← België

ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150217.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 februari 2015 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150217.5 Rolnummer: P.14.1509.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2015-03-09 Raadplegingen: 734 - laatst gezien 2026-06-19 05:38 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een vereniging zonder winstoogmerk die bij toepassing van de artikelen 2, § 1, 5°, a), en 179 WIB92 onderworpen is aan de vennootschapsbelasting, is ertoe gehouden om overeenkomstig artikel 305 WIB92 jaarlijks een aangifte in te dienen en het niet-indienen van die aangifte, zo werd gehandeld met bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden, is strafbaar op grond van artikel 449 WIB92 en dit feit kan worden toegerekend aan de vereniging zonder winstoogmerk zelf en aan de natuurlijke personen door wie de vereniging handelt; de omstandigheid dat inkomsten van een vereniging zonder winstoogmerk werden uitgekeerd aan haar bestuurders en dat die bestuurders in het raam van een fiscale regularisatieprocedure op die inkomsten in de personenbelasting werden belast en de aldus verschuldigde belasting met inbegrip van een belastingverhoging hebben betaald, doet de op de vereniging zonder winstoogmerk rustende aangifteplicht in de vennootschapsbelasting en de daaruit voortvloei- ende strafbaarheid van de vereniging zonder winstoogmerk en de natuurlijke personen door wie de vereniging handelt, niet verdwijnen. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Algemeen Vrije woorden: Niet-indienen van de aangifte - Strafbaar feit toerekenbaar aan de vennootschap of de natuurlijke personen - Uitkering van inkomsten aan de bestuurders - Fiscale regularisatieprocedure in de personenbelasting - Invloed op de aangifteplicht in de vennootschapsbelasting Fiches 2 - 4 Uit de bepalingen van artikel 14.7 IVBPR en artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM alsmede uit het algemene rechtsbeginsel non bis in idem volgt dat een tweede vervolging verboden is wegens identieke feiten of substantieel dezelfde feiten die na een eerste vervolging hebben geleid tot een onherroepelijke beslissing van veroordeling of vrijspraak en voor zover die vervolgingen betrekking hebben op dezelfde persoon, waarbij onder identieke of substantieel dezelfde feiten moet worden verstaan een geheel van concrete feitelijke omstandigheden welke onlosmakelijk in tijd en ruimte met elkaar verbonden zijn

(1).
(1)Cass. 24 juni 2014, AR P.13.1747.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140617.3, AC 2014, nr. 452 zie H. VAN BAVEL, aIdema betekent niet altijd hetzelfdea, noot onder Cass. 24 juni 2014, T.Strafr. 2014/5, 314-318;Cass. 20 mei 2014, AR P.13.0026.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140520.1, AC 2014, nr; 357 Cass. 27 maart 2013, AR P.12.1945.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130327.1, AC 2014, nr. 213;Cass. 12 november 2010, AR F.09.0101.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101112.2, AC 2010, nr.669 met concl. van advocaat-generaal D.Thijs; zie EHRM ( Grote Kamer) 10 februari 2009 , nr.14939/03, Zolotukin/Rusland. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Artikel 14 - Artikel 14.7 - Non bis in idem-beginsel - Verbod tweede vervolging wegens identieke of substantieel dezelfde feiten na eerste vervolging - Draagwijdte Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Vrije woorden: Zevende aanvullend protocol EVRM - Artikel 4.1 - Non bis in idem-beginsel - Verbod tweede vervolging wegens identieke of substantieel dezelfde feiten na eerste vervolging - Draagwijdte Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Strafzaken - Algemeen rechtsbeginsel "non bis in idem" - Verbod tweede vervolging wegens identieke of substantieel dezelfde feiten na eerste vervolging - Draagwijdte Fiches 5 - 6 De rechter oordeelt