← België

ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110114.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 14 januari 2011

Art. 2262bis, § 1 Wet - 18-07-1977 - Artt.

279 tot 285 Vrije woorden: Douane - Rechten bij invoer of uitvoer - Niet-geheven rechten - Navordering - Strafrechtelijk vervolgbare handeling - Onmogelijkheid om het juiste bedrag te bepalen - Toepasselijke verjaringstermijn Wettelijke bepalingen:

Art. 2262bis, § 1 Wet - 18-07-1977 - Artt.

279 tot 285 Thesaurus CAS: VERJARING - BELASTINGZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Algemene wet inzake douane en accijnzen - Uitvoer communautaire goederen FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Algemene wet inzake douane en accijnzen - Processen-verbaal, bekeuringen, aanhalingen, vervolgingen Vrije woorden: Douane en accijnzen - Overtredingen van de wet, fraudes en misdrijven - Navordering - Toepasselijke verjaringstermijn Wettelijke bepalingen:

Art. 2262bis, § 1 Wet - 18-07-1977 - Artt.

279 tot 285 Fiches 5 - 8 Conclusie van advocaat-generaal Thijs. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Algemene wet inzake douane en accijnzen - Uitvoer communautaire goederen FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Algemene wet inzake douane en accijnzen - Processen-verbaal, bekeuringen, aanhalingen, vervolgingen Vrije woorden: Misdrijven of overtredingen van de wet - Vaststelling bij proces-verbaal - Toepasselijke termijn Overtredingen van de wet, fraudes en misdrijven - Navordering - Toepasselijke verjaringstermijn Douane - Rechten bij invoer of uitvoer - Niet-geheven rechten - Navordering - Strafrechtelijk vervolgbare handeling - Onmogelijkheid om het juiste bedrag te bepalen - Toepasselijke verjaringstermijn Thesaurus CAS: VERJARING - BELASTINGZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Algemene wet inzake douane en accijnzen - Uitvoer communautaire goederen FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Algemene wet inzake douane en accijnzen - Processen-verbaal, bekeuringen, aanhalingen, vervolgingen Vrije woorden: Douane en accijnzen - Overtredingen van de wet, fraudes en misdrijven - Navordering - Toepasselijke verjaringstermijn Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ F.09.0162.N Conclusie van advocaat-generaal D. Thijs: I. De feiten en procedurevoorgaanden. De betwisting in deze zaak betreft de verjaring van de navordering van de rechten bij invoer. In maart en april 1989, werden door de douane-expediteur NV PANALPINA WORLD TRANSPORT, voor rekening van de NV UPTOWN, zijnde de verweersters, te Zaventem textielprodukten uit Lesotho ten invoer aangegeven, onder dekking van certificaten van oorsprong form A. Achteraf bleek dat deze uitvoeren uit Lesotho niet in aanmerking kwamen om van het preferentieel regime te genieten van Verordening 693/88 van 4 maart 1988 betreffende de definitie van het begrip 'produkten van oorsprong' voor de toepassing van de door de EEG voor bepaalde produkten uit ontwikkelingslanden verleende tariefpreferenties. De certificaten werden derhalve ingetrokken, zodat volgens de eiseres (bijkomende) rechten bij invoer verschuldigd waren. Het proces-verbaal opgesteld door de administratie der douane en accijnzen op 27 maart 1992, bracht het gevorderde bedrag ter kennis van de verweersters. het proces-verbaal vermeldde dat bij de aangifte, met het opzet de douane te bedriegen, valse, misleidende of onjuiste documenten zijn overgelegd en dat de plaats of het land vanwaar de goederen zijn aangebracht en vanwaar ze van oorsprong zijn, niet is aangegeven. Bij dagvaarding van 12 december 1994 vorderde de belgische staat, de veroordeling van de verweersters tot betaling van de verschuldigde invoerheffingen, te vermeerderen met interest en kosten. De eerste rechter verklaarde de vordering van de eiseres ten opzichte van de verweersters verjaard op basis van artikel 202 van het koninklijk besluit van 18 juli 1977, houdende coördinatie van de algemene bepalingen inzake douane en accijnzen (hierna: de AWDA): hij oordeelde dat aangezien de douaneschulden zijn ontstaan in maart en april 1989, en de administratie maar vaststelde bij PV van 27 maart 1992 dat de rechten bij invoer niet of niet volledig werden geïnd, de in artikel 202 bepaalde termijn van twee jaar was verlopen. Het bestreden arrest bevestigde dit oordeel. II. De voorziening in cassatie.

