id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 01 maart 2011 EC
Artikel 35
Vrije woorden: Sturen in staat van dronkenschap - Verval van het recht tot sturen - Verzachtende omstandigheden - Toepasselijkheid - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 85 en 100 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Art. 35 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN Vrije woorden: Verval van het recht tot sturen - Artikel 35, Wegverkeerswet - Sturen in staat van dronkenschap - Verzachtende omstandigheden - Toepasselijkheid - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 85 en 100 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Art. 35 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: STRAF - VERZACHTENDE OMSTANDIGHEDEN. VERSCHONINGSGRONDEN Vrije woorden: Verzachtende omstandigheden - Artikel 35, Wegverkeerswet - Sturen in staat van dronkenschap - Verval van het recht tot sturen - Toepasselijkheid - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 85 en 100 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Art. 35 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Fiches 4 - 6 Het verval van het recht tot het besturen van een voertuig is een bijkomende straf, zodat alleen het beschikkende gedeelte over de toepassing van deze straf wordt vernietigd, met inbegrip van de beslissing over het niet-opleggen van een geneeskundig en psychologisch onderzoek, die er het gevolg van is
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Strafzaken - Strafvordering - Openbaar ministerie en vervolgende partij Vrije woorden: Veroordeling wegens dronkenschap aan het stuur - Verval van het recht tot sturen - Aard - Gevolg Thesaurus CAS: WEGVERKEER -
Artikel 35
Vrije woorden: Sturen in staat van dronkenschap - Straf - Verval van het recht tot sturen - Aard - Gevolg Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN Vrije woorden: Sturen in staat van dronkenschap - Artikel 35, Wegverkeerswet - Verval van het recht tot sturen - Minimumduur - Verval van kortere duur - Onwettige bijkomende straf - Gevolg Fiches 7 - 12 Conclusie van advocaat-generaal Duinslaeger. Thesaurus CAS: WEGVERKEER -
Artikel 35
Vrije woorden: Sturen in staat van dronkenschap - Verval van het recht tot sturen - Verzachtende omstandigheden - Toepasselijkheid - Gevolg Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN Vrije woorden: Verval van het recht tot sturen - Artikel 35, Wegverkeerswet - Sturen in staat van dronkenschap - Verzachtende omstandigheden - Toepasselijkheid - Gevolg Thesaurus CAS: STRAF - VERZACHTENDE OMSTANDIGHEDEN. VERSCHONINGSGRONDEN Vrije woorden: Verzachtende omstandigheden - Artikel 35, Wegverkeerswet - Sturen in staat van dronkenschap - Verval van het recht tot sturen - Toepasselijkheid - Gevolg Thesaurus CAS: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Strafzaken - Strafvordering - Openbaar ministerie en vervolgende partij Vrije woorden: Veroordeling wegens dronkenschap aan het stuur - Verval van het recht tot sturen - Aard - Gevolg Thesaurus CAS: WEGVERKEER -
Artikel 35
Vrije woorden: Sturen in staat van dronkenschap - Straf - Verval van het recht tot sturen - Aard - Gevolg Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN Vrije woorden: Sturen in staat van dronkenschap - Artikel 35, Wegverkeerswet - Verval van het recht tot sturen - Minimumduur - Verval van kortere duur - Onwettige bijkomende straf - Gevolg Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ P.10.1610.N Conclusie van advocaat-generaal Duinslaeger
- Op 10 januari 2009 werd tegen de verweerder proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 34, §2, 1°, Wegverkeerswet. De procureur des Konings besliste diezelfde dag tot de onmiddellijke intrekking van het rijbewijs van de verweerder voor een termijn van 15 dagen.