onaantastbaar of de feiten die het voorwerp uitmaken van de vervolgingen identiek of substantieel dezelfde zijn; het Hof gaat evenwel na of de rechter uit de vastgestelde feiten geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Strafvordering - Non bis in idem-beginsel - Verbod tweede vervolging wegens identieke of substantieel dezelfde feiten na eerste vervolging - Beoordeling - Bevoegdheid van het Hof - Marginale toetsing Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Allerlei Vrije woorden: Strafzaken - Strafvordering - Non bis in idem-beginsel - Verbod tweede vervolging wegens identieke of substantieel dezelfde feiten na eerste vervolging - Onaantastbare beoordeling door de feitenrechter - Cassatieberoep - Bevoegdheid - Marginale toetsing Fiche 7 De verplichting een aangifte te doen in de vennootschapsbelasting rust op de belastingsplichtige en op de natuurlijke personen door wie deze handelt en die verplichting is te onder- scheiden van de verplichting welke op de bestuurders-natuurlijke personen van een dergelijke belastingsplichtige rust om een correcte aangifte in te dienen in de personenbelasting, aangezien de te respecteren formaliteiten, tijdstip van indiening en op te geven informatie verschillend zijn voor beide aangiften; de beslissing die oordeelt dat de belastingverhoging die was opgelegd aan de bestuurders a natuurlijke personen wegens het niet vermelden van bepaalde inkomsten in hun aangiften in de personenbelasting ook gedeeltelijk betrekking heeft op de feiten van niet a indienen van een aangifte in de vennootschapsbelasting voor hun vennootschap, is dan ook niet naar recht verantwoord
(1).
(1)Zie EHRM 20 mei 2014, nr. 35235/11, Pirttimäki/Finland; zie ook S. GNEDASJ en H. VANHULLE, a Not even God judges twice for the same actaand tax offence. Draagwijdte van het ne bis in idem-beginsela, TFR 2014, afl 466, 643-686 ; zie ook S. GNEDASJ, a EHRM over ne bis in idem en lis pêndens in fiscaal strafrecht. Strafsanctie vs. Fiscale sanctie: wie eerst komt, eerst maalt?a; Fisc.Act. 2014, afl. 20, 7-
  1. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Belastingaangifte Vrije woorden: Vennootschapsbelasting - Aangifteverplichting - Draagwijdte - Onderscheid met de aangifteverplichting in de personenbelasting door bestuurders-natuurlijke personen - Belastingverhoging wegens niet-vermelden van inkomsten in de personenbelasting - Gevolg - Geen toepassing van het non bis in idem-beginsel Tekst van de beslissing Nr. P.14.1509.N I PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT, eiser, tegen
  2. C M P M C, beklaagde,
  3. F C A D, beklaagde,
  4. F A J-M G, beklaagde, verweerders. II
  5. C M P M C, reeds vermeld, beklaagde,
  6. F C A D, reeds vermeld, beklaagde,
  7. F A J-M G, reeds vermeld, beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Michel Maus, advocaat bij de balie te Brugge. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 3 september
  8. De eiser I voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eisers II voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen van de eisers II Eerste middel
  9. Het middel voert schending aan van artikel 14 EVRM en artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM: met het oordeel dat het opportuniteitsbeginsel van het openbaar ministerie kan leiden tot de vervolging van bepaalde personen daar waar anderen voor dezelfde feiten niet worden vervolgd en dat de rechter deze beslissing van het openbaar ministerie niet mag toetsen, miskent het arrest het niet-discriminatiebeginsel van artikel 14 EVRM; pecuniaire sancties tasten het eigen-domsrecht van de eisers II aan en artikel 14 EVRM verbiedt discriminatie op wel-ke grond ook; de eisers II worden gediscrimineerd omdat zij spijts een globale en volledige fiscale regularisatie toch worden vervolgd, terwijl fiscale overtreders in de arrondissementen Antwerpen en Brussel in een dergelijk geval niet worden vervolgd.
