← België

ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141021.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 oktober 2014 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141021.2 Rolnummer: P.14.0367.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht - Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2014-11-06 Raadplegingen: 751 - laatst gezien 2026-06-19 03:50 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 4 Artikel 14.5 IVBPR, dat bepaalt dat eenieder die wegens een strafbaar feit is veroordeeld, het recht heeft zijn veroordeling en vonnis opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege overeenkomstig de wet en artikel 2.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, dat bepaalt dat iedereen die door een gerecht is veroordeeld wegens een strafbaar feit, het recht heeft om zijn schuldigverklaring of veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger gerecht en dat de uitoefening van dit recht, met inbegrip van de gronden waarop het kan worden uitgeoefend, bij de wet wordt geregeld, hebben enkel betrekking op de schuldigverklaring of de veroordeling van een beklaagde door een vonnisgerecht, maar niet op de beslissing van het onderzoeksgerecht dat oordeelt over de regeling van de rechtspleging. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Vrije woorden: Zevende aanvullend protocol EVRM - Artikel 2.1 - Strafrechtelijke veroordeling - Vereiste van dubbele aanleg - Onderzoeksgerecht - Regeling van de rechtspleging - Toepasselijkheid Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Regeling van de rechtspleging - Zevende aanvullend protocol EVRM - Artikel 2.1 - Strafrechtelijke veroordeling - Vereiste van dubbele aanleg - Toepasselijkheid Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Artikel 14.5 - Strafrechtelijke veroordeling - Vereiste van dubbele aanleg - Onderzoeksgerecht - Regeling van de rechtspleging - Toepasselijkheid Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Regeling van de rechtspleging - Internationaal Verdrag Burgerrechten en Politieke Rechten - Artikel 14.5 - Strafrechtelijke veroordeling - Vereiste van dubbele aanleg - Toepasselijkheid Fiches 5 - 6 Noch de artikelen 131, 135 en 235bis Wetboek van Strafvordering noch het algemeen opzet van de regeling van de rechtspleging houdt voor de inverdenkinggestelde het recht in op een beoordeling in twee aanleggen; die regeling gaat integendeel ervan uit dat de inverdenkinggestelde geen recht van hoger beroep heeft tegen de verwijzingsbeschikking van de raadkamer, behoudens voor wat de in de wet bepaalde uitzonderingen betreft. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Vrije woorden: Algemeen opzet - Recht op dubbele aanleg - Uitzonderingsregime Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Vrije woorden: Raadkamer - Regeling van de rechtspleging - Algemeen opzet - Recht op dubbele aanleg - Uitzonderingsregime Fiches 7 - 9 Artikel 235 Wetboek van Strafvordering laat de kamer van inbeschuldigingstelling onder meer toe een persoon voor het eerst in hoger beroep in verdenking te stellen en hem wegens het bestaan van voldoende bezwaren naar het vonnisgerecht te verwijzen en daarbij moet die kamer niet aangeven waarom de betrokkene niet reeds vroeger in verdenking kon worden gesteld; de toepassing van die wetsbepaling houdt geen miskenning in van het recht van verdediging. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Bevoegdheid ex artikel 235 Wetboek van Strafvordering - Inverdenkingstelling en verwijzing in hoger beroep - Recht van verdediging - Bestaanbaarheid Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Bevoegdheid ex artikel 235 Wetboek van Strafvordering - Inverdenkingstelling en verwijzing in hoger beroep - Bestaanbaarheid Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Bevoegdheid ex artikel 235 Wetboek van Strafvordering - Inverdenkingstelling en verwijzing in hoger beroep - Recht van verdediging - Bestaanbaarheid Fiches 10 - 11 Het legaliteitsbeginsel in strafzaken is een grondrecht dat op geheel of gedeeltelijk analoge wijze is gewaarborgd door de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet en de artikelen 7 EVRM en 15 IVBPR; het Hof kan overeenkomstig artikel 26, §4, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof onderzoeken of de betwiste bepaling de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet klaarblijkelijk al dan niet schendt. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Legaliteitsbeginsel in strafzaken - Geheel of gedeeltelijk op analoge wijze gewaarborgd door de Grondwet, het EVRM en het IVBPR - Mogelijkheid tot onderzoek of een bepaling de Grondwet klaarblijkelijk al dan niet schendt Thesaurus CAS: GRONDWET - ALGEMEEN Vrije woorden: Legaliteitsbeginsel in strafzaken - Geheel of gedeeltelijk op analoge wijze gewaarborgd door de Grondwet, het EVRM en het IVBPR - Mogelijkheid tot onderzoek of een bepaling de Grondwet klaarblijkelijk al dan niet schendt Fiches 12 - 13 De in artikel 12, tweede lid, Grondwet vermelde beginselen van wettigheid en voorspelbaarheid van de strafrechtspleging zijn van toepassing op de hele rechtspleging, met inbegrip van de stadia van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 12 Vrije woorden: Wettigheid en voorspelbaarheid van de strafrechtspleging - Toepassingsgebied Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Wettigheid en voorspelbaarheid van de strafrechtspleging - Toepassingsgebied Fiches 14 - 15 Het vereiste van voorspelbaarheid van de strafrechtspleging waarborgt elke burger dat tegen hem enkel een opsporingsonderzoek, een gerechtelijk onderzoek en een vervolging kunnen worden ingesteld volgens een bij de wet vastgestelde procedure waarvan hij vóór de aanwending ervan kennis kan nemen

(1).
