id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 januari 2011
Artikel 5
.1 - Vervoerovereenkomst over zee - Begrip - Dagvaarding van de zeevervoerder - Internationale bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 27-09-1968 - Art. 5, 1° Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - INTERNATIONALE BEVOEGDHEID UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - EUROPEES EN INTERNATIONAAL GERECHTELIJK RECHT - Executie en Bevoegdheid - Verdrag Lugano 16 september 1988 - Europees Executieverdrag (EVEX) - Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - SCHIP EN SCHEEPVAART - Cognossement Vrije woorden: E.E.X.-
Artikel 5
.1 - Vervoerovereenkomst over zee - Begrip - Dagvaarding van de zeevervoerder - Internationale bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 27-09-1968 - Art. 5, 1° Fiches 4 - 5 De derde-houder van het cognossement kan niet beschouwd worden als de rechtsopvolger van de inlader, maar ontleent zijn rechten tegen de zeevervoerder op zelfstandige en rechtstreekse wijze uit het cognossement
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Rivier- en zeevervoer UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - EUROPEES EN INTERNATIONAAL GERECHTELIJK RECHT - Executie en Bevoegdheid - Verdrag Lugano 16 september 1988 - Europees Executieverdrag (EVEX) - Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - SCHIP EN SCHEEPVAART - Cognossement Vrije woorden: Zeevervoer - Cognossement - Rechten van de derde-houder Wettelijke bepalingen: Wet - 21-08-1879 - Art. 91, A, § 1 Thesaurus CAS: SCHIP. SCHEEPVAART UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - EUROPEES EN INTERNATIONAAL GERECHTELIJK RECHT - Executie en Bevoegdheid - Verdrag Lugano 16 september 1988 - Europees Executieverdrag (EVEX) - Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - SCHIP EN SCHEEPVAART - Cognossement Vrije woorden: Goederenvervoer - Zeevervoer - Cognossement - Rechten van de derde-houder Wettelijke bepalingen: Wet - 21-08-1879 - Art. 91, A, § 1 Fiches 6 - 10 Conclusie van advocaat-generaal Dubrulle. Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Rivier- en zeevervoer UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - EUROPEES EN INTERNATIONAAL GERECHTELIJK RECHT - Executie en Bevoegdheid - Verdrag Lugano 16 september 1988 - Europees Executieverdrag (EVEX) - Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - SCHIP EN SCHEEPVAART - Cognossement Vrije woorden: Zeevervoer - Vervoerovereenkomst over zee - Begrip - Dagvaarding van de zeevervoerder - Internationale bevoegdheid Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - EUROPEES EN INTERNATIONAAL GERECHTELIJK RECHT - Executie en Bevoegdheid - Verdrag Lugano 16 september 1988 - Europees Executieverdrag (EVEX) - Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - SCHIP EN SCHEEPVAART - Cognossement Vrije woorden: E.E.X.-
Artikel 5
.1 - Vervoerovereenkomst over zee - Begrip - Dagvaarding van de zeevervoerder - Internationale bevoegdheid Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - INTERNATIONALE BEVOEGDHEID UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - EUROPEES EN INTERNATIONAAL GERECHTELIJK RECHT - Executie en Bevoegdheid - Verdrag Lugano 16 september 1988 - Europees Executieverdrag (EVEX) - Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - SCHIP EN SCHEEPVAART - Cognossement Vrije woorden: E.E.X.-
Artikel 5
.1 - Vervoerovereenkomst over zee - Begrip - Dagvaarding van de zeevervoerder - Internationale bevoegdheid Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Rivier- en zeevervoer UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - EUROPEES EN INTERNATIONAAL GERECHTELIJK RECHT - Executie en Bevoegdheid - Verdrag Lugano 16 september 1988 - Europees Executieverdrag (EVEX) - Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - SCHIP EN SCHEEPVAART - Cognossement Vrije woorden: Zeevervoer - Cognossement - Rechten van de derde-houder Thesaurus CAS: SCHIP. SCHEEPVAART UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - EUROPEES EN INTERNATIONAAL GERECHTELIJK RECHT - Executie en Bevoegdheid - Verdrag Lugano 16 september 1988 - Europees Executieverdrag (EVEX) - Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - SCHIP EN SCHEEPVAART - Cognossement Vrije woorden: Goederenvervoer - Zeevervoer - Cognossement - Rechten van de derde-houder Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ C.09.0611.N Conclusie van advocaat-generaal Dubrulle: 1. Het geschil vindt zijn oorsprong in het verlies, tijdens het zeevervoer van Antwerpen naar Houston per "Msc Dymphna", van een in een container gestuwde industriële machine. De container met lading was op niet toegelaten wijze bovendeks geplaatst en werd overboord geslagen ingevolge beweerdelijk stormweer. Het vervoer gebeurde onder dekking van een te Neunkirchen (Duitsland) uitgegeven verhandelbaar cognossement. De eerste verweerster was de derde-houder van het cognossement en de tweede verweerster de verzekeraar van de machine. De verweersters hebben de eiseres, in haar hoedanigheid van zeevervoerder, uitgever van het cognossement, die zij aansprakelijk achtten voor dat verlies, voor de rechtbank van koophandel te Antwerpen gedagvaard in schadevergoeding. Op de excepties van de eiseres verklaarde deze rechtbank zich onbevoegd om van de vordering kennis te nemen. In het bestreden arrest heeft hof van beroep te Antwerpen het hoger beroep van de verweersters tegen dit vonnis gegrond verklaard, voor recht gezegd dat de Belgische rechtbanken en meer in het bijzonder het hof, rechtsmacht hebben om van dit geschil kennis te nemen en de vordering tegen de eiseres gegrond verklaard. 2. Het eerste onderdeel van het cassatiemiddel bekritiseert het arrest in zoverre het hof van beroep zijn internationale bevoegdheid steunt op artikel 91, A van de Zeewet, dat dus niet enkel een bepaling van toepasselijk recht is, minstens in zoverre het beslist dat enkel de Belgische rechtbanken met zekerheid deze bepaling zullen toepassen, zonder daarvoor een grondslag aan te geven, zodat het Hof zijn wettigheidcontrole niet kan uitoefenen. Artikel 91 van de Zeewet is de incorporatie, bij de wetten van 28 november 1928 en 11 april 1989, in het Belgisch recht, van de internationale verdragen betreffende het vervoer van goederen over de zee, onder cognossement, het verdrag van 25 augustus 1925 ("Hague Rules") en de wijzigende protocols van 23 februari 1968 ("Visby Amendments") en 21 december 1979. Het bepaalt: A. Op het verhandelbaar cognossement, opgemaakt voor het vervoer van goederen in enig schip van welke nationaliteit ook, uit of naar een haven van het Rijk, zijn de volgende regels van toepassing: (...)
- c)hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen. Het onderdeel stelt de vraag naar het rechtskarakter van deze bepaling en, vervolgens, of de aangenomen aard vermag verdragsbepalingen betreffende internationale bevoegdheid terzijde te schuiven. Volgens het bestreden arrest zijn, wanneer het, zoals in casu, gaat om een vervoer van goederen vanuit een Belgische haven, met een schip, met een verhandelbaar cognossement, de bepalingen van artikel 91 van de Belgische Zeewet "dwingendrechtelijk" toepasselijk op dit vervoer. Lang is voorgehouden dat deze bepaling zelfs van (internationale) openbare orde is. Het Hof heeft, bij arrest van 19 december 1946, de bepalingen van artikel 91 gekenmerkt als "gebiedende en van openbare orde"( ) en, bij arrest van 2 februari 1979( ), overwogen dat de bij artikel 91 bepaalde aansprakelijkheid "voorzeker de openbare orde aanbelangt". Het betrof, in 1979, artikel 91, A, §III, 8°, krachtens hetwelk elk beding waardoor de vervoerder of het schip van de in deze paragraaf bepaalde aansprakelijkheid wordt ontheven of waardoor de aansprakelijkheid, anders dan in deze paragraaf is bepaald, wordt verminderd "van nul en gener waarde is". Het Hof kreeg toen niet de gelegenheid de aard van deze bepaling in haar geheel te kenmerken. De meeste auteurs menen dat de bepaling van internationale openbare orde is. Anderen menen dat dit niet kan volgehouden worden( ). Het begrip is inderdaad relatief naar de tijd( ). In meer recente rechtsleer werd, m.i. terecht, gesteld dat men moeilijk kan voorhouden dat de regels inzake vervoer onder cognossement behoren tot de wezenlijke beginselen van de ethische, politieke of economische ordening van de Belgische Staat, die, volgens de rechtspraak van het Hof( ), ressorteren onder de internationale openbare orde( ). Bij arrest van 18 juni 2007( ) oordeelt het Hof dat een wet