id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 29 oktober 2015 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20151029.9 Rolnummer: C.14.0305.N Kamer: REUN - Ch.Réunies/Verenigde Kamers Rechtsgebied: Handelsrecht - Unierecht Invoerdatum: 2015-11-19 Raadplegingen: 481 - laatst gezien 2026-06-19 06:28 Versie(s): Vertaling FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151029.9 Fiches 1 - 2 Uit de wetsgeschiedenis van artikel 53, §1, eerste en derde lid, van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, zoals te dezen van toepassing, blijkt dat de wetgever niet alleen formeel een dubbele doelstelling vooropstelde, maar ook daadwerkelijk en met opgave van redenen beoogde, naast de economische belangen van de concurrenten, de consument te beschermen en in te lichten door de doorzichtigheid en juistheid te verzekeren van de prijzen zoals die onmiddellijk vóór en tijdens de opruimingsperiodes worden toegepast; hieruit volgt dat artikel 53, §1, van deze wet tevens beoogt de consument te beschermen en dat de krachtens die bepaling verboden aankondigingen van prijsverminderingen en suggesties niet buiten het toepassingsgebied van de Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad vallen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HANDELSPRAKTIJKEN Vrije woorden: Handelspraktijkenwet 1991 - Artikel 53, § 1, eerste en derde lid, WHPC - Sperperiode - Aankondigingen en suggesties van prijsverminderingen - Doelstelling wetgever - Gevolg Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken - 11-05-2005 - Art. 2, sub d Wet 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument - 14-07-1991 - Art. 53, § 1, eerste en derde lid - 30 ELI link Pub nr 1991011261 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Vrije woorden: Richtlijn 2005/29/EG - Oneerlijke handelspraktijken - Handelspraktijkenwet 1991 - Artikel 53, § 1, eerste en derde lid, WHPC - Sperperiode - Aankondigingen en suggesties van prijsverminderingen - Toepassingsgebied - Gevolg Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken - 11-05-2005 - Art. 2, sub d Wet 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument - 14-07-1991 - Art. 53, § 1, eerste en derde lid - 30 ELI link Pub nr 1991011261 Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem. Thesaurus CAS: HANDELSPRAKTIJKEN Vrije woorden: Handelspraktijkenwet 1991 - Artikel 53, § 1, eerste en derde lid, WHPC - Sperperiode - Aankondigingen en suggesties van prijsverminderingen - Doelstelling wetgever - Gevolg Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Vrije woorden: Richtlijn 2005/29/EG - Oneerlijke handelspraktijken - Handelspraktijkenwet 1991 - Artikel 53, § 1, eerste en derde lid, WHPC - Sperperiode - Aankondigingen en suggesties van prijsverminderingen - Toepassingsgebied - Gevolg Tekst van de conclusie C.14.0305.N Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem: I. SITUERING
(1)- In 2005 lanceerde eiseres de klantenkaart "Advantage" waarmee haar klanten (tegen betaling van een vergoeding van 5 euro) van een aantal speciale aanbiedingen gebruik konden maken. In december 2007 ontvingen de klanten van eiseres, die over een dergelijke kaart beschikten en die ten minste twee aankopen hadden gedaan in de periode tussen september 2006 en 30 november 2007, een brief waarin hen werd meegedeeld dat zij voor aankopen van 26 t.e.m. 31 december 2007, op vertoon van het origineel van deze brief, recht hadden op een korting, die voor bepaalde producten kon oplopen tot 50%.
- Verweersters vonden dat eiseres zich daardoor niet hield aan het in artikel 53 van de Wet Handelspraktijken van 14 juli 1991 (WHPC) gestelde verbod om tijdens de sperperiode, die liep van 15 november t.e.m. 2 januari en van 15 mei t.e.m. 30 juni, prijsverminderingen aan te kondigen, en zij vroegen derhalve aan de stakingsrechter om deze handelspraktijk te verbieden.
- Eiseres voerde daartegen aan dat artikel 53, §1, Wet Handelspraktijken niet verenigbaar is met de bepalingen van de Richtlijn 2005/29/EG van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt. Verweerders repliceerden hierop dat het verbod om tijdens de sperperiode prijsverminderingen aan te kondigen echter niet onder het toepassingsgebied van deze richtlijn valt en daar dus niet aan moet worden getoetst. Volgens hen is het ingestelde verbod immers geen maatregel van consumentenbescherming.