(1)GwH, 21 december 2004, nr. 202/
  1. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 12 Vrije woorden: Wettigheid en voorspelbaarheid van de strafrechtspleging - Draagwijdte Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Wettigheid en voorspelbaarheid van de strafrechtspleging - Draagwijdte Fiches 16 - 17 Enkel onder dezelfde voorwaarden als aangegeven in artikel 61bis, eerste lid, en in de artikelen 128, 129 en 130 Wetboek van Strafvordering, kan de kamer van inbeschuldigingstelling op grond van artikel 235 Wetboek van Strafvordering een persoon in verdenking stellen en een inverdenkinggestelde naar de vonnisrechter verwijzen, zodat die bepaling voldoet aan de vereisten van wettigheid en voorspelbaarheid van de strafrechtspleging. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Bevoegdheid ex artikel 235 Wetboek van Strafvordering - Inverdenkingstelling en verwijzing in hoger beroep - Voorwaarden - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Wettigheid en voorspelbaarheid van de strafrechtspleging - Artikel 235 Wetboek van Strafvordering - Bestaanbaarheid Fiches 18 - 19 Geen enkele verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling noch enig algemeen rechtsbeginsel vereist dat een persoon die enkel als getuige wordt verhoord, tijdens zijn verhoor de bijstand van een advocaat moet hebben; de omstandigheid dat die getuige de houder is van een beroepsgeheim, doet daaraan geen afbreuk. Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: Recht op bijstand - Verhoor als getuige - Toepasselijkheid Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Verhoor als getuige - Recht op bijstand van advocaat - Toepasselijkheid Fiche 20 De omstandigheid dat een getuige na zijn verhoor de hoedanigheid van inverdenkinggestelde krijgt, belet het onderzoeksgerecht niet de bezwaren die het te zijnen laste aanneemt, te steunen op verklaringen die hij regelmatig als getuige heeft afgelegd; dit is slechts anders wanneer blijkt dat de getuige op het moment van zijn verhoor in werkelijkheid reeds een verdachte was of hij in de loop van dat verhoor een verdachte werd of wanneer op hem dwang werd uitgeoefend. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Getuige die na zijn verhoor de hoedanigheid van inverdenkinggestelde krijgt - Onderzoek van het bestaan van bezwaren - Mogelijkheid van het gebruik van verklaringen die regelmatig als getuige werden afgelegd - Uitzondering Tekst van de beslissing Nr. P.14.0367.N T T R G L, inverdenkinggestelde, eiser, met als raadslieden mr. Philip Traest, advocaat bij de balie te Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, en mr. L.J. Martens, advocaat bij de balie te Gent, tegen
  2. X F P, burgerlijke partij,
  3. BIBI FASHION nv, met zetel te 2000 Antwerpen, Noorderlaan 28, burgerlijke partij, verweerders, met als raadsman mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, ka-mer van inbeschuldigingstelling, van 23 januari
  4. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser doet afstand zonder berusting van zijn cassatieberoep in zoverre het ge-richt is tegen de beslissing over het bestaan van voldoende bezwaren. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Procureur-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 2.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM en artikel 14.5 IVBPR, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest stelt de eiser voor het eerst in hoger beroep in verdenking en verwijst hem wegens het bestaan van bezwaren naar de vonnisrechter, zonder daarbij te ver-melden waarom het niet mogelijk was hem eerder in verdenking te stellen; aldus heeft de eiser niet kunnen genieten van een rechtspleging in twee aanleggen en wordt zijn recht van verdediging miskend.