  1. In het enig middel tot cassatie voert eiser aan dat het bestreden arrest de navordering niet wettig verjaard heeft verklaard op basis van artikel 202, §1, AWDA (schending van de artikelen 202 AWDA, 2 en 3 van de Verordening nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979, 2262, 2262bis van het B.W. en 10 van de wet van 10 juni 1998). Eiser argumenteert dat de artikelen 279 tot en met 285 AWDA onder meer de navorderingen regelen wegens overtredingen, fraudes en misdrijven inzake douane en accijnzen en gaat ervan uit dat de AWDA daarvoor geen verjaringstermijn bepaalt. In geval van een strafrechtelijk vervolgbare handeling is de navordering van de verschuldigde rechten naar Belgisch recht volgens eiser derhalve onderworpen aan de wettelijke regeling van de verjaring in burgerlijke zaken, zijnde voorheen de dertigjarige verjaringstermijn van artikel 2262 van het B.W., en sinds de invoeging van artikel 2262bis bij wet van 10 juni 1998, de tienjarige verjaringstermijn ingesteld door artikel 2262bis, §1, van het B.W.
  2. In zijn in casu toepasselijke versie bepaalt artikel 202, §1, AWDA, dat indien de ambtenaren der Douane en accijnzen binnen twee jaar na de datum van het certificaat van verificatie vaststellen dat het invoerrrecht of de accijns of de daarmede gelijkgestelde rechten en taksen, verschuldigd op de ten verbruik aangegeven goederen, niet volledig werden geïnd wegens een verkeerde aangifte, zijn de importeur, de douane-expediteur en degene die rechtstreeks de last van de rechten en taksen heeft gedragen, solidair verplicht tot betaling van de ontdoken rechten en taksen. Op huidig geval is Verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide (hierna: Verordening 1697/79) van toepassing. Artikel 2.1, lid 2 van Verordening 1697/79 bepaalt dat een procedure tot navordering van de niet-geheven rechten niet meer ingeleid kan worden na een termijn van drie jaar vanaf de dag waarop het oorspronkelijk van de belastingschuldige opgeëiste bedrag is geboekt, of, indien geen boeking heeft plaatsgevonden, vanaf de dag waarop de douaneschuld ter zake van het betrokken goed is ontstaan. In artikel 3 van Verordening 1697/79, is gestipuleerd dat de driejarige termijn van artikel 2.1, lid 2 van deze verordening niet van toepassing is wanneer de bevoegde autoriteiten constateren dat zij ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten bij invoer of bij uitvoer ter zake vast te stellen. In dat geval geschiedt de navordering door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de op dit gebied in de Lid-Staten geldende bepalingen. Met andere woorden komt, zoals advocaat-generaal Van Gerven

(1)het stelt, de (bij hypothese langere) verjaringstermijn die in het nationale recht ten aanzien van de betrokken handeling is voorzien, in de plaats van de gemeenschapsrechtelijke termijn van drie jaar.
  1. Waarom is deze verjaringstermijn bij hypothese langer? De tweede considerans bij verordening 1697/79 legt uit dat de navordering van rechten bij in- of uitvoer in zekere mate afbreuk doen aan de zekerheid die de belastingschuldige mag verwachten van administratieve besluiten die geldelijke gevolgen hebben. Daarom dienen ter zake de mogelijkheden tot optreden van de bevoegde autoriteiten te worden beperkt door het vaststellen van een termijn waarna de oorspronkelijke vereffening van de rechten bij invoer of bij uitvoer als definitief moet worden beschouwd. Deze termijn heeft artikel 2 van Verordening 1697/79 vastgelegd op drie jaar vanaf de dag waarop het oorspronkelijk van de belastingschuldige opgeëiste bedrag is geboekt, of, indien geen boeking heeft plaatsgevonden, vanaf de dag waarop de douaneschuld ter zake van het betrokken goed is ontstaan. Deze beperking op het optreden van de bevoegde autoriteiten kan volgens de tweede considerans evenwel niet gelden wanneer een strafrechtelijk vervolgbare handeling er de oorzaak van was dat de bevoegde autoriteiten bij de vrijmaking van de goederen niet het juiste bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer konden vaststellen. Met andere woorden, de autoriteiten moeten dan over ruimere navorderingsmogelijkheden beschikken, namelijk een langere verjaringstermijn. Dat men naar het nationaal recht kijkt, enkel voor wat betreft de langere verjaringstermijn, blijkt ook uit artikel 221.3 en 221.4 van het Communautair Douanewetboek, ingesteld bij EG-Verordening 2913/
  2. De artikelen 221.3 en 221.4 CDW zijn de opvolgers van de artikelen 2 en 3 van Verordening 1697/
  3. Ze bepalen: "
  4. De mededeling aan de schuldenaar moet plaatsvinden binnen drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan. [...]
