← België

ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110114.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 14 januari 2011 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110114.9 Rolnummer: F.10.0007.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2011-01-28 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-07-02 04:29 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110114.9 Fiche 1 Wanneer een heffing zowel gebaseerd is op de opname van het pand in de lijst van leegstand als in de lijst van verwaarlozing, en het pand niet regelmatig werd opgenomen in één van die lijsten, dan blijft de heffing gedeeltelijk verschuldigd in de mate dat ze betrekking heeft op de regelmatige opname van het pand op de andere lijst

(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - REGIONALE BELASTINGEN - Vlaanderen Vrije woorden: Gewestbelastingen - Vlaams Gewest - Leegstandsdecreet - Lijst van leegstand - Regelmatige opname - Lijst van verwaarlozing - Onregelmatige opname - Verschuldigdheid van de heffing Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 22-12-1995 - Artt. 26, eerste lid, 28, § 1, 32, tweede lid, en 33, 2delid Fiche 2 Conclusie van Advocaat-generaal Thijs. Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - REGIONALE BELASTINGEN - Vlaanderen Vrije woorden: Gewestbelastingen - Vlaams Gewest - Leegstandsdecreet - Lijst van leegstand - Regelmatige opname - Lijst van verwaarlozing - Onregelmatige opname - Verschuldigdheid van de heffing Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ F.10.0007.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: I. De feiten en procedurevoorgaanden. Bij administratieve akte van 11 september 1997 werd de leegstand van het pand door eiser vastgesteld op grond van het ontbreken van een inschrijving in het bevolkingsregister en de gegevens betreffende de leegstand die door de gemeente ter beschikking werden gesteld. Op 29 juni 1998 werd bij administratieve akte tevens de verwaarlozing van het pand vastgesteld op grond 'van de vaststellingen van een technisch verslag van 28 januari
  1. Op 10 december 2001 verzond eiser een aanslagbiljet aan verweerster betreffende de heffingen voor 1999, welke heffingen zowel betrekking hadden op de leegstand als op de verwaarlozing van het pand en op 22 december 2000 uitvoerbaar werden verklaard onder kohierartikel
  2. Op 7 januari 2002 tekende verweerster bezwaar aan tegen deze heffingen, dat bij beslissing van 28 juli 2003 door de gemachtigde ambtenaar werd afgewezen. Op 24 oktober 2003 legde verweerster ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel een fiscaal verzoekschrift neer. Bij vonnis van 5 maart 2007 verklaarde de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel de vordering van verweerster gegrond. De rechtbank oordeelde dat de heffingen inzake de leegstand en verwaarlozing voor het heffingsjaar 1999 nietig waren in zoverre de vaststelling van de verwaarlozing bij administratieve akte van 29 juni 1998 niet op rechtsgeldige wijze was gebeurd, in het bijzonder omdat eiser faalde in het bewijs van de aangetekende verzending van het technisch verslag van 28 januari
  3. Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Brussel op 27 april 2007, tekende eiser hoger beroep aan tegen deze beslissing. Het bestreden arrest van 18 februari 2009 van het Hof van Beroep te Brussel verklaarde het hoger beroep van eiser ongegrond. II. De voorziening tot cassatie.
  4. In het enig middel tot cassatie voert eiser aan het bestreden arrest niet wettig de heffingen voor het heffingsjaar 1999 volledig heeft vernietigd op grond van een grief die enkel verband hield met de vaststelling van de staat van verwaarlozing en niets met de leegstand van dat pand te maken had, en naliet, overeenkomstig artikel 36 Leegstandsdecreet, te bepalen welke gedeelte van de heffingen betrekking had op de leegstand van het pand en door verweerster nog verschuldigd was (schending van de artikelen 25, 26, 27, 28, 29, 30, 32, 33, 36 en 39, §2, van het Leegstandsdecreet van 22 december 1995, 7 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996, 569, eerste lid, 32°, 632 en 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek).