- In zijn arrest van 21 februari 2011
(2)in deze zaak verwijst het Hof van Cassatie naar de wil van de wetgever die, ter verantwoording van het verbod om tijdens de sperperiodes prijsverminderingen aan te kondigen, een dubbel doel vooropstelde. Enerzijds streefde de wet ernaar de consument te beschermen en in te lichten door de doorzichtigheid en juistheid te verzekeren van de prijzen zoals die onmiddellijk vóór en tijdens de opruimingsperiodes worden toegepast, en anderzijds wenste de wetgever de gelijkheid in de verkoopkansen te waarborgen evenals het voortbestaan van de kleine handelaars veilig te stellen, door het vrijwaren van gezonde concurrentievoorwaarden tussen de onderscheiden soorten van verkopers.
- Het Hof stelt vervolgens de vraag aan het Hof van Justitie of de Richtlijn 2005/29 zich verzet tegen een nationale bepaling zoals artikel 53 Wet Handelspraktijken, die op algemene wijze aankondigingen van prijsverminderingen en suggesties daarvan tijdens de sperperiode in bepaalde sectoren verbiedt, wanneer deze bepaling, ondanks de doelstellingen waarnaar de nationale wetgever verwijst, er in werkelijkheid toe strekt de concurrentieverhoudingen tussen handelaars te regelen, en, gelet op de overige garanties door de wet geboden, niet effectief bijdraagt tot de consumentenbescherming.
- Het Hof van Justitie
(3)- na in het overwegend gedeelte van de beschikking van 15 december 2011 te hebben benadrukt dat het aan de nationale rechter behoort zich uit te spreken over de uitlegging van nationale bepalingen - stelt in zijn antwoord op de gestelde vraag dat de Richtlijn 2005/29 zich verzet tegen een nationale bepaling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die op algemene wijze aankondigingen van prijsverminderingen en suggesties daarvan tijdens de sperperiode verbiedt, voor zover deze bepaling de bescherming van de consumenten beoogt. 7. Bij arrest van 2 november 2012
(4)oordeelt het Hof van Cassatie dat artikel 53, §1, eerste lid, Wet Handelspraktijken onder het toepassingsveld van de Richtlijn 2005/29 valt. Het grondt dit oordeel enerzijds op de vaststelling dat de wetgever met de invoering van voormeld artikel 53, §1, eveneens beoogde de consument te beschermen, en anderzijds op het antwoord van het Hof van Justitie dat slechts de nationale wettelijke regelingen betreffende oneerlijke handelspraktijken die alleen de economische belangen van concurrenten schaden of betrekking hebben op transacties tussen handelaars uit de werkingssfeer van Richtlijn 2005/29 zijn gesloten.
- Het Hof vernietigt dan ook het toenmalig bestreden arrest dat stelde dat het verbod ingesteld door dat artikel niet onder het toepassingsveld valt van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken, en het verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.
- De appelrechters op verwijzing oordelen in hun arrest van 6 februari 2014 dat - nu artikel 53, §1, WHPC, ondanks de door de nationale wetgever aangevoerde dubbele doelstelling, er in werkelijkheid enkel toe strekt de concurrentiële relaties tussen de handelaars te regelen, en gelet op de overige garanties door de WHPC geboden, niet effectief bijdraagt tot de consumentenbescherming - deze bepaling buiten het toepassingsgebied van de Richtlijn (oneerlijke handelspraktijken) valt.