slechts de internationale openbare orde raakt indien de wetgever, door de bepalingen van die wet, een beginsel heeft willen vastleggen dat hij als wezenlijk voor de in België gevestigde morele, politieke of economische orde beschouwt en dat, op die grond, noodzakelijkerwijs de toepassing in België moet uitsluiten van elke buitenlandse rechtsregel die hiermee strijdig is of hiervan afwijkt, zelfs indien deze volgens de gewone regels van de wetsconflicten van toepassing is. Een auteur meent dat de bepaling, als "IPR-rechtelijke regel" een "onmiddellijk toepasselijke wet" en "tevens een politiewet" is en, als "materieelrechtelijke regel", minstens "niet meer" van openbare orde is, maar ongetwijfeld een regel van dwingend recht is( ). Hij stelt terecht dat dit laatste volgt zowel uit het doel van art. 91, m.n. een minimumbescherming garanderen aan de cognossementhouder, die niet de mogelijkheid heeft gehad de vervoerovereenkomst met de zeevervoerder te onderhandelen, als uit art. 91, A, §3, 8°, dat afwijkende bedingen verbiedt. De regels van art. 91 Zeewet zijn dus alleszins van dwingend recht, zodat de rechter ze zeker moet toepassen. Reeds in het vermelde arrest van 19 december 1946( ) heeft het Hof geoordeeld dat het beding, waarbij de partijen overeenkwamen een mogelijk geschil toe te vertrouwen aan een buitenlandse rechtbank (i.c. Hamburg), met verplichting de bepalingen van artikel 91 Zeewet toe te passen, geen beding is dat een ontheffing van bepalingen van openbare orde tot gevolg kan hebben, doch uitsluitend een beding van toewijzing van bevoegdheid. Dit toont dan toch ook wel, impliciet, aan welk belang het Hof reeds hechtte aan de correcte toepassing van de Belgische wet. Mits de zekerheid van deze toepassing heeft het Hof, bij het ook reeds vermelde arrest van 2 februari 1979( ), toewijzing van bevoegdheid aan Zweedse rechtbanken (te Stockholm) aanvaard en het arrest dat zulk beding verwierp vernietigd. Het onderdeel stelt dan, in wezen, deze vraag: zijn de bepalingen van artikel 91 A, Zeewet "zo" dwingend dat ze zich aan de Belgische rechter opdringen, nog voor hij zijn internationale bevoegdheid onderzoekt? Of kan de zgn. "nationalistische" benadering van de bepaling, die "zo ver" gaat dat van een vermoeden van niet conforme interpretatie ervan door de buitenlandse rechter wordt uitgegaan( ), d.i. de hoofdzakelijk "Antwerpse" benadering, volgehouden worden? Kan hierbij ontkend worden dat dit standpunt erop neerkomt dat een "materiële" wet (het toepasselijk recht) meteen de bevoegdheid van de Belgische rechter impliceert, terwijl het toch zeer de vraag is wat dit "postulaat" kan verantwoorden. Het onderdeel vecht deze draagwijdte, die het aan het bestreden arrest geeft, aan. Evenwel steunen de appelrechters niet (rechtstreeks) op art. 91 als op een bepaling van internationale bevoegdheid. Ze hebben immers hun rechtsmacht vooraf, met de niet aangevochten overwegingen sub littera A (van II. Rechtsmacht), onderzocht in het licht van de artikelen 2 en 5, eerste lid EEX-Verdrag. Ze besluiten daarbij dat ze geen rechtsmacht kunnen putten uit dat artikel 5, lid 1 (daar de plaats van de uitvoering van de hoofdverbintenis van de vervoerovereenkomst, d.i. de levering, Houston (V.S.A.) is), noch uit artikel 2 (daar de eiseres, de vervoerder, haar vestiging in Duitsland heeft). Enkel na deze vaststelling grijpen ze terug naar artikel 91 Zeewet en kennen ze zich rechtsmacht toe omdat de toepassing van dat Belgisch recht door de Amerikaanse of de Duitse rechter niet kan verzekerd worden. Het onderdeel gaat er dus ten onrechte van uit dat de appelrechters op artikel 91 Zeewet als op een bepaling van internationale bevoegdheid steunen om hun rechtsmacht te verantwoorden. Uit de aangevochten redenen sub littera B blijkt dat ze het artikel als een bepaling van materieel recht beschouwen, nadat ze (sub A) hun door het EEX-Verdrag bepaalde internationale bevoegdheid hebben uitgesloten. Om al die redenen lijkt me het eerste onderdeel niet te kunnen aangenomen worden. 