- Bij vonnis van 29 juni 2010 van de politierechtbank te Tongeren (afdeling Maaseik) werd de verweerder veroordeeld tot een geldboete van 200 euro (gebracht op 1.100 euro) of een vervangende gevangenisstraf van 40 dagen wegens de vermengde telastleggingen van te Maasmechelen op 10 januari 2009: A) op een openbare plaats een voertuig of een rijdier te hebben bestuurd, namelijk een motorvoertuig, of een bestuurder te hebben begeleid met het oog op de scholing, terwijl de ademanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht mat of de bloedanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,8 gram per liter bloed aangaf B) op een openbare plaats een voertuig of een rijdier te hebben bestuurd of een bestuurder te hebben begeleid met het oog op de scholing, terwijl hij in staat van dronkenschap verkeerde of in een soortgelijke staat onder meer ten gevolge van het gebruik van drugs of van geneesmiddelen. Hij werd tevens vervallen verklaard van het recht alle motorvoertuigen te besturen voor een termijn van 1 maand, waarbij het herstel in het recht tot sturen afhankelijk werd gemaakt van het slagen in een medisch-psychologisch onderzoek. Hij werd ten slotte ook veroordeeld tot de betaling van een bijdrage van 25 euro (gebracht op 137,50 euro) en in de kosten van het geding.
- Ingevolge het hoger beroep van zowel de eiser als de verweerder, bevestigde de correctionele rechtbank te Tongeren bij vonnis van 15 september 2010 het beroepen vonnis in al zijn beschikkingen "met de enkele uitzonderingen dat de (verweerder) vervallen wordt verklaard van het recht alle motorvoertuigen te besturen voor een termijn van 15 dagen en dat het herstel (in) het recht tot sturen niet afhankelijk gemaakt wordt van het slagen voor een geneeskundig en psychologisch onderzoek". Met betrekking tot de duur van het verval en het afhankelijk maken van het herstel in het recht tot sturen van het slagen voor één of meer van de onderzoeken bedoeld in artikel 38, §3, Wegverkeerswet overwegen de appelrechters: "Het verval van het recht tot sturen wordt evenwel gezien het blanco strafregister van (de verweerder) door deze rechtbank beperkt tot een duur van 15 dagen. Nu onmiddellijk na de feiten het rijbewijs van (de verweerder) door het (O)penbaar (M)inisterie gedurende vijftien dagen werd ingetrokken (van 10.01.2009 tot 24.01.2009) en nu de duur van de onmiddellijke intrekking door het (O)penbaar (M)inisterie aangerekend wordt op het door de rechtbank uitgesproken tijdelijk verval (art. 57, lid 2, Wegverkeerswet) zal de verweerder zijn rijbewijs niet meer ter griffie moeten inleveren. In die omstandigheden is de toepassing van het laatste lid van art. 38 §4 Wegverkeerswet en van art. 69 §5 van het (K)oninklijk (B)esluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs materieel onmogelijk, zodat het herstel in het recht tot sturen niet afhankelijk gemaakt wordt van het slagen voor een geneeskundig en psychologisch onderzoek."
- Tegen het bestreden vonnis van de correctionele rechtbank te Tongeren van 15 september 2010 werd op 30 september 2010 cassatieberoep aangetekend door het openbaar ministerie. Dit cassatieberoep werd op 1 oktober 2010 aan de verweerder betekend. In zijn verzoekschrift dat op 30 september 2010 werd neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren voert de procureur des Konings de schending aan van artikel 38, §4, laatste lid, Wegverkeerswet: volgens de eiser is de opgelegde straf onwettig omdat het herstel in het recht tot sturen niet afhankelijk is gemaakt van het slagen voor de geneeskundige en psychologische onderzoeken en is de omstandigheid dat de verweerder zijn bewijs al dan niet nog ter griffie moet aanbieden in het kader van de uitvoering van een verval, niet relevant.
- In zijn memorie van antwoord komt de verweerder tot het besluit dat het enige door de eiser aangevoerde middel niet gegrond is. Hij verwijst daarbij naar het arrest 60/2007 van 18 april 2007 van het Grondwettelijk Hof. In dit arrest oordeelt het Grondwettelijk Hof: "Artikel 47, eerste lid, van de wegverkeerswet schendt de (artikelen 10, 11, 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten) niet doordat het geen enkele wettelijke termijn vaststelt voor de uitvoering van de onderzoeken. De termijn van verval van het recht tot sturen die krachtens de artikelen 37bis, §2 en 38, §1, van dezelfde wet door de rechter wordt vastgesteld, impliceert immers dat de beklaagde die uit het recht tot sturen is ontzet, de mogelijkheid moet hebben om vóór het verstrijken van die termijn die onderzoeken te ondergaan. Mocht dat niet zo zijn, dan zou de verlenging van de termijn van verval niet te wijten zijn aan de tekst van het voormelde artikel 47, eerste lid, maar aan een verkeerde toepassing ervan." Het Grondwettelijk Hof oordeelt bijgevolg dat de enige correcte toepassing van artikel 47, eerste lid, Wegverkeerswet, deze is die aan de beklaagde de mogelijkheid geeft om vóór het verstrijken van de termijn van verval de opgelegde onderzoeken te ondergaan.