  10. Het arrest oordeelt niet alleen zoals het middel vermeldt. Het oordeelt ook dat: - het verweer van de eisers II berust op een aantal subjectieve vaststellingen die geenszins voldoende onderbouwd zijn om te doen besluiten dat het openbaar ministerie in deze zaak redelijkerwijze niet kon komen tot vervolging, daar het gaat om de verdenking van misdrijven en om een belangrijk rechtsgoed, name-lijk de belangen van de schatkist; - de strafvervolgingen in deze zaak werden ingesteld op een tijdstip dat er nog geen sprake was van fiscale regularisatie door de eisers II; - in deze zaak het gerechtelijk onderzoek op 9 april 2008 werd gevorderd we-gens inbreuken op de btw-wetgeving en het WIB92, terwijl de fiscale diensten pas nadien inzage kregen in het strafdossier; - de verwijzing naar de correctionele rechtbank dateert van 17 november
  11. Het middel dat nalaat deze redenen in zijn kritiek te betrekken, berust op een on-volledige lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14.7 IVBPR, artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM en artikel 305 WIB92: het arrest veroordeelt de eisers II ten onrechte voor de niet-aangifte in de vennoot-schapsbelasting; de commerciële activiteiten van de eisers II hebben inkomsten opgeleverd die fiscaal aan een welbepaalde belastingplichtige worden toegerekend en het is die belastingplichtige die verantwoordelijk is voor de aangifte in de in-komstenbelastingen en voor de betaling van de fiscale schuld; het is fiscaal onmo-gelijk om de inkomsten aan te geven in hoofde van Coast Adventure vzw; de in-komsten werden rechtstreeks toegerekend aan de eisers II persoonlijk, die uitein-delijk in de personenbelasting op die inkomsten belastingen hebben betaald; het arrest kon dan ook niet oordelen dat Coast Adventure vzw een aangifte in de ven-nootschapsbelasting had moeten indienen.
  13. Een vereniging zonder winstoogmerk die bij toepassing van de artikelen 2, § 1, 5°, a), en 179 WIB92 onderworpen is aan de vennootschapsbelasting, is ertoe gehouden om overeenkomstig artikel 305 WIB92 jaarlijks een aangifte in te die-nen. Het niet-indienen van die aangifte is, zo werd gehandeld met bedrieglijk op-zet of het oogmerk om te schaden, strafbaar op grond van artikel 449 WIB
  14. Dit feit kan worden toegerekend aan de vereniging zonder winstoogmerk zelf en aan de natuurlijke personen door wie de vereniging handelt.
  15. De omstandigheid dat inkomsten van een vereniging zonder winstoogmerk werden uitgekeerd aan haar bestuurders en dat die bestuurders in het raam van een fiscale regularisatieprocedure op die inkomsten in de personenbelasting werden belast en de aldus verschuldigde belasting met inbegrip van een belastingverho-ging hebben betaald, doet de op de vereniging zonder winstoogmerk rustende aangifteplicht in de vennootschapsbelasting en de daaruit voortvloeiende straf-baarheid van de vereniging zonder winstoogmerk en de natuurlijke personen door wie de vereniging heeft gehandeld, niet verdwijnen.
