← België

ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110110.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 januari 2011 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110110.3 Rolnummer: S.09.0102.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2011-01-28 Raadplegingen: 297 - laatst gezien 2026-07-01 09:02 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110110.3 Fiche 1 De appelrechter die het hoger beroep gegrond of ten dele gegrond verklaart, het beroepen vonnis wijzigt en zelf uitspraak doet over het geschil, mag de zaak niet naar de eerste rechter verwijzen, ook al beveelt hij tevens een onderzoeksmaatregel die dezelfde of grotendeels dezelfde is als diegene bevolen door het beroepen vonnis. De appelrechter doet ook zelf uitspraak over het geschil wanneer hij een geschilpunt dat niet de grondslag vormt van de bevestigde onderzoeksmaatregel anders beoordeelt dan de eerste rechter

(1).
(1)Zie de conclusies van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Toepassingsgebied SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen Vrije woorden: Devolutieve werking - Uitspraak over het geschil - Onderzoeksmaatregel - Verwijzing naar de eerste rechter Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1068, tweede lid Fiche 2 Het inwonen in de zin van artikel 18 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 veronderstelt niet noodzakelijk dat de dienstbode in dezelfde woning als zijn werkgever leeft
(1).
(1)Zie de conclusies van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Toepassingsgebied SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen Vrije woorden: Dienstboden - Inwonen Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 28-11-1969 - Art. 18 Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal Mortier. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Toepassingsgebied SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen Vrije woorden: Devolutieve werking - Uitspraak over het geschil - Onderzoeksmaatregel - Verwijzing naar de eerste rechter Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Toepassingsgebied SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen Vrije woorden: Dienstboden - Inwonen Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ S.09.0102.N Conclusie van advocaat-generaal R. Mortier: 1. Het eerste middel heeft betrekking op de draagwijdte en de toepassing van het bepaalde in artikel 1068, tweede lid Ger.W. krachtens hetwelk de rechter in hoger beroep de zaak alleen dan verwijst naar de eerste rechter, indien hij, zelfs gedeeltelijk, een in het aangevochten vonnis bevolen onderzoeksmaatregel bevestigt. 2. In oudere rechtspraak, voornamelijk sedert het arrest van 13 januari 1972
(1)gaf uw Hof aan de terugwijzing een algemeen en verplicht karakter. Van zodra een bevolen onderzoeksmaatregel, al was het maar gedeeltelijk, bevestigd werd gold de terugwijzingsplicht van de zaak in haar geheel, zelfs ingeval van gemengde vonnissen, dus ongeacht of het vonnis naast de onderzoeksmaatregel nog andere beschikkingen bevat
(2), ongeacht of het onderzoek werd ingesteld tegen de onderzoeksmaatregel zelf of tegen een andere beschikking van het vonnis.
(3)In de rechtsleer werd deze zienswijze bekritiseerd omdat zij afbreuk zou doen aan de algemene regel van de verruimde devolutieve werking van het hoger beroep zoals bepaald in het eerste lid van artikel 1068 Ger.W., die erop neerkomt dat de zaak in haar geheel naar de rechter in hoger beroep wordt overgeheveld van zodra dit eindbeschikkingen bevat. De plicht tot terugverwijzing krachtens artikel 1068, tweede lid Ger.W. heeft, aldus deze kritiek, een uitzonderingskarakter en zou slechts toepassing vinden in twee gevallen, namelijk wanneer de aangevochten beslissing uitsluitend een onderzoeksmaatregel bevat en deze in hoger beroep wordt bevestigd en in het geval het hoger beroep louter gericht is tegen een door de eerste rechter bevolen onderzoeksmaatregel in een gemengd vonnis en deze maatregel door de rechter in hoger beroep wordt bevestigd.