- Tegen deze beslissing voert eiseres een enig middel tot cassatie aan dat het bestreden arrest verwijt, ingevolge schending van artikel 53, inzonderheid §1,Wet Handelspraktijken en van de artikelen 1, 3.1 en 5 van de Richtlijn 2005/29 oneerlijke handelspraktijken, niet naar recht verantwoord te zijn. II. BESPREKING VAN HET MIDDEL A. Wetgeving en evolutie
- De Europese richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt
(5)had tot doel om de (zeer) diverse nationale bepalingen inzake handelspraktijken te harmoniseren
(6)en bestrijkt een zeer ruim materieel toepassingsgebied
(7)in de mate dat een handelspraktijk door artikel 2, d) van de richtlijn wordt omschreven als "iedere handeling, omissie of gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten". In het raam van het personeel toepassingsgebied
(8)dient de maatregel de bescherming van de consument te beogen
(9). Overeenkomstig considerans 6 van de richtlijn vallen "nationale wetten betreffende oneerlijke handelspraktijken die alleen de economische belangen van concurrenten schaden of betrekking hebben op transacties tussen handelaars" buiten het toepassingsgebied. 2. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument (WHPC) blijkt dat artikel 53 van deze wet wel degelijk tot doel had om zowel de handelaars als de consument te beschermen. Zo werd de sperperiode destijds door de wetgever op tweevoudige wijze verantwoord: enerzijds beoogde deze sperperiode (ter beschikking van de consument) de doorzichtigheid en juistheid van de prijzen die onmiddellijk vóór en tijdens de opruimingsperiodes werden toegepast, anderzijds moest zij de gelijkheid in de verkoopkansen waarborgen en het voortbestaan van de kleine handelaars veilig stellen (met name door het vrijwaren van gezonde concurrentievoorwaarden tussen de respectieve soorten van verkopers)
(10). 3. Waar deze wet reeds voor een eerste keer grondig werd gewijzigd door de wet van 5 juni 2007
(11)met het oog op de omzetting van de Europese richtlijn oneerlijke handelspraktijken, werd hij in 2010 afgeschaft en vervangen door de Wet betreffende de marktpraktijken en consumentenbescherming (WMPC)
(12). Naast het invoeren van enkele nieuwe bepalingen
(13)heeft de wetgever zich hierbij voornamelijk gefocust op het zoveel mogelijk behouden van de WHPC, en strekt het wetsontwerp er aan de ene kant toe de loyauteit tussen de deelnemers van het handelsverkeer te waarborgen, en beoogt het anderzijds de belangen van de consument te vrijwaren door o.m. te garanderen dat deze een voldoende, gepaste en juiste voorlichting krijgt
(14). Op enkele kleine aanpassingen na (i.v.m. de beperking van de duur en het toepassingsgebied van de sperperiode) werd artikel 53 WHPC volledig hernomen in artikel 32 WMPC. 4. Bij wet van 21 december 2013
(15)werd de Wet betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming ingevoegd in het Wetboek van economisch recht. In de memorie van toelichting verduidelijkte de wetgever de nieuwe ratio legis van het huidige artikel VI. 29 dat over de sperperiode handelt, en dat niet overeenstemt met de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever bij de invoeging van deze bepaling: "De sperperiode strekt er niet toe de belangen van de consument te beschermen (...), maar wel de belangen van de kleinere detailhandelszaken". Verder wordt in de memorie van toelichting nog eens expliciet bepaald dat "het verbod om prijsverminderingen aan te kondigen tijdens de sperperiode dus uitsluitend een gezonde mededinging tussen professionelen beoogt te waarborgen
(16). 5. In zijn advies hieromtrent verwijst de Raad van State naar zijn eerder advies inzake het ontwerp van de Wet betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming (WMPC) waarin wordt gesteld dat o.a. de sperperiode op gespannen voet leeft met de richtlijn oneerlijke handelspraktijken
(17). De Raad van State bekrachtigt zijn standpunt door enerzijds naar het arrest van het Hof van Cassatie van 2 november 2012 te verwijzen, en anderzijds te stellen dat in vergelijking met de WMPC deze bepaling niet gewijzigd is, en de spanning met de Europese richtlijn dus in voege blijft, aangezien het wettelijk kader onveranderd blijft