  16. Het arrest oordeelt dat: - de eisers II uit de inkomsten van de vennootschap-vzw maandelijks een bedrag in contanten achterhielden en onder elkaar verdeelden; - die contante inkomsten niet werden aangegeven; - de vzw commerciële activiteiten ontwikkelde die aanleiding gaven tot het ver-werven van omzet, inkomsten en winsten, die in fiscaal opzet zeker belastbaar waren en dienden te worden aangegeven; - alle inkomsten van vennootschappen of verenigingen met commerciële activi-teiten overeenkomstig de bestaande wetgeving nauwkeurig en correct moeten worden aangegeven; - de eisers II de inkomsten uit de commerciële activiteiten van de vereniging zelf in bezit hebben genomen zonder deze als uitgave te vermelden; - er geen aangifte geschiedde in de vennootschaps- of rechtspersonenbelasting, zodat een correcte belastingheffing onmogelijk werd gemaakt; - vaststaat dat de werkelijke omzet, de inkomsten en de uitgaven van de activi-teiten in het geheel niet werden aangegeven bij de bevoegde fiscale diensten en de eisers II daarvoor mede verantwoordelijk zijn, daar zij de vereiste machten en hoedanigheden hadden om samen met de vzw de nodige structuren te ont-wikkelen en handelingen te stellen om deze vzw vanuit fiscaalrechtelijk opzicht normconform te laten werken en handelen; - zij dit vanuit persoonlijk geldgewin niet hebben gedaan, waardoor zij mede strafbaar en verantwoordelijk zijn. Met die redenen verantwoorden de appelrechters naar recht de beslissing dat de eisers II schuldig zijn aan de feiten der telastleggingen B1 tot en met B6, zoals beperkt. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14.7 IVBPR, artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM en artikel 53 Btw-wetboek alsmede miskenning van de bewijskracht van akten: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eisers II nog steeds het voorwerp kunnen uitmaken van een vervolging wegens de niet-aangifte in de btw omdat niet de eisers II, maar wel Coast Adventure vzw fiscaal werd gesanctioneerd en er dus geen subjectidentiteit is; dit gaat niet op; met dit oordeel miskent het arrest de bewijskracht van het stuk 22 van de eisers II waaruit blijkt dat de akkoordverklaring werd ondertekend door de eisers II in eigen naam en als bestuurders van Coast Adventure vzw; bovendien is voor de toepassing van het non bis in idem-beginsel bepalend wie de facto de opgelegde straf vermogensrechtelijk moet ondergaan en dit zijn de eisers II, die als bestuurders van Coast Adventure vzw persoonlijk aansprakelijk zijn.
  18. Met het oordeel dat enkel aan Coast Adventure een administratieve sanctie werd opgelegd en niet aan de eisers II geven de appelrechters aan de btw-correctieopgave die door de eisers II werd ondertekend als bestuurders van de vzw en in eigen naam, een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  19. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite aan wie een sanctie wordt opge-legd. In zoverre het onderdeel opkomt tegen het oordeel van de appelrechters dat aan de eisers II voor de telastleggingen A1 tot en met A6 (btw-inbreuken) nog geen enkele sanctie werd opgelegd, of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk. Middelen van de eiser I Eerste middel
  20. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 444 en 445 WIB92: het arrest leidt uit het gegeven dat de verweerders I als be-stuurders van de vzw met de fiscus een akkoord sloten voor wat betreft de perso-nenbelasting, waarbij een belastingverhoging ten bedrage van 50 procent van de ontdoken personenbelasting werd opgelegd, ten onrechte af dat de inbreuken in-zake vennootschapsbelasting, zoals deels omschreven onder de telastleggingen B1 tot en met B6, administratiefrechtelijk werden gesanctioneerd en dat de strafvor-dering bijgevolg op grond van het non bis in idem-beginsel voor die telastleggin-gen, zoals beperkt, onontvankelijk is; een belastingverhoging van 50 procent van de ontdoken personenbelasting sanctioneert enkel de niet-aangifte van belastbare inkomsten in de personenbelasting; er werd wat betreft de vennootschapsbelasting geen belasting gevestigd noch een minnelijk akkoord gesloten noch een admini-stratieve sanctie opgelegd, ook al kon de administratie dit laatste op grond van ar-tikel 445 WIB92; de vzw was gelet op haar commerciële activiteiten wel degelijk gehouden tot het indienen van een aangifte in de personenbelasting, wat zij heeft nagelaten; het met bedrieglijk opzet niet-indienen van een aangifte in de vennoot-schapsbelasting is niet dezelfde gedraging als het met bedrieglijk opzet niet-indienen van een aangifte in de personenbelasting; het arrest heeft dan ook ten on-rechte de strafvordering voor wat betreft de onder B1 tot B6 begrepen feiten deels onontvankelijk verklaard.