(4)3. De recentere rechtspraak van uw Hof beklemtoont het uitzonderlijk karakter van het tweede lid van artikel 1068 Ger.W. Zo werd bij arrest van 29 januari 2010
(5)geoordeeld dat het arrest, dat de zaak naar de eerste rechter verwijst, (maar) er zich niet toe beperkt een door die rechter bevolen onderzoeksmaatregel geheel of gedeeltelijk te bevestigen artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek schendt. Eerder oordeelde Uw Hof dat de appelrechters die, na het hoger beroep gegrond te hebben verklaard, het beroepen vonnis wijzigen en zelf uitspraak doen over het geschil, de zaak niet naar de eerste rechter dienen te verwijzen wanneer zij zelf een onderzoeksmaatregel bevelen, ook al had het beroepen vonnis dezelfde onderzoeksmaatregel bevolen
(6), ook al is die onderzoeksmaatregel grotendeels dezelfde als degene bevolen door het beroepen vonnis
(7)of ook al werd dezelfde deskundige met eenzelfde opdracht gelast
(8). 4. In zijn conclusie vóór het arrest van 29 januari 2004 stelde advocaat - generaal Thijs in dit verband dat: "De verwijzingsverplichting van art. 1068, 2de lid Ger.W. staat en valt met een veeleer formeel criterium. Wanneer de appèlrechter het beroepen vonnis teniet doet\hervormt\wijzigt, dientengevolge opnieuw oordeelt en in die lijn een onderzoeksmaatregel beveelt, is van een 'bevestiging' in de zin van voormelde bepaling geen sprake. Dat de appèlrechter dezelfde onderzoeksmaatregel als de eerste rechter beveelt, doet hieraan geen afbreuk. De appèlrechter spreekt zich opnieuw uit. Dit is wat anders dan (desnoods) op grond van eigen motieven de beslissing van de eerste rechter bevestigen. Dit is zeker wat anders dan de motieven van de eerste rechter (deels) beamen en dientengevolge zijn beslissing bevestigen. In deze laatste gevallen spreekt de appèlrechter uiteraard zelf recht, doch doorheen de mond van de eerste rechter. Alsdan moet hij, wanneer hij de door de eerste rechter bevolen onderzoeksmaatregel (al was het deels) bevestigt, de zaak naar de eerste rechter verwijzen. De appèlbeslissing moet 'goed' worden bekeken. Het loutere feit dat de appèlrechter (klaarblijkelijk) dezelfde onderzoeksmaatregel beveelt als de eerste rechter mag niet misleidend werken. Inderdaad, het beschikkende gedeelte geeft de doorslag. Eens de appèlrechter de beslissing van de eerste rechter (al was het deels) teniet doet\hervormt\wijzigt en in functie van zijn nieuw oordeel een (per definitie aan dit nieuwe oordeel ondergeschikte) onderzoeksmaatregel uitspreekt, ook al gaat het eigenlijk om dezelfde onderzoeksmaatregel als die van de eerste rechter, moet hij de zaak aan zich houden. In dat geval spreekt de appèlrechter geen recht door de mond van de eerste rechter (evenmin wat de onderzoeksmaatregel betreft). Een bevestiging in de zin van art. 1068, 2de lid Ger.W. is niet aan de orde. De verwijzingsverplichting in de zin van deze bepaling speelt enkel wanneer de appèlrechter het oordeel van de eerste rechter behoudt, ook m.b.t. de door deze laatste bevolen onderzoeksmaatregel. Een andere zienswijze zou erop neerkomen dat de appèlrechter een illegale rol van cassatie- en verwijzingsrechter wordt toegemeten. Indien de appèlrechter, niettegenstaande het feit dat hij het beroepen vonnis teniet doet\hervormt\wijzigt (en voorts in functie van zijn nieuw oordeel per hypothese dezelfde onderzoeksmaatregel beveelt als de eerste rechter), de zaak naar de eerste rechter moet verwijzen, dan zal die eerste rechter (verder) dienen te oordelen in functie van een (door de appèlrechter) teniet gedane\hervormde\gewijzigde beslissing. De eerste rechter die bv. in een bepaalde zin oordeelt over de aansprakelijkheid voor een schadegeval en ter begroting van de schade een deskundigenonderzoek beveelt, zal dan verder dienen te oordelen in functie van de in hoger beroep teniet gedane\hervormde\gewijzigde beslissing over de aansprakelijkheid. Dit gaat niet op: zodra de appèlrechter het beroepen vonnis teniet doet\hervormt\wijzigt, primeert art.1068, 1ste lid Ger.W. boven art. 1068, 2de lid Ger.W."