(18). B. Regelgeving en jurisprudentie: het aspect consumentenbescherming 1. Zoals uit het voorgaande blijkt, staat in de behandeling en evolutie van de in deze voorliggende problematiek derhalve de vraag centraal of de sperperiode aldus (al dan niet) consumentenbescherming beoogt. De grootste discussie hierbij gaat over het feit dat om dit te beoordelen een formeel criterium (dat afstemt op de ratio legis die de wetgever aan een maatregel geeft) dan wel een reëel criterium (dat nagaat of de maatregel effectief tot consumentenbescherming leidt) moet worden gehanteerd
(19). Daarnaast kan volgens bepaalde rechtsleer mogelijkerwijze zelfs ook nog worden gekeken naar het feit of de aard van de maatregel ertoe strekt de consument te beschermen
(20). 2. Zoals hierboven uiteengezet blijkt uit meerdere parlementaire stukken dat de wetgever initieel (alleszins in tempore non suspecto) een dubbele doelstelling bij de instelling van de sperperiode vooropstelde, waarbij zowel een bescherming van de consumenten als van de concurrenten werd beoogd, en ook de Raad van State heeft in dat verband de wetgever reeds meerdere malen gewaarschuwd m.b.t. de incorrecte omzetting van de Europese richtlijn in een aangepaste nationale regulering. Eenzelfde vaststelling werd gedaan door het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 2 maart 1995
(21)waarin het uitdrukkelijk bepaalde dat "Artikel 53, §1, eerste en tweede lid, van de wet van 14 juli 1991 moet worden gesitueerd in het licht van de doelstelling van de wetgever" en dat één van de doelstellingen bestond in "het bereiken van doorzichtigheid en juistheid van de onmiddellijk voor en tijdens de opruimingsperiode toegepaste prijzen".
- Ook het Hof van Cassatie heeft in zijn arrest van 2 november 2012 vastgesteld dat "de wetgever met de invoering van artikel 53, §1, eerste lid, WHPC mede beoogde de consument te beschermen", op basis waarvan het Hof het toenmalig bestreden arrest vernietigde, dat stelde dat het verbod van aankondigingen van prijsverminderingen tijdens de sperperiode niet kon worden gezien als een maatregel van consumentenbescherming.
- Naast de beschikking van het Hof van Justitie van 15 december 2011
(22)die tot voormeld arrest van het Hof van Cassatie aanleiding had gegeven, was ook reeds door de rechtbank van koophandel te Dendermonde een gelijkaardige prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie gesteld, die geleid heeft tot de (WAMO) beschikking van 30 juni 2011
(23). Hierin oordeelde het Hof van Justitie dat de richtlijn 2005/29/EG aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale bepaling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die op algemene wijze aankondigingen van prijsverminderingen en suggesties daarvan tijdens de sperperiode verbiedt, voor zover deze bepaling de bescherming van de consumenten beoogt. 5. Waar op basis van het formeel criterium aldus moeilijk kan worden ontkend dat de sperperiode wel degelijk consumentenbescherming beoogt, gaan de voorstanders van de reële strekking in de rechtsleer er echter van uit dat het niet volstaat enkel de dubbele doelstelling van enerzijds bescherming van consumenten en anderzijds bescherming van concurrenten aan te halen, maar moet er volgens hen gekeken worden naar het feit of de doelstelling van consumentenbescherming effectief wordt bereikt
(24). In dat kader stellen zij vervolgens vast dat de effectieve doelstelling de bescherming van de kleine handelaar is
(25). Deze auteurs verwijzen hierbij naar de arresten van het hof van beroep te Brussel van 12 mei 2009 (dat in deze door het Hof eerder werd vernietigd) en van het hof van beroep te Antwerpen van 6 februari 2014 (waartegen thans huidig cassatieberoep loopt) die eveneens het reëel criterium aanwenden. 6. In zoverre de reële strekking er zich op beroept dat het Hof van Justitie geoordeeld heeft dat het daadwerkelijk doel van een maatregel dient te worden nagegaan en dat dit Hof steeds het reëel criterium zou hebben vooropgesteld, kan dit m.i. evenwel alleszins niet uit zijn beschikking van 15 december 2011 worden afgeleid. Nu het Hof het integendeel net aan de nationale rechter overlaat om het oogmerk van de nationale regeling te bepalen
(26), legde het dit eveneens reeds eerder in zijn beschikking van 30 juni 2011 vast. Hierin oordeelde het Hof dat juist omdat "de doelstellingen van artikel 53, §1, WHPC niet duidelijk uit de verwijzingsbeslissing blijken" het niet bevoegd is het nationale recht uit te leggen, en het aan de nationale rechter is om na te gaan welke die doelstellingen nu juist zijn