  6. Artikel 6 EVRM is in de regel niet van toepassing voor de onderzoeksge-rechten die geen uitspraak doen over de gegrondheid van de strafvordering. In zoverre het onderdeel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
  7. Artikel 14.5 IVBPR bepaalt dat eenieder die wegens een strafbaar feit is veroordeeld, het recht heeft zijn veroordeling en vonnis opnieuw te doen beoorde-len door een hoger rechtscollege overeenkomstig de wet. Artikel 2.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM bepaalt dat iedereen die door een gerecht is veroordeeld wegens een strafbaar feit, het recht heeft om zijn schuldigverklaring of veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger gerecht. De uitoefening van dit recht, met inbegrip van de gronden waarop het kan worden uitgeoefend, wordt bij de wet geregeld. Die bepalingen hebben enkel betrekking op de schuldigverklaring of de veroorde-ling van een beklaagde door een vonnisgerecht, maar niet op de beslissing van het onderzoeksgerecht dat oordeelt over de regeling van de rechtspleging.
  8. Noch de artikelen 131, 135 en 235bis Wetboek van Strafvordering noch het algemeen opzet van de regeling van de rechtspleging houden voor de inverden-kinggestelde het recht in op een beoordeling in twee aanleggen. Die regeling gaat integendeel ervan uit dat de inverdenkinggestelde geen recht van hoger beroep heeft tegen de verwijzingsbeschikking van de raadkamer, behoudens voor wat de in de wet bepaalde uitzonderingen betreft.
  9. Artikel 235 Wetboek van Strafvordering bepaalt: "In alle zaken kunnen de kamers van inbeschuldigingstelling, zolang zij niet beslist hebben of de inbeschul-digingstelling dient te worden uitgesproken, om het even of de eerste rechters al dan niet een onderzoek hebben ingesteld, ambtshalve vervolgingen gelasten, zich de stukken doen overleggen, de zaak onderzoeken of doen onderzoeken, en daarna beschikken zoals het behoort."
  10. Die wetsbepaling laat de kamer van inbeschuldigingstelling onder meer toe een persoon voor het eerst in hoger beroep in verdenking te stellen en hem wegens het bestaan van voldoende bezwaren naar het vonnisgerecht te verwijzen. Daarbij moet die kamer niet aangeven waarom de betrokkene niet reeds vroeger in ver-denking kon worden gesteld. De toepassing van die wetsbepaling houdt geen mis-kenning in van het recht van verdediging. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 7 EVRM, artikel 15 IVBPR en de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet, alsmede miskenning van het lega-liteitsbeginsel in strafzaken: het arrest stelt de eiser in verdenking en verwijst hem vervolgens naar de correctionele rechtbank op grond van artikel 235 Wetboek van Strafvordering; die uitzonderingsbepaling vermeldt echter niet de criteria en om-standigheden op grond waarvan de kamer van inbeschuldigingstelling een persoon die niet was betrokken bij de regeling van de rechtspleging voor de raadkamer, toch nog voor het eerst in hoger beroep in verdenking kan stellen en hem naar de vonnisrechter kan verwijzen; aldus voldoet die bepaling niet aan de beginselen van wettigheid en voorspelbaarheid van de strafrechtspleging. De eiser verzoekt de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: "Schendt artikel 235 [Wetboek van Strafvordering] de artikelen 12, tweede lid, en 14 [Grondwet], al dan niet samen gelezen met artikel 7 [EVRM] en artikel 15 [IVBPR], doordat voormeld artikel, dat afwijkt van het gemeen recht van de regeling van de rechtspleging, zoals onder meer vervat in de artikelen 127, 131, 135 en 235bis [Wetboek van Strafvordering], geen nadere bepalingen bevat die criteria of voorwaarden bepalen waaronder door de kamer van inbeschuldi-gingstelling van deze uitzonderlijke bevoegdheid tot ambtshalve inverden-kingstelling en verwijzing naar de correctionele rechtbank kan worden gebruik gemaakt?"