- Deze interpretatie lijkt moeilijk verzoenbaar met de duidelijke tekst van artikel 38, §4, laatste lid, Wegverkeerswet, die het afhankelijk maken van het herstel in het recht tot sturen van het slagen in de onderzoeken bedoeld in artikel 38, §3 Wegverkeerswet, in geval van overtreding van onder meer artikel 35 van dezelfde wet, als een algemene en absolute verplichting aan de strafrechter oplegt. Bovendien leidt deze interpretatie tot schier onoverkomelijke praktische en organisatorische problemen: wanneer de rechter een verval van (zeer) korte duur oplegt met verplichte onderzoeken en hij daarbij nog de termijn van onmiddellijke intrekking van het rijbewijs door de procureur des Konings moet in rekening brengen, dan zal het in de overgrote meerderheid van de gevallen niet meer mogelijk zijn om de veroordeelde deze onderzoeken voor het einde van het verval van het recht tot sturen te laten ondergaan, wat, volgens het Grondwettelijk Hof, zou neerkomen op een verkeerde toepassing van artikel 47, eerste lid, Wegverkeerswet.
- Het Hof hoeft zich thans evenwel niet over deze problematiek te buigen, want er is uiteindelijk, bij nader inzien, nog meer mis met het bestreden vonnis, dan alleen maar het niet opleggen van de door de wet voorziene verplichte onderzoeken. Artikel 35 Wegverkeerswet bepaalt: "Met geldboete van 200 euro tot 2 000 euro en met het verval van het recht tot besturen van een motorvoertuig voor een duur van ten minste een maand en ten hoogste vijf jaar of voorgoed, wordt gestraft hij die op een openbare plaats een voertuig of een rijdier bestuurt of een bestuurder begeleidt met het oog op de scholing, terwijl hij in staat van dronkenschap verkeert of in een soortgelijke staat met name ten gevolge van het gebruik van drugs of van geneesmiddelen." Artikel 100 Strafwetboek bepaalt: "Bij gebreke van andersluidende bepalingen in bijzondere wetten en verordeningen, worden de bepalingen van het eerste boek van dit wetboek toegepast op de misdrijven die bij die wetten en verordeningen strafbaar zijn gesteld, met uitzondering van hoofdstuk VII en van artikel 85." Anders dan een aantal andere artikelen van de Wegverkeerswet voorziet artikel 35 Wegverkeerswet niet in de mogelijkheid om verzachtende omstandigheden toe te passen
(1). Aangezien de Wegverkeerswet en, meer bepaald, artikel 35 van deze wet voldoen aan de definitie van "bijzondere wet" en voormeld artikel geen andersluidende bepaling inhoudt, is artikel 85 Strafwetboek bijgevolg niet van toepassing
(2). Het verval van het recht tot sturen is zonder twijfel een straf, zoals de titel van afdeling I van Hoofdstuk VI van de Wegverkeerswet zelf ook al aangeeft. De appelrechters bevestigen het vonnis van de eerste rechter, die de verweerder veroordeelde tot een geldboete van 200 euro of een vervangende gevangenisstraf van 40 dagen wegens de vermengde feiten van alcoholintoxicatie en dronken sturen en hem vervallen verklaarde van het recht alle motorvoertuigen te besturen voor een termijn van één maand, waarbij het herstel tot sturen afhankelijk werd gemaakt van het slagen in een medisch-psychologisch onderzoek, "met de enkele uitzonderingen dat de (verweerder) vervallen wordt verklaard van het recht alle motorvoertuigen te besturen voor een termijn van 15 dagen en dat het herstel (in) het recht tot sturen niet afhankelijk gemaakt wordt van het slagen voor een geneeskundig en