(27). Deze beschikking stelt meer bepaald eerst dat, overeenkomstig punt 6 van de considerans van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken, nationale regelingen betreffende dergelijke praktijken die alleen de economische belangen van concurrenten schaden of betrekking hebben op transacties tussen handelaren, uitgesloten zijn van de werkingssfeer van deze richtlijn. Vervolgens stelt het Hof dat "het aan de verwijzende rechter is om te oordelen of art. 53 WHPC daadwerkelijk de bescherming van de consument beoogt om na te gaan of deze bepaling vervolgens binnen de werkingssfeer van de richtlijn kan vallen". In voormelde context verwijst het woord "daadwerkelijk" m.i. hier evenwel niet naar het reële criterium, maar naar het feit dat het aan de verwijzende rechter is om effectief uit te zoeken of deze bepaling enige vorm van consumentenbescherming tot doel heeft
(28). Deze redenering wordt bovendien nog kracht bijgezet doordat de term "daadwerkelijk" vooreerst niet meer voorkomt in de beschikking van het Hof van 15 december 2011, en doordat het woord "daadwerkelijk" meteen gevolgd wordt door het woord "beogen". Uit dit alles kan m.i. aldus zeker niet (onbetwistbaar) geconcludeerd worden dat in casu enkel aan het reële criterium getoetst moet worden, en staat het mij dan ook voor dat bijgevolg eveneens tenminste rekening moet worden gehouden met hetgeen de wetgever voor ogen had. 7. Een benadering op het vlak van de reële strekking waarbij men gaat kijken naar het daadwerkelijk effect in de praktijk lijkt mij bovendien een (te) flexibel en tot minder stabiliteit en eenduidigheid bij de beoordeling aanleiding gevend hanteerbaar criterium, nu de mogelijkheid op zeer uiteenlopende analyses (binnen één lidstaat, maar ook tussen de lidstaten) de harmonisatie zoals vooropgesteld in de doelstelling van de Europese richtlijn oneerlijke handelspraktijken zeker niet zal bevorderen
(29). 8. In de nasleep van de reële strekking wordt bovendien geargumenteerd dat de sperperiode niet leidt tot consumentenbescherming aangezien andere bepalingen (op het vlak van de juistheid en transparantie inzake prijzen en in het kader van aankondigingen van prijsverminderingen: cf. de art. 2, 3, 26, 43 en 94/12 WHPC) hier reeds voor zorgen
(30). 9. Deze redenering/argumentering miskent m.i. echter het feit dat consumentenbescherming niet de enige of de voornaamste doelstelling dient te zijn. Het is immers voldoende dat een maatregel mede of zelfs in ondergeschikte orde consumentenbescherming beoogt
(31). Waar er dus geen evenredigheidstoetsing van de maatregel aan het doel van de consumentenbescherming dient te gebeuren, neemt bovendien de omstandigheid dat er andere maatregelen in de WHPC zijn die ook consumentenbescherming waarborgen m.i. echter geenszins weg dat het in artikel 53 WHPC bedoelde verbod van aankondiging of suggesties van prijsverminderingen gedurende een sperperiode wel degelijk ook de consumentenbescherming beoogt. Het is immers niet omdat andere wetsbepalingen eveneens bescherming verwezenlijken dat de bepaling inzake de sperperiode niet "effectief" bijdraagt tot de door de wetgever vooropgestelde bescherming van de consument. Het tegengestelde beweren, lijkt alleszins afbreuk te doen aan de wil van de wetgever om met de bedoelde bepaling inzake de sperperiode ook de consument te beschermen. Bovendien lijkt, zoals eerder gezegd, de vraag of een maatregel uiteindelijk effectief bijdraagt tot het doel dat de wetgever beoogde geen criterium te zijn in de rechtspraak van het Hof van Justitie
(32). C. Beoordeling 1. Op grond van voormelde benadering komt het mij dan ook voor dat artikel 53 WHPC, zoals te dezen van toepassing, er tevens toe strekt de consument te beschermen, en dat ingevolge de overweging van het Hof van Justitie van 15 december 2011 (randnummer 30: indien artikel 53, §1, WHPC er echter ook toe strekt de consument tegen dergelijke praktijken te beschermen, dan moet worden geoordeeld dat de in het hoofdgeding verboden aankondigingen van prijsverminderingen en suggesties daarvan handelspraktijken in de zin van artikel 2, sub d, van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken vormen en dus aan de voorschriften van deze richtlijn onderworpen zijn) dit artikel derhalve wel degelijk in strijd is met de Europese richtlijn oneerlijke handelspraktijken
(33).