  21. Artikel 14.7 IVBPR bepaalt dat niemand voor een tweede keer mag worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken. Artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM bepaalt dat niemand opnieuw wordt berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrij-gesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die staat. Het algemene rechtsbeginsel non bis in idem heeft dezelfde draagwijdte.
  22. Uit deze bepalingen en dit algemene rechtsbeginsel volgt dat een tweede vervolging verboden is wegens identieke feiten of substantieel dezelfde feiten die na een eerste vervolging hebben geleid tot een onherroepelijke beslissing van ver-oordeling of vrijspraak en voor zover die vervolgingen betrekking hebben op de-zelfde persoon. Onder identieke of substantieel dezelfde feiten moet worden verstaan een geheel van concrete feitelijke omstandigheden welke onlosmakelijk in tijd en ruimte met elkaar verbonden zijn.
  23. De rechter oordeelt onaantastbaar of de feiten die het voorwerp uitmaken van de vervolgingen identiek of substantieel dezelfde zijn. Het Hof gaat evenwel na of de rechter uit de vastgestelde feiten geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
  24. De verweerders I worden met de telastleggingen B1 tot en met B6 vervolgd wegens het niet-indienen voor de aanslagjaren 2004 tot en met 2009 voor Coast Adventure vzw van een aangifte in de vennootschapsbelasting en hierin respectie-velijk ten minste 10.223,59 euro, 8.202,50 euro, 33.254,45 euro, 121.469,98 euro, 127.594,71 euro en 129.717,50 euro niet te hebben aangegeven.
  25. Het arrest oordeelt dat: - de telastleggingen B1 tot en met B6 voor een gedeelte mede begrepen waren in het minnelijk akkoord dat de fiscale diensten op het vlak van de personenbelas-ting - dit betreft de telastleggingen C1 tot en met C12 - hebben getroffen met de verweerders I, namelijk voor 15.000,00 euro (B3), 80.000,00 euro (B4), 86.250,00 euro en 1.675,00 euro (B5) en 93.000,00 euro en 5.972,50 euro (B6) (arrest, p. 18 - 19); - voor de niet-aangifte in de personenbelasting een belastingverhoging van 50 procent op de ontdoken personenbelasting werd opgelegd; - de overige onderdelen van de telastleggingen B1 tot en met B6, namelijk 10.223,59 euro (B1), 8.202,50 euro (B2), 8.737,45 euro en 9.517,00 euro (B3), 14.592,98 euro en 26.877,00 euro (B4), 14.816,71 euro en 24.853,00 euro (B5) en 30.925,00 euro (B6), in fiscaalrechtelijk opzicht noch in hoofde van de ven-nootschap (vzw) noch in hoofde van haar bestuurders (verweerders I) het voorwerp hebben uitgemaakt van enige minnelijke regeling, laat staan een ad-ministratieve sanctie (arrest, p. 18-19); - er wat betreft Coast Adventure vzw geen aangifte werd ingediend in de ven-nootschaps- of rechtspersonenbelasting, zodat een correcte belastingheffing onmogelijk werd gemaakt en dat de verweerders I daarvoor verantwoordelijk zijn (arrest, p. 25).
  26. De verplichting een aangifte in te dienen in de vennootschapsbelasting rust op de belastingplichtige en op de natuurlijke personen door wie deze handelt. Die verplichting is te onderscheiden van de verplichting welke op de bestuurders-natuurlijke personen van een dergelijke belastingplichtige rust om een correcte aangifte in te dienen in de personenbelasting. De te respecteren formaliteiten, tijdstip van indiening en op te geven informatie zijn voor beide aangiften verschil-lend.