  12. Het legaliteitsbeginsel in strafzaken is een grondrecht dat op geheel of ge-deeltelijk analoge wijze is gewaarborgd door de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet en de artikelen 7 EVRM en 15 IVBPR. Het Hof kan overeenkomstig artikel 26, § 4, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof onderzoeken of de betwiste bepaling de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet klaarblijkelijk al dan niet schendt.
  13. Artikel 12, tweede lid, Grondwet bepaalt dat niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft. De in die bepaling vermelde beginselen van wettigheid en voorspelbaarheid van de strafrechtspleging zijn van toepassing op de hele rechtspleging, met inbegrip van de stadia van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek.
  14. Het vereiste van voorspelbaarheid van de strafrechtspleging waarborgt elke burger dat tegen hem enkel een opsporingsonderzoek, een gerechtelijk onderzoek en een vervolging kunnen worden ingesteld volgens een bij de wet vastgestelde procedure waarvan hij vóór de aanwending ervan kennis kan nemen.
  15. Artikel 61bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de onder-zoeksrechter overgaat tot de inverdenkingstelling van elke persoon tegen wie ern-stige aanwijzingen van schuld bestaan. Krachtens de artikelen 128, 129 en 130 Wetboek van Strafvordering kan de raad-kamer een inverdenkinggestelde naar de vonnisrechter verwijzen wanneer zij vaststelt dat tegen hem bezwaar bestaat, dit wil zeggen dat zij lastens hem het be-staan vaststelt van objectiveerbare aanwijzingen van schuld die een bepaalde graad van ernst vertonen. Enkel onder dezelfde voorwaarden als aangegeven in de voormelde bepalingen, kan de kamer van inbeschuldigingstelling op grond van artikel 235 Wetboek van Strafvordering een persoon in verdenking stellen en een inverdenkinggestelde naar de vonnisrechter verwijzen. Aldus voldoet die bepaling aan de vereisten van wettigheid en voorspelbaarheid van de strafrechtspleging.
  16. Uit het voorgaande volgt dat artikel 235 Wetboek van Strafvordering kennelijk voldoende nauwkeurig is en de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet, artikel 7 EVRM en artikel 15 IVBPR klaarblijkelijk niet schendt. Het onderdeel faalt naar recht. De prejudiciële vraag dient overeenkomstig artikel 26, § 4, tweede lid, 2°, Bijzon-dere Wet Grondwettelijk Hof niet te worden gesteld. Tweede middel
  17. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen houdende de onpartijdigheid van de rechter en houdende de eerbiediging van het recht van verdediging: op grond van artikel 235 Wetboek van Strafvordering stellen de appelrechters in dezelfde samenstelling de eiser in verdenking en verwijzen zij hem naar de vonnisrechter; aldus hebben de appelrechters een vermenging veroorzaakt tussen de functie van onderzoeksrech-ter, aan wie in beginsel het oordeel over de inverdenkingstelling toekomt, en de functie van het onderzoeksgerecht, aan wie het staat de rechtspleging te regelen, en hebben zij een objectief gewettigde twijfel verwekt over hun geschiktheid om op onpartijdige wijze uitspraak te doen over de regeling van de rechtspleging en de vordering tot verwijzing van de eiser naar de vonnisrechter.
  18. De inverdenkingstelling van een persoon door de kamer van inbeschuldi-gingstelling op grond van artikel 235 Wetboek van Strafvordering vereist de vast-stelling van het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld. Krachtens de arti-kelen 128, 129 en 130 Wetboek van Strafvordering vereist de verwijzing van een inverdenkinggestelde naar de vonnisrechter het bestaan van bezwaren. Uit de enkele omstandigheid dat de kamer van inbeschuldigingstelling die oor-deelt over het bestaan van voldoende bezwaren, eerder ten aanzien van dezelfde inverdenkinggestelde besliste over de ernstige aanwijzingen van schuld, kan geen miskenning van het recht op een onpartijdige rechterlijke instantie worden afge-leid. In zoverre faalt het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, naar recht. Derde middel
  19. Het middel voert in al zijn onderdelen schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eer-biediging van het recht van verdediging. Eerste onderdeel
  20. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat eisers recht van verdediging niet werd miskend doordat hij werd verhoord zonder bijstand van een advocaat en dat het ten onrechte en op grond van niet-pertinente redenen oordeelt dat de eiser zich bij zijn verhoor niet in een kwetsbare positie bevond; om die kwetsbare positie te beoordelen, dient het arrest de concrete omstandigheden van dat verhoor in aanmerking te nemen, zoals het feit dat de eiser door de politie uitdrukkelijk als getuige is ondervraagd in een aangelegenheid die betrekking had op zijn cliënt en betreffende gegevens die onder zijn beroepsgeheim vielen; bo-vendien gebruikt het arrest eisers verklaring om te oordelen dat lastens hem vol-doende bezwaren bestaan.