- Ik ben dan ook van oordeel dat het bestreden arrest zijn beslissing niet naar recht verantwoordt, en dat het enig middel derhalve gegrond is. III. TOEPASSELIJKHEID VAN ARTIKEL 1119 GERECHTELIJK WETBOEK
- Het in de huidige procedure door eiseres aangevoerde enig middel spruit naar mijn oordeel volledig voort uit datgene dat door haar in haar cassatieberoep tegen de eerste beslissing (van het hof van beroep te Brussel van 12 mei 2009) werd aangevoerd.
- Dit middel werd in zijn derde onderdeel in het arrest van het Hof van Cassatie van 2 november 2012 gegrond verklaard, en het bestreden arrest werd dienvolgens in zoverre vernietigd en de aldus beperkte zaak werd naar het hof van beroep te Antwerpen verwezen.
- Artikel 1119 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat wanneer, na cassatie, tegen de tweede beslissing dezelfde middelen worden aangevoerd als tegen de eerste, de zaak voor de verenigde kamers van het Hof van Cassatie wordt gebracht, samengesteld zoals bepaald in artikel 131 (van hetzelfde Wetboek).
- Gezien thans hetzelfde middel met dezelfde strekking wordt aangevoerd tegen de tweede beslissing (van de appelrechters op verwijzing, zijnde het hof van beroep te Antwerpen van 6 februari 2014) ben ik dan ook de mening toegedaan dat artikel 1119 Gerechtelijk Wetboek in deze dient te worden toegepast en de zaak voor de verenigde kamers van het Hof dient te worden gebracht. IV. CONCLUSIE: VERNIETIGING. ___________________________
(1)Zie ook Verslag van het Hof van Cassatie 2012, 26-28.
(2)Cass. 21 februari 2011, AR C.09.0436.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121102.7, AC 2011, nr. 151, met concl. OM.
(3)HvJ 15 december 2011, C-126/11, NV INNO t. VZW UNIZO e.a., curia.europa.eu., 2011.
(4)Cass. 2 november 2012, AR C.09.0436.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121102.7, AC 2012, nr. 586.
(5)Pb. L. 11 juni 2005, 149.
(6)L. DE BROUWER, Richtlijn 2005/29/EG van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken, TBH 2005, 790-793.
(7)HvJ 23 april 2009, VTB-VAB arrest, C-261/07 en C-290/07, TBH 2009, 770, noot L. DE BROUWER.
(8)HvJ 14 januari 2010, C-304/08, Jb. Mark. 2010, 260; HvJ 9 november 2010, C-540/08, Jb. Mark 2010, 271; HvJ 30 juni 2011, C-288/10, Jb. Mark. 2011, 276, noot B. KEIRSBILCK, RW 2011-2012, 1505.
(9)Considerans 8 Richtlijn 2005/29/EG; Cass. 20 mei 2008, TBH 2009, 396.
(10)Memorie van toelichting bij het wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 52, 53 en 68 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, Parl. St. Kamer 1992-1993, nr. 1158/1, 2; zie ook Verslag namens de commissie voor het bedrijfsleven en het wetenschapsbeleid m.b.t. het wetsontwerp betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de verbruiker, wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 14 juli 1971 betreffende de handelspraktijken teneinde de consument te garanderen dat inzake reclame en productinformatie één van de landstalen wordt gebruikt, Parl. St. Kamer 1990-1991, nr. 1240/20, evenals Gedr. St. Senaat, 1993-1994, nr. 862-2, 5 en 6, en Hand. Senaat, 1993-1994, 28 oktober 1993, 99 en 100.
