id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 maart 2016 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160315.2 Rolnummer: P.15.1435.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2016-04-07 Raadplegingen: 547 - laatst gezien 2026-06-18 19:04 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De rechter is verplicht artikel 65, tweede lid, Strafwetboek, toe te passen indien hij vaststelt dat de voorwaarden daartoe zijn vervuld
(1).
(1)Zie: Cass. 17 december 2008, AR P.08.1233.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081217.5, AC 2008, nr. 737. Thesaurus CAS: STRAF - SAMENLOOP - Gescheiden berechting Vrije woorden: Collectief misdrijf - Toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek - Vaststelling dat de voorwaarden zijn vervuld - Gevolg Fiches 2 - 3 Indien een beklaagde met verwijzing naar een rechterlijke beslissing op geloofwaardige wijze aanvoert dat er gelet op die beslissing grond is om artikel 65, tweede lid, Strafwetboek toe te passen, kan de rechter die aanvoering niet verwerpen om de enkele reden dat die beklaagde geen bewijs van niet-verhaal overlegt
(1).
(1)Zie: Cass. 14 oktober 2008, AR P.08.0829.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081014.3, AC 2008, nr.
- Thesaurus CAS: STRAF - SAMENLOOP - Gescheiden berechting Vrije woorden: Collectief misdrijf - Toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek - Geloofwaardig verweer - Verwerping - Redengeving Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Straf - Samenloop - Gescheiden berechting - Toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek - Geloofwaardig verweer - Verwerping Annotaties Publicaties: Rechtskundig Weekblad [RW] - RAATS, Sanne; Noot 'De toepassing van art. 65, tweede lid Sw. en het bewijs van hoger beroep' - 2017-18, nr. 15, p. 577-
- Tekst van de beslissing P.15.1435.N H N O, alias ( ... ), beklaagde, aangehouden, eiser, vertegenwoordigd door mr. Maarten Vandermeersch, advocaat bij de balie te Kortrijk, met kantoor te 8500 Kortrijk, Burgemeester Nolfstraat 5, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 14 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het arrest bevestigt de door de eerste rechter voor de feiten der telastlegging J gedeeltelijk verleende vrijspraak. In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is eisers cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet en artikel 56, tweede lid, Strafwetboek: het arrest stelt ten onrechte de staat van wet-telijke herhaling vast; het Grondwettelijk Hof oordeelde met het arrest nr. 185/2014 van 18 december 2014 dat het vaststellen van de wettelijke herhaling bij gecorrectionaliseerde misdaden ongrondwettig is wegens een miskenning van het gelijkheidsbeginsel en dat die ongrondwettigheid rechtstreeks voortvloeit uit arti-kel 56, tweede lid, Strafwetboek; het arrest kon dan ook niet oordelen dat de vast-gestelde discriminatie niet enkel de uitwerking is van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek of dat die ten gepaste tijde moet worden aangevoerd voor de straf-uitvoeringsrechtbank; de handhaving door het Grondwettelijk Hof van de gevol-gen van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek nam een einde op 31 juli 2015 en het bestreden arrest werd na die datum gewezen.
- De vaststelling van de staat van wettelijke herhaling door het arrest is niet enkel gesteund op gecorrectionaliseerde misdaden waaraan de eiser is schuldig verklaard (telastleggingen A, B, C1, C2, C3, D, E1, E2 en E3), maar ook op wan-bedrijven waaraan hij is schuldig verklaard (telastleggingen F1, F2, G1, G2, G3, G4, H1, H2, H3, I en J (beperkt)). Het onderdeel bekritiseert niet eisers schuldig-verklaring aan die wanbedrijven en de vaststelling van de staat van wettelijke her-haling op basis van die wanbedrijven. Het onderdeel, al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet, ar-tikel 56, tweede lid, Strafwetboek en artikel 187, eerste en vijfde lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest stelt voor de feiten der telastleggingen A, C1, C2, C3, D, E1, E2, E3, F1, F2, G1, G2, G3, H2, I en J (voor zover betrekking hebbend op de periode van 28 december 2013 tot 12 juni 2014) ten onrechte de staat van wettelijke herhaling vast; het arrest oordeelt ten onrechte dat die staat kan worden vastgesteld voor de feiten gepleegd vanaf 18 december 2013 en verwerpt ten onrechte eisers stelling dat aangezien dit een verstekvonnis betrof, de wettelijke herhaling alleen kan worden vastgesteld voor feiten gepleegd na 12 juni 2014, dit is na het verstrijken van de gewone termijn van verzet die is ingegaan ingevolge de betekening op 27 mei 2014 van het verstekvonnis van 12 december 2013; de vaststelling van de wettelijke herhaling vereist immers een voorafgaande veroordeling waartegen geen rechtsmiddelen meer openstaan.
