← België

ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110114.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 14 januari 2011 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110114.8 Rolnummer: F.10.0005.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2011-01-28 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-07-02 04:29 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110114.8 Fiche 1 De op grond van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen verschuldigde bijdrage en provisionele storting zijn uitsluitend aftrekbaar zoals de uitgaven bedoeld in artikel 71 van het W.I.B.

(1964)zodat de op grond van artikel 62 van die wet verschuldigde nalatigheidsinterest niet aftrekbaar is
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Van het totaal belastbaar netto-inkomen aftrekbare lasten UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Aftrekbare bestedingen - Algemeen Vrije woorden: Bijdrage, provisionele storting en nalatigheidsinterest - Wet 28 december 1983 - Aftrekbaarheid Wettelijke bepalingen: Wet - 28-12-1983 - Art. 68 Wetboek van Inkomstenbelastingen - 26-02-1964 - Art. 71 Fiche 2 Conclusie van advocaat-generaal Thijs. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Van het totaal belastbaar netto-inkomen aftrekbare lasten UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Aftrekbare bestedingen - Algemeen Vrije woorden: Bijdrage, provisionele storting en nalatigheidsinterest - Wet 28 december 1983 Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ F.10.0005.N Conclusie van advocaat-generaal D. Thijs: 1. Gedurende de aanslagjaren 1983 tot 1989 waren de personen die onderworpen zijn aan om het even welk socialezekerheidsstelsel of onder enig opzicht gerechtigd waren op ten minste één van de socialezekerheidsprestaties en van wie het nettobedrag van de gezamenlijke belastbare inkomsten in de personenbelasting meer dan 3 miljoen frank bedroeg, jaarlijks, op grond van artikel 60 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, gehouden tot betaling van een bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid. Deze bijzondere bijdrage moest via een provisionele storting worden betaald, te verrichten vóór 1 december van het jaar voorafgaand aan het aanslagjaar (artikel 62 van voormelde wet). Bij gebreke aan, of in geval van ontoereikendheid van de provisionele storting op de voorgeschreven datum, waren krachtens artikel 62 van de wet van 28 december 1983, nalatigheidsintresten verschuldigd. Het enig middel legt Uw Hof de vraag voor of deze nalatigheidsintresten, zoals de bijzondere bijdrage zelf, een persoonlijke bijdrage vormen die verschuldigd is ter uitvoering van de sociale wetgeving in de zin van artikel 45, enig lid, 5°, WIB
(1964)(thans artikel 52, enig lid, 7°, WIB
(1992), die aftrekbaar is als bedrijfsuitgave (eerste onderdeel), dan wel, samen met de bijzondere bijdrage, aftrekbaar zijn van de gezamenlijke netto-inkomsten van de verschillende in artikel 6 WIB64 bedoelde categorieën van inkomsten, op dezelfde gronden als de in artikel 71 WIB
(1964)bedoelde uitgaven (tweede onderdeel).
  1. In het eerste onderdeel voeren eisers aan dat de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid te samen met de verschuldigde intresten, die er integrerend deel van uitmaken, dient te worden opgevat als een van de bedrijfsinkomsten aftrekbare bedrijfslast. Volgens eisers kon het hof van beroep bijgevolg niet wettig oordelen dat "aangezien de bijdragen en provisionele stortingen van de voorschotten voor de sociale zekerheidsbijdrage niet als aftrekbare bedrijfsuitgaven in aanmerking komen, ook de verschuldigde verwijlintresten als gevolg van ontoereikende stortingen van voorschotten evenmin als aftrekbare bedrijfsuitgaven weerhouden (kunnen) worden".
  2. Artikel 68 van de Wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen stelt dat de bijdragen en de provisionele storting, voor zover het bedrag ervan niet hoger ligt dan het werkelijk verschuldigde bedrag, voor het jaar van de betaling afgetrokken worden van de gezamenlijke netto-inkomsten van de verschillende in artikel 6 WIB
(1964)bedoelde categorieën, op dezelfde gronden als de in artikel 71 WIB
(1964)bedoelde uitgaven. In zijn memorie van antwoord stelt verweerder terecht dat de verwijzing naar artikel 71 WIB
(1964)impliceert dat de bijdragen en de provisionele storting uitsluitend via artikel 71 WIB
(1964)aftrekbaar zijn van het totaal belastbaar netto-inkomen en dus niet kunnen worden afgetrokken van de verschillende in artikel 6 WIB
(1964)bedoelde categorieën van inkomsten. Door uitdrukkelijk naar de toepassing van artikel 71 WIB
(1964)te verwijzen, benadrukt artikel 68 van de Wet van 28 december 1983 het bijzonder karakter van de in het kader van die wet verschuldigde bijdrage en geeft de wetgever aan dat die bijzondere bijdrage fiscaal niet kan worden behandeld als gewone sociale bijdragen die op grond van artikel 45 WIB64, wel aftrekbaar zijn van één van de vier inkomstencategorieën van artikel 6 WIB
(1964). De verwijzing in artikel 68 van de Wet van 28 december 1983 naar het aftrekstelsel van artikel 71 WIB
(1964), onttrekt de bijzondere bijdragen derhalve aan het regime van de aftrekbare bedrijfsuitgaven, meer in het bijzonder aan de toepassing van artikel 45 WIB