  5. Wanneer de douaneschuld is ontstaan ingevolge een handeling die op het tijdstip dat zij werd verricht vervolgbaar was, mag de mededeling van de wettelijk verschuldigde bedragen, overeenkomstig de in de geldende bepalingen daartoe gestelde voorwaarden, nog na het verstrijken van de in lid 3 bedoelde termijn aan de schuldenaar worden gedaan." Het Hof van Justitie van de EU (hierna: Hof van Justitie) oordeelde dat art. 221, lid 3, CDW aldus moet worden uitgelegd dat de douaneautoriteiten na het verstrijken van de termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan, rechtsgeldig tot mededeling van het bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten aan de schuldenaar kunnen overgaan wanneer zij ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het juiste bedrag van die rechten vast te stellen.
(2)In deze context kan tevens verwezen worden naar de arresten van Uw Hof van 8 november 2005 (P.05.00698.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061024.10) en 5 juni 2007 (P.06.1404.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.9)
(3), waarbij beslist werd dat de driejaarlijkse navorderingstermijn niet van toepassing is telkens wanneer een strafrechtelijk vervolgbaar feit aan de basis lag van het ontstaan van de douaneschuld, zodat ook na het verstrijken van deze termijn nog rechtsgeldige mededeling en navordering van de schuld kan uitgevoerd worden. 4. Betreft artikel 202 AWDA de verjaringstermijn die in het nationale recht ten aanzien van de strafrechtelijk vervolgbare handeling is voorzien? Zoals ik reeds vermeldde, dient volgens de eerste rechter, in het geval een strafrechtelijk vervolgbare handeling aan de basis ligt van de navordering, gehandeld te worden op basis van artikel 202 AWDA. De termijn van navordering kan volgens hem derhalve terzake slechts worden gestuit indien de administratie der douane en accijnzen binnen de twee jaar vanaf de dag waarop de belastingschuld is ontstaan, vaststelt dat de invoerrechten niet volledig werden geïnd. Artikel 202, §1, AWDA is inderdaad de enige bepaling in het Belgisch douanerecht die verwijst naar een douaneschuld die ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet of niet volledig werd geïnd. In zijn actuele versie bepaalt artikel 202 AWDA dat wanneer, na het afsluiten van het certificaat van verificatie, de ambtenaren binnen een termijn van drie jaar, te rekenen vanaf de dag waarop het oorspronkelijk van de belastingschuldige opgeëiste bedrag is geboekt, of, indien geen boeking heeft plaatsgevonden, vanaf de dag waarop de belastingschuld is ontstaan, vaststellen dat de rechten of de accijnzen, wettelijk verschuldigd op de aangegeven goederen, niet of niet volledig werden geïnd wegens een strafrechtelijk vervolgbare handeling, de ontdoken rechten of de accijnzen moeten worden betaald ofwel door de belastingschuldige die, hetzij primair, hetzij subsidiair gehouden is tot de betaling van die belastingen, ofwel door zijn rechtverkrijgenden. Het was de bedoeling van de wetgever om bij wet van 22 december 1989 houdende fiscale bepalingen
(4)de AWDA "te doen overeenstemmen met de voorschriften van de Gemeenschappen"
(5). De wetgever is mijn inziens in dat opzet niet geslaagd. Artikel 202 AWDA regelt immers niet de mogelijkheid om de mededeling van het bedrag aan rechten aan de schuldenaar nog na het verstrijken van de termijn van drie jaar, te verrichten, conform artikel 3 van Verordening 1697/79. De toepassing van artikel 202 AWDA leidt aldus tot onlogische oplossingen, want ze wordt geïnterpreteerd alsdat in een situatie waarbij de douaneautoriteiten niet in staat waren het juiste bedrag aan rechten bij invoer vast te stellen ingevolge een strafbare vervolgbare handeling, de douaneautoriteiten de niet volledige inning van de invoerrechten moeten vaststellen binnen de in de oude versie van de wet gestelde termijn van twee jaar na datum van het certificaat van verificatie, om nog te kunnen navorderen. Onder huidige versie moeten ze dit hebben vastgesteld binnen de drie jaar te rekenen vanaf de boeking, respectievelijk het ontstaan van de douaneschuld. In deze interpretatie is de regeling van artikel 202 AWDA veel