- De vaststelling van de staat van wettelijke herhaling door het arrest is niet enkel gesteund op vóór 12 juni 2014 gepleegde feiten waaraan de eiser is schuldig verklaard (telastleggingen B, E1, E2, E4, F2, G2, G4, H1, H3, I en J (voor zover gepleegd vóór 12 juni 2014)), maar ook op feiten gepleegd na die datum waaraan de eiser is schuldig verklaard (telastleggingen A, C1, C2, C3, D, E3, F1, G1, G3, H2 en J (voor zover gepleegd vanaf 12 juni 2014)). Het onderdeel bekritiseert niet de schuldigverklaring van de eiser aan de vanaf 12 juni 2014 gepleegde feiten en de vaststelling van de staat van wettelijke herhaling op basis van die feiten. Het onderdeel, al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 65, tweede lid, Strafwetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende het recht van verdediging: het arrest verwerpt ten onrechte eisers verzoek om met verwijzing naar het vonnis van de correctionele rechtbank Luxemburg, afdeling Neufchâteau, van 7 oktober 2014, waarvan een afschrift werd overgelegd, artikel 65, tweede lid, Strafwetboek toe te passen; dit verzoek kan niet worden afgewezen op de enkele grond dat geen attest van niet-verhaal wordt overgelegd; het arrest had de eiser of het openbaar ministerie in de gelegenheid moeten stellen alsnog aan te tonen dat de beslissing definitief was; het arrest is dan ook niet naar recht verantwoord.
- De rechter is verplicht artikel 65, tweede lid, Strafwetboek, toe te passen in-dien hij vaststelt dat de voorwaarden daartoe zijn vervuld. Indien een beklaagde met verwijzing naar een rechterlijke beslissing op geloof-waardige wijze aanvoert dat er gelet op die beslissing grond is om artikel 65, tweede lid, Strafwetboek toe te passen, kan de rechter die aanvoering niet verwer-pen om de enkele reden dat die beklaagde geen bewijs van niet-verhaal overlegt.
- Het arrest verwerpt eisers verzoek om gelet op het vonnis van de correctio-nele rechtbank Luxemburg, afdeling Neufchâteau, van 7 oktober 2014 artikel 65, tweede lid, Strafwetboek toe te passen op de enkele grond dat: "Er wordt door de beklaagde geen attest van geen verhaal voorgelegd, zodat het op vandaag niet ze-ker voorkomt dat het vonnis in kracht van gewijsde is getreden. Dit vonnis komt derhalve niet in aanmerking voor de toepassing van artikel 65, tweede lid, Straf-wetboek". Die beslissing is niet naar recht verantwoord. Het middel is gegrond. Omvang van de cassatie
- De vastgestelde onwettigheid leidt tot de cassatie van de aan de eiser opge-legde bestraffing met inbegrip van de veroordeling tot de bijdrage aan het Slacht-offerfonds, maar laat eisers schuldigverklaring onaangetast. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser tot straffen en tot een bijdra-ge aan het Slachtofferfonds veroordeelt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot vier vijfden van de kosten en houdt de beslissing over de overige kosten aan waarover de verwijzingsrechter zal dienen te beslissen. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Bepaalt de kosten in het geheel op 209,28 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechts-zitting van 15 maart 2016 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezig-heid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. F. Adriaensen S. Berneman E. Francis A. Lievens F. Van Volsem P. Maffei PDF document ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160315.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081014.3 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081217.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210223.2N.13 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div