(9)
  1. Eiseres gaat er in het eerste middel van uit dat wanneer de rechter in hoger beroep het eerste vonnis vernietigt en wijzigt op bepaalde punten maar de beslissingen van de eerste rechter die het uitgangspunt vormden tot het bevelen van een onderzoeksmaatregel niet wijzigt en dus voor het bevelen van een onderzoeksmaatregel hetzelfde uitgangspunt neemt als de eerste rechter, hij de beslissing van de eerste rechter bevestigt en in dat geval de zaak dient terug te wijzen. Eiseres is op grond van deze stelling van oordeel dat de appelrechters niet wettig de zaak in haar geheel tot zich getrokken hebben en zij artikel 1068 Ger.W. schenden door de zaak niet naar de eerste rechter te hebben verwezen voor verdere behandeling van de geschilpunten waarover de beoordeling afhankelijk is van de resultaten van de onderzoeksmaatregel. Mijns inziens kan dit standpunt niet bijgetreden worden. Vooreerst is het zo dat, anders dan het eerste middel aanvoert, de appelrechter in voorliggende zaak, die de zaak in haar geheel tot zich trekt, het hoger beroep gedeeltelijk gegrond verklaart en het vonnis van de eerste rechter vernietigt alleszins meer doet dan louter de door de eerste rechter bevolen onderzoeksmaatregel bevestigen. Bovendien faalt het standpunt naar recht. Zoals hiervoor gesteld, primeert het eerste lid van artikel 1068 Ger.W. boven het tweede lid zodra de appelrechter het beroepen vonnis teniet doet\hervormt\wijzigt. Noch artikel 1068 Ger.W., noch enige andere wetsbepaling maken hierbij het onderscheid dat eiseres in haar middel naar voor brengt. Bovendien leidt de stelling van eiseres met het aangevoerde onderscheid niet enkel tot een opsplitsing van het geschil, maar vereist het ook een soms moeilijke of delicate interpretatie door de appelrechter van welke beslissingen het uitgangspunt vormen voor de bevolen onderzoeksmaatregel en welke niet. Zowel de opsplitsing van het geschil als de verplichting tot bijkomende analyse bemoeilijkt het procesverloop en doorkruist de bedoelingen die de wetgever destijds met het invoeren van de terugwijzingsplicht voor ogen had, namelijk het vermijden van een bijkomende- of een overbelasting van de appelgerechten.
  2. In het eerste onderdeel van het tweede middel gaat eiseres er van uit dat slechts sprake is van een "inwonende dienstbode" wanneer die fysiek onder hetzelfde dak van de werkgever woont en dat het gegeven dat de dienstbode permanent ter beschikking staat van de werkgever, bij de beoordeling van het al dan niet inwonend karakter niet relevant is. Eiseres leidt hieruit af dat de dienstbode die, zoals in voorliggend geval woont in een aanpalend gebouw, dat eigendom is van de werkgever en speciaal wordt opgericht ten behoeve van de huisvesting van de dienstbode en hem gratis met dit doel ter beschikking wordt gesteld, zodat de werkgever permanent op de dienstbode kan beroep doen, niet te beschouwen is als een inwonende dienstbode. Artikel 18 van het uitvoeringsbesluit RSZ bepaalt dat de dienstboden, die hoofdzakelijk huishoudelijke arbeid van lichamelijke aard verrichten voor de behoeften van de huishouding van de werkgever en zijn gezin, uitgesloten worden van de toepassing van de RSZ wet wanneer zij niet bij de werkgever inwonen, zij geen vier uur per dag bij eenzelfde werkgever tewerkgesteld zijn, noch vierentwintig uur per week bij één of verschillende werkgevers tewerkgesteld zijn.Ook de werkgevers van deze werknemers worden wegens deze tewerkstelling van de toepassing van de RSZ wet uitgesloten. De bij de werkgever inwonende dienstboden worden binnen de perken bepaald bij artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit wel onderworpen aan de toepassing van de wet. Het begrip "inwonende dienstbode" wordt in de RSZ reglementering niet gedefinieerd. Het "inwonen" dient dan vanuit zijn gewone taalkundige betekenis beoordeeld te worden, terwijl het begrip "inwonende dienstbode" bovendien een historisch-economische invulling vereist. In de memorie van antwoord wordt er terecht op gewezen dat de inwonende dienstbode, die genoot van gratis kost en inwoon bij de werkgever, om die reden een kleiner