(1964). 4. Zoals verweerder argumenteert in zijn memorie van antwoord (p. 3 en 4), werd de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid door de wetgever niet behandeld als een aftrekbare sociale bijdrage in de zin van artikel 45 WIB
(1964), om reden dat deze bijdrage een andere finaliteit heeft dan de gewone, sociale bijdragen. Met de bijzondere bijdrage wordt immers solidariteit onder de sociaal verzekerden nagestreefd, en wordt de opbrengst ervan besteed aan de financiering van de werkloosheidsverzekering. De gewone sociale bijdragen hebben daarentegen tot doel de toekenning te financieren van sociale uitkeringen die in principe ten goede komen aan de personen die de bijdragen storten. Door de invoering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid wilde de wetgever "de last van het economisch en financieel herstel van het land (...) spreiden in functie van ieders draagkracht" door de "opbrengst van die bijzondere en éénmalige (solidariteits)bijdrage (te besteden) aan de meest getroffen tak van de sociale zekerheid met name de werkloosheidsverzekering" (zie Gw. H., 9 juli 2009, 104/209, met verwijzing naar Parl. St., Kamer, 1983-1984, nr. 758/1, p. 22; zie ook het arrest, p.7, tweede alinea). De regeling van de fiscale aftrekbaarheid van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid (artikel 68 van de wet van 28 december 1983) verschilt om voormelde redenen van die van de aftrekbaarheid van de gewone sociale bijdragen. Artikel 53,4° WIB
(1992)bepaalt thans uitdrukkelijk dat de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid niet als beroepskost in aanmerking komt. Vermits de bijdrage en de provisionele storting van de voorschotten voor de bijzondere socialezekerheidsbijdrage geen aftrekbare bedrijfsuitgaven vormen, kunnen de nalatigheidsintresten, die verschuldigd zijn wegens ontoereikende stortingen van voorschotten, a fortiori, evenmin van de kwalificatie van aftrekbare bedrijfsuitgaven genieten (zie Antwerpen, 15 april 1997, F.J.F. 1997/24; contra Gent, 17 april 2002, F.J.F. 2003/43). Het eerste onderdeel, dat ervan uitgaat dat de bijdrage en de provisionele storting van de voorschotten voor de bijzondere socialezekerheidsbijdrage, met inbegrip van de nalatigheidsintresten, wel aftrekbare bedrijfsuitgaven uitmaken, faalt derhalve naar recht. 5. Het tweede onderdeel steunt op de rechtsopvatting dat nalatigheidsintresten die krachtens artikel 62 van de wet van 28 december 1993 moeten worden betaald bij gebreke aan, of ontoereikendheid van provisionele betalingen, in toepassing van het beginsel dat de bijzaak de hoofdzaak volgt, integrerende deel uitmaken van de bijdrage voor sociale zekerheid en bijgevolg eveneens dienen te worden afgetrokken van de gezamenlijke netto inkomsten van de verschillende in artikel 6 van het WIB
(1964)bedoelde categorieën. 6. Uit artikel 68 van de Wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, volgt evenmin dat de nalatigheidsintresten, die, bij gebreke aan, of in geval van ontoereikendheid van de provisionele storting op de voorgeschreven datum, krachtens artikel 62 van diezelfde wet verschuldigd zijn, samen met de betaalde voorschotten en bijdrage aftrekbaar zijn van de geglobaliseerde netto-inkomsten, op dezelfde gronden als de in artikel 71 WIB
(1964)bedoelde uitgaven. Het beginsel dat de bijzaak de hoofdzaak volgt kan niet worden toegepast op de nalatigheidsintresten verschuldigd op de bijzondere bijdrage om reden dat die intrest een vergoeding uitmaakt voor de vertraging in de uitvoering van de betaling van de bijzondere bijdrage en aldus is onderscheiden van de bijdrage zelf. Terzake kan verwezen worden naar het arrest van Uw Hof van 2 november 1998 (Cass., 2 november 1998, T.B.B.R. 2000, met noot LINDEMANS, A., "De verjaring van de vordering tot de betaling van de intresten", 253-254). Ook op dit punt kan de memorie van antwoord worden gevolgd. 7. Opdat lasten of uitgaven op grond van artikel 71 WIB
(1964)aftrekbaar zijn, is vereist dat de betaling ervan beantwoordt aan één van de aftrekposten opgesomd in dat artikel. Artikel 71 WIB
(1964)voorziet niet in een specifieke bepaling die toelaat om nalatigheidsintresten, verschuldigd als gevolg van ontoereikende stortingen van voorschotten betreffende de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid, fiscaal af te trekken van het totaal belastbaar netto-inkomen. Bij gebreke aan enig aanknopingspunt in artikel 71 WIB
(1964), kunnen de bedoelde nalatigheidsintresten op grond van deze bepaling niet in aftrek worden gebracht van de geglobaliseerde netto-inkomsten. Terecht merken de appelrechters in dat verband op dat, specifiek wat artikel 71, §1, 2° WIB
(1964)betreft, de nalatigheidsintresten geen intresten betreffen van "aangegane schulden" in de zin van voormelde bepaling zodat op grond van deze bepaling niet tot de aftrekbaarheid van de nalatigheidsintresten, bedoeld in artikel 62 van de Wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, kan worden besloten (zie ook de Omzendbrief dd. 18 oktober 1984, Ci.RH.26/340.227, Bull., nr. 634). Het tweede onderdeel faalt bijgevolg eveneens naar recht. Besluit: VERWERPING. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110114.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.