(11)Wet van 5 juni 2007 tot wijziging van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, BS 21 juni 2007.
(12)Wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming, BS 12 april 2010, 20803.
(13)P. WYTINCK, Anderhalf jaar nieuwe wet marktspraktijken: overzicht en vooruitblik op het (gedeeltelijke) einde?, in N. RAGHENO en C. JAMMAERS (eds.), De onderneming en haar klanten ... to B and to C, Brussel, Bruylant, 2011,
(57), 58.
(14)Memorie van toelichting bij het wetsontwerp betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming, Parl. St. Kamer 2009-2010, nr. 2340/1, 7-8 en 54.
(15)Wet van 21 december 2013 houdende invoeging van boek VI "Marktpraktijken en consumentenbescherming" in het Wetboek van economisch recht en houdende invoeging van de definities eigen aan boek VI, en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan boek VI, in de boeken I en XV van het Wetboek van economisch recht; BS 30 december 2013,103506.
(16)Memorie van toelichting bij het wetsontwerp houdende invoeging van boek VI "Marktpraktijken en consumentenbescherming" in het Wetboek van economisch recht, Parl. St. Kamer 2012-2013, nr. 3018/1, 27.
(17)Advies van de Raad van State bij het wetsontwerp betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming, Parl. St. Kamer 2009-2010, nr. 2340/1, 170-171.
(18)Advies van de Raad van State bij het wetsontwerp houdende invoeging van boek VI "Marktpraktijken en consumentenbescherming" in het Wetboek van economisch recht, Parl. St. Kamer 2012-2013, nr. 3018/1, 138-139.
(19)Zie o.a. M. VANDENPLAS e.a., De conformiteit van de Belgische sperperioderegeling met de Europese consumentenrichtlijn, noot onder Cass. 2 november 2012, RW 2014-15,
(382), 383-387.
(20)J. STUYCK, Twee jaar wet marktpraktijken, in W. DEVROE e.a. (eds.), Economisch recht, die Keure, Brugge, 2011,
(105), 123-124.
(21)Arbitragehof 2 maart 1995, AA 1995, 325.
(22)B. KEIRSBILCK, De moeilijk te overschatten precedentswaarde van de Wamo - en Inno - beschikkingen van het Hof van Justitie, in Marktpraktijken, Intellectuele eigendom en Mededinging, Jaarboek 2011, H. DE BAUW (ed.), Kluwer, 292-311.
(23)B. KEIRSBILCK, De moeilijk te overschatten precedentswaarde van de Wamo - en Inno - beschikkingen van het Hof van Justitie, Marktpraktijken, Intellectuele eigendom en Mededinging, Jaarboek 2011, H. DE BAUW (ed.), Kluwer, 292-311.
(24)H. JACQUEMIN, L'interdiction des annonces de réduction en période d'attente à l'aune de la directive sur les pratiques commerciales déloyales, DAOR 2013,
(211), 216-219; J. LENAERTS, Les annonces de réduction de prix en période d'attente (présoldes): les entreprises entre le marteau de l'enclume? JT 2013, 220-223.
(25)C. DELFORGE, Les pratiques commerciales déloyales des entreprises à l'égard des consommateurs, in N. THIRION (ed.), Actualités en matière de pratiques du marché et protection du consommateur, Arthemis, Luik, 2011,
(7), 50; A. PUTTEMANS en R. GYORY, Qu'y a-t-il de neuf dans la nouvelle loi sur les pratiques du marché et la protection du consommateur (ex-LPCC) et qu'en est-il de sa compatibilité avec le droit européen?, BFR 2011,
(3), 29; J. STUYCK, De nieuwe richtlijn oneerlijke handelspraktijken. Gevolgen voor de wet op de handelspraktijken, TBH 2005, 901-915.
(26)H. DE WULF, B. KEIRSBILCK en E. TERRYN, Overzicht van rechtspraak. Handelsrecht en handelspraktijken 2003-2010, TPR 2011,
(921), 1118-1120; J. STEENNOOT, Het Hof van Justitie hakt geen knoop door over sperperiode, Juristenkrant 2011,
(3), 3; J. VANNEROM, Het verbod van aankondiging van prijsverminderingen tijdens de sperperiode binnenkort zelf versperd?, DDCR 2011,
(106), 106-109.