  5. De verwaarlozing en leegstand van een gebouw en/of woning wordt door de administratie vastgesteld in een afzonderlijke gemotiveerde administratieve akte, zoals bedoeld in artikel 28 van het Leegstandsdecreet (artikelen 33 Leegstandsdecreet en 7 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996). Het pand wordt vervolgens opgenomen in een inventaris die bestaat uit afzonderlijke lijsten, onder meer een lijst voor verwaarloosde gebouwen en/of woningen en een lijst voor leegstaande gebouwen en/of woningen (artikel 28 Leegstandsdecreet). De heffing is, overeenkomstig artikel 26 Leegstandsdecreet, een eerste maal verschuldigd op het ogenblik dat het gebouw en/of de woning wordt opgenomen in de inventaris, bedoeld in voormelde bepaling.
  6. Bij administratieve akte van 11 september 1997 werd de leegstand van het pand van verweerster vastgesteld en met ingang van diezelfde datum opgenomen in de lijst van de leegstaande gebouwen en/of woningen. De leegstand werd gemotiveerd op grond van het ontbreken van een inschrijving in het bevolkingsregister, alsmede op grond van de gegevens betreffende de leegstand die door de gemeente ter beschikking werden gesteld (bestreden arrest, p.2, derde laatste alinea). Bij administratieve akte van 29 juni 1998 werd van datzelfde pand tevens de verwaarlozing vastgesteld op grond van de vaststellingen van een technisch verslag van 28 januari 1997, waarna het werd opgenomen in de lijst van de verwaarloosde gebouwen en/of woningen (bestreden arrest, p.2, laatste alinea - p.3, eerste alinea).
  7. Uit de vaststellingen van het arrest volgt dat aan de hand van het technisch verslag van 28 januari 1997 enkel de verwaarlozing van het pand was vastgesteld en dat de opname van het pand op de lijst van de leegstaande gebouwen en/of woningen vreemd is aan de vaststellingen van het bedoelde technisch verslag "waarmee het in beginsel niets te maken heeft" (arrest, p.5, eerste alinea). Het bestreden arrest neemt aan dat het technisch verslag van 28 januari 1997 niet regelmatig aan verweerster werd verzonden, wat volgens het arrest tot gevolg had dat de administratieve akte van verwaarlozing van 29 juni 1998 nietig was, alsook de daarop gesteunde heffingen voor het heffingsjaar 1999, zodat, met bevestiging van de beslissing van de eerste rechter, een algehele ontheffing van de bestreden heffingen werd bevolen.
  8. In zoverre de heffing voor 1999 gebaseerd was op de opname van het pand op zowel de lijst van de leegstaande gebouwen en/of woningen als op de lijst van de verwaarloosde gebouwen en/of woningen, waarbij de leegstand niet was gemotiveerd op grond van de vaststellingen van het technisch verslag van 28 januari 1997, waarmee het niets te maken had, kon het loutere feit dat door eiser niet was bewezen dat dit technisch verslag regelmatig aan de verweerster was toegezonden, niet de nietigheid tot gevolg hebben van de heffing in zijn totaliteit. De nietigheid kon door de appelrechters dan ook enkel worden uitgesproken in zoverre de heffing voor 1999 verband hield met de opname van het pand in de lijst van de verwaarloosde gebouwen en/of woningen, zonder dat deze nietigheid kon doorwerken ten aanzien van de heffing in verband met de opname van dat pand op de lijst van de leegstaande gebouwen en/of woningen. De nietigheid van de administratieve akte van verwaarlozing dd. 29 juni 1998 kon m.a.w. niet de nietigheid teweegbrengen van de administratieve akte van leegstand dd. 11 september 1997 en bijgevolg enkel een gedeeltelijke vernietiging van de heffingen voor 1999 verantwoorden. Door de totale ontheffing te bevelen van de heffingen voor het heffingsjaar 1999 lieten de appelrechters derhalve ten onrechte na om een onderscheid te maken tussen de heffingen betreffende de leegstand enerzijds, en de verwaarlozing anderzijds.