psychologisch onderzoek". Als motivering voor de vermindering van de tijdsduur van het opgelegde verval van één maand naar 15 dagen verwijzen de appelrechters naar het blanco strafregister van de verweerder: zij nemen aldus dit gegeven zonder enige twijfel aan als verzachtende omstandigheid. Door aldus te oordelen en - onterecht - verzachtende omstandigheden aan te nemen, leggen de appelrechters aan de verweerder een straf van verval van het recht tot sturen op die lager is dan het door artikel 35 Wegverkeerswet voorziene minimum van één maand rijverbod. De opgelegde straf is daardoor, althans wat het opgelegde verval betreft, onwettig. De bestreden beslissing dient bijgevolg vernietigd te worden op grond van de ambtshalve aan te voeren schending van de artikelen 14 Grondwet, 100 Strafwetboek en 35 Wegverkeerswet. 8. Er dient nu nog nagegaan te worden hoe ver de uit te spreken vernietiging van het bestreden vonnis moet strekken. Zoals hiervoor aangegeven is het verval van het recht tot sturen, zoals bedoeld in artikel 35 Wegverkeerswet, een straf. In het verleden werd deze straf steeds aanzien als een hoofdstraf
(3), wat tot gevolg had dat de gehele straf
(4)diende vernietigd te worden, met behoud
(5)evenwel van de schuldigverklaring, tenzij deze ook door (dezelfde) onwettigheid was aangetast. Indien het als straf opgelegde rijverbod inderdaad moet worden aanzien als een hoofdstraf, moet het Hof het bestreden vonnis vernietigen in zoverre het aan de verweerder een straf oplegt. In een meer recent arrest van 29 september 2009
(6), dat precies betrekking had op artikel 35 Wegverkeerswet, oordeelde het Hof evenwel: "Het verval van het recht tot het besturen van een voertuig, opgelegd aan diegene die op een openbare plaats een voertuig of een rijdier bestuurt of een bestuurder begeleidt met het oog op scholing, terwijl hij in staat van dronkenschap verkeert of in een soortgelijke staat met name ten gevolge van drugs of van geneesmiddelen, is geen hoofdstraf maar enkel een bijkomende straf, ook al voorziet artikel 35 Wegverkeerswet in een verplichte vervallenverklaring." Indien de nietigheid die bij de straftoemeting wordt vastgesteld enkel betrekking heeft op een bijkomende straf, dan wordt de regel van de gehele cassatie van de straf niet langer toegepast, maar blijft de door het Hof uit te spreken vernietiging beperkt tot de door de nietigheid aangetaste bijkomende straf
(7). Dat betekent dat, wanneer het Hof deze recente rechtspraak aanhoudt, de vernietiging van het bestreden vonnis beperkt moet blijven tot de beslissing over het verval, met inbegrip uiteraard van de daarmee onlosmakelijk samenhangende beslissing omtrent de door artikel 38, §4 Wegverkeerswet verplicht op te leggen geneeskundige en psychologische onderzoeken, bedoeld in artikel 38, §3, 3° en 4° van dezelfde wet. De rechtspraak van het arrest van 29 september 2009 kan, naar mijn oordeel, gevolgd worden.
- Het door de eiser aangevoerde middel heeft enkel betrekking op de beslissing dat het herstel in het recht tot sturen niet afhankelijk wordt gemaakt van het slagen voor een geneeskundig en psychologisch onderzoek. Het middel heeft dus een beperktere draagwijdte en zou, indien het gegrond bevonden zou worden, nooit kunnen leiden tot een ruimere cassatie, noch tot een cassatie zonder verwijzing. Het door de eiser aangevoerde middel behoeft dan ook geen antwoord meer.