strenger dan artikel 3 van verordening 1697/79 (en art. 221.3 CDW) alwaar juist het omgekeerde door de EU-wetgever werd beoogd. De bedoeling van de EU-wetgever was aan de douaneautoriteiten wat manoeuvreerruimte te schenken, wat meer tijd te gunnen dan de algemene termijn van drie jaar, indien ze het juiste bedrag van de douaneschuld niet hebben kunnen vaststellen doordat een strafbaar vervolgbare handeling aan de basis ligt van de navordering. In artikel 202 AWDA voegt de wetgever (en terzake ook de feitenrechters) een voorwaarde toe aan de toepassing van artikel 3 van Verordening 1697/79, in strijd met het EU-recht. Het EU-recht vereist niet, in geval een strafrechtelijk vervolgbare handeling, dat het bedrag van niet geïnde rechten moet worden vastgesteld binnen de drie jaar, alvorens het later nog aan de schuldenaar wordt meegedeeld. Uw Hof oordeelde trouwens dat voor de toepassing van artikel 3 van de verordening 1697/79 duidelijk niet vereist is dat de autoriteiten niet in staat waren om binnen de termijn van drie jaar het juiste bedrag vast te stellen.
(6)Met andere woorden, de dag waarop het juiste bedrag is vastgesteld, is niet relevant voor de toepassing van de langere verjaringstermijn. Wat telt, is dat het bedrag aan verschuldigde rechten binnen deze laatste termijn aan de schuldenaar wordt meegedeeld.
  1. Artikel 4.3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie bepaalt: "
  2. [...] De Lid-Staten treffen alle algemene en bijzondere maatregelen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de Verdragen of uit de handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. De Lid-Staten vergemakkelijken de vervulling van de taak van de Unie en onthouden zich van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar kunnen brengen."
(7)EEG-Verordening 1697/79 heeft een algemene strekking. Zij is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.
(8)Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie
(9)houdt de rechtstreekse toepasselijkheid van het gemeenschapsrecht in dat de regels vanaf hun inwerkingtreding en tijdens hun gehele geldigheidsduur hun volle werking op eenvormige wijze in alle Lid-Staten moeten ontplooien. De rechtstreeks toepasselijke bepalingen zijn aldus een rechtstreekse bron van rechten en verplichtingen voor allen die zij betreffen, ongeacht of het gaat om Lid-Staten of om particulieren. Krachtens het beginsel van de voorrang van het gemeenschapsrecht hebben de verdragsbepalingen en de rechtstreeks toepasselijke handelingen der instellingen, in hun verhouding tot het nationale recht der Lid-Staten tot gevolg niet alleen dat zij door het enkele feit van hun inwerkingtreding elke strijdige bepaling van de bestaande nationale wetgeving van rechtswege buiten toepassing doen treden, maar ook - daar die bepalingen en handelingen onderdeel van hogere rang vormen van de op het grondgebied van elk der Lid-Staat geldende rechtsorde - dat zij in de weg staan aan de geldige totstandkoming van nieuwe nationale wetgevende handelingen, voor zover die onverenigbaar met de gemeenschapsregels zouden zijn. De toekenning van enige rechtskracht aan nationale wetgevende handelingen die op het terrein komen waarbinnen de wetgevende bevoegdheid der Gemeenschap geldt, of die anderszins met de bepalingen van het gemeenschapsrecht onverenigbaar zijn, zou neerkomen op een ontkenning in zoverre van de werkingskracht van door de Lid-Staten bij het verdrag onvoorwaardelijk en onherroepelijk aanvaarde verbintenissen, en zou aldus tornen aan de grondslagen zelf der gemeenschap. De nationale rechter, belast met de toepassing, in het kader zijner bevoegdheid, van de bepalingen van het gemeenschapsrecht, is verplicht zorg te dragen voor de volle werking dier normen, daarbij zo nodig, op eigen gezag, elke strijdige bepaling van de - zelfs latere - nationale wetgeving buiten toepassing latende, zonder dat hij de voorafgaande opheffing hiervan via de wetgeving of enige andere constitutionele procedure heeft te vragen of af te wachten. Artikel 202 AWDA kan naar mijn oordeel derhalve niet dienstig zijn voor de toepassing van de uitzonderingsregeling inzake verjaring van de douaneschuld.