  27. Het arrest kan dan ook niet oordelen dat de belastingverhoging ten bedrage van 50 procent die was opgelegd aan de verweerders I wegens het niet-vermelden van bepaalde inkomsten in hun aangiften in de personenbelasting (telastleggingen C1 tot en met C12) ook gedeeltelijk betrekking heeft op de feiten van het niet-indienen van een aangifte in de vennootschapsbelasting voor Coast Adventure vzw (telastleggingen B3 voor 15.000,00 euro B4 voor 80.000,00 euro, B5 voor 86.250,00 euro en 1.675,00 euro en B6 voor 93.000,00 euro en 5.972,50 euro). Die beslissing is dan ook niet naar recht verantwoord. Het middel is gegrond. Tweede middel
  28. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is wat betreft het niet-ontvankelijk verklaren van de strafvordering met betrekking tot de telastlegging C12 tegenstrijdig gemotiveerd; het arrest oordeelt, enerzijds, dat het feit onder de telastlegging C12 in hoofde van de verweerders I reeds het voor-werp heeft uitgemaakt van een definitieve fiscaalrechtelijke minnelijke regeling met oplegging van een verhoging van 50 procent die als strafsanctie wordt aangemerkt (p. 25), anderzijds, dat uit het bijkomend onderzoek blijkt dat aan de verweerders I voor wat betreft de personenbelasting geen belastingverhoging werd opgelegd voor het aanslagjaar 2009 (p. 17); beide oordelen zijn tegenstrijdig.
  29. Het arrest oordeelt enerzijds dat aan de verweerders I voor het aanslagjaar 2009 in het kader van de personenbelasting geen belastingverhoging werd opge-legd, en, anderzijds, dat gelet op de voor de telastlegging C12 toegepaste belas-tingverhoging van 50 procent, de strafvordering voor die telastlegging niet ont-vankelijk wordt verklaard. Deze oordelen zijn tegenstrijdig. Het middel is gegrond. Omvang van de cassatie
  30. De vernietiging van de beslissing om de strafvordering onontvankelijk te verklaren voor wat betreft de telastleggingen B3 voor 15.000,00 euro, B4 voor 80.000,00 euro, B5 voor 86.250,00 euro en 1.675,00 euro, B6 voor 93.000,00 euro en 5.972,50 euro en C12, brengt de vernietiging mee van de beslissing waarbij eenheid van opzet wordt aanvaard tussen de overige bewezen verklaarde feiten en van de beslissing waarbij de verweerders I worden veroordeeld tot straf en tot een bijdrage aan het Slachtofferfonds. Het laat de schuldigverklaring van de verweer-ders I aan de feiten der telastleggingen A1 tot en met A6 en B1 voor 10.223,59 euro, B2 voor 8.202,50 euro, B3 voor 8.737,45 euro en 9.517,00 euro, B4 voor 14.592,38 euro en 26.877,00 euro, B5 voor 14.816,71 euro en 24.853,00 euro en B6 voor 30.925,00 euro onaangetast. Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering voor het overige
  31. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de strafvordering niet ontvankelijk verklaart voor wat betreft de telastleggingen B3 voor 15.000,00 euro, B4 voor 80.000,00 euro, B5 voor 86.250,00 euro en 1.675,00 euro, B6 voor 93.000,00 euro en 5.972,50 euro en C12, alsmede de verweerders I elk tot straf en tot een bijdrage aan het Slachtofferfonds veroordeelt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers II tot de kosten van hun cassatieberoepen. Laat de kosten van het cassatieberoep I ten laste van de Staat. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Bepaalt de kosten in het geheel op 453,72 euro waarvan de eiser I 353,01 euro verschuldigd is en de eisers II 100,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechts-zitting van 17 februari 2015 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwe-zigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van af-gevaardigd griffier Véronique Kosynsky. V. Kosynsky S. Berneman E. Francis A. Lievens F. Van Volsem P. Maffei PDF document ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150217.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170921.2 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251103.3F.7 ECLI:BE:CTLIE:2023:ARR.20231013.1 ECLI:BE:CTLIE:2024:ARR.20240917.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101112.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130327.1 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140520.1 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140617.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160322.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190604.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221129.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.