(27)HvJ 30 juni 2011, C-28-/10, WAMO BVBA/JBC NV e.a., Jb. Markt. 2011, 276, noot B. KEIRBILCK, RW 2100-2012, 1505 (punten 23-28).
(28)28 D. DEWULF en M-J HORSEELE, Is de "sperperiode", vastgelegd in art. 53 WHPC (nu art. VI.29 WER), in strijd met het Europese recht en bijgevolg ongeldig? Pilootproject Praksis, KU Leuven, Academiejaar 2014-2015, nr. 40. Contra J-S LENAERTS, Ordonnance Inno N.V.: les annonces de réduction de prix en période d'atteinte et leur conformité au droit européen: suite ... mais certainement pas fin!, REDC 2012, 554-556.
(29)P. WYTINCK, Anderhalf jaar nieuwe wet marktpraktijken: overzicht en vooruitblik op het (gedeeltelijk) einde? in N. RAGHENO en C. JAMMAERS (éds.), De onderneming en haar klanten ... to B and to C, Brussel, Bruylant, 2011,
(57), 106.
(30)H. DE BAUW, De gevolgen van het "koppelverkooparrest" van het Hof van Justitie van 23 april 2009 voor de sperperiode en enkele andere regels, Jb. Hand. 2008,
(331), 337-341; H. DE BAUW, De impact van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken op de regeling van de verkooppromoties onder de WHPC, DCCR 2006,
(3), 24-25.
(31)T. HEREMANS, Promoties inzake prijzen, in TOM HEREMANS (ed.), De nieuwe wet marktpraktijken en consumentenbescherming: alles over oud en nieuw, Larcier, Brussel, 2010,
(42), 43-49; B. KEIRSBILCK, Vijf jaar toepassing van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken in België, SEW 2012,
(451), 466.
(32)D. DEWULF en M-J HORSEELE, Is de "sperperiode" vastgelegd in art. 53 WHPC (nu art. VI. 29 WER), in strijd met het Europees recht en bijgevolg koppelverkooparrest" van het Hof van Justitie van 23 april 2009 voor de ongeldig?, Pilootproject Praksis, KU Leuven, Academiejaar 2014-2015, nr. 44.
(33)F. BOGAERT, D. BRULOOT, D. GOENS en R. STEENNOT, Wet marktpraktijken, Intersentia, 2010, 90-92; H. DE BAUW, De gevolgen van het "sperperiode en enkele andere regels, Jb. Hand. 2008,
(331), 343; L. DE BROUWER, La Cour de justice des Communautés européennes précise le champ d'application de la directive 2005/29/CE à propos des offres conjointes, TBH 2009,
(778), 778; H. DE WULF, B. KEIRSBILCK en E. TERRYN, Overzicht van rechtspraak. Handelsrecht en Handelspraktijken (2003-2010), TPR 2010, 921; B. KEIRSBILCK en J. STUYCK, Een kritische analyse van de wet marktpraktijken en consumentenbescherming, TBH 2010,
(703), 727; G. STRAETMANS en J. STUYCK, Wet marktpraktijken en consumentenbescherming, CBR-Jaarboek 2009-2010, Antwerpen, Intersentia, 2010, 615; J. STUYCK, Much ado about nothing? Een nieuwe etappe in de justitiële saga rond de sperperiodes, TBH 2014,
(395), 399; P. WYTINCK, Anderhalf jaar nieuwe wet marktpraktijken: overzicht en vooruitblik op het (gedeeltelijke) einde? in N. RAGHENO en C. JAMMAERS (eds), De onderneming en haar klanten ... to B and to C, Brussel, Bruylant, 2011,
(57), 57-111; B. KEIRSBILCK, Boeken VI en XIV. Marktpraktijken en consumentenbescherming, ook voor vrije beroepen, in B. KEIRSBILCK en E. TERRYN (eds.), Het wetboek van economisch recht: van nu en straks?, Intersentia, 162-168. PDF document ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20151029.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151029.9 citeert: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121102.7 geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.735 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.736 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.737 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div