheid in hoofde van de eerste verweerster niet wordt bewezen. Het onderdeel gaat ervan uit dat de rechter de toepasselijkheid van artikel 17, eerste lid, c) niet vermag te beoordelen in het licht van de verhouding tussen de concrete partijen in het geschil, terwijl het toch precies de taak is van de rechter (aan de hand van zijn interpretatie van de rechtsregel in het algemeen) de aanspraken van de procespartijen aan die rechtsregel, minstens aan de gevolgen van die regel, de tegenstelbaarheid aan een van die partijen, te toetsen. Het bestreden arrest verwijst dan ook terecht naar het arrest van 9 november 2000 van het Hof van Justitie
(2)(en de in dat arrest geciteerde precedenten van 19 juni 1984
(3)en 16 maart 1999
(4)). In punt 26 stelt dat Hof: "Wanneer de derde krachtens het toepasselijke nationale recht echter niet een van de oorspronkelijke partijen in haar rechten en verplichtingen is opgevolgd, moet de geadieerde rechter in het licht van de vereisten van artikel 17, eerste alinea, Executieverdrag nagaan, of hij werkelijk met het tegen hem ingeroepen forumkeuzebeding heeft ingestemd."
- Het tweede middel bekritiseert de beslissing dat de vraag of de derde houder van het cognossement in de rechten is getreden van de afzender, zodat hij door het forumbeding gebonden is, alsook de vraag welke de plaats is waar de aan de eis ten grondslag liggende verbintenis dient uitgevoerd te worden, moet beantwoord worden op grond van het Belgisch recht en dat enkel het dwingende artikel 91 van de Zeewet de toepassing van dat recht (en niet het in het cognossement aangewezen Nederlandse recht) verantwoordt. Het eerste onderdeel verwijt het arrest de gewone IPR-regels en de autonomieleer wat de rechtskeuze betreft terzijde te hebben geschoven en aldus ook de bepalingen van het Cognossementsverdrag, die dezelfde bescherming als artikel 91 van de Zeewet bieden, te hebben geschonden. Het tweede onderdeel verwijt het arrest het aangewezen Nederlands recht terzijde te hebben geschoven, hoewel deze rechtskeuze in het cognossement betrekking heeft op het materiële recht dat aan de derde houder tegenstelbaar is. Artikel 91 van de Zeewet is de incorporatie, in het Belgisch recht, bij de wetten van 28 november 1928 en 11 april 1989, van de internationale verdragen betreffende het vervoer van goederen over de zee, onder cognossement, het verdrag van 25 augustus 1925 ("Hague Rules") en de wijzigende Protocols van 23 februari 1968 ("Visby Amendments") en 21 december
- Het bepaalt: "A. Op het verhandelbaar cognossement, opgemaakt voor het vervoer van goederen in enig schip van welke nationaliteit ook, uit of naar een haven van het Rijk, zijn de volgende regels van toepassing: (...)". Lang is voorgehouden dat deze bepaling zelfs van (internationale) openbare orde is. Het Hof heeft, bij arrest van 19 december 1946 de bepalingen van artikel 91 gekenmerkt als "gebiedende en van openbare orde"
(5)en, bij arrest van 2 februari 1979
(6), overwogen dat de bij artikel 91 bepaalde aansprakelijkheid "voorzeker de openbare orde aanbelangt". Het betrof, in 1979, artikel 91, A, §III, 8°, krachtens hetwelk elk beding waardoor de vervoerder of het schip van de in deze paragraaf bepaalde aansprakelijkheid wordt ontheven of waardoor aansprakelijkheid, anders dan in deze paragraaf is bepaald, wordt verminderd "van nul en gener waarde is". Het Hof kreeg toen niet de gelegenheid de aard van deze bepaling in haar geheel te kenmerken. De meeste auteurs menen dat de bepaling van internationale openbare orde is. Anderen menen dat dit niet kan volgehouden worden