  21. Geen enkele verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling noch enig algemeen rechtsbeginsel vereist dat een persoon die enkel als getuige wordt verhoord, tij-dens zijn verhoor de bijstand van een advocaat moet hebben. De omstandigheid dat die getuige de houder is van een beroepsgeheim, doet daaraan geen afbreuk.
  22. De omstandigheid dat een getuige na zijn verhoor de hoedanigheid van in-verdenkinggestelde krijgt, belet het onderzoeksgerecht niet de bezwaren die het te zijnen laste aanneemt, te steunen op verklaringen die hij regelmatig als getuige heeft afgelegd. Dit is slechts anders wanneer blijkt dat de getuige op het moment van zijn verhoor in werkelijkheid reeds een verdachte was of hij in de loop van dat verhoor een verdachte werd of wanneer op hem dwang werd uitgeoefend. In zoverre het onderdeel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.
  23. Zonder op dat punt te worden bekritiseerd, stelt het arrest vast dat de eiser ter uitvoering van de aanvullende onderzoekshandelingen die bij een voorgaand tussenarrest waren bevolen, als getuige werd verhoord en dat hij bij dit verhoor werd gewezen op het feit dat zijn verklaringen in rechte konden worden gebruikt en dat hij het recht had zichzelf niet te beschuldigen, zoals dit op grond van artikel 47bis, § 1, 1, c) en d), Wetboek van Strafvordering vereist is voor iedere verhoor-de, ongeacht zijn hoedanigheid.
  24. Voor het overige oordeelt het arrest dat: - de eiser steeds heeft gesteld dat er geen strafrechtelijke inbreuken werden ge-pleegd en zichzelf op geen enkel ogenblik heeft geïncrimineerd; - de eiser op geen enkel ogenblik zijn vrijheid van komen en gaan heeft verloren en uit niets blijkt dat er dwang werd gebruikt; - de eiser onmiddellijk een kopie van zijn verklaringen heeft gekregen; - de eiser, zo hij al zou gehinderd zijn door zijn beroepsgeheim, een nieuw ver-hoor met bijstand van een raadsman kon voorstellen, wat hij niet gedaan heeft; - de eiser dus blijkbaar geen nood heeft om zijn verklaringen te herroepen, te wijzigen of aan te vullen, zoals blijkt uit zijn conclusie. Aldus stelt het arrest niet vast dat de eiser in werkelijkheid als verdachte werd verhoord noch dat op hem dwang werd uitgeoefend en oordeelt het bijgevolg wettig dat zijn recht van verdediging en zijn recht op een eerlijk proces niet onher-stelbaar zijn miskend doordat hij door de politie werd verhoord zonder bijstand van een raadsman. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  25. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de eiser zich in de omstandigheden zoals vermeld in het eerste onderdeel, niet in een kwetsbare positie bevond.
  26. Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat een persoon die enkel als getuige wordt verhoord, geen recht heeft op bijstand van een advocaat tijdens zijn verhoor.
  27. Het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste onderdeel van dit middel ver-geefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  28. Het onderdeel voert aan dat het arrest eisers recht van verdediging en recht op een eerlijk proces miskent doordat het zijn als getuige en zonder bijstand van een advocaat afgelegde verklaring gebruikt om hem te verwijzen naar het vonnis-gerecht, terwijl hij zich als gevolg van het feit dat hij werd verhoord over aangele-genheden die vielen onder zijn beroepsgeheim, niet heeft kunnen verdedigen.
  29. Met de redenen die het bevat en die zijn vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, stelt het arrest niet vast dat de eiser zich niet heeft kunnen verdedigen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  30. Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waar-voor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek van de beslissing
  31. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 133,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, als voorzitter, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 21 oktober 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, in aanwezigheid van procureur-generaal Patrick Duin-slaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. V. Kosynsky E. Francis A. Bloch F. Van Volsem B. Dejemeppe L. Van hoogenbemt PDF document ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141021.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210413.2N.2 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231107.2N.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170516.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180228.5 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181121.2 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180228.5 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181121.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.