(10)Aangezien de toepassing van artikel 202 AWDA, zoals in casu, leidt tot regelingen strijdig met het EU-douanerecht, wordt deze bepaling best herschreven door de wetgever, minstens met betrekking tot de rechten (bij invoer of bij uitvoer).
(11)Het dient immers beklemtoond dat de ongewijzigde handhaving in de wettelijke regeling van een Lid-Staat van een bepaling die in strijd is met een bepaling van het gemeenschapsrecht, ook al is deze laatste rechtstreeks toepasselijk in de rechtsorde van de Lid-Staten, tot een onduidelijke feitelijke situatie leidt, doordat de betrokken rechtssubjecten in onzekerheid worden gelaten over hun mogelijkheden om zich op het gemeenschapsrecht te beroepen. Dit betekent dat de betrokken Lid-Staat, door een dergelijke bepaling te handhaven, de krachtens het verdrag op hem rustende verplichtingen niet nakomt.
(12)Artikel 202 AWDA kan bijgevolg niet geacht worden de termijn te regelen waarbinnen eiser tot navordering moet overgaan in geval van een strafrechtelijk vervolgbare handeling.
(13)6. Aangezien artikel 202 AWDA terzake niet dienstig kan zijn voor de toepassing van artikel 3 van de verordening 1697/79, stelt zich de vraag welke de geldende nationale bepaling is Het antwoord is reeds door Uw Hof gegeven in een arrest van 26 februari 2008.
(14)Uw Hof oordeelde in dit arrest dat de artikelen 279 tot en met 285 AWDA onder meer de navorderingen regelen wegens overtredingen, fraudes en misdrijven inzake douane en accijnzen, maar dat de AWDA daarvoor geen verjaringstermijn bepaalt. Aldus is volgens Uw Hof de verjaringstermijn voor rechtsvorderingen van het burgerlijk recht toepasselijk. Dit is te dezen de tienjarige verjaringstermijn ingesteld door artikel 2262bis, §1, van het Burgerlijk Wetboek. Vóór de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998
(15), zijnde 27 juli 1998, gold de dertigjarige termijn van oud artikel 2262 BW. 7. Terloops weze opgemerkt dat dit standpunt slechts kan gevolgd worden zolang artikel 68.2 van Verordening 450/2008 van 23 april 2008 tot vaststelling van het communautair douanewetboek
(16)(hierna: het gemoderniseerd douanewetboek), niet van toepassing is op de douaneschulden.
(17)Krachtens dit artikel wordt in het geval dat de douaneschuld is ontstaan ingevolge een handeling die op het tijdstip dat zij werd verricht, strafrechtelijk vervolgbaar was, de termijn van drie jaar om het bedrag van de douaneschuld aan de schuldenaar mee te delen, verlengd tot tien jaar. De verjaringstermijn blijft in dit geval dus tien jaar, zij het dat dit niet meer volgt uit artikel 2262bis, §1, van het Burgerlijk Wetboek, maar uit artikel 68.2 van het gemoderniseerd douanewetboek.
(18)8. Het bestreden arrest bevestigt zodoende ten onrechte het oordeel van de eerste rechter dat de vordering van eiser verjaard is op grond van artikel 202 AWDA en schendt aldus artikel 3 van Verordening 1697/79 en artikel 2262bis, §1, van het Burgerlijk Wetboek. Het middel komt mij dan ook gegrond voor. Besluit: VERNIETIGING. ____________________
(1)Conclusie bij het arrest van het Hof van Justitie van 27 november 1991, zaak C-273/90, Meico-Fell. Zie voor de rechtspraak van het Hof van Justitie, de website van het Hof van Justitie: http://curia.europa.eu. Deze databank bevat echter slechts rechtspraak sedert 17 juni 1997. Voor de arresten uitgesproken vóór deze datum, zie de verwijzingen naar de rechtspraak onder de desbetreffende verordeningen op http://eur-lex.europa.eu/nl/index.htm (via "eenvoudig zoeken" - "referentienummer document").