(7). Het begrip is inderdaad relatief naar de tijd
(8). In meer recente rechtsleer werd, m.i. terecht, gesteld dat men moeilijk kan voorhouden dat de regels inzake vervoer onder cognossement behoren tot de wezenlijke beginselen van de ethische, politieke of economische ordening van de Belgische Staat, die, volgens de rechtspraak van het Hof
(9), ressorteren onder de internationale openbare orde
(10). Bij arrest van 18 juni 2007
(11)oordeelt het Hof dat een wet slechts de internationale openbare orde raakt indien de wetgever, door de bepalingen van die wet, een beginsel heeft willen vastleggen dat hij als wezenlijk voor de in België gevestigde morele, politieke of economische orde beschouwt en dat, op die grond, noodzakelijkerwijs de toepassing in België moet uitsluiten van elke buitenlandse rechtsregel die hiermee strijdig is of hiervan afwijkt, zelfs indien deze volgens de gewone regels van de wetconflicten van toepassing is. Een auteur meent dat de bepaling, als "IPR-rechtelijke regel" een "onmiddellijk toepasselijke wet" en "tevens een politiewet" is en, als "materieelrechtelijke regel", minstens "niet meer" van openbare orde is, maar ongetwijfeld een regel van dwingend recht is
(12). Hij stelt terecht dat dit laatste volgt zowel uit het doel van art. 91, m.n. een minimumbescherming garanderen aan de cognossementhouder, die niet de mogelijkheid heeft gehad de vervoerovereenkomst met de zeevervoerder te onderhandelen, als uit art. 91, A, §3, 8°, dat afwijkende bedingen verbiedt. De regels van art. 91 Zeewet zijn dus alleszins van dwingend recht, zodat de rechter ze zeker moet toepassen, ook al is in het cognossement gekozen voor de toepassing van een ander recht, zoals in casu, voor het Nederlands recht en dus ook ongeacht welk recht volgens de gewone verwijzingsregels op het cognossement van toepassing zou kunnen zijn. Reeds in het vermelde arrest van 19 december 1946
(13)heeft het Hof geoordeeld dat het beding, waarbij de partijen overeenkwamen een mogelijk geschil toe te vertrouwen aan een buitenlandse rechtbank (i.c. Hamburg), met verplichting de bepalingen van artikel 91 Zeewet toe te passen, geen beding is dat een ontheffing van bepalingen van openbare orde tot gevolg kan hebben, doch uitsluitend een beding van toewijzing van bevoegdheid. Dit toont dan toch ook wel, impliciet, aan welk belang het Hof reeds hechtte aan de correcte toepassing van de Belgische wet. Mits de zekerheid van deze toepassing heeft het Hof, bij het ook reeds vermelde arrest van 2 februari 1979
(14), toewijzing van bevoegdheid aan Zweedse rechtbanken (te Stockholm) aanvaard en het arrest dat zulk beding verwierp vernietigd. In antwoord op de prejudiciële vraag van het Hof, bij arrest van 8 april 1983
(15), beslist het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, bij arrest van 19 juni 1984
(16)dat, in de verhouding tussen vervoerder en derde-cognossementhouder, aan de voorwaarden van art. 17 EEX is voldaan, indien het bevoegdheidsbeding als geldig is erkend in de verhouding tussen de inlader en de vervoerder en de derde-houder bij verkrijging van het cognossement volgens het toepasselijke nationale recht de inlader niet in diens rechten en verplichtingen is opgevolgd. Het Hof past deze rechtspraak toe in zijn arrest van 18 september 1987