  9. In het kader van het administratief beroep beslist de Vlaamse regering, wanneer het beroep betreffende de heffingsgrondslag wordt ingewilligd, of de heffing geheel of gedeeltelijk moet betaald worden (artikel 39, §2, Leegstandsdecreet). Zoals de Vlaamse Regering in het kader van het administratief beroep bevoegd is om te beslissen dat een heffing slechts gedeeltelijk moet worden betaald, is ook de rechter, die op grond van de artikelen 569, eerste lid, 32°, 632 en 1385decies Ger.W., kennis neemt van een fiscaal geschil in verband met de heffingen geheven op grond van het Leegstandsdecreet, bevoegd om te beslissen dat de heffing slechts gedeeltelijk kan worden vernietigd en de niet-vernietigde heffing door de belastingplichtige verschuldigd blijft. Wat onder de rechtsmacht valt van de Vlaamse regering in het kader van het administratief beroep, valt bijgevolg onder de rechtsmacht van de rechter die kennis neemt van een fiscaal geschil inzake leegstandsheffingen.
  10. Wanneer een heffing zowel gebaseerd is op de opname van het pand in de lijst van leegstand als in de lijst van verwaarlozing, en het pand niet regelmatig werd opgenomen in één van die lijsten, dan blijft de heffing gedeeltelijk verschuldigd in de mate dat ze betrekking heeft op de regelmatige opname van het pand op de andere lijst. De rechter kan in dat geval de heffing slechts gedeeltelijk vernietigen, en moet desgevallend, aan de hand van de gekende parameters, zelf bepalen welke heffing nog verschuldigd blijft. Hij beschikt tevens over de mogelijkheid de herberekening van de heffing te bevelen.
  11. Het bestreden arrest heeft in onderhavige zaak de heffingen voor het heffingsjaar 1999 derhalve niet wettig volledig kunnen vernietigen zonder een onderscheid te maken tussen de heffingen die betrekking hebben op de leegstand van het pand enerzijds, die regelmatig was vastgesteld, en de verwaarlozing van het pand anderzijds, waarvan het bestaan niet regelmatig was vastgesteld aangezien niet was bewezen dat het technisch verslag van 28 januari 1997, waarin de verwaarlozing was vastgesteld, door eiser aangetekend was verzonden aan verweerster. Waar het bestreden arrest terecht aannam dat het bedoelde technisch verslag niets te maken heeft met de administratieve akte van leegstand van 11 september 1997, kon de nietigheid van de administratieve akte van verwaarlozing van 29 juni 1998 bijgevolg geen afbreuk doen aan de regelmatigheid van de administratieve akte van leegstand van 11 september
  12. De nietigheid van de heffingen voor het heffingsjaar 1999 kon door het bestreden arrest derhalve slechts wettig worden uitgesproken voor het gedeelte van de heffing dat betrekking had op de verwaarlozing, terwijl het resterende gedeelte van de heffing, dat door de appelrechters, overeenkomstig artikel 36 Leegstandsdecreet, kon worden berekend aan de hand van de gekende parameters, niet door de vastgestelde nietigheid kon worden aangetast en door verweerster verschuldigd bleef.
  13. De door verweerster betwiste heffingen voor het heffingsjaar 1999 waren als volgt berekend: (KI x V + M) x (P + 1) = (7.400 BEF x 1 + 32.600 BEF) x (2 + 1)= 120.000 BEF waarbij V = 1 (zowel leegstand als verwaarlozing), M = 32.600 BEF (om het minimumbedrag van 40.000 BEF te bereiken aangezien het pand op beide lijsten voorkomt) en P = 2 [zonder onderbreking op de inventaris (lijst leegstand) opgenomen sedert 11/9/1997]. Nu de heffing in verband met de verwaarlozing nietig was, bleef verweerster bijgevolg de volgende heffing in verband met de leegstand verschuldigd: (KI x V + M) x (P + 1) = (7.400 BEF x k + 16.300 BEF) x (2 + 1) = 60.000 BEF waarbij V = k (enkel verwaarlozing), M = 16.300 BEF (om het minimumbedrag van 20.000 BEF te bereiken) en P = 2 [zonder onderbreking op de inventaris (lijst leegstand) opgenomen sedert 11/9/1997]. Zoals gezegd beschikten de appelrechters ten deze tevens over de mogelijkheid de herberekening van de litigieuze heffing te bevelen. Het middel komt dan ook gegrond voor. Besluit: VERNIETIGING van het bestreden arrest in zoverre het uitspraak deed over de door verweerster voor het jaar 1999 verschuldigde leegstandsheffing. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110114.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.