(2)HvJ 16 juli 2009, Snauwaert, gevoegde zaken C-124/08 en C-125/08; zie ook Cass. 8 december 2009, P.07.0747.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091208.3, www.cass.be; Cass. 15 december 2009, P.06.1518.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.14, www.cass.be.
(3)In de geciteerde rechtspraak gaat het om de draagwijdte van zowel het eerdere artikel 221.3 in fine CDW als het vigerende artikel 221.4 CDW (wijziging door artikel 17 van Verordening 2700/00 van 16 november 2000). Deze bepalingen hernemen evenwel quasi letterlijk de bepaling die reeds vervat was in artikel 3 van Verordening 1697/79. Mutatis mutandis wordt derhalve ook de vroegere wetsbepaling beoordeeld.
(4)BS 29 december 1989.
(5)Verslag over het wetsontwerp houdende fiscale bepalingen, Parl. St. Kamer 1989-90, nr. 1026/5, 3. De wettekst is vervolgens ook nog vervangen bij artikel 39 van de wet van 27 december 1993 tot wijziging van de AWDA, maar niet op substantiële wijze. Het was de bedoeling om in elk artikel van de AWDA de aard van de betrokken belasting nader aan te geven (Parl. St. Senaat, 1992-1993, Memorie van toelichting, nr. 657-1, p. 5).
(6)Cass. 9 januari 2009, C.07.0188.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090109.4, www.cass.be, met concl. O.M..
(7)Dit was voorheen bepaald in artikel 10 van het EG-Verdrag. Zie daarover K. Lenaerts en P. Van Nuffel, Europees recht in hoofdlijnen, Antwerpen, Maklu, 2008, nr. 127 e.v.
(8)Artikel 288, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (oud artikel 249, tweede lid, van het EG-Verdrag)
(9)HvJ 9 maart 1978, Simmenthal, 106/77; zie ook HvJ 11 januari 2007, ITC, C-208/05 en de in dit arrest geciteerde rechtspraak. Zie daarover K. Lenaerts en P. Van Nuffel, Europees recht in hoofdlijnen, Antwerpen, Maklu, 2008, nr. 686 e.v.
(10)Zie ook E. Gevers, "Beschouwingen bij boeking en mededeling van de douaneschuld" in Liber Amicorum Jozef Van den Heuvel, Antwerpen, Kluwer, 1999, 786.
(11)Terzake ga ik niet in op de navordering van bijkomende accijns, waarop huidige zaak geen betrekking heeft.
(12)Arresten van het Hof van Justitie van 13 juli 2000, Commissie/Frankrijk, C-160/99, en 15 oktober 1986, Commissie/Italie, 168/85, Jurispr. 1986, 2945.
(13)Zie conclusies van adv.-gen. M. TIMPERMAN bij Cass., 26 februari 2008, P.07.1021.N - P.07.1303.N, www.cass.be, p. 10-11).
(14)Cass. 26 februari 2008, AR P.06.1518.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.14, A.C. 2008, nr. 129; zie tevens Cass. 26 februari 2008, AR P.07.1543.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.15., A.C. 2008, nr. 130).
(15)De wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring (BS 17 juli 1998), heeft het artikel 2262bis in het Burgerlijk Wetboek gevoegd.
(16)Pb L 145 van 4 juni 2008, te raadplegen op http://eur-lex.europa.eu.
(17)Artikel 68.2 van het gemoderniseerd douanewetboek is ten laatste op 25 juni 2013, van toepassing; zie artikel 188.2 van het gemoderniseerd douanewetboek.
(18)Zie over deze problematiek, A. BOSSUYT, Enkele capita selecta uit het EG-douanerecht, RW 2008-2009, nr. 41, 13 juni 2009, 1714 e. v. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110114.7 citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061024.10 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.9 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090109.4 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091208.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.14 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.