- Aangezien de uit te spreken vernietiging beperkt blijft tot de beslissing met betrekking tot het verval (in navolging van de meest recente rechtspraak van het Hof) of tot de gehele straf (wanneer teruggekeerd wordt naar de oudere rechtspraak) dient het niet te vernietigen deel van de beslissing op de strafvordering, en meer bepaald de schuldigverklaring, nog het voorwerp uit te maken van een ambtshalve onderzoek. Dit ambtshalve onderzoek levert geen gronden tot cassatie op: de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is conform de wet gewezen. Conclusie: vernietiging van het bestreden vonnis in zoverre het beslist over het verval, met verwijzing en verwerping van het cassatieberoep voor het overige. _____________
(1)ARNOU, P., Misdrijven en sancties in de Wegverkeerswet, p. 214; DE CALLATAY, D., Circulation routière, Chronique de jurisprudence 1989-1996, Les dossiers du Journal des Tribunaux, p. 18.
(2)Cass. 19 juni 1967, A.C., 1967, 1277; 12 mei 1969, A.C., 1969, 905; 24 april 1972, A.C., 1972, 796; 14 feb. 1979, A.C., 1978-79, 698; 22 feb. 1983, A.C., 1982-83, nr. 352; 27 juni 1984, A.C., 1983-84, nr. 616; 3 okt. 1984, AR 3757, A.C., 1984-85, 196.
(3)Cass. 9 nov. 1988, AR 6941, A.C., 1988-89, nr. 142; 4 okt. 1989, AR 7630, A.C., 1989-90, nr. 75; 24 april 1990, AR 3753, A.C., 1989-90, nr. 494; 12 sept. 1990, AR 8238, A.C., 1990-91, nr. 20; 23 maart 1993, AR 7024, A.C., 1993, nr. 158; 20 april 1993, AR 5872, A.C., 1993, nr. 188; 18 okt. 1993, AR P.93.0389.F ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19931013.15, A.C., 1993, nr. 407; 11 jan. 1994, AR 7112, A.C., nr. 12; 25 mei 1994, AR P.94.0029.F, R.D.P., 1995, p. 82; 7 mei 1997, AR P.96.1553.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970507.4, A.C., 1997, nr. 221; 14 jan. 1998, J.T., 1998, p. 286; 3 maart 1999, AR P.98.0722.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990303.14, A.C., 1999, nr. 125; 15 maart 2000, AR P.99.1419.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000315.15, A.C., 2000, nr. 178; 21 maart 2000, AR P.98.0605.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000321.17, A.C., 2000, nr. 192; 17 mei 2005, AR P.04.1617.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050517.3, A.C., 2005, nr. 283; 29 juni 2005, AR P.04.1715.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050629.10, A.C., 2005, nr. 384; 8 nov. 2005, AR P.05.0915.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.23, A.C., 2005, nr. 572 met concl. O.M.
(4)Zie voetnoot 1 en 2.
(5)Cass. 8 feb. 2000, AR P.97.1697.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000208.9, A.C., 2000, nr. 98 met concl. eerste adv.-gen. du Jardin; 21 maart 2000, AR P.98.0605.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000321.17, A.C., 2000, nr. 192; 4 april 2000, AR P.97.0832.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000404.25, A.C., 2000, nr. 220; 25 feb. 2003, AR P.02.0672.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030225.4, A.C., 2003, nr. 132; 6 sept. 2005, AR P.05.0462.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050906.7, A.C., 2005, nr. 409; 8 maart 2005, AR 2005, AR P.04.1534.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050308.8, A.C., 2005, nr. 141; 22 maart 2005, AR P.05.0340.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050322.34, A.C., 2005, nr. 178; 26 sept. 2007, AR P.07.0417.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070926.3, A.C., 2007, nr. 435; 18 maart 2008, AR P.07.1887.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080318.2, A.C., 2008, nr. 189; 17 dec. 2008, AR P.08.1223.F, A.C., 2008, nr. 737 met concl. van adv.-gen. Vandermeersch.
(6)Cass. 29 sept. 2009, AR P.09.0467.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090929.4, A.C., 2009, nr. 533.
(7)DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 5de ed. 2010, p. 1686, nr. 4182 en p. 1690, nr. 4192. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110301.2 citeert: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19931013.15 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970507.4 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990303.14 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000208.9 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000315.15 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000321.17 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000404.25 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030225.4 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050308.8 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050322.34 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050517.3 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050629.10 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050906.7 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.23 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070926.3 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080318.2 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090929.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div