← België

ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140923.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 september 2014 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140923.5 Rolnummer: P.14.1372.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2014-10-28 Raadplegingen: 422 - laatst gezien 2026-06-15 11:42 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De kamer van inbeschuldigingstelling die overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering de regelmatigheid moet onderzoeken van de in een strafdossier aangewende bijzondere opsporingsmethode observatie, die is gesteund op of afgeleid uit een in een ander strafdossier aangewende bijzondere opsporingsmethode observatie, dient daartoe ook de regelmatigheid te beoordelen van de in dat laatste strafdossier aangewende bijzondere opsporingsmethode observatie

(1).
(1)Cass. 17 april 2012, AR P.12.0240.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120417.5, AC 2012, nr. 232, met concl. adv.-gen. Timperman. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie - Observatie gesteund op of afgeleid uit een observatie in een ander strafdossier - Gevolg Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Bijzondere opsporingsmethoden Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie - Observatie gesteund op of afgeleid uit een observatie in een ander strafdossier - Gevolg Fiches 3 - 4 De kamer van inbeschuldigingstelling die overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering de regelmatigheid moet onderzoeken van de in een strafdossier aangewende bijzondere opsporingsmethode observatie, die is gesteund op of afgeleid uit een in een ander strafdossier aangewende bijzondere opsporingsmethode observatie dat een gerechtelijk onderzoek betreft dat nog niet door de onderzoeksrechter aan de procureur des Konings krachtens artikel 127, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering is overgezonden en het openbaar ministerie van oordeel is dat in het kader van de door artikel 235ter Wetboek van Strafvordering bedoelde controle van de regelmatigheid van de in het eerste dossier aangewende bijzondere opsporingsmethode observatie aan partijen geen gehele of gedeeltelijke inzage van het niet-afgesloten strafdossier kan worden gegeven, dient de controle door de kamer van inbeschuldigingstelling te gebeuren aan de hand van eensdeels de door artikel 47septies, § 2, tweede en derde lid, bedoelde processen-verbaal en schriftelijke beslissingen van de bevoegde magistraat, waarvan de partijen kennis kunnen nemen en waarover zij tegenspraak kunnen voeren, en anderdeels het door artikel 47septies, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde vertrouwelijk dossier
(1).
(1)Cass. 17 april 2012, AR P.12.0240.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120417.5, AC 2012, nr. 232, met concl. adv.-gen. Timperman. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie - Observatie gesteund op of afgeleid uit een observatie in een ander strafdossier - Ander strafdossier nog in gerechtelijk onderzoek - Geen gehele of gedeeltelijke inzage in het niet-afgesloten strafdossier - Controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie in niet-afgesloten dossier - Omvang Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Bijzondere opsporingsmethoden Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie - Observatie gesteund op of afgeleid uit een observatie in een ander strafdossier - Ander strafdossier nog in gerechtelijk onderzoek - Geen gehele of gedeeltelijke inzage in het niet-afgesloten strafdossier - Controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie in niet-afgesloten dossier - Omvang Tekst van de beslissing Nr. P.14.1372.N S B S, inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie te Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 12 augustus
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Procureur-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 47septies Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het recht van verdediging met inbegrip het recht op tegenspraak, evenals het recht op een eerlijk proces: het arrest oordeelt ten onrechte dat de voeging van het door artikel 47septies Wetboek van Strafvordering bedoelde proces-verbaal met betrekking tot de door onder-zoeksrechter De Hous in een ander gerechtelijk onderzoek bevolen observatie die heeft geleid tot de in het voorliggend dossier AN.45.F1.002037/14 van onder-zoeksrechter Van Hoeylandt bevolen observatie, niet noodzakelijk is om de re-gelmatigheid van die laatste observatie te beoordelen; er moet tegenspraak kunnen zijn over de wettigheid van de uitgevoerde observatie, wat de voeging veronder-stelt van het door artikel 47septies Wetboek van Strafvordering bedoelde proces-verbaal met betrekking tot de eerst bedoelde observatie.
  3. De kamer van inbeschuldigingstelling die overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering de regelmatigheid moet onderzoeken van de in een strafdossier aangewende bijzondere opsporingsmethode observatie die is gesteund op of afgeleid uit een in een ander strafdossier aangewende bijzondere opspo-ringsmethode observatie, dient daartoe ook de regelmatigheid te beoordelen van de in dat laatste strafdossier aangewende bijzondere opsporingsmethode observa-tie.
  4. Indien dit laatste strafdossier een gerechtelijk onderzoek betreft dat nog niet door de onderzoeksrechter aan de procureur des Konings krachtens artikel 127, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering is overgezonden en het openbaar mi-nisterie van oordeel is dat in het kader van de door artikel 235ter Wetboek van Strafvordering bedoelde controle van de regelmatigheid van de in het eerste dos-sier aangewende bijzondere opsporingsmethode observatie aan partijen geen ge-hele of gedeeltelijke inzage van het niet-afgesloten strafdossier kan worden gege-ven, dient de controle door de kamer van inbeschuldigingstelling te gebeuren aan de hand van, eensdeels, de door artikel 47septies, § 2, tweede en derde lid, be-doelde processen-verbaal en schriftelijke beslissingen van de bevoegde magistraat, waarvan de partijen kennis kunnen nemen en waarover zij tegenspraak kunnen voeren, en, anderdeels, het door artikel 47septies, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde vertrouwelijk dossier.
  5. Het arrest stelt vast dat: - in het voorliggend dossier door de procureur des Konings een machtiging tot observatie werd verleend en dat de bevestiging ervan evenals het door artikel 47septies, § 2, tweede en derde lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde pro-ces-verbaal zich in het dossier bevindt; - de regelmatigheid van die observatie wordt betwist omdat uit het strafdossier blijkt dat op het ogenblik van de observatie in het voorliggend dossier, ook een observatie werd uitgevoerd in een ander gerechtelijk onderzoek, namelijk in het dossier nr. 2013/151 van onderzoeksrechter De Hous; - tot het voorliggend dossier eveneens behoren de afschriften van de be-velschriften van onderzoeksrechter De Hous met betrekking tot de bevolen ob-servatie; - het door artikel 47septies, § 2, tweede en derde lid, Wetboek van Strafvorde-ring bedoelde proces-verbaal met betrekking tot die laatste observatie niet werd gevoegd. Het arrest oordeelt dat: - de observatie in het voorliggend dossier is bevolen om de observatie in het dossier van onderzoeksrechter De Hous, die reeds langere tijd liep en waarbij meerdere personen betrokken waren, niet in gevaar te brengen; - het bestaan van een observatie in een ander dossier de regelmatigheid niet aantast van de observatie in het voorliggend dossier; - de eiser geen elementen aanbrengt waaruit zou kunnen blijken dat zijn recht van verdediging is miskend. Het arrest dat op die gronden beslist tot de regelmatigheid van de observatie in het voorliggend dossier zonder dat de eiser de gelegenheid had kennis te nemen van het door artikel 47septies, § 2, tweede en derde lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde proces-verbaal met betrekking tot de observatie in het andere dossier waarop de observatie in het voorliggend dossier was gesteund, miskent eisers recht van verdediging. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest. Laat de kosten ten laste van de Staat. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldi-gingstelling, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 134,86 euro. F. Adriaensen P. Hoet A. Bloch F. Van Volsem G. Jocqué P. Maffei Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit voorzitter Paul Maffei, de raadsheren Geert Jocqué, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 23 september 2014 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van procureur-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140923.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120417.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.