3. Het tweede onderdeel bekritiseert het arrest in zover het aldus internationale bevoegdheidsregels zou terzijde schuiven, op grond van een nationale wet, zelfs van dwingend recht. Het voert schending aan van die artikelen 2 en 5, lid 1 van het EEX-Verdrag (alsook van zijn artikelen 3, 17 en 53) en van het algemeen rechtsbeginsel van de voorrang van het internationaal recht op het nationaal recht. Om de redenen die aan de verwerping van het eerste onderdeel ten grondslag liggen kan dit tweede onderdeel niet tot cassatie leiden en is het dus niet ontvankelijk. 4. Het derde onderdeel voert aan dat appelrechters niet hebben onderzocht of het bevoegdheidsbeding, opgenomen in artikel 19 van de Standaard Voorwaarden voor Fiata Multimodaal Transport cognossement, waarin de Duitse rechtbank te Neunkirchen aangewezen werd, niet kan beschouwd worden als een geldige overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter krachtens een in de internationale handel geldende gewoonte die door de partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken branche doorgaans wordt in acht genomen als bedoeld door artikel 17, eerste lid,
- c)EEX-Verdrag. In antwoord op de prejudiciële vraag van het Hof, bij arrest van 8 april 1983( ), beslist het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, bij arrest van 19 juni 1984( ) dat, in de verhouding tussen vervoerder en derde-cognossementhouder, aan de voorwaarden van art. 17 EEX is voldaan, indien het bevoegdheidsbeding als geldig is erkend in de verhouding tussen de inlader en de vervoerder en de derde-houder bij verkrijging van het cognossement volgens het toepasselijke nationale recht de inlader in diens rechten en verplichtingen is opgevolgd. Het Hof past deze rechtspraak toe in zijn arrest van 18 september 1987( ): de derde-houder van een cognossement, beheerst door artikel 91 van de gecoördineerde wetten op de zee- en binnenvaart, put zijn rechten niet uit de verhouding tussen de inlader en de vervoerder, doch uit het cognossement zelf. Door het verwerven van het cognossement, volgt hij de inlader niet in diens rechten en verplichtingen op, zodat het bevoegdheidsbeding hem niet tegenwerpelijk is. Bij arrest van 9 november 2000( ) herhaalt het Hof van Justitie dat een in een cognossement opgenomen forumkeuzebeding tussen een vervoerder en een afzender kan worden ingeroepen tegen de derde-cognossementhouder wanneer hij volgens het toepasselijke nationale recht bij verkrijging van het cognossement de inlader in diens rechten en verplichtingen is opgevolgd; zoniet, moet zijn instemming met het beding worden onderzocht in het licht van de vereisten van artikel 17, eerste alinea, EEX-Verdrag. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de derde-houder van een cognossement geldt als een contractspartij of in de rechten is getreden van een der contractspartijen, berust op een onjuiste rechtsopvatting en faalt derhalve naar recht. De verwijzing, in de toelichting, naar het arrest van 16 maart 1999 van het Hof van Justitie, in de zaak Castellitti, is niet dienend, daar dit arrest betrekking heeft op de geldigheid, naar de vorm, van het forumbeding tussen de oorspronkelijke contractpartijen en niet op de tegenstelbaarheid van het beding aan de cognossementhouder. Wat die geldigheid betreft heeft het Hof van Justitie overigens steeds de nadruk gelegd op de vereiste van wilsovereenstemming( ). 5. Het vierde onderdeel, tenslotte, komt op tegen de beslissing dat de eiseres, die de onbevoegdheid van de Belgische rechter opwerpt, het bewijs moet leveren dat de buitenlandse rechters artikel 91 van de Zeewet zullen toepassen, dat, nu zulks niet wordt bewezen, in casu noch aan de Amerikaanse rechter, noch aan de Duitse rechter, rechtsmacht/bevoegdheid toegekend kan worden en dat, nu de Belgische rechtbanken als enigen met zekerheid artikel 91 van de Zeewet zullen toepassen, de Belgische rechtbanken, en meer bepaald het hof van beroep, wel degelijk rechtsmacht hebben om van onderhavig geschil kennis te nemen. Het onderdeel verwijt de appelrechters het bewijs van de concrete inhoud van het vreemd recht op de eiseres af te wentelen, terwijl dit de taak van de rechter is. Om de redenen die aan de verwerping van het eerste onderdeel ten grondslag liggen kan dit vierde onderdeel evenmin tot cassatie leiden en is het dus ook niet ontvankelijk. 6. Conclusie: verwerping. Gerelateerde publicatie(
- s)Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110107.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div