loon kreeg uitbetaald. Daardoor werd de dienstbode sterk economisch afhankelijk van de werkgever en was er de nood aan een grotere sociale bescherming. Dit verklaart waarom de inwonende dienstbode niet aan de toepassing van de RSZ-wet werd onttrokken terwijl de niet-inwonende dienstboden overeenkomstig artikel 18 van het Uitvoeringsbesluit dergelijke bescherming niet genieten. Het inwonen van een dienstbode, het economisch afhankelijk zijn van de werkgever, garandeert een permanente nabijheid en een grotere beschikbaarheid ten behoeve van de werkgever in vergelijking tot de niet-inwonende dienstbode die slechts gedurende een aantal uren werkt bij één of meerdere werkgevers, en die dus enkel tijdens die uren aanwezig en beschikbaar is. Het louter feit dat de dienstbode niet in de hoofdwoning van de eigenaars met hen onder hetzelfde dak woont maar wel in een aanpalend gebouw op hetzelfde terrein dat eigendom is van de werkgever en hem gratis ter beschikking wordt gesteld kan er niet toe leiden de daar wonende dienstbode als een niet-inwonende dienstbode te beschouwen, nu de arbeidssituatie quasi identiek is en de permanente nabijheid en beschikbaarheid ten behoeve van de werkgever evenzeer gegarandeerd wordt. Het eerste onderdeel faalt bijgevolg naar recht. Het tweede onderdeel dat volledig is afgeleid uit de tevergeefs aangevoerde schending van artikel 18 van het Uitvoeringsbesluit RSZ is niet ontvankelijk.
  3. Met betrekking tot de ex delicto gestelde vordering tot schadevergoeding wegens het niet onderwerpen aan de sociale zekerheid gaan de appelrechters vooreerst na of het materieel en het moreel element van het misdrijf voorhanden zijn. Zij oordelen dat dit zo is en dat gezien verweerster als inwonende bediende te beschouwen was, eiseres ten onrechte de arbeidsprestaties van verweerster niet aangaf bij de Rijksdienst voor Sociale zekerheid en geen socialezekerheidsbijdragen betaalde op haar loon. De appelrechters gaan verder na of er sprake is van (gedeeltelijke) verjaring van de vordering. Zij oordelen dat dit niet zo is nu de aan eiseres verweten feiten een voortgezet misdrijf opleveren en de aanvang van de verjaringstermijn samenvalt met het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, die zich niet voor eind juli 2005 situeert. Zij oordelen verder dat gezien de dagvaarding werd betekend op 23 oktober 2006, de door verweerster gestelde vordering niet, zelfs niet gedeeltelijk verjaard is. De appelrechters konden op grond van de de door hen in dit verband gedane vaststellingen, oordelen dat de strafbare feiten die aan eiseres worden verweten tijdens de ganse duur van haar tewerkstelling als inwonende bediende verbonden zijn door eenheid van opzet. Zij schenden hiermee artikel 65 SW. niet. Het middel kan, in zijn beide onderdelen niet aangenomen worden. Conclusie: VERWERPING _____________________
(1)Cass. 13 jan. 1972, A.C. 1972, 469.
(2)Cass. 20 nov. 1987, A.C. 1987-1988, 366, nr. 173.
(3)Cass. 28 april 1980, A.C., 1979-1980, nr.1070
(4)Zie de verwijzingen naar het standpunt van Kohl en Fettweiss in K. Broeckx, Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Maklu, 1995, 247.
(5)Cass. 29 jan. 2010, AR C.09.0143.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100129.4.
(6)Cass. 29 jan. 2004, AR C.01.0537.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040129.7; A.C. 2004, nr. 53.
(7)Cass. 26 jan. 2007, AR C.06.0077.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070126.2, Pas. 2007, nr. 50.
(8)Cass. 14 jan. 2008, AR C.07.0234.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080114.5, A.C., 2008 nr. 23.
(9)Conclusie advocaat-generaal D. Thijs vóór Cass. 29 jan. 2004, AR C.01.0537.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040129.7, A.C. 2004, nr. 53. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110110.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040129.7 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070126.2 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080114.5 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100129.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.