(17): de derde-houder van een cognossement beheerst door artikel 91 van de gecoördineerde wetten op de zee- en binnenvaart, put zijn rechten niet uit de verhouding tussen de inlader en de vervoerder, doch uit het cognossement zelf. Door het verwerven van het cognossement, volgt hij de inlader niet in diens rechten en verplichtingen op, zodat het bevoegdheidsbeding hem niet tegenwerpelijk is. Het bestreden arrest beoordeelt dus terecht, op grond van het Belgisch recht, de vraag of de eerste verweerster als derde-cognossementhouder in de rechten van de inlader was getreden en de vraag welke de plaats is waar de eiseres, als vervoerder, de aan de eis ten grondslag liggende verbintenis diende uit te voeren. De onderdelen, die van een andere opvatting uitgaan, falen derhalve naar recht. 6. Het derde middel komt op tegen het gegrond verklaren van de schadevordering van de verweersters sub 1 t/m 10 tegen de eiseres en de afwijzing van de vordering in tussenkomst en vrijwaring van de eiseres tegen de verweerster sub 11 (d.i. de stuwadoor), wegens onbehoorlijke sjorring, na verwerping van de door de eiseres opgeworpen grond tot ontheffing van aansprakelijkheid (die in hoofde van de vervoerder vermoed wordt), d.i. een zgn. "zeefortuin", zoals bepaald in artikel 91A, §4.2,
- c)van de Zeewet. Het eerste onderdeel voert een tegenstrijdigheid aan. Het mist feitelijke grondslag. Het gaat er immers verkeerdelijk vanuit dat het arrest laat verstaan dat de sjorring toch niet behoorlijk was en als foutief dient te worden beschouwd. Het arrest zegt alleen dat "de kapitein in tempore non suspecto zijn twijfels omtrent de sjorring van de betrokken lading staalplaten (uitte)". Het tweede onderdeel voert een schending aan van artikel 91A, §4.2,
- c)van de Zeewet. Het mist eveneens feitelijke grondslag. Het gaat er ook verkeerdelijk van uit dat het arrest uitsluit "dat eiseres enige fout heeft begaan in haar plicht om aan de lading alle nodige zorgen te besteden om schade te voorkomen". Op grond van de bekritiseerde redengeving, waarbij het hof van beroep zich aansluit bij de redengeving van de eerste rechter, heeft dat hof enkel geoordeeld dat "het bewijs van zeefortuin in de gegeven omstandigheden, ondanks de zorgen aan de lading, niet geleverd (is)", m.a.w. dat de grond tot ontheffing van aansprakelijkheid van de eiseres niet bewezen is. 7. Conclusie: verwerping. _________________
(1)Zaak C-106/95, r.o. 14.
(2)Zaak C.-387/98, Coreck Maritime GmbH &Handelsveem BV e.a.
(3)Zaak 71/83, Tilly Russ.
(4)Zaak C-159/97, Castellitti.
(5)Arr. Verbr. 1946, 445; Fr.:"impératives et d'ordre public", Pas., 1946, I, 480.
(6)A.C., 1978-79, 630.
(7)J. LAENENS, De bevoegdheidsovereenkomsten naar Belgisch recht, Kluwer Rechtswetenschappen Antwerpen, 1981, 174, nrs. 591-595; E. KRINGS, Het executieverdrag van 27 september 1968, wijzigingen en recente toepassing ervan, TPR, 1980, 395.
(8)J. LAENENS, op. cit., nr. 594.
(9)Cass. 4 mei 1950, Arr. Cass., 1950, 557 en Cass. 27 februari 1986, AR 7432, A.C., 1985-86, nr. 414.
(10)L. DELWAIDE & J. BLOCKX, Kroniek van Zeerecht, Overzicht van rechtsleer en rechtspraak 1976-1989, TBH, 1990, 583-589, nr. 55; F. STEVENS, Vervoer onder cognossement, Larcier, 2001, 45, nr. 75.
(11)AR C.04.0430.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070618.5, Pas., 2007, nr. 332, met concl. van advocaat-generaal Werquin.
(12)F. STEVENS, op. cit., 46, nrs. 77-79, 49, nr. 84 en 50, nr. 85
(13)Zie voetnoot 5.
(14)Zie voetnoot 6.
(15)AR 3665, A.C., 1982-83, nr. 425.
(16)Zaak 71/83, Tilly Russ.
(17)AR 5346, A.C., 1987-88, nr. 38. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110107.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070618.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div